Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1279

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-03-2021
Datum publicatie
01-04-2021
Zaaknummer
517425 / HA RK 21-40
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak. Verzoeker niet-ontvankelijk, want wrakingsverzoek te laat (9 dagen na de zitting) ingediend terwijl het wrakingsverzoek volledig ziet op de gebeurtenissen ter zitting. Geen bijzondere omstandigheden aanwezig die het tijdsverloop rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

locatie Utrecht

zaaknummer / rekestnummer: 517425 / HA RK 21-40

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

30 maart 2021

op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

gemachtigde A. Stokhof .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het wrakingsverzoek van verzoeker van 12 februari 2021

- het proces-verbaal van de zitting van 3 februari 2021

- de schriftelijke reactie van mr. S.D. Groen van 5 maart 2021

- de nadere motivering van het wrakingsverzoek van 5 maart 2021.

1.2.

Het wrakingsverzoek is op 16 maart 2021 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).

Bij de mondelinge behandeling zijn de heer A. Stokhof , namens verzoeker, mr. S.D. Groen en zijn opleider mr. S.G.M. van Veen verschenen. Verzoeker zelf is niet verschenen.

1.3.

Vervolgens is uitspraak bepaald op vandaag.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek tot wraking is gericht tegen mr. S.D. Groen als behandelend rechter (hierna te noemen: de rechter), in de zaken met de zaaknummers UTR 20/87 en UTR 20/3794.

2.2.

Verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek het volgende ten grondslag gelegd. Volgens verzoeker heeft de rechter voorafgaand aan de zitting bepaald dat verzoeker

procesonbekwaam is en dat de door verzoeker aan de heer Stokhof (hierna: gemachtigde) gegeven machtiging niet geldig zou zijn. Daarnaast is verzoeker van mening dat de rechter voorafgaand aan de zitting al de afweging heeft gemaakt dat verzoeker niet tot een redelijke

waardering van zijn belangen in staat zou zijn. Daarmee heeft de rechter het doel en de strekking van artikel 8:21 lid 2 Awb miskend.

2.3.

De rechter heeft niet berust in de wraking. In de eerste plaats heeft de rechter aangevoerd dat het wrakingsverzoek te laat, namelijk negen dagen na de zitting, is ingediend en dat verzoeker daarom niet-ontvankelijk is in zijn wrakingsverzoek. Bovendien is de zaak met zaaknummer 20/3794 reeds geƫindigd, omdat deze zaak ter zitting door de bewindvoerder van verzoeker is ingetrokken. Voor zover verzoeker wel wordt ontvangen in zijn wrakingsverzoek stelt de rechter zich op het standpunt dat geen sprake is van objectieve- en/of subjectieve feiten of omstandigheden, die tot de conclusie kunnen leiden dat hij partijdig of vooringenomen zou zijn. Op de zitting zijn een aantal formele punten besproken en keuzes gemaakt door de bewindvoerder. Als het wrakingsverzoek zich richt tegen die uitkomst, stelt de rechter zich op het standpunt dat het niet erkennen van de gemachtigde als gemachtigde van verzoeker in beide procedures moet worden gezien als een procedurele beslissing.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 8:15 Awb bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Op grond van artikel 8:16 lid 1 Awb wordt het verzoek gedaan zodra die feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Dit voorschrift strekt ertoe te verzekeren dat de procedure direct nadat zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, wordt geschorst door de indiening van een wrakingsverzoek en niet pas op een later tijdstip nadat er mogelijk al verdere proceshandelingen zijn verricht.

3.2.

De gronden die verzoeker aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, zien volledig op de gang van zaken tijdens de zitting op 3 februari 2021. Tijdens de zitting was verzoeker dan ook al op de hoogte van alle feiten en omstandigheden waarop het verzoek tot wraking steunt. Verzoeker heeft het wrakingsverzoek vervolgens pas op 12 februari 2021 ingediend bij de rechtbank. Dat is negen dagen later. De wrakingskamer is van oordeel dat dit in beginsel te laat is, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die dit tijdsverloop rechtvaardigen. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is de wrakingskamer in dit geval echter niet gebleken. De gemachtigde van verzoeker heeft aangegeven dat hij verbouwereerd was over de wijze waarop de zitting verliep en dat hij op dat moment (nog) niet wist dat de mogelijkheid bestond van wraking na de zitting. De gemachtigde van verzoeker heeft tijdens de mondelinge behandeling echter ook verklaard dat hij al vele jaren proceservaring heeft. Hij heeft ook een eigen juridisch advieskantoor. Van een professionele procesvertegenwoordiger mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van de geldende regelgeving. Dit levert dan ook geen bijzondere omstandigheid op, die het verstreken tijdsverloop tussen de dag van de zitting en de datum van indienen van het wrakingsverzoek rechtvaardigt.

3.3.

De gemachtigde van verzoeker heeft op dit punt ook nog aangevoerd dat hij eerst nog wilde overleggen met verzoeker, omdat verzoeker niet zelf bij de zitting aanwezig was. Ook dit levert geen bijzondere omstandigheid op die het verstreken tijdsverloop rechtvaardigt. Van een professionele procesvertegenwoordiger mag voortvarendheid worden verwacht, zeker wanneer de wijze waarop de zitting verliep hem verbouwereerde zoals hij zelf heeft gesteld. De gemachtigde van verzoeker heeft niet, althans onvoldoende, gesteld en onderbouwd dat dit overleg met verzoeker niet snel na de zitting kon plaatsvinden.

3.4.

Op grond van het voorgaande is de wrakingskamer van oordeel dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoek.

3.5.

De overige gronden en verweren hoeven om die reden niet meer te worden besproken.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op dit proces-verbaal toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van het team bestuursrecht, waarin de rechter werkzaam is en aan de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de procedures van verzoeker met zaaknummers UTR 20/87 en UTR 20/3794 dienen te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. G.L.M. Urbanus, voorzitter, mr. A.C. van den Boogaard en mr. C.S.K. Fung Fen Chung als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. C.E.M. Roeleveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2021.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.