Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:124

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-01-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
C/16/501416 / HA ZA 20-261
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verjaring erfdienstbaarheid, artikel 3:106 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/501416 / HA ZA 20-261

Vonnis van 20 januari 2021

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende in [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat: mr. K. Dirlik.

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende in [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat: mr. H.J. Doelman.

Partijen worden hierna [eiseres] en [gedaagde sub 1] c.s. genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 4;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 10;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie met productie 5;

  • -

    productie 6 van [eiseres] ;

  • -

    producties 11 tot en met 23 van [gedaagde sub 1] c.s.

1.2.

De rechtbank heeft een mondelinge behandeling bepaald. Die vond plaats op 7 december 2020. Partijen zijn verschenen.

1.3.

De rechtbank heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde sub 1] c.s. zijn buren. [gedaagde sub 1] c.s. is sinds 15 mei 1996 eigenaar van het woonhuis met erf en tuin aan de [straatnaam] [nummeraanduiding 1] in [woonplaats] . [eiseres] is op 2 juli 2018 eigenaar geworden van een appartementsrecht voor een benedenwoning (hierna: de benedenwoning) met achtertuin aan de [straatnaam] [nummeraanduiding 2] .

2.2.

In de koopovereenkomst over de benedenwoning van [eiseres] is in artikel 23 een bepaling opgenomen over een erfdienstbaarheid:

‘Uit de akte van levering en het erfdienstbaarheden onderzoek is gebleken dat het verkochte perceel een recht van overpad heeft over het perceel van [straatnaam] [nummeraanduiding 1] [...] Koper is op de hoogte van de feitelijke situatie en weet dat de buren hieraan zeer beperkt medewerking verlenen. [...] Koper vrijwaart verkoper derhalve voor alle aansprakelijkheid die uit het recht van overpad zou kunnen voortvloeien.’

2.3.

De erfdienstbaarheid is oorspronkelijk gevestigd bij akte van 31 januari 1918 en naar de inhoud van die akte wordt verwezen in artikel 6 van de akte van levering van 2 juli 2018 van de benedenwoning van [eiseres] . De inhoud van de erfdienstbaarheid luidt:

‘ [...] ten behoeve van het bij deze verkochte nummer [nummeraanduiding 3] ( [straatnaam] [nummeraanduiding 2] , [nummeraanduiding 2] - [.] ) en ten laste van het kadastrale perceel gemeente [naam gemeente] sectie [sectie-aanduiding] nummer [nummeraanduiding 4] ( [straatnaam] [nummeraanduiding 1] ) is gevestigd de erfdienstbaarheid om door de bestaande steeg langs de oostzijde en de zuidzijde van het perceel te gaan naar de [straatnaam] en in omgekeerde richting te voet en met een kruiwagen.’

2.4.

Dit is een schets van de situatie: *

2.5.

Aan de oostzijde van het perceel van [gedaagde sub 1] c.s. staat een gesloten poort. Om toegang te krijgen tot het perceel van [gedaagde sub 1] c.s. is een sleutel van de poort nodig.

2.6.

In december 2017 heeft de rechtsvoorganger van [eiseres] , mevrouw [A] (hierna: [A] ), een beroep gedaan op de erfdienstbaarheid en [gedaagde sub 1] c.s. verzocht de met de erfdienstbaarheid strijdige toestand op te heffen. [gedaagde sub 1] c.s. was op dat moment niet op de hoogte van de erfdienstbaarheid: in de akte van levering van 15 mei 1996 van zijn woning is geen erfdienstbaarheid genoemd.

3. Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert primair: te verklaren voor recht dat ten behoeve van het perceel aan de [straatnaam] [nummeraanduiding 2] ( [nummeraanduiding 2] - [.] ) in [woonplaats] en ten laste van het perceel aan de [straatnaam] [nummeraanduiding 1] in [woonplaats] een erfdienstbaarheid is gevestigd om door de oostzijde en de zuidzijde van het perceel van [gedaagde sub 1] c.s. te gaan naar de [straatnaam] en in omgekeerde richting te voet en met een kruiwagen en het (doen) verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan [eiseres] haar perceel. Subsidiair vordert [eiseres] te verklaren voor recht dat [gedaagde sub 1] c.s. een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens [eiseres] en dat [gedaagde sub 1] c.s. de door [eiseres] geleden schade dient te vergoeden. [eiseres] vordert dat de rechtbank [gedaagde sub 1] c.s. veroordeelt tot een schadevergoeding in natura en hem gebiedt om mee te werken aan het vestigen van een erfdienstbaarheid als omschreven onder de primaire vordering en deze erfdienstbaarheid te gehengen en te gedogen. Als de rechtbank tot het oordeel komt dat er geen sprake is van een erfdienstbaarheid, vordert [eiseres] een verklaring voor recht dat zij bevoegd is om op grond van haar ladderrecht onderhoudswerkzaamheden aan haar perceel te verrichten en op grond daarvan zich te begeven op het perceel van [gedaagde sub 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. daarbij te gebieden op eerste verzoek van [eiseres] de sleutels van de poort af te geven. Een en ander op straffe van een dwangsom. [eiseres] heeft ook gevorderd dat [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten wordt veroordeeld.

3.2.

[gedaagde sub 1] c.s. voert verweer en heeft een eis in reconventie ingediend. [gedaagde sub 1] c.s. vordert in reconventie te verklaren voor recht dat de bij notariële akte van 31 januari 1918 gevestigde erfdienstbaarheid ten laste van het perceel van (thans) [gedaagde sub 1] c.s. en ten behoeve van het perceel van (thans) [eiseres] op grond van artikel 3:106 BW jo. 3:306 BW is tenietgegaan. [gedaagde sub 1] c.s. heeft ook gevorderd dat [eiseres] in de proceskosten wordt veroordeeld.

3.3.

De onderbouwing van de reconventionele vordering is gelijk aan een deel van het verweer van [gedaagde sub 1] c.s. tegen de vordering van [eiseres] . Daarom behandelt de rechtbank deze vordering samen met de conventionele vordering van [eiseres] .

Tekst

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

Inhoud en uitoefening erfdienstbaarheid

4.1.

[eiseres] verwijst naar de inhoud van de akte van 31 januari 1918. [eiseres] wil de erfdienstbaarheid kunnen uitoefenen die ten gunste van haar perceel is gevestigd. Feitelijk moet dat ertoe leiden dat zij vanuit haar achtertuin, via het perceel van [gedaagde sub 1] c.s. de [straatnaam] kan bereiken. [eiseres] stelde eerst dat zij haar perceel bovendien wil kunnen onderhouden vanaf het perceel van [gedaagde sub 1] c.s. en dat de erfdienstbaarheid daar ook op zou moeten zien, maar tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] uitgelegd dat zij niet het onderhoud vanaf het perceel van [gedaagde sub 1] c.s. wil verrichten, maar dat zij vanwege het onderhoud aan haar tuin en woning ook via het perceel van [gedaagde sub 1] c.s. van en naar de [straatnaam] wil kunnen, bijvoorbeeld omdat het materiaal te groot is om via haar woning naar de achtertuin te brengen. Dat is nu niet mogelijk, omdat de poort van [gedaagde sub 1] c.s. zijn perceel afsluit.

4.2.

[gedaagde sub 1] c.s. betwist de inhoud van de akte niet, maar stelt dat de erfdienstbaarheid al jaren niet in overeenstemming met die akte is uitgeoefend. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. is de erfdienstbaarheid daarom tenietgegaan door verjaring.

4.3.

De rechtbank stelt vast dat over de inhoud van de erfdienstbaarheid tussen partijen geen discussie (meer) bestaat. Bovendien is de tekst uit de akte van 31 januari 1918 begrijpelijk en ondubbelzinnig en daarom leidend. Naar objectieve maatstaven houdt de erfdienstbaarheid dus in dat over het perceel van [gedaagde sub 1] c.s. van en naar de [straatnaam] mag worden gegaan (te voet en met kruiwagen), maar dat de erfdienstbaarheid niet is bedoeld om op het erf van [gedaagde sub 1] c.s. te verblijven om van daaraf onderhoud aan het erf van [eiseres] te verrichten.

4.4.

De rechtbank merkt daarbij op dat de erfdienstbaarheid ziet op zowel de oost- als de zuidzijde. De zuidzijde (waar de tuinen van [eiseres] en [gedaagde sub 1] c.s. aan elkaar grenzen) zou op zichzelf relevant kunnen zijn, als dit verband zou houden met het verrichten van onderhoud aan het perceel van [eiseres] vanaf het perceel van [gedaagde sub 1] c.s.. Zoals hiervoor is overwogen, is de erfdienstbaarheid daar echter niet voor bedoeld. Bovendien zou de zuidzijde relevant kunnen zijn wanneer die zuidzijde is afgesloten, terwijl de poort in de steeg (de oostzijde) wel toegankelijk zou zijn. Van die situatie is echter geen sprake. Partijen zijn het er immers over eens dat de poort afgesloten is. De poort zorgt er voor dat [eiseres] de [straatnaam] niet kan bereiken, terwijl de erfdienstbaarheid juist daarop ziet. Daarom zal de rechtbank in het vervolg van de beoordeling uitgaan van één geheel, waarbij de poort aan de oostzijde wordt aangemerkt als het beletsel om de erfdienstbaarheid als omschreven in de akte van 31 januari 1918 uit te oefenen.

Toepasselijk recht: artikel 3:106 BW

4.5.

De rechtbank stelt het volgende voorop. Er is sprake van een relatief oude akte uit 1918. De erfdienstbaarheid was dus al gevestigd op het moment dat het nieuwe BW in 1992 in werking trad. Onder het oude recht (artikel 754 lid 1 oud BW) gold dat beperkte rechten tenietgingen door niet-gebruik (‘non usus’) als die gedurende dertig jaar niet waren uitgeoefend. [gedaagde sub 1] c.s. heeft gesteld dat de poort in ieder geval sinds 1 juni 1984 op zijn perceel staat en sindsdien de uitoefening van de erfdienstbaarheid belet. Daarvan uitgaande, was de termijn van dertig jaar nog niet verstreken op het moment dat in 1992 het oude BW werd vervangen door het nieuwe BW. De erfdienstbaarheid kan dus niet zijn tenietgegaan door niet-gebruik op basis van het oude recht. Dit betekent echter niet dat de wijze en mogelijkheden van gebruik van de erfdienstbaarheid in de periode tot 1992 niet relevant zijn voor de beoordeling van het verjaringsverweer van [gedaagde sub 1] c.s. op basis van het nieuwe/huidige recht.

4.6.

In het nieuwe recht is het tenietgaan van de erfdienstbaarheid zoals in deze zaak aan de orde, geregeld in artikel 3:106 BW. Artikel 3:106 BW bepaalt dat wanneer de verjaring van de rechtsvordering van een beperkt gerechtigde tegen de hoofdgerechtigde tot opheffing van een met het beperkte recht strijdige toestand wordt voltooid, het beperkte recht tenietgaat, voor zover de uitoefening daarvan door die toestand is belet. De verjaringstermijn van de vordering tot opheffing is volgens artikel 3:306 BW in beginsel twintig jaar en vangt aan op de dag volgende op die waarop de onmiddellijke opheffing van de strijdige toestand gevorderd kan worden. Dat laatste blijkt uit artikel 3:314 lid 1 BW. Artikel 3:106 BW is volgens het overgangsrecht (artikel 94 van de Overgangswet nieuw BW) per 1 januari 1993 van toepassing op gevallen als de onderhavige.

Is er sprake van een met de erfdienstbaarheid strijdige toestand?

4.7.

[gedaagde sub 1] c.s. stelt dat sinds jaren de uitoefening van de erfdienstbaarheid wordt belet door de afgesloten poort. [gedaagde sub 1] c.s. weet uit eigen waarneming dat die poort er in ieder geval al sinds 1996 staat. Hij heeft ook getuigenverklaringen overgelegd waaruit blijkt dat die poort er stond in 1984, 1991 en 1995. [eiseres] heeft de stelling van [gedaagde sub 1] c.s. slechts bij gebrek aan wetenschap betwist.

4.8.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub 1] c.s. voldoende heeft onderbouwd dat de poort er sinds 1984 staat. Dat blijkt uit de getuigenverklaring van mevrouw [B] van 30 mei 2020. Mevrouw [B] heeft daarin verklaard dat zij vanaf 1 juni 1984 tot 1 mei 2018 op nummer [nummeraanduiding 5] in de [straatnaam] woonde, recht tegenover de woning van (nu) [gedaagde sub 1] c.s. en dat er gedurende die tijd altijd een met een slot afgesloten poort heeft gestaan in het zijpad, waardoor er geen vrije doorgang mogelijk was voor de bewoners van nummer [nummeraanduiding 2] . Dat de poort in de loop der jaren is blijven staan, blijkt uit de schriftelijke verklaringen van de heer [C] , sinds 1991 bewoner van [straatnaam] [nummeraanduiding 6] en van de heer en mevrouw [D] die van 1 april 1995 tot 1 mei 1999 de directe achterburen waren aan het perceel van [straatnaam] nummer [nummeraanduiding 1] . [gedaagde sub 1] c.s. heeft ook foto’s van de tuin tussen juli 1999 en juni 2006 overgelegd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de poort aan de oostzijde van het perceel van [gedaagde sub 1] c.s. er sinds 1 juni 1984 staat en sindsdien ook met een slot is afgesloten.

4.9.

Volgens [eiseres] leidt het plaatsen van een poort echter niet tot een onrechtmatige toestand. Op grond van artikel 5:48 BW mag een eigenaar zijn perceel afsluiten, ook al is het perceel belast met een erfdienstbaarheid. De enkele aanwezigheid van een poort is dus geen met de erfdienstbaarheid strijdige onrechtmatige toestand. De verjaringstermijn is daarom nooit aangevangen, aldus [eiseres] .

4.10.

De rechtbank overweegt als volgt. De enkele aanwezigheid van een poort is weliswaar geen onrechtmatige toestand, maar het feit dat de poort steeds was afgesloten met een slot - waarbij de eigenaar van het heersend erf niet over een sleutel beschikte - heeft wel geleid tot een met de erfdienstbaarheid strijdige situatie waarin de uitoefening van de erfdienstbaarheid is belet. Een strijdige toestand kan onrechtmatig zijn, maar dat hoeft dus niet. De rechtsvoorgangers van [eiseres] hadden vanwege artikel 5:48 BW niet kunnen vorderen dat de poort werd verwijderd, maar wel kunnen vorderen dat zij een sleutel kregen en daarmee de strijdige toestand alsnog kunnen opheffen, maar dat hebben zij niet gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verjaringstermijn ex artikel 3:314 lid 1 BW is aangevangen op 2 juni 1984, de dag nadat de afsluitbare poort er in ieder geval al stond.

4.11.

[eiseres] stelt dat in het geval dat de verjaringstermijn wel is aangevangen, de onrechtmatige toestand niet onafgebroken twintig jaar heeft voortgeduurd. [eiseres] baseert die stelling op de inhoud van een brief van de makelaar van [A] waarin hij laat weten dat [A] geen frequent gebruik heeft gemaakt van de erfdienstbaarheid. [A] heeft zelf aangegeven dat zij gebruik maakte van de erfdienstbaarheid bij het afvoeren van een tuinbank via het perceel van [gedaagde sub 1] c.s. en de mogelijkheid tot het gebruikmaken van het perceel van [gedaagde sub 1] c.s. heeft gekregen toen zij in 2012 aan de [straatnaam] ging wonen - waar zij toen geen gebruik van heeft gemaakt

4.12.

De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [A] de erfdienstbaarheid (frequent) heeft uitgeoefend. Dat zou immers inhouden dat zij steeds onbelemmerde toegang tot het perceel van [gedaagde sub 1] c.s. zou hebben gehad. [gedaagde sub 1] c.s. heeft voldoende betwist dat dat het geval was. [eiseres] of haar rechtsvoorgangers hebben nooit een sleutel van de poort gehad, dit heeft [eiseres] niet weersproken en staat daarmee vast. [gedaagde sub 1] c.s. heeft [A] eens geholpen met het afvoeren van een tuinbank en haar toen door zijn poort gelaten. [gedaagde sub 1] c.s. heeft haar toen echter niet de sleutel gegeven: het was eenmalig en [A] heeft verder nooit het perceel van [gedaagde sub 1] c.s. gebruikt om vanuit haar achtertuin in de [straatnaam] te komen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de erfdienstbaarheid sinds de aanwezigheid van de poort niet door [eiseres] of haar rechtsvoorgangers is uitgeoefend en ook niet kon worden uitgeoefend.

4.13.

[eiseres] heeft verder nog aangevoerd dat van verjaring pas sprake kan zijn, als [eiseres] en haar rechtsvoorgangers uit de gedragingen van [gedaagde sub 1] c.s. duidelijk konden opmaken dat hij pretendeerde rechthebbend te zijn, zodat [eiseres] (dan wel haar rechtsvoorgangers) tijdig maatregelen kon(den) nemen om de inbreuk op haar (hun) recht te beëindigen. [gedaagde sub 1] c.s. wist echter niet van de erfdienstbaarheid tot het moment waarop [A] hem om de sleutel vroeg. [gedaagde sub 1] c.s. heeft daarom nooit ondubbelzinnig kenbaar kunnen maken dat hij de erfdienstbaarheid niet erkende, aldus [eiseres] .

4.14.

De rechtbank overweegt dat dit verweer niet opgaat in deze zaak. Het is immers afgeleid van het kenbaarheidsvereiste uit artikel 3:105 BW en dat artikel is in dit geval niet van toepassing.

Tussenconclusie

4.15.

De rechtbank stelt vast dat sinds 1 juni 1984 de poort aan de oostzijde de uitoefening van de erfdienstbaarheid belet. Die situatie heeft onafgebroken bestaan: niet is komen vast te staan dat [eiseres] of één van haar rechtsvoorgangers de erfdienstbaarheid intussen onbelemmerd hebben uitgeoefend of hebben kunnen uitoefenen.

4.16.

Evenmin heeft één van hen sinds 1 juni 1984 in rechte opheffing van de strijdige toestand gevorderd. De verjaringstermijn van die vordering is in beginsel twintig jaar en is gelet op artikel 3:314 lid 1 BW aangevangen op 2 juni 1984. Door de verjaring van de rechtsvordering van de rechtsvoorgangers van [eiseres] tegen de (rechtsvoorgangers van) [gedaagde sub 1] c.s. tot opheffing van de met de erfdienstbaarheid strijdige toestand, is de erfdienstbaarheid tenietgegaan per 2 juni 2004, nu de strijdige toestand de uitoefening heeft belet. Dit leidt ertoe dat de primaire vordering van [eiseres] in conventie wordt afgewezen.

4.17.

De vordering van [gedaagde sub 1] c.s. in reconventie wordt toegewezen: de rechtbank zal voor recht verklaren dat de bij notariële akte van 31 januari 1918 gevestigde erfdienstbaarheid ten laste van het perceel van (thans) [gedaagde sub 1] c.s. en ten behoeve van het perceel van (thans) [eiseres] op grond van artikel 3:106 BW jo. 3:306 BW is tenietgegaan.

De vordering tot schadevergoeding

4.18.

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de erfdienstbaarheid door verjaring is tenietgegaan, komt de subsidiaire vordering in conventie voor behandeling in aanmerking.

Die vordering is gebaseerd op artikel 6:162 BW en het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:309). In dat arrest heeft de Hoge Raad kort gezegd overwogen dat een bezitter die door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden, onder omstandigheden bloot kan staan aan een vordering uit onrechtmatige daad van de (voormalige) rechthebbende die zijn eigendom aan die partij heeft verloren door de werking van artikel 3:105 BW. De Hoge Raad heeft in dat arrest overwogen dat een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, tegenover die eigenaar onrechtmatig handelt. Dat brengt mee dat die laatste, als aan de overige voorwaarden ook is voldaan, kan vorderen dat hem door de bezitter de schade wordt vergoed die hij als gevolg van dat onrechtmatig handelen lijdt.

4.19.

Volgens [eiseres] ziet de uitspraak van de Hoge Raad weliswaar op een situatie waarin artikel 3:105 BW is toegepast, maar zou die naar analogie moeten worden toegepast in deze zaak, waarin de omstandigheden zijn getoetst aan artikel 3:106 BW. Volgens [eiseres] is dat mogelijk omdat deze zaak ziet op het mindere (een beperkt recht) van het meerdere (eigendom) dat in de zaak die aan de Hoge Raad aan de orde was.

4.20.

De rechtbank kan [eiseres] daarin niet volgen, omdat de aangehaalde bepalingen zich niet tot elkaar verhouden op de wijze die [eiseres] stelt. Artikel 3:105 BW leidt er immers toe dat de eigenaar de eigendom van een zaak verliest en de bezitter de eigendom verkrijgt. Dat verlies en die verkrijging worden veroorzaakt door de nalatigheid van de eigenaar, die het – kort gezegd – toelaat dat de bezitter zich gedraagt als eigenaar ten opzichte van een bepaalde zaak. Artikel 3:106 BW leidt er daarentegen toe dat een beperkt gerechtigde haar beperkte recht verliest en de hoofdgerechtigde wordt bevrijd van het beperkte recht. Het verlies van het beperkte recht wordt veroorzaakt door nalatigheid van de beperkt gerechtigde, die nalaat om tijdig (in rechte) opheffing te vorderen van de situatie die de uitoefening van het beperkte recht belet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de uitspraak van de Hoge Raad van 24 februari 2017 naar analogie op de omstandigheden in deze zaak toe te passen. De subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen van [eiseres] die zien op een schadevergoeding worden daarom afgewezen.

Verklaring voor recht over het ladderrecht

4.21.

Nu rest de vordering van [eiseres] op grond van het ladderrecht als genoemd in artikel 5:56 BW. Het ladderrecht voorziet in de mogelijkheid om tijdelijk toegang te krijgen tot het perceel van de buren voor noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden aan onroerende zaken. Daarbij is van belang dat de toegang en daarmee het tijdelijk gebruik van het perceel van de buren tot een minimum wordt beperkt en slechts kan worden toegestaan als alternatieven redelijkerwijs ontbreken. De eigenaar van het perceel waarvan gebruik moet worden gemaakt, kan van geval tot geval bepalen of hij toegang verleent dan wel of hij gewichtige redenen heeft om de toegang te weigeren. De uitoefening van het ladderrecht leidt immers tot een inbreuk op het eigendomsrecht van die eigenaar. Het ladderrecht voorziet dus niet in een basis om een algemeen en steeds terugkerend gebruik toe te staan, zoals bijvoorbeeld een erfdienstbaarheid dat wel doet.

4.22.

[eiseres] heeft verklaard dat zij niet voornemens is om (structureel) onderhoudswerkzaamheden aan haar perceel te verrichten vanaf het perceel van [gedaagde sub 1] c.s. [eiseres] heeft over de noodzaak van de toepassing van het ladderrecht in de dagvaarding toegelicht dat zij van de route via het perceel van [gedaagde sub 1] c.s. naar de [straatnaam] gebruik wil maken om haar afval af te voeren.

4.23.

De rechtbank stelt vast dat er van een situatie waarop het ladderrecht ziet, geen sprake is. [eiseres] voert geen tijdelijke, noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden aan die toegang tot het perceel van [gedaagde sub 1] c.s. vereisen en stelt evenmin dat [gedaagde sub 1] c.s. haar die toegang, zonder gewichtige redenen, ontzegt. [eiseres] vordert daarentegen een verklaring voor recht die algemeen is en op basis waarvan zij meent steeds (terugkerend) toegang te kunnen krijgen tot het perceel van [gedaagde sub 1] c.s., zonder het voorbehoud van tijdelijke en noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden. Zoals hiervoor is overwogen, voorziet het ladderrecht ex artikel 5:56 BW daar niet in. De subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen van [eiseres] die zien op een verklaring voor recht op grond van het ladderrecht, worden daarom afgewezen.

Proceskosten

4.24.

[eiseres] heeft zowel in conventie als in reconventie ongelijk gekregen. Daarom moet zij de proceskosten van [gedaagde sub 1] c.s. betalen. Die bedragen in conventie in totaal € 1.390,-en bestaan uit:

  • -

    griffierecht € 304,--

  • -

    salaris gemachtigde € 1.086,-- (2 punten x tarief onbepaalde waarde)

De proceskosten in reconventie worden op nihil gesteld.

[gedaagde sub 1] c.s. heeft ook de nakosten gevorderd. Dit zijn de kosten die ontstaan na dit vonnis. De rechtbank wijst die toe als in de beslissing staat vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] c.s. tot op heden begroot op € 1.390,-- waarin begrepen € 1.086,-- aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [eiseres] tot betaling van de kosten die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op € 157,-- aan salaris gemachtigde, als niet binnen 14 dagen na aanschrijving van dit vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van betaling, en € 82,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de dag van betaling;

in reconventie

5.4.

verklaart voor recht dat de bij notariële akte van 31 januari 1918 gevestigde erfdienstbaarheid ten laste van het perceel van (thans) [gedaagde sub 1] c.s. en ten behoeve van het perceel van (thans) [eiseres] op grond van artikel 3:106 BW jo. 3:306 BW is tenietgegaan per 2 juni 2004;

5.5.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] c.s. tot op heden begroot op nihil;

in conventie en in reconventie

5.6.

verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. V. van Dam en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2021.1

* (i.v.m. de herleidbaarheid naar natuurlijke personen is de afbeelding bij 2.4 weggehaald.)

1 type: RvdH/4142 coll: VD/41624