Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:14

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-01-2021
Datum publicatie
15-10-2021
Zaaknummer
19/4250
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond. Nog wel procesbelang omdat tijdelijke vergunning mogelijk opnieuw afgegeven wordt. Vergunning terecht afgegeven omdat noodzakelijke overleg met de provincie wel degelijk is gevoerd. Belangen van eiser voldoende meegewogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/4250


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2021 in de zaak tussen


[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. F.L. van der Eerden),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lopik, verweerder

(gemachtigde: H. Westhoven).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [A], te [woonplaats].

Inleiding

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser woont op de [straat] [huisnummer 1] in [woonplaats]. Aan derde-partij is een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van een schuur als woning op het naburige perceel op [huisnummer 2] (hierna: de vergunning en het perceel). Omdat sprake is van strijdig gebruik met het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied’ is deze vergunning verleend op basis van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2 van de Wabo in combinatie met artikel 4, elfde lid, bijlage II van het Bor.

2. Eiser is eigenaar van het achterhuis van de boerderij op [straat] [huisnummer 1]. Deze is gesplitst van het voorhuis en de schuur van de boerderij, die in eigendom zijn van derde-partij. Vanwege de splitsing heeft de schuur nummer [huisnummer 2] hebben gekregen. De schuur was eerder in gebruik als B&B, waarvoor derde-partij een vergunning van verweerder had. Omdat derde-partij het voorhuis heeft verkocht, wil hij de schuur als woning gebruiken. Eiser vreest een toename van overlast als de schuur als woning wordt gebruikt. Voor de toegang van de schuur naar de openbare weg is namelijk een recht van overpad gevestigd op het perceel van eiser.

3. De vergunning is verleend op 18 januari 2019 voor de periode van twee jaar. Eiser heeft hiertegen niet alleen bezwaar gemaakt, maar ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland. Dit verzoek is op 26 april 2019 afgewezen, omdat er geen spoedeisend belang was. Bij beslissing op bezwaar is de vergunning gehandhaafd, met dien verstande dat deze voor een periode van één jaar is verleend. Eiser heeft vervolgens een beroepschrift ingediend.

4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en mevrouw [B]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Derde-partij is verschenen, evenals mevrouw [C].

Overwegingen

Is er nog procesbelang?

5. De vergunning waar het in deze zaak om draait, is verleend op 18 januari 2019 voor de periode van één jaar. De vergunning is daarom al uitgewerkt en de vraag is of eiser nog procesbelang heeft. Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft een belanghebbende die opkomt tegen een besluit belang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen, aldus vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.1

6. Tijdens de zitting is gebleken dat er een nieuwe tijdelijke vergunning voor bewoning is afgegeven die begin 2021 afloopt en dat er mogelijk daarna nogmaals een tijdelijke vergunning voor bewoning afgegeven zal worden. Verweerder is voornemens tijdelijke vergunningen te blijven verlenen, totdat duidelijkheid bestaat over het in procedure zijnde bestemmingsplan. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser nog belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep inzake de tijdelijke vergunning van 18 januari 2019.

Provinciale toestemming

7. Het staat vast dat de bewoning van de schuur niet alleen in strijd is met het bestemmingsplan, maar ook met het verstedelijkingsverbod uit artikel 3.2 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Utrecht (hierna: de verordening). Voor de verlening van de vergunning moet daarom niet alleen afgeweken worden van het bestemmingsplan, maar ook van de verordening.

8. Eiser voert aan dat de vergunning verleend is zonder overleg met en toestemming van de provincie Utrecht om af te wijken van het verstedelijkingsverbod. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt echter dat verweerder in het kader van een op handen zijnde wijziging van het bestemmingsplan met de provincie in overleg is om de permanente bewoning van de schuur ruimtelijk mogelijk te maken. De provincie heeft al aangegeven dat hier, onder voorwaarden, geen bezwaren tegen zijn. De rechtbank volgt verweerder dat hieruit dan ook mag worden afgeleid dat de provincie toestemming heeft gegeven voor het tijdelijk afwijken van de verordening in het kader van de vergunning van 18 januari 2019. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Ruimte-voor-ruimte-regeling

9. Voor de wijziging van het bestemmingsplan dat permanente bewoning van de schuur mogelijk moet maken, wordt gebruikgemaakt van een zogenoemde ruimte-voor-ruimte-regeling. Door de sloop van drie woningen elders in het gebied, komt ruimte beschikbaar voor permanente bewoning van de schuur. Eiser voert aan dat uit contact met de eigenaar van de drie woningen, een bezoek ter plekke en informatie uit het kadaster zou blijken dat deze ruimte-voor-ruimte-regeling niet klopt. Volgens eiser zou de eigenaar hier niet akkoord mee gaan, omdat hij eigen bouwplannen heeft die botsen met de wijzigingsplannen van verweerder.

10. Ten tijde van de zitting was de wijziging van het bestemmingplan nog niet definitief vastgesteld. Verweerder heeft tijdens de zitting aangegeven dat het ontwerp van de wijziging wel al is ingezien door de provincie en dat er vanuit die zijde geen opmerkingen zijn gemaakt. Daarnaast is er volgens verweerder ook geen zienswijze ingediend door de eigenaar van de drie te slopen woningen. Daaruit mag worden geconcludeerd dat ook hij akkoord is met de ruil-voor-ruil-regeling. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze informatie van verweerder te twijfelen. Voor zover deze beroepsgrond al van toepassing is op de tijdelijke vergunning, slaagt deze daarom niet.

Zicht op ontheffing of wijziging van het bestemmingsplan

11. Eiser voert aan dat de vergunning alleen afgegeven had kunnen worden als er zicht was op een ontheffing van wijziging van het bestemmingsplan. Uit het voorgaande blijkt dat er een wijziging van het bestemmingsplan in behandeling is. Het proces van deze wijziging was al in gang gezet toen de vergunning werd verleend. Voorts heeft verweerder toegelicht dat indien de wijziging van het bestemmingsplan niet wordt vastgesteld, de bewoning zal moeten worden gestaakt. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Belangenafweging

12. Eiser geeft aan veel hinder te hebben ondervonden toen de schuur werd gebruikt als B&B. Hij is bang dat deze hinder door zal gaan als de schuur als woning wordt gebruikt. De rechtbank merkt hierover op dat het geen oordeel kan geven over de hinder die het gevolg is van het recht van overpad op het perceel van eiser. Dat is voorbehouden aan de civiele rechter. Wel kan de bestuursrechter beoordelen of verweerder bij de verlening van de vergunning de belangen van eiser voldoende heeft meegewogen.

13. Voor het verlenen van de vergunning heeft verweerder beleidsruimte om af te wijken van het geldende bestemmingsplan. Een dergelijke afwijking wordt door de rechtbank afstandelijk getoetst, wat inhoudt dat de rechtbank moet beoordelen of verweerder in redelijkheid tot dit besluit heeft kunnen komen en alle relevante belangen heeft meegewogen. Uit niets blijkt dat de belangen van eiser onvoldoende zijn meegenomen in de besluitvorming. De rechtbank acht niet uitgesloten dat eiser minder hinder zal ondervinden van het gebruik van de schuur als woning, dan van het gebruik van de schuur als B&B. De overlast van gasten die op het terrein van eiser komen, zal er immers niet meer zijn.

14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van E. Sloots, griffier. De beslissing is uitgesproken op 5 januari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2020:642