Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1450

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
13-04-2021
Zaaknummer
16-163358-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 21-jarige man, zijn vriendin en schoonmoeder zijn alle drie schuldig aan de moord op een 50-jarige man bij het woonwagenkamp in Cothen ruim een jaar geleden. De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt de schutter tot een gevangenisstraf van 10 jaar en tbs met dwangverpleging. Zijn vriendin – en dochter van het slachtoffer – is veroordeeld tot een jeugddetentie van 22 maanden en de PIJ-maatregel, in de volksmond ook wel jeugd tbs genoemd. De schoonmoeder van de schutter – partner van het slachtoffer – heeft een gevangenisstraf van 12 jaar opgelegd gekregen.

In de ochtend van 26 maart 2020 vindt een schietpartij plaats bij het woonwagenkamp in Cothen. Het slachtoffer is bij zijn bestelbus neergeschoten en vrijwel direct overleden. Kort na de schietpartij is de schutter aangehouden. Hij heeft een relatie met de nu 20-jarige dochter van het slachtoffer. Bij de politie bekent hij de schutter te zijn. Hij wilde naar eigen zeggen met zijn schoonvader praten over de relatie die hij had met zijn dochter. Vanwege eerdere confrontaties nam hij voor zijn eigen veiligheid een vuurwapen mee dat de dochter voor hem regelde. Er was volgens hem geen plan om de man te doden.

De rechtbank gelooft dit verhaal niet. Uit het politieonderzoek blijkt dat dat plan er wel degelijk was. Alle drie de hoofdrolspelers waren daarvan op de hoogte en hadden een aandeel in dat plan. Dit blijkt niet alleen uit afgeluisterde en opgenomen gesprekken, maar ook uit bewijsmiddelen zoals de richting van de schoten en getuigenverklaringen. Zo maakte het drietal afspraken over de aanslag en werd een vuurwapen met munitie aangeschaft. Er was dus sprake van voorbedachten rade en dus van moord. Van een gemoedsopwelling – een uit de hand gelopen gesprek over de relatie – was geen sprake. Alle drie hadden ze de tijd om na te denken over de gevolgen van hun plan. De rechtbank vindt daarom ook dat er sprake is van medeplegen. Ieder had een belangrijke en onmisbare rol en ze hebben nauw samengewerkt. De 21-jarige man was de schutter, de dochter regelde het vuurwapen en zou de politie pas bellen als de schutter, haar vriend, gevlucht was. De echtgenoot was betrokken bij het maken van het moordplan en het bedenken van de vluchtroute. Ook heeft zij die ochtend gehandeld zoals iedere ochtend, terwijl ze wist dat haar man eenmaal buiten zou worden doodgeschoten.

Het slachtoffer heeft de schutter eerder bedreigd en mishandeld omdat hij de relatie van zijn dochter met hem niet accepteerde. Ook zijn er aanwijzingen dat de 50-jarige man zijn dochter mishandelde en mogelijk ook seksueel misbruikte. Maar dit rechtvaardigt in geen geval het plegen en plannen van een moord. Zowel de schutter als de dochter van het slachtoffer kampen met een stoornis. Naast een gevangenisstraf vindt de rechtbank een behandeling noodzakelijk. In het geval van de man betekent dat tbs met dwangverpleging. De rechtbank ziet aanleiding om de vriendin van de schutter volgens het jeugdstrafrecht te veroordelen. Zij krijgt dus de PIJ-maatregel opgelegd. De 28-jarige vrouw die het wapen aan de dochter verkocht is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16-163358-20

Vonnis van de meervoudige kamer van 9 april 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [2000] in [geboorteplaats] ,

nu verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Nieuwersluis.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De rechtszaak tegen [verdachte] heeft in het openbaar plaatsgevonden op de zittingen van 2 oktober 2020, 11 december 2020, 1 maart 2021, 2 maart 2021, 5 maart 2021 en 18 maart 2021. Op 1, 2, 5 en 18 maart 2021 is de zaak inhoudelijk behandeld. Op 18 maart 2021 is alleen de zaak van medeverdachte [medeverdachte 1] inhoudelijk besproken. [verdachte] was bij de inhoudelijke behandeling van haar eigen zaak aanwezig, waardoor juridisch gezien sprake is van een vonnis op tegenspraak. Het onderzoek op de zitting is op 9 april 2021 gesloten.

De rechtbank heeft tijdens de zitting gesproken met en geluisterd naar de standpunten van [verdachte] , haar advocaat mr. B.J. de Pree en de officier van justitie mr. A.C.M. Beneken genaamd Kolmer.

2 TENLASTELEGGING

De officier van justitie verdenkt [verdachte] ervan dat zij betrokken is geweest bij meerdere strafbare feiten. Deze verdenkingen staan beschreven in de tenlastelegging, die als bijlage is opgenomen in dit vonnis.

Kort gezegd verdenkt de officier van justitie [verdachte] ervan dat zij:

  1. op 26 maart 2020 in [woonplaats] samen met [medeverdachte 1] en haar moeder [medeverdachte 2] haar vader, [slachtoffer] , opzettelijk, met of zonder voorbedachten rade, van het leven heeft beroofd (primair), dan wel op die datum en die plaats [medeverdachte 1] en haar moeder [medeverdachte 2] heeft geholpen bij het opzettelijk, met of zonder voorbedachten rade, van het leven beroven van haar vader (subsidiair);

  2. op 25 maart 2020 in [woonplaats] een vuurwapen en munitie in bezit heeft gehad en heeft overgedragen aan [medeverdachte 1] .

3 VOORVRAGEN

Voordat de rechtbank een inhoudelijke beslissing kan nemen in de zaak tegen [verdachte] , moet de rechtbank eerst beoordelen of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag [verdachte] vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] samen met [medeverdachte 1] en haar moeder, [medeverdachte 2] , de moord op haar vader, [slachtoffer] , heeft gepleegd. De verklaring die [verdachte] over het schietincident heeft gegeven vindt hij ongeloofwaardig.

Ook vindt de officier van justitie dat bewezen kan worden dat [verdachte] het wapen met bijbehorende munitie heeft overgedragen aan [medeverdachte 1] . De officier van justitie vindt dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het bezit van het vuurwapen en de munitie, omdat [verdachte] het wapen en de munitie maar heel kort zelf in bezit heeft gehad en daardoor niet de beschikkingsmacht over die goederen zou hebben gehad.

Voor zover relevant worden de standpunten van de officier van justitie verder besproken onder het oordeel van de rechtbank.

4.2

Het standpunt van de advocaat

De advocaat van [verdachte] vindt dat zij moet worden vrijgesproken van de moord op haar vader. Volgens de advocaat passen de in het dossier aanwezige bewijsstukken ook in de verklaring die [verdachte] heeft gegeven – en weerleggen die verklaring niet - namelijk dat zij een wapen aan [medeverdachte 1] heeft gegeven zodat [medeverdachte 1] zich eventueel kon verdedigen indien het gesprek dat [medeverdachte 1] met haar vader wilde hebben op enigerlei wijze uit de hand zou lopen. Volgens de advocaat ontbreekt ieder opzet op het plegen van moord. Subsidiair bepleit de advocaat dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het medeplegen van moord. Volgens de advocaat kan, in het uiterste geval, alleen bewezen worden dat [verdachte] schuldig is aan medeplichtigheid aan doodslag op haar vader.

Voor zover relevant worden de standpunten van de advocaat verder besproken onder het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Feit 1

Inleiding

Op 26 maart 2020 om 06.58 uur kreeg de politie een melding van een schietpartij bij het woonwagenkamp in [woonplaats] . [slachtoffer] (hierna: ‘ [slachtoffer] ’) bleek te zijn doodgeschoten. Kort daarna werd [medeverdachte 1] (hierna: ‘ [medeverdachte 1] ’) opgepakt. De scooter van [medeverdachte 1] werd om de hoek van het woonwagenkamp door getuigen gezien en die getuigen zagen hem ook op deze scooter wegrijden. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij [slachtoffer] heeft doodgeschoten. [medeverdachte 1] heeft een relatie met de dochter van [slachtoffer] , genaamd [verdachte] (hierna: ‘ [verdachte] ’).

Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer] de relatie tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] al jarenlang niet accepteerde. [slachtoffer] had [medeverdachte 1] om die reden al eens in elkaar geslagen en had hem opgezocht bij de instelling waar hij destijds verbleef. [slachtoffer] had toen gedreigd de tent af te branden. [verdachte] heeft verklaard dat zij ongeveer twee weken vóór 26 maart 2020 aan haar vader heeft verteld dat zij weer contact met [medeverdachte 1] had. Haar vader was toen weer erg boos geworden.

Binnen het gezin stond [slachtoffer] bekend als een iemand die problemen vaak met lichamelijk geweld oploste. Volgens [verdachte] had [slachtoffer] haar twee of drie dagen voor zijn dood voor het laatst mishandeld. Dat had ze ook tegen [medeverdachte 1] verteld. [verdachte] heeft verklaard dat [slachtoffer] haar ook seksueel heeft misbruikt. [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben verklaard dat [slachtoffer] ook de halfzus van [verdachte] heeft misbruikt.

Vrij snel na het dodelijk schietincident werd door buurtbewoners besproken dat [verdachte] het betreffende wapen zou hebben geregeld. [verdachte] heeft verklaard dat zij inderdaad een wapen heeft gekocht en dit wapen aan [medeverdachte 1] heeft gegeven.

Later worden geluidsopnames aan de politie verstrekt waarin zowel [verdachte] als [medeverdachte 2] (roepnaam ‘ [roepnaam] ’, hierna: ‘ [medeverdachte 2] ’), de partner van [slachtoffer] , in gesprekken te horen zijn. In die opnames wordt door hen gesproken over een plan dat anders was verlopen dan gepland.

Alle verdachten ontkennen dat er een plan was om [slachtoffer] om het leven te brengen. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij alleen met [slachtoffer] in gesprek wilde gaan over de relatie tussen hem en [verdachte] . Het wapen zou hij voor zijn eigen veiligheid hebben meegenomen. [verdachte] zegt dat ze een wapen met munitie aan [medeverdachte 1] heeft gegeven zodat [medeverdachte 1] niet onbewapend een gesprek met haar vader zou aangaan.

In dit vonnis gaat de rechtbank eerst in op het (forensisch) onderzoek op de plaats delict en het onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer] , dan op de aanhouding van [medeverdachte 1] en zijn verklaringen bij de politie, daarna op de gebeurtenissen voorafgaand aan en vlak na de dood van [slachtoffer] , zoals het regelen van het wapen en de zojuist al genoemde geluidsopnames, en tot slot op de verklaringen van [medeverdachte 2] aan een derde en bij de politie. Vervolgens gaat de rechtbank in op de juridische beoordeling van de vragen of sprake is van wettig en overtuigend bewijs voor een vooropgezet (moord)plan en wat de rol van de verdachten daarin is geweest.

Bewijsstukken

(Forensisch) onderzoek plaats delict

Op 26 maart 2020 rond 06.58 uur kwam een melding bij de politie binnen van een schietpartij aan de [adres] in [woonplaats] . Het slachtoffer bleek [slachtoffer] te zijn. Vrij snel bleek dat [slachtoffer] overleden was.2 De partner van [slachtoffer] is [medeverdachte 2] .3 [verdachte] is zijn dochter.4

Getuige [getuige 1] verklaarde ter plaatse dat hij rond 06.37 uur een scooter zag staan op het [adres] , met de sleutels nog in het contactslot. Even later kwam een jongen aanrennen, die daarna wegreed op de scooter.5

De agenten die het forensisch onderzoek op de plaats delict hebben uitgevoerd, zagen dat [slachtoffer] naast een bedrijfswagen lag, dicht bij het bestuurdersportier. De bedrijfswagen gebruikte [slachtoffer] voor zijn werk. De bedrijfswagen stond met de neus in de richting van de woonwagen van [slachtoffer] . Enkele meters achter de bedrijfswagen zagen zij naast de groenstrook een peuk liggen. In de directe omgeving van de peuk lagen zeven hulzen van het kaliber 7.65 mm.6

Uit het pathologieonderzoek door het NFI aan het lichaam van [slachtoffer] bleek dat hij door drie schoten was geraakt; één schot op het hoofd, één schot in de rechterbovenarm en één schot rechts op de rug/in de rechterflank. De eerste twee schoten zijn doorschoten, het laatste schot (letsel J) betreft een inschot. Het schot op het hoofd heeft twee letsels veroorzaakt: F, hoog, rechts op het voorhoofd, en G, 0,8 cm richting de rug vanaf F. Het schot in de bovenarm heeft twee letsels veroorzaakt: H, zijwaarts (de rechtbank begrijpt: aan de buitenzijde) van de rechterbovenarm, en I, op de buigzijde (de rechtbank begrijpt: aan de binnenzijde) van de rechterbovenarm. In het lichaam, bij de hals, werd een stuk metaal gevonden (projectiel 1). Van letsel J naar projectiel 1 liep een wondkanaal met doorboring van onder andere de rechterborstholte tussen de vijfde en zesde rib, de bovenkwab en de wortel van de rechterlong, het hartzakje, de lichaamsslagader en het borstbeen.

Volgens de patholoog zijn de resultaten van het onderzoek waarschijnlijker als letsel H in de rechterarm het inschot en letsel I in de rechterarm het uitschot is, dan wanneer dit andersom is. De resultaten van het onderzoek zijn iets waarschijnlijker als letsel F in het hoofd het inschot en letsel G in het hoofd het uitschot is, dan wanneer dit andersom is.

De patholoog concludeert dat het overlijden van [slachtoffer] wordt verklaard door de verwikkelingen van het inschot in de rechterflank (letsel J). De andere twee schoten hebben geen wezenlijke bijdrage geleverd aan het overlijden.7

Aanhouding van [medeverdachte 1] en zijn verklaringen bij de politie

[medeverdachte 1] is vlak na de melding van het schietincident aangehouden. Dezelfde dag verklaarde hij dat hij degene was die op [slachtoffer] had geschoten.8 Toen [medeverdachte 1] werd voorgeleid aan de hulpofficier van justitie verklaarde hij dat hij het had gedaan omdat hij niet langer kon verdragen hoe zijn vriendin geslagen, geschopt en zelfs verkracht werd door haar vader. Ook verklaarde hij dat hij het heeft gedaan om de andere drie mensen uit het gezin te beschermen.9 In een later verhoor verklaarde [medeverdachte 1] dat hij in de nacht van 26 maart 2020 naar [woonplaats] is gereden. Hij is achter een soort heg gaan staan aan de achterkant van de bedrijfswagen van [slachtoffer] , zodat [slachtoffer] hem van tevoren niet zou kunnen zien.10

Op de camerabeelden van [instelling] , de instelling waar [medeverdachte 1] woonde, van 26 maart 2020 is te zien dat hij om 03.07 uur wegreed.11

Gebeurtenissen voorafgaand aan en vlak na de dood van [slachtoffer]

De telefoon van [medeverdachte 1] , een Samsung A7, werd tijdens de doorzoeking in zijn huis in beslag genomen.12 De telefoon is digitaal doorzocht. Het leek erop dat het toestel niet eerder was gebruikt of was teruggezet naar fabrieksinstellingen. Als datum en tijdstip van eerste gebruik werd 26 maart 2020 om 07.59 uur aangegeven.13 In een tapgesprek van 7 april 202014 zegt [verdachte] tegen [medeverdachte 1] “als het goed is staat er niks meer op jouw telefoon” en daarna “als het goed is is tie helemaal leeg getrokken”.15

[getuige 4] heeft verklaard dat [verdachte] [getuige 2] en [getuige 3] heeft benaderd voor het kopen van een wapen.16 [getuige 2] heeft verklaard dat hij geen wapen aan [verdachte] heeft geleverd.17 [getuige 3] heeft verklaard dat hij op de woensdag voor het incident (de rechtbank begrijpt: woensdag 25 maart 2020) door [verdachte] is benaderd. Hij heeft geen wapen aan [verdachte] geleverd.18 [getuige 3] heeft een screenshot van het gesprek met [verdachte] aan de politie overhandigd. Daarin is te lezen dat [verdachte] schrijft: “als k vandaag heb kan k donderdag betale”. Uit het gesprek blijkt dat [getuige 3] rond 16.18 uur aan [verdachte] liet weten dat hij niet aan een wapen kon komen.19

Nadat [getuige 3] had aangegeven geen wapen aan [verdachte] te kunnen leveren, heeft [verdachte] contact opgenomen met [medeverdachte 3] . Uit onderzoek naar de verkeersgegevens van de telefoon van [medeverdachte 3] blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 3] op 25 maart 2020 tussen 16.27 uur en 20.10 uur in totaal elf keer telefonisch contact hebben gehad.20 [verdachte] heeft verklaard dat zij op de avond van 25 maart 2020 had afgesproken met [medeverdachte 3] .21 [medeverdachte 3] heeft verklaard dat haar familie een zigeunerachtergrond heeft.22

Uit camerabeelden van de Rabobank in [woonplaats] blijkt dat [verdachte] op 25 maart 2020 tussen 19.35 uur en 19.42 uur in totaal € 1.500,- heeft gepind.23 [verdachte] heeft verklaard dat zij op de avond van 25 maart 2020 voor € 1.500,- een wapen heeft gekocht. 24 Verder verklaarde [verdachte] dat ze dat wapen vervolgens dezelfde avond aan [medeverdachte 1] heeft gegeven.25 Op de zitting heeft [verdachte] verklaard dat ze zag dat er ook kogels bij het wapen zaten.26

[verdachte] heeft ook verklaard dat haar vader altijd over de geldzaken ging. Hij bewaarde de pinpassen van [verdachte] en [medeverdachte 2] in zijn portemonnee. Als [verdachte] geld nodig had kreeg ze contant geld van haar vader.27

In een ander strafrechtelijk onderzoek (NIIZA) bevindt zich een letterlijke weergave van een WhatsApp-gesprek tussen een onbekende gebruiker en [medeverdachte 1] . Op 23 maart 2020 stuurt [medeverdachte 1] een bericht waarin hij vraagt of de ontvanger een ‘blaffer’ kan regelen. Op vragen of hij een echt vuurwapen of een ‘bb gun’ wil, antwoordt [medeverdachte 1] dat hij een echte moet hebben omdat het om zijn leven gaat. Hij stuurt “iemand wil me poppen”. De ander vraagt hierop wat [medeverdachte 1] dan gedaan heeft dat iemand hem wil ‘poppen’. [medeverdachte 1] antwoordt hierop “Ja mn schoonvader dies boos door mn oude ex vriendin daarom keurt die mijn relatie met zn dochter niet goed”. [medeverdachte 1] geeft aan dat hij het geld niet meteen heeft en schrijft “moet die klus doen en daarna had k t”. Op 24 maart 2020 schrijft [medeverdachte 1] “even druk 26ste lockdown” en “als jij die ding regelt kom ik voor je die shit doen heb ma 2 dagen nog”. In het gesprek is niet te lezen dat er daadwerkelijk een afspraak is gemaakt om een wapen te kopen.28

Geluidsopnames

In het dossier bevindt zich ook de uitwerking van geluidsopnames van een gesprek tussen [getuige 5] (vrouw 1) en [verdachte] (vrouw 3) en een gesprek tussen [getuige 5] (vrouw 1), [medeverdachte 2] (vrouw 2) en [verdachte] (vrouw 3). 29 Volgens [getuige 5] zijn deze gesprekken de dag na het overlijden van [slachtoffer] gevoerd.30 In die gesprekken werd onder andere het volgende gezegd:

“Vrouw 3: (…) Hij heeft mij ook gezegd dat wapen hebben ze niet bij mij gevonden.

(…)

Vrouw 1: Zeg me waar je 'm vandaan heb?

Vrouw 3: Zigeunermeid.

(…)

Ze heb ook nog een kind lopen.

(…)

Vrouw 3: Het was eigenlijk de bedoeling omdat het zou gebeuren en dat wij een kwartier tot 20 minuten later pas zouden bellen want dan was hij een tyfus end weg geweest dan had tie al voorbij Doorn geweest weet je wel, maar [A] is wakker geworden, daarom is er gelijk gebeld.”31

“Vrouw 2: Wat hij voor mij betekende? Helemaal niks.

Vrouw 1: Waarom staat tie daar dan?

Vrouw 1: Om de schijn op te houden?

Vrouw 2: Juist, voor de rest voor de rest voor de schijn op te houden.

Vrouw 1: Waarvoor heb je het dan haar vriendje laten doen, dan wist je toch dat het bij haar uit kwam. Hoe dom kan je.

Vrouw 2: Nee dat was niet de bedoeling op die manier, maar hij heb het zelf dom gedaan. Want ik heb nu gister heb ik te horen gekregen waar die z’n scooter neer had gezet, terwijl het plan anders was.

Vrouw 1: Ja dat hoorde ik vanavond. Het plan was dat jullie 3 kwartier later pas naar buiten zouden komen.

Vrouw 2: Nee, niet alleen dat.

Vrouw 1: Wat dan?

Vrouw 2: Hij zou zijn scooter ook op een andere plaats neer hebben gezet. (…) Die scooter zou die ergens neer hebben gezet waar niemand hem zag die scooter. Maar hij heb ’m voor ’t huis neer gezet bij een collegaatje van [B] van [B] .32

(…)

Vrouw 1: Maar hij heb ook niet, maar dan heb 't ook wel bekend, dat is toch met 'm afgesproken, dat hebben jullie toch met 'm afgesproken wat zou die verklaren waarom die dat gedaan heb?

Vrouw 2: Nee d’r was niks afgesproken.

Vrouw 3: Daarover niet.

Vrouw 2: Het was de bedoeling dat het gebeurd was dat hij weg zou gaan. Ja want ik ga vaak terug naar bed toe omdat hun corona hebben, vakantie hebben. (…) Dat was de bedoeling. En als je dan wakker wordt en er legt iemand ja dan ben je al te laat. Maar hij is een kant op gereden waar die de weg niet wist. Hij is die kant opgereden.

(…)

Want hij zou terug rijden richting Doorn en als hij dan voorbij als hij dan thuis was zou die haar een appje sturen: Ik ben thuis. En dan zouden we pas politie bellen. Dat was er afgesproken, niet wetende dat het zo loopt.

Vrouw 1: Maar wie zou ’m vinden jij of zij?

Vrouw 3: Dat maakte niet uit.

Vrouw 2: Dat maakte niet uit, daar hebben we geen afspraak over gemaakt.

Vrouw 1: Maar hoe voelde het dan, hebben jullie de nacht gewoon helemaal geslapen? Jij, gewoon geslapen?

Vrouw 2: Wanneer?

Vrouw 1: Dat je wist dat het ging gebeuren?

Vrouw 2: Nee.33

(…)

Vrouw 2: Ik wil best nu me eigen aankleden, ga ik naar het politiebureau, geef ik me eigen aan. Zeg ik dat ik de opdrachtgever ben dat het mijn schuld is.34

(…)

Vrouw 1: En wie heb dat wapen opgehaald?

Vrouw 3: Ik.

Vrouw 1: Jij. Mama heb de centen gegeven?

Vrouw 3: Nee die heb ik gepakt.”35

Verklaringen [medeverdachte 2]

Op 26 juli 2020 werd [getuige 6] , hulpverleenster van het gezin van [slachtoffer] en [medeverdachte 2] , gehoord bij de politie. Op de vraag van de politie op welke wijze [roepnaam] betrokken is bij de dood van [slachtoffer] antwoordde zij: “Ze heeft op een gegeven moment tegen mij gezegd dat ze me wat wilde vertellen, ze zei toen letterlijk: “ik was ervan op de hoogte.”36

In haar eerste verklaring bij de politie vertelde [medeverdachte 2] dat het de ochtend van 26 maart 2020 thuis normaal verliep. Net als altijd had ze koffie gezet en de broodtrommel van [slachtoffer] klaar gemaakt, vertelde ze. Toen zij op de wc zat gaf hij haar nog een zoen. Daarna pakte hij zijn koelbox en liep hij de deur uit.37

Interpretatie van de bewijsstukken

Een vooropgezet (moord)plan?

De verklaringen van verdachten

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij niet van plan was om [slachtoffer] dood te schieten. Hij wilde slechts een gesprek met [slachtoffer] voeren over zijn relatie met zijn dochter [verdachte] . Voor zijn eigen veiligheid had hij een geladen vuurwapen met extra munitie meegenomen, zodat hij zich kon verdedigen op het moment dat het gesprek uit de hand zou lopen. Op die manier kon hij [slachtoffer] ook laten zien dat het ‘menens’ was. Op het moment dat [slachtoffer] in zijn bedrijfsbus stapte, heeft [medeverdachte 1] naar eigen zeggen een waarschuwingsschot op de spiegel van de bus gelost. Volgens [medeverdachte 1] is [slachtoffer] daarna uit zijn bus gestapt. [slachtoffer] zei toen “ik maak je af”, greep vervolgens naar een mes en liep recht op [medeverdachte 1] af.

[verdachte] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] tegen haar vertelde dat hij met haar vader wilde gaan praten. [verdachte] wilde dat niet. Omdat zij wist hoe agressief haar vader was, wilde zij dat [medeverdachte 1] een vuurwapen meenam voor het geval hij zich zou moeten verdedigen. Zij heeft dat wapen vervolgens op de avond vóór de dood van haar vader gekocht. [verdachte] verklaarde op de zitting niets te weten van pogingen van [medeverdachte 1] om een wapen te regelen. Volgens [verdachte] hadden zij en [medeverdachte 1] afgesproken dat [medeverdachte 1] contact met haar zou opnemen als hij na het gesprek weer thuis was. Dan kon eventueel de politie worden gebeld, omdat het gesprek zeer waarschijnlijk tot grote woede en agressie bij haar vader [slachtoffer] zou hebben geleid.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij niet wist dat er een gesprek tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer] zou plaatsvinden, laat staan dat er een vuurwapen door [medeverdachte 1] zou worden meegenomen. Pas na de dood van [slachtoffer] had [verdachte] haar verteld dat [medeverdachte 1] met [slachtoffer] wilde praten en dat [verdachte] voor de veiligheid van [medeverdachte 1] een vuurwapen had gekocht en aan [medeverdachte 1] had gegeven.

De geluidsopnames

Uit de hierboven besproken geluidsopnames leidt de rechtbank af dat er vooraf door verdachten is besproken wat er stond te gebeuren op 26 maart 2020. In het gesprek, dat slechts één dag na de schietpartij plaatsvond, spreken [verdachte] en [medeverdachte 2] over ‘de bedoeling’. Ook hebben zij het vaker over ‘we’ of ‘wij’. [medeverdachte 2] benoemt daarnaast ‘het plan’ en wat er was ‘afgesproken’.

Zo zegt [verdachte] in een gesprek tussen haar en [getuige 5] : “Het was eigenlijk de bedoeling omdat het zou gebeuren en dat wij een kwartier tot 20 minuten later pas zouden bellen (...) dan had tie al voorbij Doorn geweest (…) maar [A] is wakker geworden, daarom is er gelijk gebeld” en [medeverdachte 2] vervolgens in een ander gesprek tussen haar, [verdachte] en [getuige 5] : “Want ik heb nu gister heb ik te horen gekregen waar die z’n scooter neer had gezet, terwijl het plan anders was. (…) Het was de bedoeling dat het gebeurd was dat hij weg zou gaan. (…) En als je dan wakker wordt en er legt iemand ja dan ben je al te laat. (…) Want hij zou terug rijden richting Doorn en als hij dan voorbij als hij dan thuis was zou die haar een appje sturen: Ik ben thuis. En dan zouden we pas politie bellen. Dat was er afgesproken.” Uit het gesprek blijkt ook dat er, anders dan gepland, eerder naar de politie is gebeld omdat [A] wakker was geworden.

In het gesprek wordt ook gesproken over waar [medeverdachte 1] zijn scooter had moeten neerzetten en wie ‘hem’ zou vinden. Over dat laatste wordt door zowel [medeverdachte 2] als [verdachte] gezegd dat dat niet uitmaakte. Op de vraag van [getuige 5] of [medeverdachte 2] gewoon heeft geslapen de nacht van 25 op 26 maart, terwijl ze wist dat het ging gebeuren, antwoordt [medeverdachte 2] met “nee”.

De verdediging heeft erop gewezen dat het ‘plan’ waarover in de geluidsopnames wordt gesproken, niet hoeft te zien op een moordplan. Volgens de verdediging kan het plan ook gaan over het plan van [medeverdachte 1] om met [slachtoffer] te gaan praten. De rechtbank kan deze gesprekken echter niet anders interpreteren dan dat verdachten voorafgaand aan 26 maart 2020 afspraken hebben gemaakt over het doden van [slachtoffer] . De gesprekken bieden geen steun aan het door de verdachten geschetste scenario. Naar het oordeel van de rechtbank zijn bepaalde zaken die worden besproken zelfs in strijd met de verklaringen van verdachten. Zo kan de rechtbank de opmerking dat het niet uitmaakte wie ‘hem’ zou ‘vinden’, niet rijmen met de verklaring van verdachten. Volgens het verhaal van verdachten zou er namelijk niemand te vinden zijn of iemand ‘leggen’, waardoor het “al te laat zou zijn”. Bovendien past ook het later bellen van de politie niet bij de verklaring van verdachten. Als [medeverdachte 1] immers daadwerkelijk een gesprek met [slachtoffer] had gevoerd, waarna [slachtoffer] kwaad en agressief zou kunnen zijn geworden, zou het inschakelen van de politie na een kwartier of zelfs pas als [medeverdachte 1] thuis was veel te laat zijn. In dit kader vindt de rechtbank ook opvallend dat [verdachte] en [medeverdachte 2] daar onafhankelijk, namelijk in twee verschillende gesprekken, precies hetzelfde over verklaren; [medeverdachte 1] zou richting Doorn rijden en de politie zou pas worden gebeld als [medeverdachte 1] al een eind weg zou zijn. Verder kan de rechtbank de opmerking “Want ik heb nu gister heb ik te horen gekregen waar die z’n scooter neer had gezet, terwijl het plan anders was” en “Die scooter zou die ergens neer hebben gezet waar niemand hem zag die scooter”, niet anders duiden dan dat er afspraken zijn gemaakt over waar [medeverdachte 1] zijn scooter moest neerzetten, namelijk op een plek waar niemand de scooter zag. Niet valt in te zien waarom [medeverdachte 1] zijn scooter op een plek moest zetten waar niemand hem zag, als hij slechts een gesprek met [slachtoffer] wilde voeren dat mogelijk uit de hand zou lopen. Tot slot blijkt uit de opgenomen gesprekken dat [verdachte] en [medeverdachte 2] weliswaar bespraken dat het niet volgens plan is gegaan, maar de ‘fout’ die [medeverdachte 1] had gemaakt was niet zozeer dat hij [slachtoffer] had doodgeschoten, maar dat hij zijn scooter op een verkeerde plek had gezet en dat hij een richting op was gereden waar hij de weg niet kende. Ook daaruit leidt de rechtbank af dat het plan wel degelijk was gericht op het doden van [slachtoffer] .

De informatie uit de geluidsopnames vindt op bepaalde punten ook steun in andere bewijsstukken. Zo vertelt [verdachte] dat ze zelf de centen heeft gepakt voor het wapen en het wapen heeft gekocht van een zigeunermeid. Uit de camerabeelden van de Rabobank in [woonplaats] van 25 maart 2020 blijkt dat [verdachte] inderdaad heeft gepind. Zij had vervolgens een afspraak met [medeverdachte 3] , die uit een zigeunerfamilie komt. Daarnaast wordt ook besproken dat [medeverdachte 1] zijn scooter op een plek zou zetten waar niemand hem zag, maar dat kennelijk niet heeft gedaan. Uit de bewijsstukken blijkt inderdaad dat de scooter van [medeverdachte 1] op een pad stond waar getuigen de scooter hebben gezien. Tot slot blijkt uit de verklaring van getuige [getuige 6] dat [medeverdachte 2] wetenschap had van wat er stond te gebeuren op de vroege ochtend van 26 maart 2020.

Wapen regelen door [verdachte] en [medeverdachte 1]

De rechtbank leidt uit de bewijsstukken ook af dat [verdachte] en [medeverdachte 1] contact hebben gehad over het kopen van een vuurwapen dat op 26 maart 2020 moest worden gebruikt. Zij overweegt daarover het volgende.

Zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] waren in de dagen voorafgaand aan 26 maart 2020 op zoek naar een vuurwapen. Op 25 maart 2020 lijkt daar nog meer haast bij te zitten. Kort nadat [getuige 3] heeft aangegeven dat hij geen vuurwapen kon leveren, neemt [verdachte] contact op met [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] gaat dezelfde avond nog langs bij [verdachte] . [verdachte] heeft vlak vóór de afspraak met [medeverdachte 3] € 1.500,- gepind, waar zij die avond een wapen van heeft gekocht. De rechtbank gaat ervan uit dat het vuurwapen door [medeverdachte 3] op de avond van 25 maart 2020 is overgedragen aan [verdachte] . Dezelfde avond nog geeft [verdachte] het vuurwapen door aan [medeverdachte 1] .

Op grond van deze aaneenschakeling van gebeurtenissen is de rechtbank ervan overtuigd dat [verdachte] en [medeverdachte 1] uiterlijk op 25 maart 2020 een vuurwapen nodig hadden. De rechtbank is er ook van overtuigd dat dat vuurwapen gebruikt moest worden om [slachtoffer] te doden. Naast wat in dat kader hierboven al is opgemerkt over de geluidsopnames, heeft [verdachte] het geld voor het vuurwapen namelijk van een rekening gehaald waar zij volgens haar eigen verklaring niet over mocht beschikken, omdat haar vader over de geldzaken ging. Dat [verdachte] desondanks het geld van die rekening heeft gehaald, wijst er volgens de rechtbank op dat al vaststond dat [slachtoffer] niet zou ontdekken dat het geld van de rekening was gehaald. Voor die conclusie vindt de rechtbank ook van belang dat [medeverdachte 1] op 24 maart 2020 in een WhatsAppbericht schreef dat hij nog maar twee dagen had en dat er op de 26e een ‘lockdown’ was. De rechtbank gaat ervan uit – gelet op de kennelijke context van dit gesprek – dat met ‘die ding’ een wapen wordt bedoeld.

Dit alles, in combinatie met de conclusies van de rechtbank over de geluidsopnames, maakt dat de rechtbank ervan overtuigd is dat [verdachte] en [medeverdachte 1] beiden op zoek waren naar een vuurwapen waarmee [slachtoffer] op 26 maart 2020 gedood zou worden.

Gedrag [medeverdachte 1] rondom schietpartij

Achter de bedrijfswagen die [slachtoffer] voor zijn werk gebruikte zijn zeven hulzen gevonden. [medeverdachte 1] heeft zelf ook verklaard dat hij op een plek is gaan staan waar [slachtoffer] hem niet kon zien. Daaruit leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 1] zich verdekt heeft opgesteld. Daarnaast blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 1] en de camerabeelden van [instelling] dat [medeverdachte 1] midden in de nacht naar [woonplaats] is vertrokken. Dat betekent dat [medeverdachte 1] al een behoorlijke tijd klaarstond toen [slachtoffer] uiteindelijk naar zijn bedrijfswagen toeliep. Deze omstandigheden vindt de rechtbank niet passen bij het scenario dat [medeverdachte 1] slechts een gesprek met [slachtoffer] aan wilde gaan en wijzen er naar het oordeel van de rechtbank eerder op dat [medeverdachte 1] met het voornemen om [slachtoffer] te doden naar [woonplaats] is gereden en [slachtoffer] heeft opgewacht.

Zelfverdediging?

De rechtbank oordeelt daarnaast dat niet aannemelijk is geworden dat [medeverdachte 1] zich moest verdedigen tegenover [slachtoffer] . Daarbij betrekt de rechtbank ook dat de schootrichtingen, waaruit de rechtbank concludeert dat in ieder geval het dodelijke schot (letsel J) [slachtoffer] vanaf de achter-/zijkant van zijn lichaam heeft geraakt, geen steun bieden aan het scenario dat [slachtoffer] dreigend met een mes recht op [medeverdachte 1] kwam aflopen toen [medeverdachte 1] (onder dreiging van een vuurwapen) een gesprek met [slachtoffer] probeerde te voeren. Verder betrekt de rechtbank daarbij dat [medeverdachte 1] in zijn eerste verklaring niet heeft verklaard over zelfverdediging of een uit de hand gelopen gesprek: [medeverdachte 1] verklaarde dat hij ‘het’ gedaan had omdat hij [verdachte] en haar gezin wilde beschermen.

Het wissen van de telefoon van [medeverdachte 1] door [verdachte]

Uit de bewijsstukken volgt dat [verdachte] de telefoon van [medeverdachte 1] heeft ‘leeggetrokken’. De politie heeft ook gezien dat de telefoon van [medeverdachte 1] op 26 maart 2020 om 07.59 uur qua instellingen voor het eerst in gebruik was. Dat betekent dat [verdachte] vóór die tijd de telefoon van [medeverdachte 1] terug heeft gezet naar fabrieksinstellingen en de gegevens die op de telefoon stonden daaraf heeft gehaald. Gelet op wat de rechtbank hiervoor al heeft geconcludeerd over het moordplan in combinatie met de datum en het tijdstip van het wissen, één uur na het doodschieten van [slachtoffer] , kan de rechtbank het wissen van de telefoon niet anders begrijpen dan dat er zo snel mogelijk na het schietincident belastende informatie van de telefoon moest worden gehaald.

Conclusie

Al het voorgaande – in het bijzonder ook de wijze waarop de handelingen elkaar hebben opgevolgd – brengt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake was van een poging om een gesprek te voeren met [slachtoffer] , eventueel onder dreiging van een vuurwapen, zoals verdachten hebben verklaard. De rechtbank wordt in die conclusie ook nog gesterkt door het feit dat sprake was van een hoogoplopend conflict tussen [slachtoffer] en [medeverdachte 1] , terwijl ook in de thuissituatie al lange tijd een dreigende situatie bestond. Alle verdachten hadden dus een motief en in zijn eerste verklaring benoemt [medeverdachte 1] dat motief (dat [slachtoffer] [verdachte] zou mishandelen en verkrachten en ook de andere gezinsleden beschermd moesten worden) ook als reden voor zijn handelen.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat er voorafgaand aan de dood van [slachtoffer] afspraken zijn gemaakt over het doden van hem en over de rolverdeling tussen de verdachten.

Voorbedachten rade?

Met het maken van afspraken over het doden van [slachtoffer] en het daartoe aanschaffen van een vuurwapen met munitie staat wat de rechtbank betreft ook vast dat er sprake was van voorbedachten rade, en dus van moord. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat uit vaste jurisprudentie volgt dat voor bewezenverklaring van voorbedachten raad voldoende is dat komt vast te staan dat verdachten tijd hadden zich te beraden op het nemen of het genomen besluit, zodat zij de gelegenheid hadden na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Daarvan is in dit geval evident sprake. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin de (mede)verdachte zou hebben gehandeld, is niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.

Rolverdeling – medeplegen?

De rechtbank moet de vraag beantwoorden wat de rol van verdachten is geweest bij het plegen van de moord en of hun rol van voldoende gewicht is geweest om van medeplegen te kunnen spreken.

De rechtbank stelt voorop dat de kwalificatie medeplegen alleen dan gerechtvaardigd is als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Die bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van gedragingen voor, tijdens en/of na het strafbare feit, terwijl niet is uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaan heeft uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal hoe dan ook van voldoende gewicht moeten zijn. De rechter kan daarbij rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

In het hierna volgende zal de rechtbank eerst ingaan op de rol van [medeverdachte 1] , dan op die van [verdachte] en tot slot op die van [medeverdachte 2] . De rechtbank stelt daarbij voorop, zoals hiervoor is overwogen, dat naar haar oordeel vaststaat dat iedere verdachte betrokken is geweest bij het maken van afspraken over de moord.

[medeverdachte 1]

is in de dagen voorafgaand aan de moord op zoek geweest naar een vuurwapen. Hij heeft de avond vóór de moord een vuurwapen opgehaald bij [verdachte] . In de nacht van 26 maart 2020 is hij naar [woonplaats] gereden, waar hij [slachtoffer] heeft opgewacht. Uiteindelijk heeft hij [slachtoffer] daar doodgeschoten.

[verdachte]

is ook in de dagen voorafgaand aan de moord op zoek geweest naar een vuurwapen Zij heeft de avond vóór de moord een vuurwapen met munitie gekocht en vervolgens overhandigd aan [medeverdachte 1] . Het geld voor het vuurwapen had ze dezelfde avond gepind. Uit de geluidsopnames blijkt ook dat het plan was dat [verdachte] of [medeverdachte 2] pas de politie zou bellen op het moment dat [medeverdachte 1] al ver weg zou zijn geweest.

[medeverdachte 2]

De rol van [medeverdachte 2] lijkt op het eerste gezicht het meest beperkt. Uit de geluidsopnames blijkt dat zij in ieder geval betrokken is geweest bij het maken van afspraken over de moord, zoals de plek waar [medeverdachte 1] zijn scooter zou neerzetten, de kant die [medeverdachte 1] op zou rijden en het moment van bellen naar de politie. Daarnaast blijkt uit de bewijsstukken dat [medeverdachte 2] op de ochtend van de moord heeft gedaan alsof het een dag als iedere andere was. Zij heeft net als altijd koffie gezet en brood gesmeerd voor [slachtoffer] , terwijl zij wist dat [slachtoffer] vlak daarna zou worden doodgeschoten.

Conclusie

Uit het voorgaande en de daaraan ten grondslag liggende bewijsstukken volgt dat afspraken zijn gemaakt over de uitvoering van de moord en dat daarbij een onderlinge taakverdeling bestond: [verdachte] heeft het wapen geregeld, [medeverdachte 2] heeft ervoor gezorgd dat [slachtoffer] in de vroege ochtend van 26 maart 2020 zonder argwaan naar zijn werk vertrok en [medeverdachte 1] heeft [slachtoffer] buiten de woonwagen doodgeschoten. De rechtbank concludeert daaruit dat ieders rol onmisbaar was – en dus van voldoende gewicht – bij het plegen van de moord. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachten het plan en de opzet hadden op het doden van [slachtoffer] . Op grond van de genoemde omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat alle verdachten zodanig nauw en bewust en gericht op het doden van [slachtoffer] met elkaar hebben samengewerkt, dat zij als medepleger verantwoordelijk zijn.

Volgens de advocaat van [verdachte] is geen sprake van medeplegen, aangezien [verdachte] geen wetenschap had van een eventueel voornemen om haar vader te doden en – mocht de rechtbank daar anders over denken – haar bijdrage slechts bestond uit het leveren van het wapen. Zoals uit het voorgaande blijkt, was de rol van [verdachte] naar het oordeel van de rechtbank groter dan waar de advocaat vanuit is gegaan en levert de bijdrage van [verdachte] aan de moord medeplegen op. Het verweer van de advocaat op dit punt wordt dan ook verworpen.

Feit 2

[verdachte] heeft op de zitting bekend dat zij een wapen met bijbehorende munitie in bezit heeft gehad en heeft overgedragen aan [medeverdachte 1] . De rechtbank zal daarom niet uitschrijven wat in de bewijsstukken staat, maar alleen opsommen welke bewijsstukken zij voor de bewezenverklaring gebruikt. Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, kan van het ‘voorhanden’ hebben van een vuurwapen ook worden gesproken indien iemand slechts korte tijd de beschikkingsmacht over dat wapen heeft gehad.

De bewijsstukken:

- het proces-verbaal van bevindingen over de categorisering van het vuurwapen en de munitie38;

- de verklaring van [verdachte] op de zitting39.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte]

1. op 26 maart 2020 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade haar vader [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door met een vuurwapen meerdere kogels in het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer] te schieten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2. op 25 maart 2020 te [woonplaats] een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een pistool (merk CZ, 50 en kaliber 7.65mm) en munitie als bedoeld in artikel 2 categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten een hoeveelheid (bij dat wapen horende) scherpe patronen (merk S&B en/of CBC, kaliber 7.65mm) voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen aan [medeverdachte 1] .

[verdachte] wordt vrijgesproken van alles wat meer of anders ten laste is gelegd dan wat hierboven is bewezen. De rechtbank heeft taal- en spelfouten in de tenlastelegging verbeterd. Dat is niet nadelig voor [verdachte] .

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Gedragingen zijn volgens de wet alleen strafbaar als er geen rechtvaardigingsgrond voor die gedragingen bestaat. Als een verdachte zich kan beroepen op zo’n rechtvaardigingsgrond is zijn gedrag niet in strijd met het recht. Niet is gebleken dat er zo’n rechtvaardigingsgrond voor het door [verdachte] gepleegde feit bestond. Het door [verdachte] gepleegde feit is dus strafbaar.

De wet noemt de door [verdachte] gepleegde feiten:

  1. medeplegen van moord;

  2. eendaadse samenloop van:

- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (voorhanden hebben munitie);

- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III (voorhanden hebben vuurwapen);

- handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (overdragen munitie);

- handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III (overdragen vuurwapen).

7 STRAFBAARHEID VAN [verdachte]

Verdachten zijn volgens de wet alleen strafbaar als zij geen beroep kunnen doen op een schulduitsluitingsgrond. Als een verdachte zich kan beroepen op een schulduitsluitingsgrond is zijn gedrag niet verwijtbaar. Niet is gebleken dat [verdachte] een beroep kon doen op zo’n schulduitsluitingsgrond. [verdachte] is dus strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat [verdachte] samen met anderen het hoogste goed, namelijk het recht op leven, heeft geschonden. Het slachtoffer was haar eigen vader. Bij zijn strafeis houdt de officier van justitie ook rekening met het feit dat [verdachte] onder moeilijke omstandigheden is opgegroeid, haar jonge leeftijd en de stoornis die door deskundigen is vastgesteld. Net als de deskundigen vindt de officier van justitie dat [verdachte] moet worden berecht volgens het jeugdstrafrecht.

De officier van justitie vindt dat aan [verdachte] een jeugddetentie van twee jaar en de PIJ-maatregel moeten worden opgelegd.

8.2

Het standpunt van de advocaat

De advocaat verzoekt bij het bepalen van een eventuele straf of maatregel rekening te houden met het volgende. Door de heftige omstandigheden binnen het gezin van [verdachte] heeft zij niet op een normale manier kunnen opgroeien. Daarbij heeft het leven in een woonwagen, waar andere regels gelden, eraan bijgedragen dat [verdachte] moeite heeft met aansluiting bij mensen uit een ander milieu.

De advocaat verzoekt [verdachte] , in lijn met het advies van de deskundigen, te berechten volgens het jeugdstrafrecht. [verdachte] wil graag behandeld worden. Als aan [verdachte] een PIJ-maatregel wordt opgelegd, verzoekt de advocaat om niet de maximale jeugddetentie van 24 maanden op te leggen, zodat de behandeling direct kan beginnen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij het bepalen van een passende straf rekening gehouden met de ernst van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder [verdachte] dat feit heeft gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] . De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

Hieronder legt de rechtbank uit welke straf en/of maatregel zij aan [verdachte] zal opleggen.

8.3.1

De ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd

[verdachte] heeft samen met haar moeder en vriend een plan gemaakt om haar vader om het leven te brengen. Nadat zij een wapen had gekocht en overhandigd aan haar vriend, heeft haar vriend haar vader op de parkeerplaats van zijn eigen woning doodgeschoten.

[verdachte] heeft hiermee haar vader het meest fundamentele recht ontnomen: het recht op leven. Moord is niet voor niets één van de feiten in het Wetboek van Strafrecht waarop de zwaarst mogelijke straf is gesteld. [verdachte] heeft door samen met anderen haar vader te vermoorden de nabestaanden van haar vader onherstelbaar leed en verdriet aangedaan. Ook voor de samenleving is dit een schokkend en zeer ernstig feit. De rechtbank rekent dat [verdachte] zwaar aan.

De rechtbank neemt het [verdachte] ook kwalijk dat zij totaal geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor haar daad.

Aan de andere kant heeft de rechtbank wel oog voor de gezinssituatie waarin [verdachte] verkeerde en is opgegroeid. Uit het dossier komt een beeld naar voren van een gezin waarin conflicten (vooral door vader [slachtoffer] ) met geweld werden opgelost. Verder heeft [verdachte] verklaard dat [slachtoffer] haar seksueel heeft misbruikt. Deze situatie geeft in geen geval het recht om over te gaan tot de daad die [verdachte] heeft verricht, maar schijnt wel een bepaald licht op de zaak.

Voor de moord die [verdachte] heeft gepleegd is alleen een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur passend. Dat neemt de rechtbank dan ook als uitgangspunt bij het bepalen van de straf.

8.3.2

De persoonlijke omstandigheden van [verdachte]

Strafblad

Uit het strafblad (de ‘justitiële documentatie’) van [verdachte] blijkt dat zij niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. Dat heeft geen invloed op het bepalen van de straf en maatregel.

Adviezen van deskundigen

Advies van de psycholoog, forensisch milieuonderzoeker en psychiater

[verdachte] is onderzocht door een psycholoog, drs. M.H. Keppel, een forensisch milieuonderzoeker, D. de Ruiter, en een psychiater, dr. J. Vreugdenhil. De deskundigen hebben een rapport over [verdachte] geschreven.

De deskundigen constateren dat [verdachte] lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale trekken, als gevolg van het opgroeien in onveilige omstandigheden met het zien en ondergaan van vernedering, bedreiging en mishandeling en mogelijk ook seksueel misbruik en forse vrijheidsbeperking. Die psychische stoornis was volgens de deskundigen ook tijdens het plegen van de ten laste gelegde feiten aanwezig. Daarnaast was ook sprake van pedagogische verwaarlozing en heeft [verdachte] van huis uit antisociale normen meegekregen. Ook was sprake van affectieve verwaarlozing doordat zowel de vader als moeder van [verdachte] onvoorspelbaar of niet beschikbaar waren als opvoeder en [verdachte] meer voor haar moeder zorgde dan andersom. [verdachte] heeft nog nauwelijks een eigen persoonlijkheid of identiteit kunnen ontwikkelen en is emotioneel en praktisch nog niet goed in staat om voor zichzelf te zorgen en zelfstandig te leven. Ook haar empathisch vermogen en geweten zijn nog onvoldoende ontwikkeld.

De deskundigen denken dat de traumatische ervaringen een voedingsbodem kunnen zijn geweest om tot een plan te komen haar vader te doden. Ook kan een rol hebben gespeeld dat [verdachte] nog niet uitgerijpt is en is opgegroeid in een milieu waarin het kennelijk gebruikelijk is om geweld te gebruiken. [verdachte] was nog niet in staat om zich uit dit milieu te ontworstelen. Daarbij speelde mogelijk ook mee dat zij haar moeder en broertje niet alleen bij haar onvoorspelbaar agressieve vader zou durven achterlaten.

De deskundigen vinden het aannemelijk dat de bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling in enige mate heeft doorgewerkt in het tot stand komen van het plegen van de moord.

De deskundigen schatten de kans dat [verdachte] op korte termijn opnieuw een gewelddadig strafbaar feit zal plegen in als laag tot matig. Wel denken zij dat er een grote kans is dat [verdachte] het niet in de maatschappij zal redden als zij niet behandeld wordt. Dat kan de kans op herhaling van gewelddadig gedrag verhogen. De kans op herhaling van gewelddadige strafbare feiten op de langere termijn wordt daarom ingeschat als matig.

Volgens de deskundigen moet [verdachte] worden berecht volgens het jeugdstrafrecht. [verdachte] komt jonger over dan haar werkelijke leeftijd en is nog onrijp in haar ontwikkeling. Ook vinden de deskundigen dat een pedagogische aanpak bij [verdachte] nog mogelijk en noodzakelijk is. Het is noodzakelijk dat [verdachte] nog naar school gaat en zij heeft een groepsgericht leefklimaat nodig om een gezondere identiteit, een beter empathisch vermogen en passendere normen en waarden te ontwikkelen.

De deskundigen vinden het noodzakelijk dat [verdachte] vanwege de ernst van haar problematiek een langdurige en intensieve behandeling en begeleiding krijgt. Omdat [verdachte] beperkt gemotiveerd is voor een behandeling, is volgens de deskundigen een gedwongen kader nodig. Volgens de deskundigen kan de behandeling het beste plaatsvinden binnen het kader van een PIJ-maatregel.

Het rapport van de reclassering

[verdachte] heeft ook gesprekken gevoerd met M. Nijskens van Reclassering Nederland. Nijskens heeft een rapport over [verdachte] geschreven.

De reclassering sluit zich aan bij de conclusies uit het rapport van de psycholoog, forensisch milieuonderzoeker en psychiater. Volgens de reclassering is een lang traject nodig om [verdachte] te behandelen. Die langdurigheid en intensiteit kan alleen worden geboden met een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

8.3.3

Jeugdstrafrecht

[verdachte] was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten 19 jaar oud. Gelet op de adviezen van de deskundigen en ook de manier hoe [verdachte] op zitting is overgekomen, ziet de rechtbank aanleiding om [verdachte] te bestraffen op basis van het jeugdstrafrecht (overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77hh van het Wetboek van Strafrecht).

8.3.4.

Jeugddetentie

Zoals hierboven al is opgemerkt past bij het medeplegen van een moord alleen een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur. Gelet op de ernst van het feit, is in principe alleen de maximale straf – een jeugddetentie van 24 maanden – passend en geboden.

Volgens de deskundigen is het feit ‘in enige mate’ verminderd aan [verdachte] toe te rekenen vanwege haar psychische stoornis. De rechtbank is dat met de deskundigen eens. Dat betekent dat de rechtbank [verdachte] niet volledig verantwoordelijk houdt voor het plegen van de moord. Om die reden zal de rechtbank aan [verdachte] een jeugddetentie van 22 maanden opleggen.

8.3.5

PIJ-maatregel

De rechtbank vindt dat [verdachte] naast straf ook (verplichte) hulp nodig heeft. De rechtbank zal daarom nagaan of een PIJ-maatregel kan worden opgelegd.

Om een PIJ-maatregel op te kunnen leggen, moet zijn voldaan aan de verschillende voorwaarden die in artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht worden genoemd.

Ten eerste moet [verdachte] een gebrekkige ontwikkeling of stoornis hebben. De psychiater en psycholoog hebben vastgesteld dat [verdachte] tijdens het plegen van de strafbare feiten leed aan een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale trekken. Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan.

Ten tweede moet het maximum van de op te leggen gevangenisstraf voor de door [verdachte] gepleegde strafbare feiten hoger zijn dan vier jaar. Voor een moord kan maximaal een levenslange gevangenisstraf worden opgelegd. Aan de tweede voorwaarde is dus ook voldaan.

Ten derde moet de PIJ-maatregel noodzakelijk zijn voor de veiligheid van andere personen of goederen. Uit het rapport van de psycholoog, de forensisch milieuonderzoeker en de psychiater blijkt dat de kans op herhaling van gewelddadig gedrag op de lange termijn matig is als [verdachte] niet wordt behandeld. De rechtbank vindt daarom dat voor de veiligheid van personen of goederen moet worden gevreesd als [verdachte] onbehandeld weer terugkomt in de samenleving. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat [verdachte] ervoor heeft gekozen om een moeilijke situatie met een moord op te lossen. Aan de derde voorwaarde is dus ook voldaan.

Als laatste moet de PIJ-maatregel in het belang van de ontwikkeling van [verdachte] zijn. Ook aan die voorwaarde is voldaan, nu uit de rapporten blijkt dat [verdachte] haar persoonlijkheid, identiteit en zelfstandigheid nog verder moet ontwikkelen.

Aan de verschillende voorwaarden om een PIJ-maatregel op te kunnen leggen is dus voldaan. De ernst van de bij [verdachte] geconstateerde problemen en de ernst van de door haar gepleegde feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank ook de oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. De rechtbank zal die maatregel dan ook aan [verdachte] opleggen. Omdat moord een geweldsdelict betreft (of, zoals dat juridisch wordt genoemd, gericht was tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen) zal de rechtbank bepalen dat de PIJ-maatregel na afloop van de opgelegde termijn kan worden verlengd.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 47, 55, 77c, 77g, 77i, 77s, 77gg en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 31 en 55 van de Wet Wapens en Munitie, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het onder feit 1, primair, en onder feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

  • -

    verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf en maatregel

  • -

    veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 22 maanden;

  • -

    bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht op de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    veroordeelt verdachte tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (voor de duur van drie jaren);

  • -

    bepaalt dat deze maatregel niet gemaximeerd is.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Gerritse, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. J.W.B. Snijders Blok en P.M. Leijten, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. F. Verkuijlen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 april 2021.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1. zij op of omstreeks 26 maart 2020 te [woonplaats] , gemeente Wijk bij Duurstede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade (haar vader) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen één of meerdere kogels in het hoofd althans het lichaam van die [slachtoffer] te schieten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

( art 289 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer mededader(s) op of omstreeks 26 maart 2020 te [woonplaats] , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of (een) ander(en) met dat opzet, met een vuurwapen één of meerdere kogels in het hoofd althans het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 26 maart 2020 te [woonplaats] , gemeente Wijk bij Duurstede, in elk geval Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door (onder meer)

- bij diverse personen te informeren omtrent de aankoop van een vuurwapen en/of te bemiddelen in de aankoop van een vuurwapen en/of

- een hoeveelheid geld op te nemen ten behoeve van de aanschaf van een vuurwapen en/of dat geld ter beschikking te stellen aan die [medeverdachte 1] voor het aanschaffen van een vuurwapen en/of

- een vuurwapen aan te schaffen en/of te verkrijgen en/of

- voornoemd vuurwapen over te dragen aan die [medeverdachte 1] en/of

- samen met die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] afspraken te maken over het tijdstip en/of de handelwijze (ten tijde) en/of de locatie van bovengenoemd misdrijf; ( art 289 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )

2. zij op of omstreeks 25 maart 2020 te [woonplaats] , gemeente Wijk bij Duurstede, in elk geval in Nederland, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een pistool (merk CZ, model VZOR 50 en kaliber 7.65mm) en/of munitie als bedoeld In art. 2 categorie III van de Wet Wapens en Munitie, te weten een hoeveelheid (bij dat wapen horende) scherpe patronen (merk S&B en/of CBC, kaliber 7.65mm) voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen aan [medeverdachte 1] ;

(art. 26, 27 en 31 Wet Wapens en Munitie)

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers zijn dit – tenzij anders aangegeven – pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. De processen-verbaal in deze zaak zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met nummer PL0900-2020089271 dat werd gesloten op 16 februari 2021, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 1930. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 21-23 en proces-verbaal van bevindingen, p. 25-27.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] , p. 335.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 1237.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 42.

6 Proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict en lijkschouw, p. 1283-1290.

7 Een geschrift, te weten: een pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood door het Nederlands Forensisch Instituut van 7 april 2020, p. 909-923.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 128-129.

9 Proces-verbaal van voorgeleiding i.v.m. aanhouding, p. 13.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 128-129.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 114.

12 Proces-verbaal doorzoeking ter inbeslagneming, p. 187-188.

13 Proces-verbaal van relaas, p. 539, en proces-verbaal van bevindingen, p. 544-545.

14 Uitwerking tapgesprek van 7 april 2020, 13:33 uur, taplijn TA007, gevoegd aan het dossier op 25 februari 2021

15 Een geschrift, te weten: een tapgesprek van 7 april 2020 tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] .

16 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 231-233.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 236.

18 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 250.

19 Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een screenshot van een Facebook-Messenger gesprek, als bijlage gehecht bij proces-verbaal van verhoor getuige, p. 257.

20 Proces-verbaal van bevindingen, p. 695-697.

21 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 1254-1255.

22 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] , p. 709.

23 Proces-verbaal van bevindingen, p. 270-273.

24 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 1253.

25 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 1256.

26 Proces-verbaal van onderzoek ter terechtzitting.

27 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 1242-1243.

28 Proces-verbaal van bevindingen, p. 604-606.

29 Proces-verbaal van bevindingen, p. 458-466 en proces-verbaal van bevindingen, p. 467-470.

30 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , p. 471-475.

31 Proces-verbaal van bevindingen, p. 468.

32 Proces-verbaal van bevindingen, 459.

33 Proces-verbaal van bevindingen, 460.

34 Proces-verbaal van bevindingen, 462.

35 Proces-verbaal van bevindingen, 464.

36 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] , p. 849.

37 Proces-verbaal van bevindingen, p. 353-356.

38 Proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2020089271-82.

39 Proces-verbaal van onderzoek ter terechtzitting.