Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1345

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-04-2021
Datum publicatie
09-04-2021
Zaaknummer
UTR 20/1841
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een Ziektewetuitkering, want geschikt voor eigen werk. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/1841


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2021 in de zaak tussen


[eiser] uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J.G.J. Spiekker),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. W.A. Postma).

Inleiding

1.1

Eiser werkte als productiemedewerker bij [uitzendbureau]. voor gemiddeld 40 uur per week. Per 1 augustus 2019 is zijn dienstverband beëindigd. Per 22 oktober 2019 heeft eiser zich bij verweerder ziekgemeld en een Ziektewetuitkering aangevraagd. Een arts van verweerder heeft eiser onderzocht en geconcludeerd dat eiser per die datum geschikt is voor zijn eigen werk als productiemedewerker. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder de aanvraag van eiser om een Ziektewetuitkering afgewezen.

1.2

Eiser heeft bezwaar gemaakt. In bezwaar hebben een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van verweerder heronderzoek verricht. Ook zij concluderen dat eiser per 22 oktober 2019 geschikt is voor zijn eigen werk als productiemedewerker. Bij besluit van 2 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de afwijzing van eisers aanvraag om een Ziektewetuitkering daarom in stand gelaten.

1.3

Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is op 28 januari 2021 bij de rechtbank behandeld op een digitale zitting via Skype. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek in de zaak gesloten.

Het geschil

2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit, omdat hij vindt dat hij niet in staat kan worden geacht om zijn eigen werk als productiemedewerker te doen. Verweerder blijft bij het bestreden besluit. De rechtbank moet aan de hand van wat partijen naar voren hebben gebracht, beoordelen of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser geschikt is voor zijn eigen werk als productiemedewerker. Daarbij gaat het om de medische toestand van eiser op 22 oktober 2019 (de dag waarop eiser zich heeft ziekgemeld).

Beoordeling van het geschil

Beoordelingskader

3. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat verweerder besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op medische rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel:

 op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;

 geen tegenstrijdigheden bevatten, en;

 voldoende begrijpelijk zijn.

De rapporten en besluiten zijn in beroep aanvechtbaar. Daarvoor moet eiser aanvoeren (en zo nodig aannemelijk maken) dat de rapporten niet aan de genoemde drie voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan. Om voldoende aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel informatie van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit betekent dat hoe eiser zich zelf voelt zónder dat daar een medische onderbouwing voor is, niet genoeg is om bij de rechtbank gelijk te krijgen.

4. De rechtbank merkt allereerst op dat zij, omdat het bezwaarschrift deel uitmaakt van het dossier, kennis heeft genomen van het bezwaarschrift. De enkele opmerking van eiser in zijn beroepschrift dat “de gronden van beroep dezelfde zijn als de gronden in bezwaar” is echter onvoldoende concreet om de bezwaargronden als beroepsgronden te kunnen laten dienen, in de zin van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht.

Voldoet de medische beoordeling aan de voorwaarden?

5. Eiser voert aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiser weliswaar lichamelijk onderzocht, maar daarbij alleen de bewegelijkheid van eisers linkerarm en het littekenweefsel bekeken. Hij heeft geen krachtmetingen bij eiser gedaan. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte geen informatie bij eisers huisarts opgevraagd.

6.1

De rechtbank volgt eiser hierin niet. Het is aan een verzekeringsarts om te beoordelen in hoeverre lichamelijk onderzoek van toegevoegde waarde is. De rechtbank ziet dat de eerste arts eiser ook al heeft onderzocht op 21 oktober 2019, dicht bij de datum waar het in deze zaak om gaat, en daarbij heeft geconstateerd dat sprake is van een licht verminderde spierkracht in eisers linkerarm. Verder blijkt uit de informatie van eisers fysiotherapeut dat sprake is van een licht verminderde kracht in eisers linkerarm. Gelet hierop kan de rechtbank de verzekeringsarts bezwaar en beroep erin volgen dat hij bij het lichamelijk onderzoek geen nadere krachtmetingen bij eiser heeft gedaan.

6.2

De rechtbank ziet verder dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 22 januari 2020 informatie bij eisers huisarts heeft opgevraagd en de ontvangen stukken vervolgens kenbaar bij zijn beoordeling heeft betrokken. Dat er geen informatie is opgevraagd, zoals eiser stelt, kan de rechtbank daarom ook niet volgen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens begrijpelijk en zonder tegenstrijdigheden beargumenteerd hoe zijn beoordeling tot stand is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de medische beoordeling daarmee aan de voorwaarden. Dat betekent dat verweerder zich bij het bestreden besluit mocht baseren op de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De beroepsgrond slaagt niet.

Is de medische beoordeling juist?

6. Eiser voert aan dat de medische beoordeling onjuist is. Hij is ten onrechte niet beperkt geacht in werken boven schouderhoogte en in duwen en trekken. Ook zijn er ten onrechte geen psychische beperkingen voor eiser aangenomen. Eiser is weliswaar pas eind september 2019 naar de huisarts gegaan met depressieve klachten, maar die klachten deden zich daarvóór al voor. Ter onderbouwing heeft eiser in beroep aanvullende medische informatie van zijn huisarts, de neuroloog en van de praktijkondersteuner van de huisarts meegestuurd.

7.1

In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de medische beoordeling onjuist zou zijn. In reactie op het beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend gerapporteerd. Hij ziet in de medische informatie geen aanleiding om zijn beoordeling te wijzigen. Eiser heeft in februari 2017 een incident meegemaakt, waarbij hij met een mes in zijn linker(onder)arm is gestoken. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er per 22 oktober 2019 geen sprake van duidelijke atrofie in eisers linkerarm. Ook de huisarts heeft geen verminderde spiermassa geconstateerd. Wel is er sprake van littekenweefsel en uit de informatie van de fysiotherapeut volgt dat de palmairflexie in eisers linkerhand – het naar voren en beneden buigen van het polsgewricht – beperkt is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht eiser daarom beperkt voor werk waarin hij zijn linkerhand frequent in palmairflexie moet gebruiken. Verder is sprake van een licht verminderde knijpkracht in eisers linkerarm. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht eiser daarom ook beperkt voor werk waarin hij met zijn linkerhand meer dan 5 kg moet hanteren (tillen en dragen).

7.2

De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet geen aanleiding voor het aannemen van psychische beperkingen bij eiser per 22 oktober 2019. In het huisartsenjournaal komt naar voren dat eiser zich eind september 2019 voor het eerst bij zijn huisarts heeft gemeld met depressieve klachten. De psychische problematiek heeft zich bij eiser later, ná 22 oktober 2019, ontwikkeld zodat daar volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen beperkingen voor kunnen worden aangenomen.

7.3

De rechtbank kan de redeneringen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen. Eiser heeft zijn betoog in beroep weliswaar onderbouwd met medische informatie, maar heeft niet concreet gemaakt waarom daaruit volgt dat hij per 22 oktober 2019 ook beperkt zou zijn in werken boven schouderhoogte en in duwen en trekken. Hetzelfde geldt voor de psychische beperkingen die eiser voorstaat. In de brief van de praktijkondersteuner van de huisarts wordt pas per 28 november 2019 gesproken van traumaklachten/PTSS en depressie en een mogelijke verwijzing naar de GGZ. Dit is ná 22 oktober 2019, zodat de rechtbank ook daarin niet ziet dat de medische beoordeling onjuist zou zijn. Dat eiser zelf ervaart dat hij meer beperkt is, is tegenover het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende. Voor de vertaling van klachten naar arbeidsbeperkingen, moeten de klachten steun vinden in medische informatie van een arts of medisch behandelaar. De beroepsgrond slaagt niet.

Is de arbeidskundige beoordeling juist?

8. Eiser voert aan dat de arbeidskundige beoordeling onjuist is. Het beeldmateriaal van de functie productiemedewerker, afkomstig van de ex-werkgever van eiser, is door verweerder ten onrechte niet aan eiser verstrekt. Eiser is daardoor onvoldoende in staat geweest om zich te verweren. De omschrijving van de functie in het arbeidskundig rapport is onvolledig, nu daarin niet is meegenomen dat de karren roestig zijn en daardoor zwaarder te hanteren. De functie is mede om die reden, niet geschikt voor eiser. Het voortduwen en trekken van de (volle) roestige karren vergt van eiser, vanwege zijn handbeperkingen te veel kracht. Omdat de karren roestig zijn is het ook zwaarder om de verticale raamwerken van de karren omhoog te tillen, dan waar de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vanuit is gegaan. Tot slot kan eiser niet in staat worden geacht om pallets melkflessen hoog op te stapelen, vanwege zijn handbeperkingen maar ook omdat hij niet boven schouderhoogte kan werken. Ook uit het feit dat eisers ex-werkgever niet tevreden over hem was, blijkt dat eiser ongeschikt is voor zijn eigen werk als productiemedewerker.

9.1

De rechtbank volgt eiser hierin niet. De rechtbank ziet allereerst geen reden voor het oordeel dat verweerder het beeldmateriaal aan eiser had moeten verstrekken. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat het enkel vanwege de coronamaatregelen is geweest dat de omschrijving van de functie is gebaseerd op beeldmateriaal dat door de ex-werkgever is toegestuurd. Normaal gesproken brengt een arbeidsdeskundig analist van verweerder een bezoek aan de werkplek om ter plaatse een specifieke omschrijving te maken van alle handelingen die in de functie voorkomen. De rechtbank ziet echter dat er in het arbeidskundige rapport een zeer uitgebreide omschrijving is gegeven van de te verrichten handelingen en werkzaamheden in de functie. Dat eiser zich onvoldoende heeft kunnen verweren volgt de rechtbank dan ook niet. Bovendien was het in de oude situatie voor eiser ook niet mogelijk geweest om aanwezig te zijn bij het bezoek van de arbeidsdeskundig analist van de werkplek. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat privacyoverwegingen en de welwillendheid van werkgevers om mee te werken, daarbij ook een rol spelen. Het betoog slaagt in zoverre dus niet.

9.2

In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder hem ten onrechte geschikt heeft geacht voor zijn eigen werk als productiemedewerker. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, moet ervan uit worden gegaan dat de beperkingen van eiser door de verzekeringsarts bezwaar en beroep juist zijn vastgesteld. Eiser is niet beperkt geacht in duwen en trekken. Dat eiser niet in staat zou zijn om de karren voort te duwen en trekken, volgt de rechtbank dan ook niet. Wel is eiser beperkt geacht voor werk waarin hij zijn linkerhand frequent in palmairflexie moet gebruiken, maar daar is bij het voortduwen en trekken van de karren geen sprake van. Uit het arbeidskundig rapport volgt namelijk dat het hanteren van de karren gepaard gaat met enige dorsaalflexie– het juist naar áchteren buigen van het polsgewricht –, en niet of nauwelijks met palmairflexie, waar eisers linkerhand beperkt in is. Hetzelfde geldt voor het opstapelen van pallets melkflessen boven schouderhoogte. Eiser is niet beperkt geacht in boven schouderhoogte actief zijn en het hoog opstapelen van pallets gaat, zo blijkt uit het arbeidskundig rapport, gepaard met enige dorsaalflexie, maar niet of nauwelijks met palmairflexie. Deze handelingen overschrijden de belastbaarheid van eiser dan ook niet.

9.3

Uit het arbeidskundig rapport volgt verder dat tillen met regelmaat voorkomt in de functie tot 2 kg en een enkele keer tot maximaal 3 kg (het omhoog tillen van de verticale raamwerken aan de voorkant van de karren). De rechtbank stelt vast dat dit ruim binnen eisers kunnen valt, nu eiser pas beperkt is geacht voor werk waarin hij met zijn linkerhand meer dan 5 kg moet hanteren (tillen en dragen). Voor zover het omhoog tillen van een raamwerk al zwaarder is dan waar de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vanuit is gegaan, omdat de karren roestig zijn, ziet de rechtbank daarom niet dat daarmee ook de maximale belastbaarheid van eiser in tillen en dragen wordt overschreden. Tot slot geldt dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser wordt vastgesteld aan de hand van een verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundig onderzoek. De (on)tevredenheid van eisers exwerkgever over zijn functioneren is daarvoor niet relevant. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

10. Omdat uit het arbeidskundig onderzoek blijkt dat eiser per 22 oktober 2019 geschikt is voor zijn eigen werk als productiemedewerker, heeft verweerder de afwijzing van eisers aanvraag om een Ziektewetuitkering terecht in stand gelaten in het bestreden besluit.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is op 2 april 2021 gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. de Bruin, griffier. De beslissing zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.