Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1284

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
20-04-2021
Zaaknummer
16/159434-19 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken van het medeplegen van het bezit en de handel in cocaïne in de periode van 9 mei tot en met 2 juli 2019. De rechtbank acht wel het ten laste gelegde bezit van 1 kilogram cocaïne op 2 juli 2019 bewezen. De rechtbank legt verdachte hiervoor een gevangenisstraf op voor de duur van vijf maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van het voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/159434-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 1 april 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1980] te [geboorteplaats] (Somalië),

wonende aan de [adres] te [woonplaats] ,

hierna: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 4 oktober 2019, 18 december 2019, 25 juni 2020 en
15 februari 2021. Op laatstgenoemde datum vond de inhoudelijke behandeling van de strafzaak plaats. Het onderzoek van de zaak is gesloten op de zitting van 24 maart 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.M. Lobregt en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. D.C. van den Heuvel, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1 primair

in de periode van 4 mei 2019 tot en met 1 juli 2019 te Rotterdam en/of elders in Nederland zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid cocaïne;

feit 1 subsidiair

in de periode van 4 mei 2019 tot en met 1 juli 2019 te Rotterdam en/of elders in Nederland medeplichtig is geweest aan het bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid cocaïne, door zijn woning ter beschikking te stellen;

feit 2 primair

op 2 juli 2019 te Rotterdam samen met anderen 1000 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad;

feit 2 subsidiair

op 2 juli 2019 te Rotterdam medeplichtig is geweest aan het aanwezig hebben van 1000 gram cocaïne, door zijn woning ter beschikking te stellen.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend te bewijzen en vordert ten aanzien daarvan vrijspraak. Het onder 1 subsidiair en 2 primair ten laste gelegde acht de officier van justitie wel wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integraal vrijspraak bepleit en heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde ontbreekt volgens de raadsman het wettig en overtuigend bewijs dat verdachte enige betrokkenheid had bij de handel/bewerking van cocaïne. Ten aanzien van de medeplichtigheid door zijn woning ter beschikking te stellen, stelt de raadsman zich op het standpunt dat verdachte geen wetenschap had van enige overtreding van de Opiumwet. Het dubbele opzet, op overtreding van de Opiumwet, alsmede op het daarvoor ter beschikking stellen van zijn woning, ontbreekt. Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat er weliswaar cocaïne is aangetroffen in de woning van verdachte, maar dat verdachte daar geen opzet op had. Ten aanzien van de onder 2 subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid, geldt eveneens dat het dubbele opzet ontbreekt. Niet kan worden bewezen dat verdachte opzet had op het voorhanden hebben van de cocaïne of op het daarvoor ter beschikking stellen van zijn woning.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Vrijspraak ten aanzien van feit 1 primair

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte in de periode van 4 mei 2019 tot en met 1 juli 2019 te Rotterdam samen met anderen, dan wel alleen, cocaïne heeft bewerkt en/of gehandeld heeft in cocaïne. Verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

4.3.2.

Vrijspraak ten aanzien van feit 1 subsidiair

In tegenstelling tot de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op basis van het strafdossier de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid, eveneens niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat het strafdossier aanwijzingen bevat die duiden op het bewerken van cocaïne in de woning aan de [adres] te [woonplaats] in de periode van 4 mei 2019 tot en met 1 juli 2019. Immers, de politie heeft op 2 juli 2019 op een radiator een blok cocaïne aangetroffen, en in de woning zijn goederen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met de bewerking van cocaïne, waaronder een vacumeermachine en een warmtelamp aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij de sleutel van de woning aan een andere persoon heeft gegeven en dat andere personen de genoemde spullen in zijn woning hebben gezet. Verdachte had deze goederen wel gezien, maar hij wist niet waar deze goederen voor dienden en heeft niet gezien dat ze gebruikt werden.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte niet onaannemelijk. Gelet op de inhoud van deze verklaring kan naar het oordeel van de rechtbank bovendien niet worden bewezen dat verdachte - door zijn woning ter beschikking te stellen - bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het gronddelict, het bewerken van cocaïne in de periode van 4 mei 2019 tot en met 1 juli 2019, door een ander/anderen zou worden gepleegd in zijn woning. Dit betekent dat het onder 1 subsidiair ten laste gelegde niet kan worden bewezen en dat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

4.3.2.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2 primair 1

Op 2 juli 2019 is in de woonkamer van de woning aan de [adres] te [woonplaats] een blok, vermoedelijk cocaïne, aangetroffen en in beslag genomen.2 Het in beslag genomen blok met SIN AAMZ9996NL3 woog 1000 gram en is bemonsterd. Dat monster, met SIN AAMZ9770NL4, is onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) en uit dat onderzoek bleek dat het blok cocaïne bevatte.5

Op de terechtzitting van 15 februari 2021 heeft verdachte verklaard dat hij op 2 juli 2019 in de woning aan de [adres] te [woonplaats] was op het moment dat de politie de woning binnenviel. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij de sleutel van zijn woning aan een andere persoon heeft gegeven, dat deze persoon en een andere persoon gebruik konden maken van zijn woning en dat onder meer het aangetroffen blok cocaïne van een van deze andere personen persoon moet zijn geweest.

4.3.3.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2 primair

Uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 2 juli 2019 in de woning aan de [adres] te [woonplaats] aanwezig was, terwijl daar ook een blok cocaïne van 1000 gram in de woonkamer lag. Voor een bewezenverklaring van het aanwezig hebben van cocaïne is niet noodzakelijk, dat de cocaïne aan verdachte toebehoorde, noch dat hij enige beschikkings- en/of beheersbevoegdheid daarover had. Voldoende is dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de cocaïne, en dat deze zich in zijn machtssfeer bevond. Gelet op het feit dat verdachte in de woning was – zijn eigen woning – waar ook het blok cocaïne in doorschijnend plastic op de radiator in de woonkamer lag, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van de genoemde bewustheid en beschikkingsmacht. Verdachte was alleen in de woning en had met het blok cocaïne kunnen doen wat hij wilde. Nu verdachte heeft verklaard dat het blok cocaïne van een van de personen moet zijn geweest die van zijn woning gebruikmaakten, bevond naar het oordeel van de rechtbank de cocaïne zich niet alleen in de machtssfeer van verdachte, maar ook van deze andere persoon. Daarmee acht de rechtbank tevens het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 2 primair

op 2 juli 2019 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad 1000 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

feit 2 primair

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen (hetgeen gelijk staat aan acht maanden), met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 146 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht rekening te houden met het tijdsverloop en het blanco strafblad van verdachte. De verdediging heeft de rechtbank voorts verzocht een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, dan wel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van 1000 gram cocaïne. Op 2 juli 2019 is een blok cocaïne van 1000 gram aangetroffen in de woonkamer van de woning aan de [adres] te [woonplaats] , terwijl verdachte in die woning was. Het is algemeen bekend dat harddrugs een verwoestende werking hebben op mensen die daarvan afhankelijk worden en op de samenleving als geheel, mede door de criminaliteit die verbonden is aan en voortvloeit uit het gebruik van harddrugs. Verdachte draagt er aldus aan bij dat die drugs beschikbaar blijven en dat de daarmee gepaard gaande overlast in stand blijft. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd, hetgeen de rechtbank verdachte aanrekent.

De persoon van verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van het meest recente uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 6 september 2019, waaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De straf

Kijkend naar de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit is een gevangenisstraf de enige passende straf. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de gevangenisstraf en bij de vaststelling van de duur, acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS-oriëntatiepunten) ten aanzien van het voorhanden hebben van harddrugs. Daarin wordt uitgegaan van het gewicht van de harddrugs. Hoe meer (kilo)grammen drugs iemand voorhanden had, hoe groter de gevangenisstraf is die genoemd staat in de oriëntatiepunten. De rechtbank neemt als uitgangspunt de volgens de oriëntatiepunten op te leggen straf behorend bij een gewicht van 1000 gram, zijnde een gevangenisstraf tussen de drie en de vijf maanden onvoorwaardelijk.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. De rechtbank ziet aanleiding om daarvan twee maanden voorwaardelijk op te leggen, als stok achter de deur voor verdachte om niet opnieuw strafbare feiten te plegen.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    2 en 10 van de Opiumwet,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 2 primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- spreekt verdachte vrij van alles wat meer in de tenlastelegging is opgenomen dan wat hiervoor in rubriek 5 is bewezen verklaard;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 (vijf) maanden;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 2 (twee) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- als algemene voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Slager, voorzitter, en mrs. J.G. van Ommeren en C. van de Lustgraaf, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.E. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 april 2021.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

feit 1 primair
hij op een of meerdere tijdstippen, gelegen in of omstreeks de periode van 4 mei 2019 tot en met 1 juli 2019 te Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 1 subsidiair
[medeverdachte] en/of een of meer anderen op een of meer tijdstippen, gelegen in of omstreeks de periode van 4 mei 2019 tot en met 1 juli 2019 te Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (telkens), opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

tot en/of bij hij, verdachte, op een of meer tijdstippen, gelegen in of omstreeks de periode van 4 mei 2019 tot en met 1 juli 2019 te Rotterdam, (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft en/of (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest bij vooromschreven misdrijf door zijn, verdachtes, woning ter beschikking te stellen ten behoeve van de bereiding en/of bewerking en/of verwerking en/of verkoop en/of aflevering en/of verstrekking en/of het vervoer van (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 2 primair
hij op of omstreeks 2 juli 2019 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 1000 gram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 2 subsidiair
[medeverdachte] en/of een of meer anderen op of omstreeks 2 juli 2019 te Rotterdam tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (ongeveer) 1000 gram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

tot en/of bij hij, verdachte, op of omstreeks 2 juli 2019 te Rotterdam, opzettelijk de gelegengeid en/of middelen heeft verschaft tot en/of opzettelijk behulpzaam is geweest bij vooromschreven misdrijf door zijn, verdachtes, woning ter beschikking te stellen ten behoeve van het aanwezig hebben, in vereniging, van die (ongeveer) 1000 gram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 25 november 2019, genummerd 2019063327, 2019189958 en 2019204583 opgemaakt door politie Midden-Nederland, Districtsrecherche Stad-Utrecht, doorgenummerd 1 tot en met 1985. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van verbalisant [verbalisant 1] , p. 785.

3 Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , p. 804.

4 Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , p. 807.

5 Een geschrift, te weten een rapport van het NFI van 5 maart 2019 door rapporteur ing. P.H. Walinga, p. 812.