Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1353

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
22-04-2021
Zaaknummer
8799187 UC EXPL 20-8066
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkzaamheden architect in beginfase projectontwikkeling. Geen overeenkomst op grond waarvan definitieve projectontwikkelaar vergoeding aan architect verschuldigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8799187 UC EXPL 20-8066 RvdH/1037

Vonnis van 7 april 2021

inzake

[eiser] , handelende onder de naam [handelsnaam],

wonende in [woonplaats 1] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. G.E. Hamer,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende in [woonplaats 2] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

[eiser] heeft [gedaagde] gedagvaard. De dagvaarding is voorzien van producties 1 tot en met 14. [gedaagde] heeft daarop schriftelijk gereageerd (inclusief 1 productie). [eiser] heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling producties 15 tot en met 17 ingediend.

1.2.

Op 8 maart 2021 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling via Skype behandeld. Partijen zijn verschenen.

1.3.

De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.

2 Waar gaat deze zaak over?

2.1.

[eiser] is architect. [gedaagde] is vastgoedbemiddelaar/projectontwikkelaar. [eiser] en [gedaagde] zijn in december 2012 met elkaar in contact getreden over een project in het gebied aan de [straatnaam] in [plaatsnaam] . [eiser] is voor [gedaagde] gaan denken over het project en heeft zijn ideeën uitgewerkt in tekeningen. Zij hebben vervolgens samen een presentatie van de ideeën gehouden op het gemeentehuis in [plaatsnaam] . Op 30 augustus 2013 heeft [gedaagde] aan [eiser] laten weten dat het project hem te groot wordt en dat hij daarom hulp gaat inschakelen. Er raken andere partijen betrokken bij het project, waaronder [A] , een ontwikkelaar.

2.2.

Op 10 april 2014 hebben [eiser] , [gedaagde] en [A] een gesprek op het kantoor van [eiser] . Tijdens dat gesprek blijkt dat [gedaagde] en [A] niet verder willen samenwerken met [eiser] . Na de e-mail van 13 juni 2014 van [gedaagde] aan [eiser] staat dat tussen partijen vast: het contact loopt ten einde. [eiser] heeft tot dat moment wel werkzaamheden voor het project verricht. [eiser] heeft het aantal uren dat hij heeft besteed in 2014 aan [gedaagde] gemeld, maar op dat moment nog niet in rekening gebracht. Volgens [eiser] hield de afspraak met [gedaagde] namelijk in dat hij de uren pas in rekening zou brengen als het project zou zijn gerealiseerd.

2.3.

[gedaagde] is doorgegaan met de ontwikkeling van het project in een ander samenwerkingsverband. Het project is uiteindelijk in 2019 opgeleverd. Toen [eiser] vernam dat het project was gerealiseerd, heeft hij [gedaagde] op 11 oktober 2019 een factuur gestuurd voor zijn uren. [gedaagde] weigert die factuur te betalen. [gedaagde] stelt dat hij op grond van de afspraken tussen partijen geen betaling verschuldigd is en dat als hij dat wel zou zijn, de vordering van [eiser] inmiddels is verjaard.

2.4.

De kantonrechter gaat eerst na of er sprake is van verjaring. Vervolgens zal de kantonrechter ingaan op de vraag hoe de afspraken tussen [eiser] en [gedaagde] moeten worden uitgelegd.

3 De beoordeling

Is er sprake van verjaring?

3.1.

[gedaagde] stelt dat de vordering van [eiser] dateert uit 2013/2014 en daarom is verjaard. [eiser] heeft de factuur pas in 2019 gestuurd, maar [gedaagde] was in 2013/2014 al bekend met de vordering omdat [eiser] hem toen heeft laten weten hoeveel uur hij heeft besteed. Dat is daarom volgens [gedaagde] het moment waarop de verjaringstermijn is gaan lopen. Volgens [eiser] is er geen sprake van verjaring, omdat de verjaringstermijn pas is gaan lopen vanaf het moment dat de vordering opeisbaar werd en dat was op het moment dat [eiser] op 11 oktober 2019 de factuur aan [gedaagde] heeft gestuurd.

3.2.

De kantonrechter overweegt als volgt. In artikel 3:307 BW is bepaald dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit een overeenkomst tot geven of doen verjaart na vijf jaar na aanvang van de dag, volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Een vordering is volgens artikel 6:38 BW meteen opeisbaar, als partijen geen afspraak hebben gemaakt over de tijd voor nakoming.

3.3.

Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] pas betaling verschuldigd zou zijn na de realisatie van het project (ongeacht de verdere uitleg die aan de overeenkomst gegeven kan worden). Er is dus een afspraak gemaakt over de tijd voor nakoming. [eiser] heeft de factuur verzonden op het moment dat voor hem zichtbaar was dat een project aan de [straatnaam] in [plaatsnaam] was gerealiseerd en [gedaagde] heeft niet betwist dat dat enige jaren heeft geduurd. Daarvan uitgaande, stelt de kantonrechter vast dat de vordering van [eiser] (nog los van de vraag of die toewijsbaar is) opeisbaar is geworden toen hij op 11 oktober 2019 de factuur aan [gedaagde] heeft verstuurd. De kantonrechter komt daarom tot de conclusie dat de vordering van [eiser] nog niet is verjaard. Dit verweer van [gedaagde] slaagt daarom niet. De kantonrechter zal de vordering van [eiser] inhoudelijk beoordelen.

Wat hebben partijen afgesproken?

3.4.

[eiser] stelt dat [gedaagde] en hij elkaar kennen van een eerdere opdracht. [gedaagde] was daardoor bekend met de kwaliteiten van [eiser] en de door hem gehanteerde tarieven. Volgens [eiser] is er tussen hem en [gedaagde] een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen. [eiser] heeft op grond van die overeenkomst van december 2012 tot en met augustus 2013 werkzaamheden verricht voor het project. Wanneer het project tot realisatie zou komen, zou [eiser] de architect van het project worden. Ook zou [eiser] bij realisatie van het project door [gedaagde] worden betaald voor de door hem verrichte werkzaamheden. De werkzaamheden van [eiser] waren zo uitgebreid dat die niet kunnen worden aangemerkt als een vriendendienst of werkzaamheden in het kader van acquisitie. Partijen hebben hun afspraken niet schriftelijk vastgelegd, maar volgens [eiser] blijkt uit de e-mails van [gedaagde] van 23 augustus 2013 en 13 juni 2014 wel dat hij de door [eiser] gestelde afspraak erkent.

3.5.

[gedaagde] betwist de inhoud van de door [eiser] gestelde afspraken. [gedaagde] betwist ook dat hij [eiser] opdracht heeft gegeven om werkzaamheden te verrichten. Volgens [gedaagde] hebben [eiser] en hij elkaar ontmoet via een netwerkclub en heeft hij [eiser] om hulp gevraagd bij de verkenning van zijn mogelijk eerste ontwikkelingslocatie. Dat is mondeling besproken en op basis van no cure no pay. Het was een vriendendienst, een vorm van acquisitie. Er is geen sprake van een schriftelijke overeenkomst met bevestiging van bijvoorbeeld een omschrijving van de precieze werkzaamheden, een uurtarief en toepasselijke voorwaarden. [gedaagde] stelt hij hooguit een inspanningsplicht had om de aankomende ontwikkelaar aan tafel te krijgen met [eiser] , [eiser] als architect betrokken te houden en ervoor te zorgen dat de ontwikkelaar de door [eiser] in het voortraject gemaakte uren zou vergoeden. [gedaagde] stelt dat hij aan zijn inspanningsplicht heeft voldaan. Er zijn verschillende contacten geweest tussen [eiser] en de ontwikkelaar, maar die hebben niet geleid tot een samenwerking. [gedaagde] stelt dat hij geen invloed had op de keuze voor de architect door de ontwikkelaar. Er is weliswaar een project gerealiseerd, maar in een andere vorm dan door [eiser] geschetst. De stedenbouwkundige opzet van [eiser] is nooit ten uitvoer gelegd. Het werk van [eiser] is van betekenis geweest in een zeer beperkte fase in het voortraject.

3.6.

De kantonrechter overweegt als volgt. Vast staat dat partijen in 2012-2013 hebben samengewerkt in het beginstadium van een project en dat het definitieve project uiteindelijk is gebaseerd op andere tekeningen en ideeën dan die van [eiser] . De afspraken over de samenwerking zijn niet schriftelijk vastgelegd. [eiser] heeft voldoende aangetoond dat [gedaagde] hem al kende van een eerder project, voordat zij naar aanleiding van de ontmoeting bij de netwerkclub met elkaar in gesprek gingen over het project in [plaatsnaam] . Voor zover [eiser] daarmee heeft bedoeld aan te tonen dat er geen sprake was van een vriendendienst naar aanleiding van een ontmoeting in een netwerkclub, merkt de kantonrechter op dat hij die omstandigheid van ondergeschikt belang vindt. Dat er geen sprake was van een vriendendienst (of acquisitie) blijkt immers voldoende uit het feit dat [gedaagde] in zijn e-mails van 30 augustus 2013 en 13 juni 2014 de zakelijke afspraken tussen partijen heeft bevestigd. [eiser] heeft de inhoud van die e-mails niet betwist, maar legt die anders uit dan [gedaagde] . De inhoud van de e-mails vormen wel het uitgangspunt voor de beoordeling van de vordering van [eiser] .

3.7.

In de e-mail van [gedaagde] aan [eiser] van 30 augustus 2013 staat het volgende:

‘[...] Tot deze fase heb jij er een aantal uren in gestoken. Deze uren wil de ontwikkelaar aan je voldoen, wanneer het project definitief tot ontwikkeling is gekomen.

Daarnaast geldt dat deze ontwikkelaar, per project, altijd een project-architect inschakelt. Als het project in dat stadium komt, zal jou de mond gegund worden.[...]’

En in de e-mail van [gedaagde] aan [eiser] van 13 juni 2014 staat:

‘[...] Toen is destijds (december 2012) aan dit project begon, heb ik jou gevraagd mij bij te staan. Afspraak die we daarover maakten, was dat we er allebei op no-cure-no-pay-basis in zouden gaan. Daar stond tegenover dat bij doorgaan van het project, jij de architect zou zijn. Zou het project door mij aan een ontwikkelaar worden overgedragen, dan zou ik mijn best doen jou bij betreffende ontwikkelaar binnen te brengen. Mocht de keuze voor de architect niet op jou vallen, dan zou ik mij inzetten om er voor te zorgen dat jou so far gemaakte uren door ontwikkelaar vergoed zouden worden. [...]


En mocht, worse case scenario, ontwikkelaar betaling weigeren én [onderneming 1] een vergoeding voor het aanbrengen ontvangen of een anderszins geldelijke bijdrage tegemoet mogen zien, zal ik jou niet vergeten en daaruit een vergoeding aan je betalen. Over de hoogte van een dergelijke vergoeding kan ik thans nog niets zeggen. Mocht de ontwikkeling noch door [B] [A] [C] , noch door [onderneming 1] gedaan worden, dan zal er dus ook geen sprake (kunnen) zijn van een vergoeding aan jou. In dat geval heeft iedereen veel, niet declarabele, tijd geinvesteerd.[...]’.

3.8.

Uit de e-mails leidt de kantonrechter af dat partijen op basis van no cure no pay met elkaar hebben gewerkt en dat [eiser] zou worden betaald als het project definitief tot ontwikkeling was gekomen. Het project waaraan [eiser] en [gedaagde] in de voorfase samen hebben gewerkt is niet tot stand gekomen. [gedaagde] heeft het project met andere partijen en in een andere vorm voortgezet. De kantonrechter ziet onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat [eiser] zonder meer zou worden betaald als het project in een andere vorm en met andere partijen werd gerealiseerd. Dat kan ook niet worden afgeleid uit de e-mail van 13 juni 2014 waarin [gedaagde] rekening houdt met de mogelijkheid dat het project zou worden overgedragen aan een ontwikkelaar en er een andere architect werd gekozen. [gedaagde] stelt dat voor dat geval geldt dat hij zich zal inzetten om ervoor te zorgen dat de uren van [eiser] alsnog worden vergoed. Dat is [gedaagde] niet gelukt.

3.9.

Voor het geval dat de ontwikkelaar [eiser] niet wil betalen heeft [gedaagde] wel een toezegging gedaan. Maar die toezegging geeft evenmin grond voor een vergoeding van de door [eiser] gemaakte uren. [gedaagde] zegt namelijk toe [eiser] een vergoeding te willen betalen, als [onderneming 1] (de eenmanszaak van [gedaagde] ) een vergoeding ontvangt. Maar als de ontwikkeling niet door [onderneming 1] en niet door [B] [A] [C] worden gedaan, kan er volgens [gedaagde] geen sprake zijn van een vergoeding aan [eiser] .

3.10.

[onderneming 1] is per 5 januari 2015 opgeheven. Deze onderneming was dus formeel niet meer betrokken bij de ontwikkeling van het definitieve project en heeft daarvoor ook geen vergoeding ontvangen. [B] [A] [C] was evenmin in die samenstelling betrokken bij het project. Het project is uiteindelijk namelijk gerealiseerd door [onderneming 2] B.V. [gedaagde] is middellijk bestuurder van deze vennootschap en werkt daarin samen met [C] (eerder onderdeel van de hiervoor genoemde onderneming ). Via deze vennootschap heeft [gedaagde] wel een vergoeding voor het project ontvangen. Feitelijk was [gedaagde] dus nog betrokken bij de ontwikkeling, maar in een andere hoedanigheid dan vermeld in de afspraken uit de e-mail van 13 juni 2014, waardoor [eiser] bij het ontbreken van andere vastgelegde afspraken zijn vergoeding (in het geval dat het project werd overgedragen aan een ontwikkelaar en er een andere architect zou worden ingeschakeld) misloopt.

Conclusie

3.11.

[eiser] kan op basis van het voorgaande geen aanspraak maken op een vergoeding van [gedaagde] voor de door hem gewerkte uren. [eiser] heeft – mede gelet op de betwisting door [gedaagde] – onvoldoende onderbouwd dat er tussen partijen een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen waaruit volgt dat [gedaagde] nu moet betalen voor de werkzaamheden van [eiser] ter voorbereiding van een project dat uiteindelijk volgens andere plannen en door (formeel) andere betrokken partijen is gerealiseerd. Zijn vordering wordt daarom afgewezen.

3.12.

[eiser] heeft ongelijk gekregen. Daarom moet hij de proceskosten van [gedaagde] betalen. Omdat [gedaagde] in persoon procedeert, worden die kosten op nihil begroot.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

wijst de vordering af;

4.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.J. van Maanen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier op 7 april 2021 in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. D.C.P.M. Straver.