Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1372

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
07-04-2021
Zaaknummer
16.311134.20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 43-jarige man is veroordeeld voor brandstichting van zijn eigen woning. De rechtbank gelast dat de TBS met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16.311134.20 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 7 april 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1977] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven op de [adres] te [woonplaats] ,
gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 maart 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie, mr. T.M. van Wanrooij, en van hetgeen verdachte en diens raadsman, mr. J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 8 december 2020 te [woonplaats] opzettelijk brand heeft gesticht door een aansteker in aanraking te brengen met een kleed, ten gevolge waarvan brand is ontstaan en er gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen is ontstaan.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft voor wat betreft de bewijsvraag niets opgemerkt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

Verdachte heeft de ten laste gelegde feiten bekend en de raadsman heeft geen vrijspraak bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen (artikel 359, derde lid Wetboek van Strafvordering):

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 24 maart 2020;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal aangifte van 8 december 2020, genummerd PL0900- 2020398372-9 opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 14 tot en met 15;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 9 december 2020, genummerd PL0900- 2020398372-15 opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 32 tot en met 33;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 14 december 2020, genummerd PL0900- 2020398372-18 opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 44 tot en met 45;

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van forensische opsporing van 16 december 2020, genummerd PL0900- 2020398372-21 opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina’s 47 tot en met 61.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 8 december 2020 te [woonplaats] opzettelijk brand heeft gesticht door een aansteker in aanraking te brengen met een kleed ten gevolge waarvan het bankstel en de woonkamer van de woning en één of meer zich in die woonkamer bevindende goederen, zijn verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor de inboedel van de woning en voor de woning en, in elk geval levensgevaar voor anderen te duchten was;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen te duchten is.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 150 dagen, met aftrek van het voorarrest;

- een ongemaximeerde maatregel, zijnde terbeschikkingstelling (hierna: TBS) van verdachte, met daaraan gekoppeld de voorwaarden als geadviseerd door de reclassering.

De officier van justitie heeft gevorderd de TBS met voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

De officier van justitie neemt de conclusies van de deskundigen over en acht verdachte in

sterk verminderde mate toerekeningsvatbaar. Verdachte heeft meerdere malen om hulp

gevraagd en kon geen andere uitweg meer bedenken. Voor de officier van justitie is dat

voldoende om aan te nemen dat er nog wel sprake was enige toerekenbaarheid.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren.

De raadsman benoemt dat beide deskundigen spreken van ‘volledige hulpeloosheid en machteloosheid’. De vraag is dan vervolgens of verdachte onder die omstandigheden nog in staat was om een keuze te maken. De raadsman is anders dan de officier van justitie van mening dat er geen gevangenisstraf moet worden opgelegd, omdat dat niet de rechtssfeer is waarin verdachte thuishoort.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder ze zijn gepleegd
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk in brand steken van zijn woning. Hij heeft een aansteker in aanraking gebracht met een kleed op zijn bank, waarna de woning direct vlam vatte. De woning is daardoor onbruikbaar geworden. De rechtbank rekent het verdachte aan dat door zijn handelen onaanvaardbare grote risico’s in het leven zijn geroepen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de brandstichting heeft plaatsgevonden in een appartementencomplex in een woonwijk. Brandstichtingen zorgen voor grote gevoelens van onveiligheid in de omgeving, zoals ook is gebleken uit de verklaringen van de buren van verdachte. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 10 maart 2021 betreffende verdachte. Daaruit volgt dat verdachte bij vonnis van 23 april 2020 voor een eerdere brandstichting niet strafbaar is bevonden en is ontslagen van alle rechtsvervolging.

Over verdachte is een Pro Justitia rapport opgemaakt, te weten op 26 februari 2021 door psychiater S. Frehe en GZ-psycholoog A. van de Nagel. Hieruit volgt dat bij verdachte sprake is van een schizoaffectieve stoornis dat ingrijpt op vrijwel alle domeinen van functioneren en alle levensgebieden beïnvloedt. Ook is er sprake van ernstige beperkingen in cognitieve functies. Het cognitief vermogen is in verval geraakt door eerdere psychoses. Zijn relatief sterke verbale intelligentie zorgt er echter voor dat hij wordt overschat. Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde waren deze stoornissen aanwezig. Geadviseerd wordt om het ten laste gelegde feit in sterk verminderde mate toe te rekenen. Verdachte is eerder met een zorgmachtiging opgenomen geweest bij de FPA Utrecht en is na een opname van enkele maanden uit de kliniek ontslagen. Daarna is ambulante hulp aangeboden. De aan hem aangeboden hulp staat echter niet in verhouding met zijn kwetsbaarheid en behoefte. Derhalve zijn de deskundigen van mening dat de enige optie die overblijft, de maatregel van TBS is. Binnen dit kader zijn er voldoende waarborgen om verdachte duurzaam in zorg te houden en hem de intensieve behandeling te bieden die hij nodig heeft. Vanuit deze behandeling worden hem gefaseerd vrijheden toegekend. Deze intensieve behandeling zorgt ervoor dat het recidiverisico sterk wordt verlaagd. De deskundigen zien daarom een maatregel van TBS met voorwaarden als de meest geschikte maatregel, omdat verdachte bereid en gemotiveerd is om mee te werken.

De rechtbank heeft tevens kennis genomen van de reclasseringsrapportage van 23 maart 2021. De reclasseringsmedewerker kan zich vinden in het advies van de psychiater en de psycholoog om bij een bewezenverklaring van het ten laste gelegde de maatregel van TBS met voorwaarden aan verdachte op te leggen. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog, indien er geen intensieve en beschermende begeleiding wordt aangeboden. De reclassering constateert dat het psychisch toestandsbeeld van verdachte de laatste jaren achteruit is gegaan en dat hulpverlening in een vrijwillig kader niet langer toereikend is.

Maatregel tbs met voorwaarden

De rechtbank neemt, anders dan de raadsman, de conclusies van de deskundigen over en acht verdachte in sterk verminderde mate toerekeningsvatbaar. Het is duidelijk geworden dat verdachte om hulp heeft gevraagd, maar geen gehoor vond. Uiteindelijk zág verdachte geen uitweg anders dan het stichten van brand, wat eerder ook reacties heeft uitgelokt. De volledige hulpeloosheid en machteloosheid, zoals aangehaald door de raadsman, kan daaruit verklaard worden. De verdachte wíst echter dat zijn handelen niet goed was en dat het gevaarlijk kon zijn, maar heeft mede op basis van zijn eerdere ervaringen een keuze gemaakt om weer iets in brand te steken. Hoewel zijn keuzemogelijkheden binnen zijn copingsvaardigheden zeer beperkt waren, is het de rechtbank niet gebleken dat hij op deze wijze móest handelen en in het geheel geen andere mogelijkheden had. Het feit dat verdachte op dat moment geen uitweg zag, betekent dan ook nog niet dat er in het geheel geen keuze meer was, althans zo begrijpt de rechtbank de conclusies van de deskundigen. Aan de deskundigheid van de deskundigen of de wijze van totstandkoming van het rapport hoeft verder ook niet getwijfeld te worden.

De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke eisen voor oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling is voldaan. Verdachte heeft ter terechtzitting desgevraagd verklaard zich te willen houden aan de voorwaarden (1). Het bewezenverklaarde feit betreft een misdrijf zoals vermeld in artikel 37a Wetboek van Strafrecht (2) en, zoals hiervoor is overwogen, was er ten tijde van dat delict sprake van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bij verdachte (3). Voorts is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen de oplegging van deze maatregel vereist (4). De geciteerde multidisciplinaire gedragsrapportage omvat een advies van twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater.

Het risico van het plegen van soortgelijke delicten wordt als hoog ingeschat. Gelet op de ernst het feit en hetgeen is gebleken omtrent de persoon van verdachte acht de rechtbank het niet verantwoord verdachte, zonder dat het gevaar voor recidive is weggenomen of in belangrijke mate is gereduceerd – waartoe behandeling een bijdrage zou kunnen leveren –, te laten terugkeren in de maatschappij. Gelet op het advies dat een behandeling van de problematiek van verdachte alleen voldoende gewaarborgd is binnen de setting van tbs met voorwaarden, dient die maatregel naar het oordeel van de rechtbank te worden opgelegd. De rechtbank zal daarbij de voorwaarden opleggen die de reclassering heeft geadviseerd.

De rechtbank overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De maatregel kan daarom langer duren dan vier jaren.

Gevangenisstraf

De rechtbank acht ten aanzien van het bewezenverklaarde feit een gevangenisstraf, gelijk aan de duur van het voorarrest, passend en geboden, zodat verdachte de op te leggen voorwaarden kan voortzetten en/of in gang kan zetten. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het niet opportuun om aan verdachte een langere gevangenisstraf op te leggen, gelet op de op te leggen maatregel van tbs met voorwaarden en de zeer beperkte mate waarin het strafbare feit hem kan worden toegerekend.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Gelet op de noodzaak van de voortzetting van de behandeling van verdachte, ter beperking van het gevaar voor recidive, zoals blijkt uit voornoemde adviezen, zal de rechtbank – op grond van artikel 38, zesde lid, Sr – bevelen dat de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 37a, 38, 38a en 157 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 121 (honderdeenentwintig) dagen;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte en stelt daarbij als volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:

* verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;

* verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat:
- verdachte zich meldt op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;

- verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen;

- verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden;

- verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;

- verdachte werkt mee aan huisbezoeken;

- verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;

- verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;

- verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht;

* verdachte werkt mee aan een time-out in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling, als de reclassering dat nodig vindt. Deze time-out duurt maximaal 7 weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal 7 weken, tot maximaal 14 weken per jaar;

* verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van het Openbaar Ministerie;

* verdachte laat zich opnemen bij Behandelcentrum Forensisch SGLVG Fivoor Den

Dolder of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die

verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start zodra de plaatsing is bevestigd en direct

na de detentie. De opname duurt zolang de reclassering en in samenwerking met de

behandelinstelling noodzakelijk vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de

aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen

kan onderdeel zijn van de behandeling. Indien de reclassering een overgang naar ambulante

zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan

de indicatiestelling en plaatsing;

* verdachte laat zich behandelen door een behandelinstelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start direct na de klinische behandeling. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

* verdachte werkt in het kader van zijn resocialisatie mee aan een plaatsing in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

* verdachte gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;

* verdachte gebruikt geen alcohol, en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;

* verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

  • -

    draagt de reclassering op verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarden;

  • -

    beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:

* 1 STK Blouse

* 1 STK Broek

Dit vonnis is gewezen door E.W.A. Vonk, voorzitter, mrs. J.O. Zuurmond en A.A.T. Werner, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.V.S. Adriaanse, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 april 2021.

mrs. J.O. Zuurmond en A.A.T. Werner zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 8 december 2020 te [woonplaats]

opzettelijk brand heeft gesticht door aansteker en/of (een) vonk(en) en/of open vuur in aanraking te brengen met een kleed en/of bankstel,

althans met een brandbare stof ten gevolge waarvan het bankstel en/of de woonkamer van de woning en/of één of meer zich in die woonkamer bevindende goederen, althans de woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de inboedel van de woning en/of voor de woning en/of voor de in de nabijheid van die woning gelegen appartementen en/of de inboedel van die nabijgelegen

appartementen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor de overige bewoners van het appartementencomplex, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de overige personen van het appartementencomplex, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

(Artikel art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)