Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1332

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
C/16/509558 / HA ZA 20-618
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfdienstbaarheid van uit- en overweg; plaatsing hekwerk dwars over de enige toegangsweg tot het campingterrein; onredelijke belemmering en bemoeilijking van het recht van uit- en overweg; onrechtmatige daad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/509558 / HA ZA 20-618

Vonnis van 7 april 2021

in de zaak van

de naamloze vennootschap

[eiseres] N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat: mr. B. Nijman te Wageningen,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat: mr. M.H. Rijntjes te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en in mannelijk enkelvoud [gedaagde sub 1] c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

 de dagvaarding met 5 producties die op 21 september 2020 bij [gedaagde sub 1] c.s. is bezorgd;

 de conclusie van antwoord met 3 producties;

 de nagezonden producties 6 tot en met 11 van [eiseres] ,

 de nagezonden producties 4 en 5 van [gedaagde sub 1] c.s.;

 de mondelinge behandeling gehouden op 9 februari 2021 via Skype. Van wat er ter zitting is besproken heeft de griffier aantekening gemaakt. Aan het slot van de zitting is met partijen afgesproken dat [eiseres] op de rolzitting van 24 februari 2021 zal laten weten of partijen een regeling hebben getroffen of dat vonnis moet worden gewezen;

 het bericht van [eiseres] op de rolzitting van 24 februari 2021, waarin zij de rechtbank vraagt vonnis te wijzen omdat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen.

Vervolgens is vonnis bepaald op 7 april 2021.

2. De feiten

2.1.

[eiseres] is sinds 24 januari 2019 eigenaar van het perceel, kadastraal bekend gemeente [naam gemeente] , sectie [sectie-aanduiding] , nummer [nummeraanduiding 1] , met een oppervlakte van 4.95.10 hectare (hierna: het perceel van [eiseres] ). Het betreft blijkens de leveringsakte van 24 januari 2019 een perceel grond met opstallen en verder aanbehoren, zijnde de voormalige camping “ [naam voormalige camping] ”. Dit was een kleinschalige, besloten camping met 56 plekken, bestemd voor oud-militairen.

2.2.

[gedaagde sub 1] c.s. is sinds 1 juni 2018 eigenaar van het aangrenzend perceel, kadastraal bekend gemeente [naam gemeente] , sectie [sectie-aanduiding] , nummers [nummeraanduiding 2] en [nummeraanduiding 3] (hierna: het perceel van [gedaagde sub 1] c.s.). [gedaagde sub 1] c.s. woont op dat perceel.

2.3.

Ten behoeve van het perceel van [eiseres] en ten laste van het perceel van [gedaagde sub 1] is een erfdienstbaarheid van uit- en overweg gevestigd om van en naar de [straatnaam] naar en van het aan [eiseres] behorende perceel te gaan. Die weg is de enige (met de auto begaanbare) toegangsweg tot het perceel van [eiseres] .

2.4.

[eiseres] heeft met ingang van 1 januari 2021 aan een derde het recht toegekend om haar perceel te gebruiken, die het perceel als camping zal herinrichten. Het gaat weer om een kleinschalige camping met 56 plekken, waarvan bepaalde plekken zogenaamde vrije plekken zijn die niet vooraf gereserveerd hoeven te worden.

2.5.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft onlangs dwars over de bestaande toegangsweg naar het perceel van [eiseres] een stalen hekwerk geplaatst, waarvan het stalen hek vanaf de zuidzijde over de toegangsweg kan worden geschoven naar een stalen paal, die ook deel uitmaakt van het hekwerk, om de toegangsweg af te sluiten. Daarnaast heeft [gedaagde sub 1] c.s., samen met andere omwonenden, bij de gemeente [naam gemeente] bezwaar gemaakt tegen de (her)inrichting van het perceel van [eiseres] als camping.

2.6.

[eiseres] heeft [gedaagde sub 1] c.s. meermaals verzocht het hekwerk op de toegangsweg te verwijderen, omdat zij daarvan hinder ondervindt. [gedaagde sub 1] c.s. heeft niet aan dat verzoek voldaan.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht verklaart dat het [gedaagde sub 1] c.s. niet is toegestaan zijn perceel, voor zover daar het recht van uitweg/overpad is gevestigd, dienende tot ontsluiting van het perceel van [eiseres] , geheel of ten dele af te sluiten of anderszins inbreuk te maken op deze erfdienstbaarheid;

  2. [gedaagde sub 1] c.s. verbiedt het gedeelte van zijn perceel, voor zover daarop het recht van uitweg/overpad is gevestigd, dienende tot ontsluiten van het perceel van [eiseres] , geheel of gedeeltelijk af te sluiten of de toegang tot dat perceel te beletten of te bemoeilijken, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag, voor elke dag of deel daarvan dat zij dat gebod overtreden;

  3. [gedaagde sub 1] c.s. veroordeelt het door hem geplaatste hek en de borden met de tekst “Privé terrein” binnen een maand na betekening van het te wijzen vonnis te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel dat aan deze veroordeling niet wordt voldaan;

  4. [gedaagde sub 1] c.s. veroordeelt in de proces- en nakosten met de wettelijke rente daarover vanaf de veertiende dag na de datum van het vonnis.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen, samengevat, ten grondslag dat [gedaagde sub 1] c.s., door de wijze van plaatsing van het hekwerk en de wijze waarop hij dit hekwerk heeft aangekondigd te zullen gaan gebruiken, de uitoefening van haar recht van uit- en overweg op onredelijke wijze zal belemmeren en bemoeilijken met name wanneer het perceel vanaf 1 januari 2021 gebruikt gaat worden als camping. [gedaagde sub 1] c.s. maakt daarmee inbreuk op de rechten van [eiseres] en handelt onrechtmatig jegens haar. Bovendien maakt hij door de plaatsing van dat hekwerk inbreuk op de bepalingen van het bestemmingsplan. Verder handelt [gedaagde sub 1] c.s. jegens [eiseres] onrechtmatig door zonder redelijk doel borden met de tekst “Privé terrein” naast de toegangsweg te plaatsen, waardoor campinggasten zullen worden afgeschrikt.

3.3.

[gedaagde sub 1] c.s. voert als verweer, samengevat, aan dat hij op grond van artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek (BW) het recht heeft om zijn erf af te sluiten en dat dit recht niet vervalt wanneer op het erf een erfdienstbaarheid rust, mits [eiseres] onbelemmerde toegang tot het erf behoudt. Dat is volgens [gedaagde sub 1] c.s. het geval: het hek kan momenteel eenvoudig met de hand worden opengezet en als [gedaagde sub 1] c.s. het hekwerk in de toekomst wel elektronisch zal afsluiten, dan zal [eiseres] een afstandsbediening/pasje krijgen om zelf het hek te kunnen openen. Van onrechtmatig handelen is daarom volgens [gedaagde sub 1] c.s. geen sprake. Dat geldt ook ten aanzien van de bordjes “Privé terrein” die daar al vanaf 2000 staan en die door hem slechts tijdelijk waren verwijderd om deze te vervangen. [gedaagde sub 1] c.s. stelt dat de vordering van [eiseres] is ingegeven door het feit dat zij het perceel in gebruik heeft gegeven aan een derde die daar een camping gaat exploiteren. Kennelijk voorziet zij een forse toename van gebruikers van de weg. Die voorgenomen camping met beheerderswoning is volgens [gedaagde sub 1] c.s. echter in strijd met het geldende bestemmingsplan. [gedaagde sub 1] c.s. heeft daartegen bezwaar gemaakt bij de gemeente [naam gemeente] . Als ervan uit moet worden gegaan dat de camping wel kan worden gerealiseerd dan is de vraag of de erfdienstbaarheid zover strekt dat hij een dergelijke intensivering van het gebruik van de toegangsweg moet toestaan. [gedaagde sub 1] c.s. vraagt de rechtbank daarom om de vordering van [eiseres] af te wijzen.

4 De overwegingen

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat er in deze procedure van uit moet worden gegaan dat op grond van het huidige bestemmingsplan de exploitatie van een camping op het perceel van [eiseres] is toegestaan. Dit volgt uit de aanduiding “camping toegestaan” op de plek waar het perceel van [eiseres] is ingetekend op de bestemmingsplankaart en uit de overige producties die zien op het huidige bestemmingsplan, die [eiseres] in het geding heeft gebracht (producties 6 tot en met 10).

[gedaagde sub 1] c.s. is het daar weliswaar niet mee eens en hij heeft de gemeenteraad van de gemeente [naam gemeente] gevraagd dat de aanduiding “camping toegestaan” op de plankaart zal worden verwijderd, maar vast staat dat de gemeenteraad daaraan geen gevolg heeft gegeven.

4.2.

Verder overweegt de rechtbank dat de camping zoals deze door derden zal worden geëxploiteerd op het perceel van [eiseres] qua omvang niet afwijkt van de voormalige geëxploiteerde camping op die plek voor oud-militairen. Ten tijde van de levering van het perceel in 1995 was de camping voor oud-militairen al aanwezig. Dat sprake zal zijn van een substantiële intensivering van het gebruik van de toegangsweg ten opzichte van de situatie zoals die bestond ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid (in de vestigingsakte aangeduid als “de bestaande wijze”), heeft [gedaagde sub 1] c.s. in dat licht onvoldoende gemotiveerd en/of onderbouwd. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat de toegangsweg ten tijde van vestiging van de erfdienstbaarheid met een hek was afgesloten.

4.3.

[eiseres] heeft ter zitting toegelicht dat zij [gedaagde sub 1] c.s. al heeft moeten vragen de stalen paal dat deel uitmaakt van het stalen hekwerk te verwijderen, omdat bleek dat door de plaatsing van het hekwerk de doorgang te smal was geworden voor de stacaravan die zij over de toegangsweg naar het campingterrein wilde vervoeren. [gedaagde sub 1] c.s. heeft die paal toen tijdelijk verwijderd. Ook heeft [eiseres] ter zitting verklaard dat nog bouwwerkzaamheden zullen worden verricht ten behoeve van de camping en dat er geen andere manier is om het perceel met de auto te bereiken.

4.4.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft daartegenover aangevoerd dat het hek nog niet is afgesloten en met de hand kan worden open geschoven. In de toekomst zal hij een elektronisch systeem installeren met pasjes, waardoor [eiseres] en de campinggasten te allen tijde toegang hebben tot het campingterrein. Ook kan [eiseres] volgens [gedaagde sub 1] c.s. met dat pasje zonodig de hulpdiensten toegang verschaffen.

4.5.

Zowel in de huidige situatie alsook bij de door [gedaagde sub 1] c.s. voorgestelde oplossing voor de toekomst, waarmee [eiseres] niet instemt, vormt het hekwerk naar het oordeel van de rechtbank een onredelijke belemmering en bemoeilijking van het recht van uit- en overweg dat [eiseres] heeft. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
De camping heeft niet alleen vaste, maar ook vrije plaatsen die niet vooraf gereserveerd hoeven te worden. Deze vrije plekken zijn dus plekken voor gasten die op de bonnefooi naar de camping komen om aldaar te vertoeven. Als onderdeel van het recht van uit- en overweg dat [eiseres] heeft, moeten deze gasten het campingterrein onbelemmerd kunnen betreden om onder meer zich als gast bij de camping te kunnen melden. Dat is niet het geval bij gebruik van een elektronisch aangestuurd hekwerk dat alleen te openen is als men over een afstandsbediening/pasje beschikt. Dit geldt evenzeer voor niet-gasten, zoals leveranciers en/of hulpdiensten.

Het campingterrein is zover van het door [gedaagde sub 1] c.s. geplaatste hek gelegen dat de camping bij het hek nog niet zichtbaar is. Daardoor heeft een eventuele beheerder van de camping geen zicht op gasten die vóór het hekwerk staan en kan hij om die reden het hek niet meteen openen bij oponthoud van gasten door het door [gedaagde sub 1] c.s. geplaatste hekwerk.
Een elektronisch aangestuurd hekwerk betekent voorts dat er iemand 24 uur per dag en 7 dagen per week beschikbaar moet zijn om bij storingen van het systeem en/of calamiteiten op het campingterrein het hek te openen voor een ieder (zoals elke campinggast en/of personeel) die bevoegd is om over de toegangsweg het campingterrein te betreden of te verlaten. [gedaagde sub 1] c.s. kan die beschikbaarheid uiteraard niet van [eiseres] of de campingbeheerder vragen. Hij kan in dit verband ook niet volstaan met de stelling dat het elektronisch systeem dat hij heeft aangeschaft zelden of nooit storingen veroorzaakt.
Ook in de huidige situatie, waarbij elke bestuurder van een voertuig bij het hekwerk moet stoppen om het hek handmatig te openen en weer te sluiten en waarbij al problemen zijn ontstaan met de doorgang, is het door [gedaagde sub 1] c.s. geplaatste hekwerk een onredelijke belemmering van het recht van uit- en overweg.

4.6.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft nog aangevoerd dat hij zijn perceel uit veiligheidsoverwegingen moet kunnen afsluiten en dat hij met het hekwerk ook wil voorkomen dat bezoekers van een nabijgelegen restaurant op zijn perceel parkeren. Het plaatsen van een hekwerk dwars over de toegangsweg is dan de goedkoopste oplossing. Als hij het hekwerk op de door [eiseres] voorgestelde plek plaatst, waarbij de toegangsweg vrij toegankelijk blijft, dan is dat veel duurder omdat hij dan een afstand van 25 meter moet overbruggen in plaats van 4 meter, zo heeft hij ter zitting toegelicht.

4.7.

De rechtbank acht, zonder nadere motivering en/of onderbouwing die ontbreekt, echter weinig aannemelijk dat het afsluiten van de toegangsweg door een elektronisch hekwerk met een afstandsbediening/pasjessysteem, waarvan [eiseres] en elk van de campinggasten gebruik zou moeten maken, goedkoper is dan de plaatsing van een erfafscheiding over 25 meter. [gedaagde sub 1] c,s, heeft immers geen inzicht gegeven in de kosten van beide opties. Wat daarvan verder ook zij, ook als juist is dat het afsluiten van de toegangsweg voor [gedaagde sub 1] c.s. de goedkoopste manier is om zijn erf af te sluiten, laat dat onverlet dat hij het recht van uit- en overweg dat [eiseres] heeft moet eerbiedigen en dus niet onredelijk mag belemmeren en bemoeilijken. Dat is, zoals onder 4.5. is vastgesteld, wel het geval.

Of een hekwerk zoals thans dwars over de toegangsweg geplaatst, op grond van het bestemmingsplan is toegestaan of niet – partijen zijn het daarover niet eens – is voor de beoordeling van de vordering van [eiseres] in deze procedure niet van belang en wordt daarom onbesproken gelaten.

4.8.

Gelet op alle voornoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het door [gedaagde sub 1] c.s. geplaatste hekwerk dwars over de toegangsweg de erfdienstbaarheid op onredelijke wijze belemmert en bemoeilijkt. Dit is onrechtmatig ten opzichte van [eiseres] .

4.9.

Het (terug)plaatsen door [gedaagde sub 1] c.s. van een bordje “Privé terrein” langs de toegangsweg en op het hek acht de rechtbank niet onrechtmatig ten opzichte van [eiseres] . Het betreft immers privé terrein van [gedaagde sub 1] c.s., net zoals het campingterrein privé terrein is van [eiseres] . Het ligt op de weg van [eiseres] of de exploitanten van de camping om ervoor te zorgen dat vanaf de [straatnaam] de route naar de camping voor haar gasten voldoende duidelijk is.

Conclusie

4.10.

Dit betekent voor de vordering van [eiseres] het volgende.

4.10.1.

Voor recht wordt verklaard dat het [gedaagde sub 1] c.s. niet is toegestaan om het gedeelte van zijn perceel waarop ten behoeve van het perceel van [eiseres] een recht van uit- en overweg is gevestigd, geheel of gedeeltelijk af te sluiten.

4.10.2.

[gedaagde sub 1] c.s. wordt verboden om het gedeelte van zijn perceel waarop ten behoeve van [eiseres] een recht van uit- en overweg is gevestigd geheel of gedeeltelijk af te sluiten door een hekwerk, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of deel daarvan ingaande één maand na de betekening van dit vonnis.
De deelvordering om [gedaagde sub 1] c.s. te verbieden om de toegang tot het perceel van [eiseres] op andere wijze te belemmeren of te bemoeilijken wijst de rechtbank af, omdat deze deelvordering te algemeen is geformuleerd en onbepaald is.

4.10.3.

[gedaagde sub 1] c.s. wordt veroordeeld het door hem geplaatste hekwerk binnen één maand na betekening van dit vonnis te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of deel daarvan ingaande één maand na betekening van dit vonnis dat niet aan deze veroordeling wordt voldaan.

4.10.4.

De gevorderde verwijdering van de borden “Privé terrein” wordt afgewezen.

4.11.

[gedaagde sub 1] c.s. wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op in totaal € 1.872,32, te weten:

- dagvaarding € 90,32

- griffierecht 656,00

- salaris advocaat € 1.126,00 (2 punten x het tarief van € 563,00).

De nakosten en de wettelijke rente over de proces- en nakosten worden toegewezen als hierna in de beslissing te melden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat het [gedaagde sub 1] c.s. niet is toegestaan om het gedeelte van zijn perceel waarop ten behoeve van het perceel van [eiseres] een recht van uit- en overweg is gevestigd, geheel of gedeeltelijk af te sluiten;

5.2.

verbiedt [gedaagde sub 1] c.s. om het gedeelte van zijn perceel waarop ten behoeve van het perceel van [eiseres] een recht van uit- en overweg is gevestigd, geheel of gedeeltelijk af te sluiten door de plaatsing van een hekwerk;

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. het door hem geplaatste hekwerk binnen één maand na betekening van dit vonnis te verwijderen en verwijderd te houden;

5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 500,00 per dag voor iedere dag of deel daarvan dat hij niet aan de in 5.2. en/of 5.3. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, ingaande één maand na de betekening van dit vonnis;

5.5.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.872,32 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 van het BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6.

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 van het BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.7.

verklaart dit vonnis wat betreft het verbod en de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2021.1

1 type: AW/4074 coll: MR/972