Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1334

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
19-04-2021
Zaaknummer
8694948 AC EXPL 20-2089
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koopovereenkomst auto; koopsom niet betaald en auto niet afgenomen; schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 8694948 AC EXPL 20-2089 aw/1370

Vonnis van 7 april 2021

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eisers] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen: [eisers] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. P.M. Hoogstad,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen: [gedaagde] ,

gedaagde partij,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Hoe de procedure is verlopen, blijkt uit het volgende:

- de dagvaarding met 11 producties is op 27 juli 2020 bij [gedaagde] bezorgd,

- [gedaagde] heeft schriftelijk op de dagvaarding gereageerd. Hij heeft daarbij 13 producties gevoegd,

- de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 februari 2021 via Skype. De griffier heeft aantekening gemaakt van wat er is besproken. Aan het slot van de zitting heeft de kantonrechter meegedeeld dat zo mogelijk op 24 maart 2021 vonnis zal worden gewezen. Die datum is niet gehaald, de vonnisdatum is nader bepaald op 7 april 2021.

2 De vordering en het verweer

2.1.

In deze procedure vordert [eisers] dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair voor recht zal verklaren dat de koopovereenkomst door [eisers] buitengerechtelijk is ontbonden en [gedaagde] zal veroordelen om de schade die het gevolg is van zijn wanprestatie aan [eisers] te vergoeden, dat is een bedrag van in totaal € 11.600,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 december 2019;

Subsidiair [gedaagde] zal veroordelen om aan haar te betalen een rentevergoeding van 0,5% van de koopprijs per maand gedurende de periode 7 maart tot 7 december 2019, dat is een bedrag van € 2.002,50 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 december 2019;

Zowel primair als subsidiair [gedaagde] zal veroordelen om aan [eisers] te betalen € 891,00 aan buitengerechtelijke kosten te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van dagvaarding en de proceskosten eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

2.2.

[eisers] legt aan haar vorderingen – samengevat – ten grondslag dat [gedaagde] in februari 2019 van haar een auto heeft gekocht, namelijk een BMW X5 met kenteken [kenteken] tegen een prijs van € 44.500,00. Zij verwijst naar de koopovereenkomst met bijbehorende algemene voorwaarden die zij als producties 1 en 2 bij dagvaarding heeft overgelegd, die door [gedaagde] is ondertekend op 19 februari 2019. Volgens [eisers] is met [gedaagde] afgesproken dat de auto na inspectie en APK-keuring door [eisers] zou worden afgeleverd op 1 maart 2019. [gedaagde] heeft echter – ondanks zijn herhaalde toezeggingen dat hij binnenkort zal betalen en afnemen – de koopprijs niet betaald en de auto niet afgenomen. Om haar schade te beperken heeft [eisers] de koopovereenkomst ontbonden en de auto op 7 december 2019 aan een derde verkocht voor een prijs van € 35.000,00.

2.3.

Volgens [eisers] is [gedaagde] toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst en na ingebrekestelling in verzuim geraakt. In deze procedure vordert zij dat [gedaagde] de schade die zij door zijn wanprestatie lijdt zal vergoeden. Die schade bestaat uit het verschil tussen de met [gedaagde] overeengekomen prijs en de (lagere) prijs die de derde voor de auto heeft betaald. Dat verschil is € 9.500,00. Daarnaast kan [eisers] op grond van artikel 11 van de algemene voorwaarden als de auto niet tijdig wordt opgehaald de bij haar gebruikelijke stallingskosten in rekening brengen van € 300,00 per maand. Over de periode 7 maart tot 7 december 2019 komt dat neer op een bedrag van € 2.100,00.

2.4.

[gedaagde] voert als verweer – samengevat – aan dat hij de auto heeft gekocht onder de voorwaarde dat er voldoende financiële middelen beschikbaar kwamen. Verder is met [eisers] afgesproken dat [eisers] de auto tussentijds aan een derde mocht verkopen als deze mogelijkheid zich voordeed, omdat [gedaagde] enige tijd nodig had om de financiën te regelen. Enkel om de reservering kracht bij te zetten heeft [eisers] hem verzocht de koopovereenkomst te tekenen. [eisers] heeft de koopovereenkomst eerst geannuleerd en aan hem annuleringskosten in rekening gebracht. Op die annulering is zij later teruggekomen en in deze procedure stelt zij zich opeens op het standpunt dat zij de overeenkomst heeft ontbonden. Op stallingskosten heeft zij nooit eerder (dan in deze procedure) aanspraak gemaakt. Bovendien heeft de auto al die tijd, tot aan de verkoop aan een derde, te koop gestaan op de website en in de showroom van [eisers] . [gedaagde] betwist dat hij in verzuim is geraakt. [eisers] heeft zonder zijn medeweten de auto verkocht aan een derde tegen een lagere prijs en dat de verkoopopbrengst nu lager is komt daarom voor rekening van [eisers] . [gedaagde] meent dan ook geen stallingskosten of andere schadevergoeding verschuldigd te zijn en hij concludeert tot afwijzing van de vordering.

3 De beoordeling

De koopovereenkomst

3.1.

[eisers] heeft als productie 1 bij dagvaarding een overeenkomst overgelegd tussen [eisers] en [gedaagde] gedateerd 19 februari 2019. De overeenkomst ziet op de levering door [eisers] aan [gedaagde] van de auto BMW X5 serie F15 met kenteken [kenteken] , tegen een koopprijs van € 44.500,00. De overeenkomst vermeldt een leveringsdatum van 1 maart 2019. Ook is daarin opgenomen welke werkzaamheden [eisers] vóór aflevering nog aan de auto zal verrichten. Deze schriftelijke koopovereenkomst, die door beide partijen is ondertekend, is een onderhandse akte die tussen partijen dwingend bewijs oplevert van wat zij zijn overeengekomen.

3.2.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij de koopovereenkomst is aangegaan onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat hij de financiën rond krijgt en dat hij de schriftelijke overeenkomst alleen maar heeft ondertekend op verzoek van [eisers] om “de reservering te bevestigen.” [eisers] heeft die gang van zaken echter betwist en uit de tekst van de (gedetailleerde) overeenkomst blijkt niet dat een financieringsvoorbehoud is overeengekomen en/of dat geen sprake is van koop maar van een reservering. Dat blijkt ook niet uit de uitgebreide e-mailcorrespondentie die nadien tussen partijen is gevoerd in de periode 2 april tot en met 18 oktober 2019: [eisers] is [gedaagde] blijven aanspreken op spoedige nakoming van de koopovereenkomst en [gedaagde] heeft in reactie daarop steeds geschreven dat hij de auto graag zo snel mogelijk wil afnemen maar dat hij nog niet beschikt over het benodigde geld, dat uit Zwitserland moet komen. Als de incassogemachtigde van [eisers] [gedaagde] aanspreekt op betaling van annuleringskosten is zijn reactie per e-mail van 18 oktober 2019 dat inderdaad is overeengekomen dat er annuleringskosten worden berekend als de auto door koper wordt geannuleerd of als hij niet binnen 2 maanden afneemt, maar dat hij met [eisers] in april/mei 2019 aanvullende, andersluidende mondelinge afspraken heeft gemaakt over de betaling van een vertragingsrente/stallingsvergoeding. [eisers] heeft die aanvullende afspraken overigens betwist en in elk geval staat vast dat [gedaagde] die voorgestelde rente/vergoeding niet aan [eisers] heeft betaald. De kantonrechter constateert dat [gedaagde] zich ook in zijn e-mail van 18 oktober 2019 niet beroept op het door hem in deze rechtszaak gestelde financieringsvoorbehoud.

3.3.

Gelet op al die feiten en omstandigheden is het door [gedaagde] gestelde financieringsvoorbehoud in rechte niet komen vast te staan. Evenmin is komen vast te staan dat slechts sprake was van een reservering. In rechte moet er vanuit worden gegaan dat [gedaagde] de auto in februari 2019 van [eisers] heeft gekocht, volgens de schriftelijke koopovereenkomst van 19 februari 2019.

Wanprestatie, verzuim, annulering, ontbinding

3.4.

Dit betekent dat [gedaagde] zich tegenover [eisers] heeft verplicht om de koopprijs van de auto te betalen en de auto af te nemen. Betalingsonmacht levert geen overmacht op, dit komt voor rekening en risico van [gedaagde] . Hij heeft na de afgesproken leveringsdatum bij [eisers] maandenlang de verwachting gewekt dat hij de auto alsnog zou afnemen en hij heeft de koopovereenkomst niet geannuleerd. De gemachtigde van [eisers] heeft [gedaagde] bij brief van 14 februari 2020 in gebreke gesteld en een termijn van 16 dagen na ontvangst van de brief gegeven om alsnog na te komen door de koopprijs te betalen en de auto af te nemen. Door het verstrijken van die termijn is het verzuim ingetreden (artikel 6:82 lid 1 BW). [eisers] kan [gedaagde] daarom aanspreken op vergoeding van de schade die het gevolg is van zijn wanprestatie (artikel 6:74 BW).

3.5.

[eisers] heeft [gedaagde] aanvankelijk buiten rechte aangesproken op de betaling van annuleringskosten, op grond van de algemene voorwaarden. Ter zitting heeft zij toegelicht dat dat een vergissing was, omdat alleen de koper op grond van de algemene voorwaarden de mogelijkheid heeft om de overeenkomst te annuleren. Zij heeft de annulering daarom bij brief van 14 februari 2020 weer ingetrokken, onder de mededeling dat de overeenkomst “nog rechtsgeldig is”. Zij stelt in deze procedure dat zij de overeenkomst vervolgens buitengerechtelijk heeft ontbonden wegens wanprestatie.

3.6.

Terecht heeft [gedaagde] opgemerkt dat die handelwijze van [eisers] curieus is. Hij heeft echter niet betwist dat [eisers] de overeenkomst op grond van de algemene bepalingen niet kon annuleren. Die annulering, waarmee [gedaagde] niet heeft ingestemd, heeft om die reden niet geleid tot het einde van de koopovereenkomst. [gedaagde] heeft de annuleringskosten waarop [eisers] hem buiten rechte heeft aangesproken overigens ook niet aan haar betaald. De door [eisers] gestelde buitengerechtelijke ontbinding blijkt echter niet uit de brief van 14 februari 2020 en ook niet uit de overige correspondentie die zij in het geding heeft gebracht. Dat zij de koopovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden is daarom niet komen vast te staan. Zij vordert niet dat de kantonrechter de koopovereenkomst zal ontbinden, maar dat voor recht zal worden verklaard dat deze door haar buitengerechtelijk is ontbonden. De (primaire) vordering van [eisers] ziet voor het overige alleen op vergoeding van haar schade die het gevolg is van de wanprestatie van [gedaagde] . Voor dat recht op schadevergoeding is niet vereist dat de overeenkomst is ontbonden. De kantonrechter kan aan dit punt daarom verder voorbij gaan bij de bespreking van de gevorderde schadevergoeding.

Schadevergoeding - koopsom

3.7.

[eisers] heeft de auto aan een derde verkocht voor € 35.000,00. De betreffende faktuur heeft zij in het geding gebracht (productie 7 bij dagvaarding). Die gerealiseerde koopprijs is € 9.500,00 lager dan de koopprijs die zij met [gedaagde] is overeengekomen. Dat verschil is schade, die het gevolg is van de wanprestatie van [gedaagde] . Er bestond voor [eisers] geen verplichting om de auto in overleg met [gedaagde] te verkopen, zoals [gedaagde] stelt. Ook zijn verweer dat de lagere verkoopprijs tot het ondernemingsrisico van [eisers] behoort, gaat niet op. Als gevolg van het feit dat [gedaagde] zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst niet is nagekomen heeft [eisers] niet de koopprijs van € 44.500,00 ontvangen, maar heeft zij moeten besluiten de auto (ruim 9 maanden later) aan een derde te verkopen om haar schade te beperken. Dat zij de auto op dat moment ook voor een hoger bedrag dan € 35.000,00 had kunnen verkopen heeft [gedaagde] niet onderbouwd. Dat dit het geval is geweest ligt ook niet voor de hand, omdat [eisers] er zelf belang bij heeft om een zo hoog mogelijk koopsom te ontvangen.

3.8.

[gedaagde] heeft in dit verband nog aangevoerd dat hij met [eisers] heeft afgesproken dat zij de auto te allen tijde aan een belangstellende derde mocht verkopen, zolang hij de financiering niet rond had. Ter onderbouwing van die (door [eisers] betwiste) afspraak wijst [gedaagde] erop dat de auto na het sluiten van de koopovereenkomst nog steeds te koop stond in de showroom en op de website van [eisers] . Ter zitting heeft [eisers] toegelicht dat het bij haar gebruikelijk is dat auto’s die op haar eigen website te koop worden aangeboden pas worden verwijderd als deze zijn geleverd en dat dit de enige reden is dat de aan [gedaagde] verkochte auto zo lang op de website heeft gestaan. Als zich een koper zou hebben gemeld – hetgeen niet het geval is geweest – dan zou zij de auto niet aan die persoon hebben verkocht, omdat zij deze immers al aan [gedaagde] had verkocht. Op verkoopsites van derden is de auto na het sluiten van de koopovereenkomst met [gedaagde] direct verwijderd, zo heeft [eisers] onweersproken gesteld. Daarmee heeft zij dit verweer van [gedaagde] voldoende weerlegd.

3.9.

Uit de gevoerde e-mailcorrespondentie tussen partijen blijkt dat [gedaagde] na verloop van tijd inderdaad tegen [eisers] heeft gezegd dat het haar vrij stond om, zolang hij de financiering niet rond had, de auto te verkopen aan een belangstellende derde. Dat [eisers] met dat voorstel heeft ingestemd blijkt echter nergens uit, integendeel: zij is bij [gedaagde] (tevergeefs) blijven aandringen op nakoming van de koopovereenkomst en zij heeft de auto pas in december 2019 tegen een lagere prijs aan een derde, een handelaar, verkocht. Zij heeft [gedaagde] weliswaar daarna nog, voor de laatste maal, aangesproken op nakoming van de koopovereenkomst door de koopsom binnen de gestelde termijn te betalen waarna zij de auto aan hem zal leveren (in de brief van 14 februari 2020), maar voor die op het eerste gezicht merkwaardige gang van zaken heeft zij ter zitting een plausibele verklaring gegeven. Zij heeft namelijk toegelicht dat de auto op dat moment nog bij de betreffende handelaar stond en dat zij deze kon terugkopen om deze zonodig alsnog aan [gedaagde] te leveren. Uit de door [gedaagde] gestelde gang van zaken rond de verkoop aan een derde kan daarom niet volgen dat [eisers] haar rechten uit de met [gedaagde] gesloten koopovereenkomst heeft prijsgegeven.

3.10.

De conclusie luidt dat [gedaagde] de gevorderde schadevergoeding van € 9.500,00 aan [eisers] is verschuldigd. Dit deel van de vordering zal worden toegewezen, met de wettelijke rente over € 9.500,00 vanaf 2 maart 2020, de dag dat het verzuim is ingetreden (op grond van de ingebrekestelling van 14 februari 2020).

Schadevergoeding – stallingskosten

3.11.

[eisers] vordert betaling van stallingskosten op grond van de algemene voorwaarden. [gedaagde] stelt dat hij in april/mei 2019 met [eisers] mondeling afspraken heeft gemaakt over een stallingsvergoeding, in afwijking van hetgeen daarover is opgenomen in de algemene voorwaarden. [eisers] heeft op zich niet betwist dat [gedaagde] een voorstel heeft gedaan voor betaling van stallingskosten gedurende de tijd dat hij bezig was de financiering rond te krijgen maar zij stelt dat zij met dat voorstel niet heeft ingestemd (zie ook hiervoor onder 3.2.). De kantonrechter constateert verder dat [eisers] [gedaagde] pas voor het eerst in deze procedure – en niet in april/mei 2019, in reactie op het voorstel van [gedaagde] – heeft aangesproken op betaling van € 300,00 per maand aan stallingskosten. [eisers] heeft ruim 9 maanden afgewacht of [gedaagde] de koopsom zou gaan betalen, met als consequentie dat de auto gedurende die periode in haar showroom bleef staan. Op grond van het bedoelde beding in de algemene voorwaarden (artikel 11) kan [eisers] al 3 werkdagen “na kennisgeving van de uitvoering van de opdracht” stallingskosten aan de klant in rekening brengen als hij de auto niet ophaalt. Hoe hoog die kosten zijn wordt in dat artikel niet vermeld. Onder die omstandigheden kan zij van [gedaagde] nu in redelijkheid niet meer eisen dat hij op grond van artikel 11 de volgens haar gebruikelijke vergoeding van € 300,00 per maand betaalt, nog daargelaten of [eisers] zich in dit geval gerechtvaardigd op artikel 11 kan beroepen. Dit artikel lijkt blijkens de formulering namelijk te zijn geschreven voor de situatie dat [eisers] in opdracht reparatiewerkzaamheden verricht aan de auto van haar klant. In dit geval is sprake van een koopovereenkomst, waarbij is afgesproken wanneer en in welke staat de auto door [eisers] zal worden afgeleverd (zoals APK gekeurd). Die door [eisers] vóór aflevering nog te verrichten werkzaamheden zijn begrepen in de koopprijs.

De conclusie luidt dat de gevorderde stallingskosten moeten worden afgewezen.

Verklaring voor recht

3.12.

Zoals hiervoor onder r.o. 3.6. al is overwogen is in rechte niet komen vast te staan dat [eisers] de koopovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden. De gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden afgewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

3.13.

[eisers] vordert op grond van de wet betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 891,00. [eisers] heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Omdat een deel van de vordering zal worden afgewezen zijn de gevorderde kosten toewijsbaar tot een bedrag van € 850,00, dat is conform de wettelijke tarieven, die in het algemeen redelijk kunnen worden geacht. De wettelijke rente over dat bedrag zal worden toegewezen vanaf 27 juli 2020, als gevorderd.

Proceskosten

3.14.

[gedaagde] is aan te merken als de partij die ongelijk heeft gekregen. Hij moet daarom de proceskosten van [eisers] betalen. Die kosten bedragen tot vandaag in totaal € 1.332,99, te weten:

€ 499,00 griffierecht;

€ 87,99 explootkosten inclusief informatiekosten;

€ 746,00 salaris gemachtigde (2 punten x het tarief van € 363,00).

De nakosten en de wettelijke rente over de proces- en nakosten zullen worden toegewezen als hierna in de beslissing te melden.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] tegen bewijs van kwijting te betalen € 9.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 2 maart 2020 tot de voldoening en € 850,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 27 juli 2020 tot de voldoening;

4.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eisers] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.332,99, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

4.3.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [eisers] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 124,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening en te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening;

4.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.H. Charbon, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 april 2021.