Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1190

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-03-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
9015874 / LE VERZ 21-6
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Eind dienstverband na twee jaar ziekte, gefixeerde schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0431
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Lelystad

Beschikking van 29 maart 2021

in de zaak met zaaknummer / rekestnummer 9015874 / LE VERZ 21-6 van

[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker, hierna ook te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde mr. D.B. Muller

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster, hierna ook te noemen: [verweerster] ,
gemachtigde mr. A.G.P. van der Baan.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van [verzoeker] , ter griffie ingekomen op 8 februari 2021;

- het verweerschrift van [verweerster] van 3 maart 2021;

- de brief van [verzoeker] van 11 maart 2021 waarin [verzoeker] zijn broer, [A] , heeft gemachtigd in deze procedure namens hem het woord te voeren;

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 maart 2021. Namens [verzoeker] zijn zijn broer, [A] , en zijn gemachtigde verschenen. Namens [verweerster] zijn [B] (controller en verantwoordelijk voor personeelszaken) en haar gemachtigde verschenen. [verweerster] heeft een pleitnota overhandigd, deze is toegevoegd aan het dossier. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting besproken is.

1.3.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verweerster] is een leverancier van [.] en producent van complete installaties voor de procesindustrie.

2.2.

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1957, is op 1 november 1984 in dienst getreden bij [verweerster] , laatstelijk als rayonmanager. Het laatstverdiende salaris van [verzoeker] bedroeg

€ 7.201,00 per maand, te vermeerderen met emolumenten waaronder 8% vakantiebijslag.

2.3.

In de arbeidsovereenkomst staat onder meer het volgende:

“(…)GRATIFIKATIE:

Indien de ondernemingsresultaten over een kalenderjaar dit toelaten zulks ter beoordeling van de direktie, zal aan u een gratifikatie worden uitgekeerd in de vorm van een 13e maand.(…)”

2.4.

In de jaren 1987 tot en met 2019 heeft [verzoeker] steeds een jaarlijkse gratificatie ontvangen, met uitzondering van de jaren 1996 (in verband met een wijziging van de berekening van de gratificatie) en 2015 (in verband met drie door [verzoeker] ontvangen waarschuwingen).

2.5.

[verzoeker] heeft zich op 10 december 2018 ziek gemeld in verband met een burn-out. [verzoeker] is arbeidsongeschikt gebleven.

2.6.

Op 27 mei 2020 stuurt [verzoeker] per mail aan [verweerster] enige informatie omtrent de aanvraag van een WIA-uitkering. In deze mail staat onder meer:

“(…)Ik wil NIET dat [verweerster] deze documenten on-line bij het UWV aanlevert. Dat is ook geen verplichting voor de werkgever (…) Ik stuur deze documenten zelf per post naar het UWV.(…)

Ik weet dat ik jou nu ruim voor de deadlines informeer; maar ik zou het vervelend

vinden als jullie mijn loon langer zouden moeten doorbetalen als door jullie toedoen

bepaalde documenten niet of te laat door mij bij het UWV aangeleverd worden.(…)”

2.7.

Op 11 september 2020 is de WIA-aanvraag ingediend. In deze door beide partijen ondertekende aanvraag staat onder meer:

2.8.

Het UWV heeft [verzoeker] volledig en duurzaam arbeidsongeschikt geoordeeld en hem bij beslissing van 18 december 2020 een IVA-uitkering toegekend per 10 december 2020.

2.9.

Per 10 december 2020 heeft [verweerster] de eindafrekening opgemaakt. [verzoeker] heeft op 18 december 2020 de salarisspecificatie hiervan ontvangen.

2.10.

Op 21 december 2020 schrijft [verweerster] aan [verzoeker] onder meer het volgende:

“(…)UWV heeft ons medegedeeld dat u in aanmerking komt voor een IVA-uitkering.

Wij hebben een ontslagaanvraag ingediend bij UWV.

Uw dienstverband is geëindigd op 10 december 2020.

Wij hebben u inmiddels een laatste loonstrook toegezonden.(…)”

2.11.

Op de brieven van [verweerster] is door [verzoeker] niet gereageerd.

2.12.

[verweerster] heeft bij het UWV een ontslagaanvraag ingediend. In reactie hierop heeft [verzoeker] aangegeven dat [verweerster] niet-ontvankelijk moet worden geacht in deze aanvraag nu er geen arbeidsovereenkomst meer bestaat.

2.13.

Op 12 januari 2021 schrijft [B] aan het UWV onder meer:

“(…) aangezien er overeenstemming is met werknemer over de ontslagdatum van

10 december 2020, bevestig ik u hierbij dat u de ontslagaanvraag procedure kunt stopzetten.(…)”

3 Het verzoek

3.1.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. voor recht te verklaren dat [verweerster] de transitievergoeding ex artikel 7:673 lid 1 sub a 1e BW aan [verzoeker] verschuldigd is en [verweerster] te veroordelen terzake aan [verzoeker] te voldoen een bedrag van € 104.955,30 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 januari 2021; en

  2. [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] bij wijze van vergoeding ex artikel 7:672 lid 11 BW een bedrag van € 36.941,13 bruto, althans een door U Edelachtbare in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 december 2020 tot de dag der algehele voldoening; en

  3. [verweerster] te veroordelen om aan [verzoeker] tegen behoorlijk bewijs van kwijting en onder gelijktijdige verstrekking van een deugdelijke specificatie, te betalen ter zake van achterstallig loon (gratificatie) primair een bedrag van € 14.185,70 bruto, althans subsidiair een bedrag van € 11.821,64 bruto, althans een door U Edelachtbare in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% wegens vertraging ex artikel 7:625 BW alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente, ook over de wettelijke verhoging, ex artikel 6:119 BW; en

  4. [verweerster] te veroordelen om aan [verzoeker] tegen behoorlijk bewijs van kwijting en onder gelijktijdige verstrekking van een deugdelijke specificatie, te betalen ter zake van openstaande vakantiedagen een bedrag van primair € 10.939,-- bruto, althans subsidiair een bedrag van € 10.784,20 bruto, althans een door U Edelachtbare in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% wegens vertraging ex artikel 7:625 BW alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente, ook over de wettelijke verhoging, ex artikel 6:119 BW;

  5. [verweerster] te veroordelen om aan [verzoeker] deugdelijke bruto/netto specificaties te verstrekken van de betalingen sub 1 t/m 4, zulks op straffe van een dwangsom van

€ 100,--, althans een door U Edelachtbare in goede justitie te bepalen dwangsom, per dag dat [verweerster] niet binnen 10 dagen na betekening van de ten deze te geven beschikking aan deze veroordeling voldoet;

6. alsmede om [verweerster] te veroordelen in de kosten van deze procedure, zulks te vermeerderen met de verschuldigde nakosten en wettelijke rente over de proceskosten en nakosten indien deze niet binnen een termijn van een week na het in deze te wijzen beschikking door [verweerster] zijn voldaan.

3.2.

Aan zijn verzoek legt [verzoeker] het navolgende ten grondslag. De arbeidsovereenkomst van [verzoeker] is op 10 december 2020 op initiatief van [verweerster] beëindigd. [verweerster] heeft geen transitievergoeding betaald aan [verzoeker] en heeft ook de nog uitstaande vakantiedagen niet afgerekend. Gedurende de laatste twee jaar van zijn dienstverband heeft [verzoeker] geen gratificatie ontvangen, enkel vanwege het feit dat hij ziek was, zodat sprake is van ongerechtvaardigd onderscheid. [verweerster] heeft tot slot onregelmatig opgezegd en is daarom een gefixeerde schadevergoeding aan [verzoeker] verschuldigd. Ondanks herinnering en aanmaning zijn de door [verweerster] verschuldigde bedragen niet aan [verzoeker] betaald. [verweerster] moet daarom ook de wettelijke verhoging en rente betalen, en de proces- en nakosten en de rente daarover.

4 Het verweer

4.1.

[verweerster] voert gemotiveerd verweer. [verweerster] heeft onder meer, samengevat, aangevoerd dat zij een bedrag aan transitievergoeding en vakantiedagen aan [verzoeker] verschuldigd is maar dat de hoogte daarvan niet klopt, nu daarin de gratificaties van 2019 en 2020 zijn meegerekend. Ook moet een bedrag van € 2.117,50 op de transitievergoeding in mindering worden gebracht nu deze kosten zijn gemaakt in het kader van de re-integratie van [verzoeker] . De gratificaties over 2019 en 2020 is [verweerster] niet verschuldigd omdat [verzoeker] , nu hij ziek was en onvoldoende meewerkte aan zijn re-integratie, geen bijdrage heeft geleverd aan het bedrijfsresultaat. De beëindiging van het dienstverband heeft bovendien met wederzijds goedvinden plaatsgevonden, zodat [verweerster] niet gehouden is tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding. [verweerster] verzoekt tot afwijzing althans matiging van de verzoeken van [verzoeker] en veroordeling van [verzoeker] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente over de proceskosten en nakosten.

5 De beoordeling

5.1.

De kantonrechter overweegt dat tussen partijen sprake is van discussie over de hoogte van de transitievergoeding en de vergoeding van de vakantiedagen en over de verschuldigdheid van de gratificaties over 2019 en 2020 en de gefixeerde schadevergoeding. De kantonrechter zal de afzonderlijke verzoeken beoordelen, te beginnen met het verzoek tot uitbetaling van de gratificaties over 2019 en 2020, nu het oordeel hierover doorwerkt in verschillende andere verzoeken.

De gratificaties over 2019 en 2020

5.2.

De kantonrechter oordeelt dat [verweerster] de gratificaties over 2019 en 2020 aan [verzoeker] is verschuldigd. De kantonrechter overweegt daartoe allereerst dat uit de arbeidsovereenkomst, zoals ook opgenomen onder 2.3., blijkt dat persoonlijk functioneren, zoals door [verweerster] als afwijzingsgrond is gebruikt, niet als voorwaarde is opgenomen voor toekenning van een gratificatie. Gratificatie is slechts afhankelijk gesteld van het bedrijfsresultaat naar beoordeling van de directie. Niet is gebleken dat de afwijzing van toekenning van een gratificatie is gebaseerd op het bedrijfsresultaat. De gevolgen daarvan komen voor rekening en risico van [verweerster] , en zij kan dus het feit dat [verzoeker] geen bijdrage heeft geleverd aan het bedrijfsresultaat, niet tegenwerpen aan [verzoeker] . De kantonrechter overweegt daarbij nog dat [B] op de zitting heeft verklaard dat de weigering tot toekenning van deze gratificaties voortvloeit uit het enkele feit dat [verzoeker] ziek was en [verzoeker] , zoals [verweerster] stelt, aanvankelijk onvoldoende meewerkte aan zijn re-integratie, terwijl andere collega’s, volgens [B] , wel een gratificatie hebben ontvangen. De kantonrechter oordeelt dat het niet uitbetalen van een gratificatie aan een zieke werknemer tot een ongeoorloofd onderscheid tussen een zieke en niet-zieke medewerker leidt. [verweerster] is daarom gehouden de gratificaties over 2019 en 2020 aan [verzoeker] te betalen. Dat [verzoeker] , zoals bevestigd in een deskundigenoordeel van 30 september 2019 van het UWV, over de periode december 2018 tot en met augustus 2019 onvoldoende heeft meegewerkt aan zijn re-integratie maakt dat niet anders.

5.3.

Op grond van het voorgaande zal het verzoek tot betaling van de gratificaties over 2019 en 2020 worden toegewezen, met dien verstande dat de kantonrechter daarbij aanleiding ziet om ten aanzien van de hoogte van deze gratificatie aan te sluiten bij hetgeen in de arbeidsovereenkomst is overeengekomen, zodat een bedrag ter hoogte van één maand zal worden toegewezen. Gezien de ziekte van [verzoeker] en het beleid van [verweerster] dat in het tweede ziektejaar 70% van het salaris wordt uitbetaald, zal over 2019 een gratificatie van 100% van één maandsalaris en over 2020 een gratificatie van 70% van één maandsalaris worden toegewezen, wat neerkomt op een bedrag van € 11.821,64 bruto, zoals subsidiair gevorderd.

5.4.

De kantonrechter zal de gevorderde wettelijke verhoging over de gratificaties toewijzen, met dien verstande dat de kantonrechter aanleiding ziet om de gevorderde wettelijke verhoging te beperken tot 15%. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt. De wettelijke verhoging is vooral een prikkel voor de werkgever om het loon op tijd te betalen. Omdat het in dit geval gaat om een eindafrekening en niet om betaling van (achterstallig) loon, ligt toewijzing van de maximale wettelijke verhoging van 50% niet in de rede. Voor matiging tot nihil, zoals [verweerster] verzoekt, bestaat geen aanleiding. [verweerster] stelt in dat verband dat [verzoeker] pas in deze procedure een beroep doet op betaling van de gratificaties over de jaren 2019 en 2020. Zoals onder 5.2. is overwogen is [verweerster] de bedragen aan gratificatie echter verschuldigd en is zij, nu zij bij het einde van het dienstverband van [verzoeker] niet tot uitbetaling daarvan is overgegaan, op grond van artikel 7:625 BW gehouden de wettelijke verhoging te betalen.

De transitievergoeding

5.5.

[verweerster] heeft [verzoeker] bij brief van 21 december 2020 medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst per 10 december 2020 is geëindigd. Op grond van artikel 7:669 lid 1 BW, in samenhang gelezen met artikel 7:669 lid 3 sub b BW en artikel 7:670 lid 1 sub a BW, kan de werkgever het dienstverband met een arbeidsongeschikte werknemer opzeggen als de ongeschiktheid van de werknemer ten minste twee jaar heeft geduurd. Vast staat dat deze situatie zich hier voordoet.

5.6.

De kantonrechter overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat [verweerster] aan [verzoeker] een transitievergoeding verschuldigd is. De door [verzoeker] gevorderde verklaring van recht zal, als onbetwist en op de wet gegrond, worden toegewezen.

5.7.

Partijen verschillen echter van mening over de hoogte van de transitievergoeding. Op grond van wat onder 5.2. is overwogen, oordeelt de kantonrechter dat aan [verzoeker] een bedrag van € 102.756,29 aan transitievergoeding toekomt (gebaseerd op bruto maandsalaris € 8.563,02, vermeerderd met vast overeengekomen looncomponenten, zoals vakantietoeslag, de gratificatie etc) . Bij de berekening van dit bedrag is het gemiddelde van de over 2017, 2018 en 2019 verschuldigde gratificaties (€ 9.431,33) meegenomen. De kantonrechter volgt [verweerster] niet in haar stelling dat het bedrag van € 2.117,50, dat door haar is betaald in het kader van het 2e spoor voor [verzoeker] , in mindering moet worden gebracht op de transitievergoeding. Door [verweerster] is niet gesteld noch is gebleken dat voor inhouding van die kosten op de transitievergoeding is voldaan aan de voorwaarden genoemd in het Besluit voorwaarden in mindering brengen kosten op transitievergoeding (hierna: het Besluit). De kantonrechter oordeelt dat, nog daargelaten of, zoals [verweerster] stelt, sprake is van transitiekosten, in elk geval niet is voldaan aan de voorwaarden zoals vastgelegd in artikel 2 lid 1 sub a en b van het Besluit. Door [verzoeker] wordt erkend dat hij akkoord is gegaan met het opstarten van het 2de spoortraject, maar hij betwist dat hij op voorhand op de hoogte is gebracht van de kosten die met dit traject waren gemoeid. Dit blijkt ook overigens nergens uit. Ook ontbreekt een schriftelijke instemming van [verzoeker] met het in mindering brengen van deze kosten op de transitievergoeding. Die kosten strekken dus niet in mindering op de transitievergoeding.

De vakantiedagen

5.8.

Artikel 7:641 BW bepaalt dat een werknemer die bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak heeft op vakantie, in beginsel recht heeft op een uitkering in geld tot een bedrag van het loon over een tijdvak overeenkomend met die aanspraak. Op de voet van artikel 7:645 BW kan daarvan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken. Bij de invulling van het vakantieloonbegrip is de jurisprudentie van het Hof van Justitie leidend. Artikel 7:639 lid 1 BW moet als implementatiewetgeving van artikel 7 van de Arbeidstijdenrichtlijn (2003/88/EG, hierna: “de Richtlijn”) immers richtlijnconform worden uitgelegd. Daaruit blijkt dat het loonbegrip van artikel 7:641 BW een ruim loonbegrip is, hetgeen betekent dat daarin alle loonbestanddelen zijn begrepen die de werknemer zou hebben genoten als hij de vakantiedagen in vrije tijd zou hebben genoten onder doorbetaling van loon.

5.9.

Partijen zijn het eens over het aantal dagen, namelijk 28, dat nog betaald moet worden, echter zij verschillen van mening over de waarde ervan. De kantonrechter overweegt dat uit het door [verzoeker] overgelegde overzicht blijkt dat de gratificatie een structureel onderdeel uitmaakt van diens beloning. Dat in twee jaren gedurende het 34 jarige dienstverband van [verzoeker] geen gratificatie is toegekend maakt dat niet anders, nu daarvoor, zoals ook erkend door [verweerster] , specifieke redenen waren. Zoals ook onder 5.5. daartoe is overwogen betekent dit dat de gratificatie dient te worden meegenomen in de berekening van het vakantieloon van [verzoeker] . Op grond van het voorgaande, en conform hetgeen is overwogen in 5.2., zal een bedrag van € 10.784,20, zoals subsidiair gevorderd, worden toegewezen. Dat, zoals [verweerster] stelt, eerder tussen partijen overeenstemming zou zijn bereikt over een lagere waarde van de vakantiedagen, maakt dat niet anders. Het enkele feit dat in de brief van 20 januari 2021 van [verweerster] aan [verzoeker] een waarde is genoemd en deze waarde door [verzoeker] per mail op 27 januari 2021 aan [verweerster] is bevestigd, betekent niet dat [verzoeker] daar bij voortschrijdend inzicht niet op terug mag worden gekomen. Op het moment van deze correspondentie bestond tussen partijen immers geen overeenstemming over een algehele regeling. [verzoeker] is daarom niet gebonden aan de door [verweerster] gehanteerde (en door hem aanvankelijk geaccordeerde) waarde.

5.10.

De kantonrechter zal de gevorderde wettelijke verhoging over het vakantieloon toewijzen, met dien verstande dat de kantonrechter, zoals is overwogen onder 5.4., aanleiding ziet om de gevorderde wettelijke verhoging te beperken tot 15%.

De vergoeding voor onregelmatige opzegging

5.11.

[verzoeker] stelt dat de arbeidsovereenkomst door [verweerster] onregelmatig is opgezegd en hij verzoekt daarom een schadevergoeding. [verweerster] betwist dat zij onregelmatig heeft opgezegd. Zij stelt dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd en voert hiertoe aan dat dit blijkt uit het feit dat [verzoeker] al op 27 mei 2020 heeft aangekondigd dat hij een WIA-uitkering aan ging vragen voor de periode na 10 december 2020 en dat hij zijn handtekening onder de evaluatie van het UWV heeft gezet waarin als einddatum

10 december 2020 is vermeld. Gezien de gemotiveerde betwisting van [verzoeker] is dit echter onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een beëindiging met wederzijds goedvinden. Bovendien, zo overweegt de kantonrechter, geldt op grond van artikel 7:670b lid 1 BW immers dat een overeenkomst waarmee een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd alleen geldigheid heeft wanneer deze overeenkomst schriftelijk is aangegaan. Dat daarvan sprake is, wordt door [verweerster] niet gesteld en is ook niet gebleken. Zo ontbreekt een vaststellingsovereenkomst waarin afspraken worden gemaakt over de finale beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] en blijkt uit de stukken bovendien niet dat overleg is gevoerd over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter concludeert dat [verweerster] haar stelling enkel onderbouwt met stukken waaruit slechts de berusting van [verzoeker] in het door [verweerster] geïnitieerde ontslag blijkt en dat is onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een beëindiging met wederzijds goedvinden.

5.12.

Op grond van artikel 7:672 lid 11 BW is de partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. [verweerster] heeft, zoals hiervoor overwogen, de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op onregelmatige wijze opgezegd, omdat er geen sprake is van een verleende ontslagvergunning, noch van wederzijds goedvinden en de geldende opzegtermijn van vier maanden niet in acht is genomen. De hoogte van de gefixeerde schadevergoeding is gerelateerd aan het bedongen loon. Overeenkomstig het karakter van de wettelijke schadeloosstelling is voor de berekening van die schadeloosstelling enkel van belang het loon, zoals vastgesteld bij of krachtens de arbeidsovereenkomst ‘zoals deze ten tijde van de beëindiging der arbeidsovereenkomst tussen partijen gold’, onverschillig of op uitbetaling van dat loon daadwerkelijk aanspraak bestond en onafhankelijk van de geleden schade. (HR 21 oktober 1983, NJ 1984/255 en HR 20 juni 1995, NJ 1996/52). Dat bij een juiste opzegging geen loon over die opzeggingstermijn verschuldigd zou zijn geweest en [verzoeker] ook recht heeft op een IVA-uitkering, zoals door [verweerster] is aangevoerd, doet aan de verplichting tot betaling en de berekening van deze gefixeerde schadevergoeding dus niet af. Het ontbreken van schade, noch het aanvaarden van het einde der dienstbetrekking na onregelmatige opzegging, is evenmin op zichzelf als billijkheidsgrond voldoende om de verschuldigdheid van de schadeloosstelling af te wijzen. Het verzoek tot toewijzing van de gefixeerde schadeloosstelling van [verzoeker] zal op grond van het voorgaande worden toegewezen, met dien verstande dat de kantonrechter uit billijkheidsoverwegingen wel aanleiding ziet om het door [verweerster] gedane beroep op matiging toe te wijzen. De verzochte vergoeding voor onregelmatige opzegging zal daarom, met inachtneming van artikel 7:672 lid 12 BW, worden gematigd tot drie maanden zodat een bedrag van € 25.275,51 bruto zal worden toegewezen.

5.13.

Ten slotte zal de vordering tot afgifte van de loonspecificaties worden toegewezen. De kantonrechter gaat er vanuit dat [verweerster] uitvoering geeft aan de beschikking en ziet geen aanleiding om de gevorderde dwangsom toe te wijzen.

Wettelijke rente

5.14.

De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding is, in lijn met artikel 7:686a lid 1, toewijsbaar vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, zodat de wettelijke rente toewijsbaar is vanaf 10 januari 2021. De wettelijke rente over de vergoeding van het verlofsaldo, gratificatie en gefixeerde schadevergoeding is toewijsbaar per datum einde dienstverband, zodat de wettelijke rente hierover toewijsbaar is vanaf 10 december 2020. Voor verschuldigdheid van wettelijke rente over de wettelijke verhoging is nodig dat de werkgever in verzuim is geraakt na in gebreke te zijn gesteld. In de door [verzoeker] overgelegde correspondentie tussen partijen zit een ingebrekestelling ten aanzien van de verbeurde wettelijke verhoging van 24 december 2020. Deze datum geldt daarom als de datum waarop het verzuim is ingetreden en de wettelijke rente is vanaf die datum toewijsbaar.

Proceskosten

5.15.

[verweerster] wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten in het verzoek worden, tot deze beschikking, aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 1.254,00, waarvan € 747,00 aan salaris gemachtigde.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.

5.16.

De nakosten, waarvan [verzoeker] betaling vordert, zullen op de hieronder weergeven wijze worden begroot. De wettelijke rente over de nakosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.

6 De beslissing

De kantonrechter

6.1.

verklaart voor recht dat [verweerster] de transitievergoeding ex artikel 7:673 lid 1 sub a 1e BW aan [verzoeker] verschuldigd is en veroordeelt [verweerster] terzake aan [verzoeker] te voldoen een bedrag van € 102.756,29 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 januari

2021;

6.2.

veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] bij wijze van vergoeding ex artikel 7:672 lid 11 BW een bedrag van € 25.275,51 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 december 2020 tot de dag der algehele voldoening;

6.3.

veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] tegen behoorlijk bewijs van kwijting en onder

gelijktijdige verstrekking van een deugdelijke specificatie, te betalen ter zake van achterstallig loon (gratificatie) een bedrag van € 11.821,64 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 15% wegens vertraging ex artikel 7:625 BW alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 december 2020, ook over de wettelijke verhoging, ex artikel 6:119 BW;

6.4.

veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] tegen behoorlijk bewijs van kwijting en onder

gelijktijdige verstrekking van een deugdelijke specificatie, te betalen ter zake van openstaande vakantiedagen een bedrag van primair € 10.784,20 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 15% wegens vertraging ex artikel 7:625 BW alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 december 2020, ook over de wettelijke verhoging, ex artikel 6:119 BW;

6.5.

veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] deugdelijke bruto/netto specificaties te verstrekken van de betalingen onder 6.1.-6.4.;

6.6.

veroordeelt [verweerster] in de kosten van deze procedure, zijnde € 1.254,00 waarvan

€ 747,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 7 dagen na de datum van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, met ingang van de dag na datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, vermeerderd met de nakosten tot een bedrag van € 120,00 indien [verweerster] niet vrijwillig binnen 7 dagen aan dit vonnis voldoet en betekening van het vonnis noodzakelijk blijkt, vermeerderd met de wettelijke rente over de nakosten, te berekenen vanaf de dag van betekening van het vonnis;

6.7.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.8.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2021.