Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1436

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-04-2021
Datum publicatie
12-04-2021
Zaaknummer
UTR 21/706
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Omdat de betoging van verzoekster is gericht op het uiten van een visie op politiek, maatschappelijk en/of ethisch gebied, dient in beginsel er van uit te worden gegaan dat de betoging van verzoekster een manifestatie (betoging) is in de zin van de Wom. Dat verzoekster heeft gekozen om haar betoging te houden in de vorm van flyeren, en het daarbij aanspreken van bezoekers van de kliniek, maakt dit niet anders.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder de bevoegdheid tot het stellen van beperkingen aan het recht op betoging niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Van een reële vrees voor wanordelijkheden door de betoging van verzoekster bij de kliniek is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken. Verder blijkt uit het besluit dat noch van de kliniek, noch van de politie, noch van derden meldingen zijn ontvangen dat de wijze waarop verzoekster betoogt als intimiderend wordt ervaren.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangen van verzoekster bij het kunnen houden van de gewenste betoging zwaarder wegen dan de belangen van verweerder. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom toe en schorst het besluit van verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 21/706


uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 april 2021 in de zaak tussen

Stichting Schreeuw Om Leven, te Hilversum, verzoekster(gemachtigde: mr. M.J.N. Vermeij),

en

de burgemeester van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigde: mr. J.C. Haan).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Abortuskliniek Almere,

Gemachtigde: A.B.L. Querido

Procesverloop

In het besluit van 8 januari 2021 (het besluit) heeft verweerder naar aanleiding van een kennisgeving aan verzoekster voorschriften en beperkingen opgelegd voor het organiseren van een betoging bij de Abortuskliniek Almere (hierna: de kliniek).

Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via een Skypeverbinding op 29 maart 2021. Daarbij waren aanwezig: de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigde van verweerder en de gemachtigde van de kliniek. Namens verweerder waren verder aanwezig: [A] en [B] . Namens verzoekster heeft [C] , telefonisch deelgenomen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Het besluit

2. Op 29 december 2020 heeft eiseres verweerder schriftelijk in kennis gesteld van haar voornemen om op de dinsdagen en zaterdagen van het jaar 2021 tussen 8.00 en 12.00 uur met maximaal twee personen betogingen te houden bij de kliniek. Verweerder heeft verzoekster het recht gegeven om op de gevraagde dagen en tijdstippen in de nabijheid van de ingang van de kliniek betogingen te houden. Verzoekster mag bij deze betogingen alleen folders aan bezoekers van de kliniek aanbieden. Het individueel aanspreken van bezoekers wordt verboden en bezoekers en/of personeel mogen niet worden gevolgd. Verweerder heeft deze beperkingen opgelegd ter voorkoming van wanordelijkheden. Voor het opleggen van deze beperkingen vindt verweerder steun in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland van 21 juli 20201.

Derde-belanghebbende

3. Verzoekster voert aan dat de kliniek niet is aan te merken als derde-belanghebbende, omdat zij geen rechtstreeks belang heeft bij het besluit maar slechts een van bezoekers (met wie zij een contractuele relatie heeft) afgeleid belang. Bij het nemen van het besluit heeft verweerder ook alleen de belangen van de bezoekers voor ogen gehad. Verder heeft verzoekster bezwaren tegen het optreden van de gemachtigde van de kliniek (hierna: de gemachtigde). Verzoekster vindt dat hij slecht is geïnformeerd over de gang van zaken tijdens betogingen en dat hij hierover onwaarheden verklaart. Verzoekster is ook niet gebleken dat deze gemachtigde gemachtigd is om de kliniek te vertegenwoordigen.

4. De voorzieningenrechter stelt vast dat de kliniek voor de zitting een geldige machtiging heeft overgelegd, waaruit blijk dat de gemachtigde bevoegd is om de kliniek in deze procedure te vertegenwoordigen. De door verzoekster genoemde bezwaren betekenen niet dat de gemachtigde niet als vertegenwoordiger kan optreden. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de kliniek aan te merken als derde-belanghebbende bij het besluit van verweerder reeds omdat de aan verzoekster opgelegde beperkingen ook betrekking hebben op het personeel dat in de kliniek werkt. Daarmee staat het belang van de kliniek bij deelname aan het geding voldoende vast. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de kliniek op grond van artikel 8:26 als partij aan het geding kan deelnemen.

Spoedeisend belang

5. Verzoekster voert aan dat zij een spoedeisend belang heeft, omdat het besluit ziet op betogingen die voortdurend op alle dinsdagen en zaterdagen van het jaar 2021 plaatsvinden. Verzoekster maakt gebruik van vrijwilligers die duidelijkheid moeten hebben of, en hoe zij mogen betogen.

6. De voorzieningenrechter oordeelt dat gezien de wijze waarop verzoekster vorm geeft aan haar betoging bij de kliniek, de gestelde beperkingen er feitelijk op neerkomen dat verzoekster haar recht om te betogen niet kan uitvoeren. Dit levert op zichzelf al een voldoende spoedeisend belang op bij het verzoek om een voorlopige voorziening.

Wettelijk kader

7. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft een ieder recht op vrijheid van vreedzame vergadering.

Ingevolge het tweede lid mag de uitoefening van dit recht aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

8. In artikel 9, eerste lid, van de Grondwet wordt het recht tot vergadering en betoging erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

Ingevolge het tweede lid kan de wet regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

9. Ingevolge artikel 2 van de Wet openbare manifestaties (Wom) om kunnen de bij of krachtens de bepalingen uit deze paragraaf aan overheidsorganen gegeven bevoegdheden tot beperking van het recht tot (…) vergadering en betoging, slechts worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

10. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wom, kan de burgemeester naar aanleiding van een kennisgeving voorschriften en beperkingen stellen of een verbod geven.

Ingevolge het tweede lid aanhef en onder c, kunnen voorschriften en beperking worden gesteld of een verbod worden gegeven indien een van de in artikel 2 genoemde belangen dat vordert.

Ingevolge het derde lid kan een voorschrift, beperking of verbod geen betrekking hebben op de inhoud van hetgeen wordt beleden, onderscheidenlijk van de te openbaren gedachten of gevoelens.

11. De hiervoor genoemde bepalingen, in hun onderlinge samenhang bezien, brengen met zich dat tot een beperking van het recht op betoging slechts in dwingende situaties kan worden besloten. Dit geldt niet slechts voor een verbod op een betoging, maar ook voor voorschriften en beperkingen, zoals die in deze zaak aan de orde zijn.

Het verzoekschrift

12. Verzoekster voert aan dat verweerder niet de bevoegdheid heeft om aan het recht op betoging van eiseres beperkingen te stellen omdat niet wordt voldaan aan de in artikel 2 van de Wom neergelegde voorwaarde van ‘het voorkomen van wanordelijkheden’. Het begrip wanordelijkheden wordt door verweerder veel te ruim geïnterpreteerd. Bij strafbaar gedrag is hiervan pas sprake. Het aanspreken van bezoekers en het aanbieden van folders valt hier niet onder. De uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 juli 2020 waarnaar verweerder verwijst, heeft betrekking op een andere situatie. Anders dan bij de kliniek in Almere waren in die situatie wel meldingen van overlast gedaan. De voorzieningenrechter heeft in die uitspraak het aanspreken van bezoekers verder ten onrechte gekwalificeerd als een wanordelijkheid. Dit is een te ruime uitleg van dat begrip. Verweerder had zich bij het nemen van het besluit niet op deze uitspraak mogen baseren. Verzoekster voert ook aan dat de opgelegde beperkingen een disproportionele en ongeoorloofde inbreuk maken op het betogingsrecht van artikel 11 van het EVRM en met het recht op vrijheid van meningsuiting van artikel 10 van het EVRM.

Standpunt verweerder

13. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster in de nabijheid van de ingang van de kliniek betogingen mag houden en haar mening kenbaar mag maken, zolang geen sprake is van het feitelijk verhinderen van de toegang, het aanspreken van bezoekers of het daadwerkelijk lastigvallen van bezoekers of het personeel van de kliniek. Het betogingsrecht van verzoekster botst hier met het recht op persoonlijke levenssfeer van de bezoekers en het personeel van de kliniek. Verweerder volgt het oordeel van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland in de uitspraak van 21 juli 2021. Het aanspreken van individuele personen valt naar het oordeel van deze voorzieningenrechter allereerst niet onder het betogingsrecht. Het als onderdeel van een betoging gemeenschappelijk aanspreken van de bezoeksters op hun individuele gebruik van de abortuskliniek is verder volgens deze voorzieningenrechter een wanordelijkheid die een beperking rechtvaardigt op grond van de Wom omdat het de bezoeksters onevenredig hindert in hun vrijheid, in het bijzonder in het ongestoord gebruik maken van hun rechten uit de Wet afbreking zwangerschap. Het aanspreken van bezoekers door de demonstranten wordt als intimiderend ervaren, aldus verweerder.

Beoordeling

14. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat het bezwaar van verzoekster niet gericht is tegen de beperking dat bezoekers of personeel van de kliniek niet mogen worden gevolgd. Het gaat dus om de beperkingen die zijn gesteld aan het flyeren en het daarbij aanspreken van bezoekers van de kliniek.

15. Omdat de betoging van verzoekster is gericht op het uiten van een visie op politiek, maatschappelijk en/of ethisch gebied dient in beginsel er van uit te worden gegaan dat de betoging van verzoekster een manifestatie (betoging) is in de zin van de Wom. Dat verzoekster heeft gekozen om haar betoging te houden in de vorm van flyeren, en het daarbij aanspreken van bezoekers van de kliniek, maakt dit niet anders. De betoging van verzoekster valt (gelet op haar oogmerk) ook onder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 van het EVRM en de vrijheid van betoging als bedoeld in artikel 11 van het EVRM.

16. De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder de bevoegdheid tot het stellen van beperkingen aan het recht op betoging niet deugdelijk heeft gemotiveerd, en overweegt daartoe als volgt.

17. Verweerder heeft zijn bevoegdheid tot het beperken van het recht van betoging aangewend, omdat deze nodig zou zijn ter voorkoming van wanordelijkheden als bedoeld in artikel 2 van de Wom. Van een reële vrees voor wanordelijkheden door de betoging van verzoekster bij de kliniek is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken. Dat volgt niet uit het advies van de politie van 7 januari 2021. Daarin staat juist dat de burgemeester geen aanvullende maatregelen hoeft te treffen, omdat de betogingen al jaren plaatsvinden en er eerder nooit noemenswaardige incidenten zijn geweest. Verweerders stelling dat het algemeen bekend is dat bezoekers van abortusklinieken zich geïntimideerd voelen door tegen-betogers, vormt een onvoldoende motivering. Niet duidelijk is waarop verweerder deze stelling baseert en in het geval van verzoekster is hiervoor geen steun te vinden in de stukken. Integendeel, uit het besluit blijkt dat noch van de kliniek, noch van de politie, noch van derden meldingen zijn ontvangen dat de wijze waarop verzoekster betoogt als intimiderend wordt ervaren. Verzoekster heeft in dat verband ook onweersproken naar voren gebracht dat een weigering om een flyer aan te nemen of een gesprek aan te gaan, door haar wordt gerespecteerd. Zij dringt haar boodschap niet op en van het volgen van bezoekers is geen sprake. Van een situatie dat bezoekers van de kliniek door de betogers van verzoekster geen ongestoord toegang hebben tot de kliniek om een medische behandeling te verkrijgen waardoor zij worden belemmerd in de uitoefening van hun rechten op grond van de Wet afbreking zwangerschap, is de voorzieningenrechter niet gebleken. Hierin ziet de voorzieningenrechter dan ook geen rechtvaardiging voor de gestelde beperkingen aan de betoging van verzoekster. De verwijzing naar de uitspraak van 21 juli 2020 vormt onvoldoende onderbouwing voor de gestelde beperkingen.

18. Gelet op het vorenstaande kan niet op voorhand gezegd worden dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Bij deze stand van zaken dient er een belangenafweging plaats te vinden.

19. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangen van verzoekster bij het kunnen houden van de gewenste betoging zwaarder wegen dan de belangen van verweerder. Daarvoor acht de voorzieningenrechter doorslaggevend dat verweerder jarenlang de betoging van verzoekster bij de kliniek zonder beperkingen heeft toegestaan, terwijl hij voor de nu oplegde beperkingen (nog) geen onderbouwing heeft gegeven.

Conclusie

20. Nu de belangenafweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het voordeel van verzoekster uitvalt, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toe. De voorzieningenrechter schorst de in het besluit van 8 januari 2021 neergelegde door verzoekster bestreden beperkingen tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Proceskostenvergoeding en griffierecht

21. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

22. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, dient de burgemeester aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

  • -

    treft de voorlopige voorziening dat het besluit wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • -

    draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 360,- aan verzoekster te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van

€ 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op 12 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

1 ECLI:NL:NHO:2020:5579.