Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1333

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
16/287355-20 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich samen met twee anderen schuldig heeft gemaakt aan een gewelddadige woningoverval, waarbij de daders de woning zijn binnengedrongen middels braak. Verdachte was in beeld gekomen door meerdere DNA-matches. Aan verdachte is een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden, met aftrek van het voorarrest, opgelegd. Daarnaast heeft de rechtbank nog beslissingen genomen over de vordering van de benadeelde partij en over inbeslaggenomen goederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/287355-20 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 6 april 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1988] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans verblijvende in Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 maart 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A. Lobregt en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. E.M Steller, advocaat te Schiphol, naar voren hebben gebracht.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de nacht van 17 juni 2020 te Utrecht samen met (een) ander(en) een woningoverval heeft gepleegd en dat zij daarbij hebben gedreigd met geweld en/of geweld hebben gebruikt in de richting van [slachtoffer] en € 400,- en horloges hebben buitgemaakt.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde, inclusief het medeplegen, wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit en evenmin voor onderdelen van dit feit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

- de bevindingen van verbalisant [verbalisant] ;2

- de verklaring van aangever [slachtoffer] ;3

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 23 maart 2021.

Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank het ten laste gelegde bewezen, zoals dit hieronder is weergegeven.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 17 juni 2020 te [woonplaats] , gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, uit een woning, gelegen aan de [adres] , tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van in totaal ongeveer 400 euro en meerdere horloges, toebehorende aan [slachtoffer] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond, dat verdachte en zijn mededaders

- zich met gezichtsbedekkende kleding naar voornoemde woning hebben

begeven en

- het balkon van voornoemde woning op zijn geklommen en

- vervolgens een raam van voornoemde woning hebben ingeslagen en

- vervolgens de woning hebben betreden en

- met die [slachtoffer] in worsteling zijn gegaan en daarbij die [slachtoffer]

meermalen hebben geslagen en geschopt en

- die [slachtoffer] op de grond hebben gegooid/geduwd en

- de polsen van die [slachtoffer] met tiewraps hebben vastgebonden en

- die [slachtoffer] , terwijl hij was vastgebonden, meermalen tegen

zijn gezicht hebben geslagen en geschopt en

- de woning hebben doorzocht.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot:

- een gevangenisstraf van 66 maanden, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot de strafmaat aangevoerd dat met een aantal strafmatigende omstandigheden rekening moet worden gehouden. Hierbij heeft hij er allereerst op gewezen dat weliswaar bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een in vereniging gepleegde gewelddadige woningoverval, maar dat verdachte niet degene is geweest die het geweld op het slachtoffer heeft uitgeoefend. Verder heeft de raadsman gewezen op de zware omstandigheden waaronder verdachte in Spanje is aangehouden en in detentie heeft verbleven, alsmede de zware omstandigheden die verdachte in het Arrestantencomplex van de Politie Utrecht (APU) te Houten heeft moeten ondergaan.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd

Verdachte heeft zich samen met twee mededaders schuldig gemaakt aan een gewelddadige woningoverval met braak. Het slachtoffer, een alleenstaande bejaarde man, lag in zijn woning te slapen toen hij wakker werd van het glasgerinkel. Bij de confrontatie met de inbrekers is het slachtoffer vervolgens mishandeld. Hierbij is het slachtoffer meermalen geschopt, geslagen en zijn zijn polsen aan elkaar vastgebonden door middel van tiewraps. Dit alles voor een uiteindelijke buit van ongeveer € 400,- en enkele horloges. Na de overval werd het slachtoffer, met zijn handen vastgebonden en danig toegetakeld, aan zijn lot overgelaten.

Het slachtoffer was ten tijde van de overval 72 jaar oud en had zich bij uitstek in de eigen woning veilig moeten kunnen voelen. Dit veiligheidsgevoel heeft verdachte op grove wijze geschonden.

Voor het slachtoffer moet de woningoverval, die midden in de nacht plaatsvond en waarbij hij zich ineens geconfronteerd zag met drie mannen in zijn woning, zeer beangstigend zijn geweest. De ervaring leert dat slachtoffers van woningovervallen nog geruime tijd daarvan nadelige psychische gevolgen ondervinden. Verdachte heeft met zijn handelen aangetoond geen enkel respect te hebben voor de fysieke en psychologische integriteit van het slachtoffer noch voor het eigendomsrecht van anderen. Verdachte en zijn mededaders hebben slechts oog gehad voor hun eigen financiële gewin, ook al ging dat zeer vergaand ten koste van een ander.

De persoon van verdachte

Uit het uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 5 maart 2021 is gebleken dat verdachte in het verleden onherroepelijk is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten, waarbij ook sprake was van een geweldscomponent. Deze eerdere veroordelingen zijn van te lang geleden om in strafverzwarende zin mee te wegen. Het strafblad zal dan ook niet in strafverzwarende of -matigende zin worden meegewogen.

Reclassering Nederland heeft op 25 februari 2021 een rapport opgesteld over verdachte. Daarin wordt vermeld dat uit onderzoek van de reclassering risico’s naar voren komen met betrekking tot de basale leefgebieden. Zo beschikt verdachte niet over huisvestiging, heeft hij geen (legale) structurele dagbesteding en is er sprake van problematiek op financieel gebied. Het sociaal netwerk van verdachte vormt volgens de reclassering eveneens een risicoverhogende factor. Gezien het delict heeft verdachte immers omgang met mensen die zich schuldig maken aan strafbare feiten. Het recidiverisico wordt volgens de OXREC (risicotaxatie instrument) ingeschat als hoog. Het professioneel oordeel van de reclassering sluit hier bij aan.

De reclassering heeft geadviseerd een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. De mogelijkheden die werden gezien om de risico’s te beperken en het gedrag te veranderen zullen moeten plaatsvinden tijdens de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Strafkader

Bij de strafmaat heeft de rechtbank gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals dit onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum. Voor het bepalen van de straf heeft de rechtbank verder gelet op de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS (Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht). Voor een woningoverval, waarbij meer dan licht geweld is toegepast, gaan deze oriëntatiepunten uit van een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.

Strafverzwarende omstandigheden

In strafverzwarende zin houdt de rechtbank er rekening mee dat er sprake is van medeplegen, dat het slachtoffer een bejaarde man van 72 jaar was, dat tegen het slachtoffer fors geweld is gebruikt en dat het slachtoffer gewond en vastgebonden op de grond is achtergelaten. Weliswaar is niet exact te achterhalen welke bijdrage de daders ieder afzonderlijk hebben gehad bij de geweldshandelingen, maar de rechtbank acht, nu sprake is van medeplegen, alle drie de daders ten volle verantwoordelijk voor het op het slachtoffer uitgeoefende geweld.

Strafverminderende omstandigheden

De rechtbank houdt rekening met de door de verdediging aangevoerde omstandigheden met betrekking tot de zwaardere detentieomstandigheden, welke omstandigheden met betrekking tot het APU door de officier van justitie zijn bevestigd en ten aanzien van Spanje niet meer te herleiden zijn.

Met betrekking tot het APU is gebleken dat verdachte, na diens uitlevering door de autoriteiten in Spanje aan Nederland, in verband met het coronavirus in quarantaine is geplaatst. Omdat hiervoor geen goede plek kon worden gevonden heeft verdachte bijna twee weken in een isoleercel doorgebracht. Daarbij werd hij nauwelijks gelucht, mocht hij geen contact hebben met zijn raadsman of familie, werd hij niet uitvoerig gehoord over de tegen hem gerezen verdenking en brandde het licht in zijn cel nagenoeg 24 uur per dag. De rechtbank weegt deze detentieomstandigheden in strafverminderende zin mee.

Strafoplegging

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

9 BESLAG

Verbeurdverklaring

De rechtbank zal de in beslag genomen tiewraps en een ruitentikker overeenkomstig de vordering van de officier van justitie verbeurd verklaren omdat het bewezen verklaarde feit door middel van deze voorwerpen is begaan.

Beslag Spanje

De raadsman heeft verzocht om de in Spanje bij verdachte in beslag genomen goederen aan verdachte terug te geven. De rechtbank heeft echter geen stukken in het dossier die over dit beslag gaan en zal hierover dan ook geen beslissing nemen.

10 BENADEELDE PARTIJ

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 2.962,47. Dit bedrag bestaat uit € 962,47 materiële schade en € 2.000,00 immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde.

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en dat dit rechtstreekse schade betreft. De officier van justitie heeft dan ook gevorderd de vordering geheel toe te wijzen, met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal toegewezen kan worden.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde feit rechtstreekse schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op het gevorderde bedrag van € 2.962,47 (bestaande uit € 962,47 materiële schade en € 2.000,00 immateriële schade) en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 juni 2020 tot de dag van volledige betaling.

Verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht met zijn mededaders hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is. De rechtbank zal bepalen dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededaders de schade aan de benadeelde partij hebben vergoed.

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 2.962,47, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 juni 2020 tot de dag van volledige betaling.

Als door verdachte en/of zijn mededaders niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 39 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die door verdachte en/of zijn mededaders is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 66 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Beslag

- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:

  • -

    tiewraps;

  • -

    een ruitentikker;

Benadeelde partij

- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 2.962,47 (bestaande uit € 962,47 materiële schade en € 2.000,00 immateriële schade);

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2020 tot de dag van de algehele voldoening, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 2.962,47 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2020 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 39 dagen gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededaders op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.S.K. Fung Fen Chung, voorzitter, mrs. D. Riani el Achhab en I. Jadib, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 april 2021.

Mr. I. Jadib en J.J. Veldhuizen zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 17 juni 2020 te [woonplaats] , althans in het arrondissement

Midden-Nederland, omstreeks 03.00 uur, in elk geval gedurende de voor de

nachtrust bestemde tijd in/uit een woning (gelegen aan de [adres]

), tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van

in totaal ongeveer 400 euro en/of een of meerdere horloge(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben/heeft verschaft en/of dat/die goed(eren) onder zijn/hun bereik hebben/heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- zich met gezichtsbedekkende kleding naar voornoemde woning heeft/hebben

begeven en/of

- ( vervolgens) het balkon van voornoemde woning op is/zijn geklommen en/of

- ( vervolgens) een raam van voornoemde woning heeft/hebben ingeslagen en/of

ingegooid en/of

- ( vervolgens) door het voornoemde raam naar binnen is/zijn geklommen en/of de

woning heeft/hebben betreden en/of

- met die [slachtoffer] in gevecht/worsteling is/zijn gegaan en/of (daarbij) die [slachtoffer]

meermalen, althans eenmaal, heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of

geschopt en/of

- die [slachtoffer] op de grond heeft/hebben gegooid/geduwd en/of

- de handen/polsen van die [slachtoffer] met tiewraps heeft/hebben vastgebonden

en/of

- die [slachtoffer] (terwijl hij was vastgebonden) meermalen, althans eenmaal, tegen

zijn hoofd/gezicht, althans het lichaam, heeft/hebben geslagen en/of gestompt

en/of geschopt en/of

- de woning heeft/hebben doorzocht;

art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit pagina’s van processen-verbaal die als bijlagen zijn opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2020190342, onderzoek: 31Hugo20/MD4R020078, opgemaakt door politie Midden-Nederland, Districtsrecherche Utrecht-Stad, doorgenummerd pagina 1 tot en met 172. Wanneer paginanummers verwijzen naar andere processen-verbaal, dan wordt dit expliciet vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] , pag. 7 en 8.

3 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] , pag. 14 tot en met 21.