Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1337

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
22-04-2021
Zaaknummer
C/16/517582 / KG ZA 21-112
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vader geeft woning in gebruik aan zoon; bruikleen of huur?; huurovereenkomst voldoende aannemelijk; niet onaannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de zoon huurbescherming heeft; ontruimingsvordering in kort geding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/517582 / KG ZA 21-112

Vonnis in kort geding van 7 april 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. H. Vosmeijer te Amstelveen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

verschenen in persoon.

Eiser zal hierna [eiser] en gedaagde zal hierna [gedaagde (voornaam)] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 4 producties;

  • -

    de nagezonden producties 5 t/m 7 van [eiser] ;

  • -

    de conclusie van antwoord met 11 producties van [gedaagde (voornaam)] ;

  • -

    de pleitnota van [eiser] ;

  • -

    de pleitnota van [gedaagde (voornaam)] ;

  • -

    de mondelinge behandeling op 23 maart 2021, waarvan de griffier aantekening heeft gehouden. Aan het slot van de zitting heeft de rechter meegedeeld dat op 7 april 2021 vonnis zal worden gewezen.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is 74 jaar oud. Hij is de vader van [gedaagde (voornaam)] .

2.2.

[eiser] is eigenaar van de woning gelegen op het adres [adres] in [plaatsnaam 1] (hierna: de woning). Hij staat in de Basis Registratie Personen (BRP) ingeschreven als woonachtig op dat adres, maar hij verblijft doorgaans in [plaatsnaam 2] bij zijn vriendin, met wie hij al 25 jaar een relatie heeft.

2.3.

[eiser] heeft de woning in oktober 2020 aan [gedaagde (voornaam)] ter beschikking gesteld. Sindsdien verblijft [gedaagde (voornaam)] in de woning, in de weekenden en de vakanties samen met zijn kinderen.

2.4.

[eiser] heeft [gedaagde (voornaam)] bij brief van 13 januari 2021 gevraagd uit de woning te vertrekken uiterlijk op 28 februari 2021. [gedaagde (voornaam)] heeft aan dat verzoek niet voldaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter [gedaagde (voornaam)] zal veroordelen om de woning binnen een week na betekening van het vonnis te ontruimen, met machtiging van [eiser] om de ontruiming zelf via de deurwaarder te bewerkstelligen, zonodig met hulp van politie en justitie en op kosten van [gedaagde (voornaam)] .

Hij legt aan die vordering – kort samengevat - ten grondslag dat hij de woning in oktober 2020 om niet aan [gedaagde (voornaam)] in gebruik heeft gegeven voor een periode van twee maanden, om hem te helpen. Die periode is verstreken en sindsdien verblijft [gedaagde (voornaam)] zonder recht of titel in de woning. [eiser] stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij de ontruiming, omdat hij weer zelf over de woning moet kunnen beschikken. Hij kan niet permanent wonen bij zijn vriendin omdat de relatie instabiel is. Hij moet daarom kunnen terugvallen op zijn eigen woning. Hij heeft een AOW-uitkering en een klein pensioen en kan geen andere woning huren of kopen. [gedaagde (voornaam)] daarentegen handelt in vastgoed en is eigenaar van diverse woningen in Nederland ( [plaatsnaam 3] ) en in Portugal, waar hij kan verblijven met zijn gezin. Het belang van [eiser] bij de ontruiming moet daarom zwaarder wegen dan het belang van [gedaagde (voornaam)] bij een voortgezet gebruik van de woning, zo stelt [eiser] .

3.2.

[gedaagde (voornaam)] voert verweer. Hij stelt – kort samengevat -– dat hij in oktober 2020 wegens financiële omstandigheden en een noodzakelijk vertrek uit zijn toenmalige woning, dringend behoeft had aan woonruimte. De ouderlijke woning stond leeg en hij heeft deze toen van zijn vader gehuurd tegen een huurprijs van € 400,00 per maand. Er is geen bepaalde tijd overeengekomen. Hij heeft de huur betaald en in overleg met zijn vader de noodzakelijke reparaties aan de woning verricht. Nadat de vriendin van zijn vader zich ermee ging bemoeien is het mis gegaan. Zij was het niet eens met zijn verblijf in de woning. Daarna is zijn vader de maandelijkse huurbetalingen gaan terugstorten en gaan aandringen op zijn vertrek uit de woning. [gedaagde (voornaam)] beroept zich op de wettelijke huurbescherming. Hij benadrukt dat zijn vader al jaren bij zijn vriendin woont en dat hij de woning vaker voor langere tijd heeft verhuurd. Volgens [gedaagde (voornaam)] is het de vriendin van zijn vader die zijn verblijf in de woning dwarsboomt en is zijn vader niet tegen haar opgewassen. [gedaagde (voornaam)] vraagt de voorzieningenrechter om de vordering af te wijzen.

4 De beoordeling

4.1.

In deze kort geding procedure wordt aan de voorzieningenrechter gevraagd om een spoedmaatregel (voorlopige voorziening) te nemen. De voorzieningenrechter moet beoordelen of het waarschijnlijk is dat in de bodemprocedure een beslissing zal worden genomen die in het voordeel zal zijn van de eisende partij, dat is [eiser] . Als dat voldoende waarschijnlijk is en [eiser] een voldoende spoedeisend belang bij de gevorderde maatregel heeft, kan de door [eiser] gevorderde maatregel, die vooruitloopt op de beslissing in de bodemprocedure, worden toegewezen.

4.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen, om de volgende redenen.

4.2.1.

De vordering van [eiser] is gebaseerd op de stelling dat [gedaagde (voornaam)] zonder recht of titel in de woning verblijft. Volgens [eiser] heeft hij de woning voor een periode van twee maanden (oktober en november 2020) om niet aan [gedaagde (voornaam)] ter beschikking gesteld en is er geen sprake van huur. [gedaagde (voornaam)] heeft die stelling van [eiser] echter gemotiveerd weersproken. Hij stelt dat hij met zijn vader mondeling een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft gesloten met ingang van oktober 2020, waarbij een huurprijs van € 400,00 per maand is afgesproken.

4.2.2.

Vooropgesteld wordt dat [eiser] niet heeft betwist dat [gedaagde (voornaam)] € 400,00 per maand aan hem heeft betaald via overschrijving op zijn bankrekening, volgens het overzicht dat [gedaagde (voornaam)] als productie 1 heeft overgelegd. De eerste betaling heeft blijkens dat overzicht plaatsgevonden op 8 november 2020 en bedroeg € 800,00. Die betaling ziet op de maanden oktober en november 2020, zo heeft [gedaagde (voornaam)] ter zitting toegelicht. Met ingang van 1 december 2020 heeft [gedaagde (voornaam)] steeds op de eerste van de betreffende maand € 400,00 overgemaakt. Verder staat vast dat [eiser] die maandelijkse betalingen pas is gaan terugstorten na medio januari 2021, dat is nadat hij aan [gedaagde (voornaam)] een brief heeft gestuurd met het verzoek de woning te ontruimen. Die brief dateert van 13 januari 2021 (productie 2 bij dagvaarding). [eiser] heeft op vragen van de rechter ter zitting verklaard dat hij maandelijks een rekeningafschrift van de bank ontvangt. Het is dan ook weinig aannemelijk dat [eiser] pas in januari 2021 bekend is geworden met de betalingen van [gedaagde (voornaam)] , die volgens het standpunt van [eiser] geheel onverplicht zouden zijn voldaan omdat geen huur is overeengekomen. Hij heeft op vragen van de rechter ter zitting geen verklaring gegeven voor het feit dat hij de van [gedaagde (voornaam)] ontvangen bedragen pas medio januari 2021 is gaan terugstorten, anders dan dat hij dat heeft gedaan “op advies van mensen uit zijn omgeving”, waarmee hij niet doelt op zijn huidige advocaat.

4.2.3.

Daar komt nog bij dat [eiser] heeft benadrukt dat hij de woning nog nooit heeft verhuurd, maar dat hij deze in het verleden wel eens voor korte periodes in gebruik heeft gegeven aan vrienden of bekenden die tijdelijk woonruimte nodig hadden ter overbrugging. Op de woning rust een hypotheek en de bank staat verhuur niet toe, zo stelt [eiser] .

[gedaagde (voornaam)] heeft echter een schriftelijke verklaring overgelegd van de buurman van de vriendin van [eiser] , waarin deze verklaart dat [eiser] al jarenlang met zijn vriendin samenwoont in haar huis en dat hij weet dat de woning van [eiser] voordat [gedaagde (voornaam)] deze betrok was verhuurd aan de familie [achternaam] . [gedaagde (voornaam)] heeft ter zitting geciteerd uit een huurcontract gesloten tussen [achternaam] en zijn vader, waarin een huurprijs is vermeld en een huurperiode van 3 jaar. [eiser] heeft die gestelde feiten ter zitting niet weersproken. Verder staat vast dat de woning toen [gedaagde (voornaam)] deze betrok niet ingericht was en dat de inboedel van [eiser] in de garage was opgeslagen.

4.2.4.

De voorzieningenrechter is op grond van de onder 4.2.2. en 4.2.3. vermelde feiten en omstandigheden van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure zal komen vast te staan dat [gedaagde (voornaam)] de woning bewoont op grond van een met zijn vader gesloten huurovereenkomst.

4.2.5.

De wet kent een uitgebreide regeling ter bescherming van de huurder van woonruimte. Die regeling is van dwingend recht. In die regeling zijn de mogelijkheden van de verhuurder om de huur op te zeggen beperkt en worden aan die opzegging strikte eisen gesteld. Ook aan een huurovereenkomst voor bepaalde tijd worden strikte eisen gesteld als het gaat om het eindigen daarvan. Dit betekent dat de voorzieningenrechter zeer terughoudend moet zijn bij een vordering tot ontruiming van een woning als aannemelijk is dat sprake is van huur en de vordering – zoals hier het geval is – niet is gebaseerd op wanprestatie, ongeacht of de huur voor bepaalde of onbepaalde tijd is aangegaan. [eiser] heeft in deze procedure overigens niet gesteld dat hij aan de wettelijke vereisten voor opzegging c.q. beëindiging van de huur heeft voldaan en dat dit wel zo is blijkt nergens uit. Hij kan zich er niet op beroepen dat hij met die wettelijke regeling niet bekend is, dit komt voor zijn rekening en risico als verhuurder.

4.2.6.

In een bodemprocedure zal beoordeeld moeten worden wat partijen op grond van elkaars uitlatingen en gedragingen bij het sluiten van de huurovereenkomst redelijkerwijs van elkaar hebben mogen verwachten ten aanzien van (de duur van) het gebruik van de woning door [gedaagde (voornaam)] en ook de familierelatie tussen partijen zal daarbij vermoedelijk een rol gaan spelen. De voorzieningenrechter acht op dit moment echter niet onaannemelijk dat de bodemrechter het beroep van [gedaagde (voornaam)] op de dwingendrechtelijke huurbescherming zal honoreren. De vordering van [eiser] tot ontruiming moet daarom worden afgewezen. Aan een belangenafweging tussen partijen (wie van hen de woning nu het meest nodig heeft) wordt niet toegekomen.

Proceskosten

4.3.

[eiser] heeft ongelijk gekregen. Hij wordt daarom veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde (voornaam)] , tot vandaag begroot op € 309,00 griffierecht.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde (voornaam)] , tot vandaag begroot op € 309,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2021.1

1 type: AW/4074 coll: