Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1184

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-03-2021
Datum publicatie
26-03-2021
Zaaknummer
16/050367-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een destijds 18-jarige jongen heeft samen met een ander een snackbar overvallen. Bij de overval op de snackbar hebben zij gedreigd met een mes en een vuurwapen (of een voorwerp dat daar erg op leek). De situatie die de daders hebben gecreëerd moet heel beangstigend zijn geweest voor de eigenaresse van de snackbar. De jongen heeft geen rekening gehouden met de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Dat neemt de rechtbank hem kwalijk.

De rechtbank vindt net als de reclassering, de officier van justitie en de advocaat dat verdachte moet worden berecht volgens het jeugdstrafrecht, omdat verdachte baat heeft bij een pedagogische aanpak en ook nog pedagogisch beïnvloedbaar is.

De rechtbank neemt bij het bepalen van een straf een jeugddetentie van vier maanden als uitgangspunt. De rechtbank weegt als strafverzwarende omstandigheden mee dat verdachte de overval samen met iemand anders heeft gepleegd, dat verdachte en zijn mededader hebben gedreigd met een (voorwerp dat leek op een) wapen en dat verdachte ook een grote hoeveelheid hasj in bezit had. De rechtbank vindt, net als de reclassering, dat verdachte daarnaast ook hulp nodig heeft.

Alles afwegend vindt de rechtbank een jeugddetentie van 200 dagen, waarvan 43 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken met de reclassering, meewerken met een coach en meewerken aan het krijgen en houden van een zinvolle dagbesteding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/050367-20

Vonnis van de meervoudige kamer van 26 maart 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [2001] in Curaçao,

wonende aan de [adres] in [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De rechtszaak tegen verdachte heeft in het openbaar plaatsgevonden op de zittingen van 5 juni 2020, 28 augustus 2020, 8 januari 2021 en 12 maart 2021. Op 12 maart 2021 is de zaak inhoudelijk behandeld. Verdachte was bij de inhoudelijke behandeling aanwezig, waardoor juridisch gezien sprake is van een vonnis op tegenspraak.

De rechtbank heeft tijdens de zitting gesproken met en geluisterd naar de standpunten van verdachte, zijn advocaat mr. M.A. Krikke en de officier van justitie mr. D.C. Smits.

2 TENLASTELEGGING

De officier van justitie verdenkt verdachte ervan dat hij betrokken is geweest bij meerdere strafbare feiten. Deze verdenkingen staan beschreven in de (op de zitting gewijzigde) tenlastelegging, die als bijlage is opgenomen in dit vonnis.

Kort gezegd verdenkt de officier van justitie verdachte ervan dat hij:

1. op 20 november 2019 in Hilversum samen met een ander € 500,- heeft gestolen bij snackbar [snackbar] en daarbij geweld heeft gebruikt of daarmee heeft gedreigd

en/of

op 20 november 2019 in Hilversum samen met een ander [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van € 500,- en daarbij geweld heeft gebruikt of daarmee heeft gedreigd;

2. op 25 november 2019 in Hilversum samen met een ander € 300,- bij supermarkt [supermarkt] heeft gestolen en daarbij geweld heeft gebruikt of daarmee heeft gedreigd

en/of

op 25 november 2019 in Hilversum samen met een ander [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van € 300,- en daarbij geweld heeft gebruikt of daarmee heeft gedreigd;

3. op 2 maart 2020 in Huizen 84,19 gram hasj in bezit heeft gehad.

3 VOORVRAGEN

Voordat de rechtbank een inhoudelijke beslissing kan nemen in de zaak tegen verdachte, moet zij eerst kijken of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag verdachte vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Voor de overvallen vindt de officier van justitie van belang dat de politie op grond van de camerabeelden heeft vastgesteld dat de daders vermoedelijk dezelfde jongens waren, vanwege het gebruik van dezelfde kleding, schoenen, scooter en hetzelfde mes. Daarnaast heeft de officier van justitie gewezen op de belastende verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] . Tot slot zijn ook de historische gegevens van de telefoon van verdachte belastend volgens de officier van justitie, aangezien zijn telefoon rondom het tijdstip van de overvallen aanstraalde in Hilversum en tijdens de overvallen uit stond.

4.2

Het standpunt van de advocaat

De advocaat vindt dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Over de overvallen merkt de advocaat op dat de politie onvoldoende onderzoek heeft gedaan en teveel is uitgegaan van verklaringen van onbetrouwbare getuigen die zelf in meer of mindere mate betrokken zijn geweest bij de overvallen. Zij hebben daarom een belang om de zaak zo ver mogelijk van zichzelf te houden en een ander aan te wijzen. Volgens de advocaat blijkt uit het dossier ook niet dat de dader, naast degene die al veroordeeld is, bij beide overvallen dezelfde persoon is. Daarvoor zijn de gegeven signalementen in de aangiftes te verschillend. De aangever van de snackbar stelt zelfs dat beide daders blank waren. Bovendien blijkt uit het verhoor van de al veroordeelde dader dat de gebruikte kleding van een ander en niet van de overvallers zelf is. Dat bij beide overvallen dezelfde kleding is gebruikt, zegt dan ook nog niets over de daders zelf. Volgens de advocaat kan daarnaast, anders dan door de officier van justitie is gesteld, uit de historische gegevens van de telefoon van verdachte niet worden afgeleid dat zijn telefoon tijdens de overvallen uitstond. Uit de historische gegevens blijkt daarbij niet waar de telefoon zich op het tijdstip van de overvallen precies bevond. Volgens de advocaat kan dus enkel worden vastgesteld dat verdachte rondom het tijdstip van de overvallen in de buurt van de overvallen is geweest.

Over de hasj heeft de advocaat opgemerkt dat uit het dossier niet blijkt waar de hasj in de woning van verdachte is aangetroffen. Nu er nog meer mensen in dat huis wonen, kan niet worden vastgesteld dat de hasj van verdachte was of dat verdachte kon weten dat er hasj in het huis lag.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Vrijspraak feit 2

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het plegen van de overval op de supermarkt, ondanks dat het dossier wel aanwijzingen bevat voor de betrokkenheid van verdachte bij die overval. Zo heeft getuige [getuige 2] verklaard dat verdachte van plan was de supermarkt te overvallen, heeft de telefoon van verdachte rondom het tijdstip van de overval een mast in de buurt van de supermarkt aangestraald en heeft verdachte rondom het tijdstip van de overval contact gehad met de dader die al veroordeeld is voor deze overval ( [A] ). Bovendien hebben de daders dezelfde kleding en schoenen aan als bij de overval op de snackbar (waar de rechtbank verdachte wel voor veroordeeld). Dat de daders bij beide overvallen deels dezelfde kleding aanhadden betekent echter niet zonder meer dat het ook dezelfde daders zijn die de overval op de snackbar hebben gepleegd. In het huis van verdachte is deze kleding immers niet aangetroffen en bovendien heeft [A] verklaard dat het regenpak en volgens hem ook de schoenen die zijn mededader droeg van getuige [getuige 3] waren. Daarnaast heeft getuige [getuige 2] niet verklaard dat hij wist dat verdachte de overval op de supermarkt ook daadwerkelijk heeft gepleegd. Andere getuigenverklaringen of objectieve bewijsmiddelen dat verdachte in de supermarkt was te tijde van de overval, ontbreken. Gelet hierop is alleen het feit dat de telefoon van verdachte rondom het tijdstip van de overval in de buurt van de supermarkt aanstraalt en dat verdachte contact heeft gehad met [A] , onvoldoende om tot de conclusie te komen dat verdachte betrokken was bij de overval.

Al met al vindt de rechtbank het bewijs in deze zaak dus onvoldoende om vast te stellen dat verdachte één van de daders van de overval op de supermarkt is geweest.

Bewezenverklaringen

Feit 1

Op 21 november 2019 deed [slachtoffer 1] aangifte bij de politie. Zij verklaarde dat zij op 20 november 2019 in snackbar [snackbar] in Hilversum aan het werk was. Zij zag dat omstreeks 22.51 uur twee personen binnen kwamen lopen. Eén van hen had een groot mes vast. Diegene sloeg met het mes op de toonbank en schreeuwde “Dit is een overval. Geld. Kassa open maken”. Achter die persoon liep de tweede persoon. Diegene had een klein pistool in zijn rechterhand en wees daarmee richting de kassa. [slachtoffer 1] hoorde hem schreeuwen: “Kassa open snel”. De eerste persoon hing over de balie en pakte briefgeld, ongeveer € 500,-, uit de kassa. Daarna reden de jongens weg op een scooter.2

Uit de camerabeelden van snackbar [snackbar] blijkt dat de daders het mes en het wapen richting de eigenaresse hielden. Op de camerabeelden is ook te zien dat beide daders over de toonbank heen hangen en in de geopende kassa graaien.3

Op 9 april 2020 heeft [A] verklaard dat hij samen met een ander de overval op snackbar [snackbar] heeft gepleegd. Hij verklaarde dat hij voor de overval een scooter van [getuige 1] en een vuurwapen van [getuige 2] had geleend. Een deel van de kleding en schoenen kwam van [getuige 3] .4

Op 15 april 2020 is [getuige 1] gehoord bij de politie. Hij verklaarde dat hij op 20 november 2019 zijn scooter had uitgeleend aan [A] en [verdachte] .5

Op 4 februari 2020 werd [getuige 2] gehoord bij de politie. Hij verklaarde dat hij door [A] en [verdachte] werd benaderd om een pistool te huren of lenen. Hij had het vuurwapen aan hen gegeven in de buurt van snackbar [snackbar] . [A] en [verdachte] kwamen daar aanrijden op een scooter.6 Aan [getuige 2] is een foto getoond van [verdachte] . [getuige 2] verklaarde toen dat dat 100% de [verdachte] is die hij bedoelde.7

[getuige 4] werd op 21 november 2019 gehoord bij de politie. Hij verklaarde dat hij op 20 november 2019 in zijn woning aan de [adres] in [woonplaats] zat. Hij zag buiten twee jongens met een scooter staan. Er kwam een derde jongen aanlopen. Die derde jongen overhandigde iets aan de bestuurder van de scooter.8

Op camerabeelden gemaakt vanuit de woning van getuige [getuige 4] is te zien dat op 20 november 2019 om 22.22 uur een scooter de straat inrijdt en langs de stoeprand stopt. Vervolgens is te zien dat een man/jongen het beeld in loopt en zich naar de twee personen op de scooter begeeft. Het drietal staat even met elkaar te praten waarna de derde persoon weer het beeld uitloopt.9

Uit de historische gegevens van de telefoon van verdachte blijkt dat de telefoon van verdachte op 20 november 2019 vanaf 17.23 uur masten aanstraalde in Hilversum. Verdachte had toen contact met [getuige 3] en [A] . Rond het tijdstip van de overval op snackbar [snackbar] straalde de telefoon van verdachte de mast ‘ [straat] ’ in Hilversum aan. Vervolgens had de telefoon nog contact met [getuige 3] . Daarna leek de telefoon van verdachte uit te zijn gezet, omdat het toestel toen meerdere keren doorschakelde naar de voicemail. Na de overval vonden er telefonische contacten plaats met [A] , [getuige 3] en [getuige 2] .10

Interpretatie van de bewijsstukken

Op grond van de hiervoor omschreven bewijsstukken stelt de rechtbank vast dat (1) de overval bij snackbar [snackbar] door twee personen is gepleegd, waarvan er een [A] is, (2) de overvallers op een scooter zijn weggereden, (3) verdachte op de avond van de overval samen met die [A] een scooter heeft geleend, (4) hij met die [A] , terwijl zij op een scooter zitten, een half uur voor de overval in de directe omgeving van de snackbar een (nep)wapen heeft verkregen van [getuige 2] , (5) verdachte kort voor de overval blijkens de historische gegevens van zijn telefoon in de buurt was van de snackbar, en (6) verdachte kort na de overval meerdere keren telefonisch contact heeft gehad met [A] , [getuige 3] en [getuige 2] . Gelet op deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat verdachte samen met [A] de overval op ssnackbar [snackbar] heeft gepleegd. Dat het signalement dat de aangever heeft opgegeven niet goed past bij het signalement van verdachte, leidt niet tot een ander oordeel, gelet op de andere bewijsstukken. Hierbij weegt de rechtbank mee dat de overval slechts 14 seconden heeft geduurd en dat de daders hun gezicht grotendeels bedekt hadden waardoor de aangever de gezichten van de daders dus niet goed heeft kunnen zien. Ook het verweer van de raadsman dat niet vaststaat waar verdachte zich op het moment van de overval precies bevond, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De bewijsstukken moeten namelijk in samenhang en onderling verband met elkaar worden bekeken. Al die bewijsstukken samen maken dat de rechtbank ervan overtuigd is dat verdachte de overval heeft gepleegd.

Feit 3

In een doos in de slaapkamer van verdachte werden twee plakken en twee bollen gevonden. De politie vermoedde dat dit hasj was.11

Verbalisant [verbalisant] heeft de in beslag genomen plakken en bollen onderzocht. Op grond van zijn kennis en ervaring met eerdere henneptesten zag en rook hij dat het om hasj ging. Hij heeft een monster van de vermoedelijke hasj met een cannabistest getest op THC, de werkzame verdovende stof in hennep en hasj. De test gaf als indicatie aan dat er THC aanwezig was in de hasj. Na weging bleek het nettogewicht 84,19 gram te zijn.12

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. op 20 november 2019 te Hilversum tezamen en in vereniging met een ander een geldbedrag dat toebehoorde aan [slachtoffer 1] en/of snackbar [snackbar] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door

- met gezichtsbedekking voornoemde snackbar binnen te gaan en

- met een mes op de toonbank te slaan en

- vervolgens gewapend die [slachtoffer 1] de woorden toe te roepen: ‘Dit is een overval. Kassa openmaken’ en/of ‘Kassa open, snel’ en

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en een mes (dreigend) in de richting van die [slachtoffer 1] te houden en te tonen;

3. op 2 maart 2020 te Huizen opzettelijk aanwezig heeft gehad 84,19 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Verdachte wordt vrijgesproken van alles wat meer of anders ten laste is gelegd dan wat hierboven is bewezen. De rechtbank heeft taal- en spelfouten in de tenlastelegging verbeterd. Dat is niet nadelig voor verdachte.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Gedragingen zijn volgens de wet alleen strafbaar als er geen rechtvaardigingsgrond voor die gedragingen bestaat. Als een verdachte zich kan beroepen op zo’n rechtvaardigingsgrond is zijn gedrag niet in strijd met het recht. Niet is gebleken dat er zo’n rechtvaardigingsgrond voor de door verdachte gepleegde feiten bestond. De door verdachte gepleegde feiten zijn dus strafbaar.

De wet noemt de door verdachte gepleegde feiten:

1. diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

3. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Verdachten zijn volgens de wet alleen strafbaar als zij geen beroep kunnen doen op een schulduitsluitingsgrond. Als een verdachte zich kan beroepen op een schulduitsluitingsgrond is zijn gedrag niet verwijtbaar. Niet is gebleken dat verdachte een beroep kon doen op zo’n schulduitsluitingsgrond. Verdachte is dus strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie neemt het verdachte kwalijk dat hij zulke ernstige feiten heeft gepleegd en geen rekening heeft gehouden met de gevolgen voor de (kwetsbare) slachtoffers. De officier van justitie neemt het verdachte ook kwalijk dat hij geen verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen.

De officier van justitie is het eens met het advies van de reclassering om verdachte volgens het jeugdstrafrecht te berechten. Hij vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 270 dagen met aftrek van zijn voorarrest, waarvan 113 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijke deel van de straf moeten volgens de officier van justitie de voorwaarden worden verbonden die door de reclassering zijn geadviseerd, met uitzondering van de behandelverplichting gelet op wat daarover in het aanvullend advies van de reclassering van 7 maart 2021 is geadviseerd. De officier van justitie vordert dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Tot slot eist de officier van justitie dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur.

8.2

Het standpunt van de advocaat

De advocaat vindt ook dat verdachte volgens het jeugdstrafrecht moet worden berecht. De advocaat heeft daarnaast verzocht om rekening te houden met het feit dat verdachte zich in de schorsingsperiode goed aan de afspraken heeft gehouden en het feit dat verdachte first offender is.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij het bepalen van een passende straf rekening gehouden met de ernst van de strafbare feiten, de omstandigheden waaronder verdachte die feiten heeft gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

De rechtbank legt aan verdachte een jeugddetentie van 200 dagen op, waarvan 43 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf verbindt de rechtbank voorwaarden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij deze straf heeft bepaald.

8.3.1

De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een overval en het bezit van een grote hoeveelheid hasj.

Bij de overval op de snackbar hebben verdachte en zijn mededader gedreigd met een mes en een vuurwapen (of een voorwerp dat daar erg op leek). De situatie die verdachte en zijn mededader hebben gecreëerd moet heel beangstigend zijn geweest voor de eigenaresse van de snackbar. Slachtoffers van overvallen kunnen nog lange tijd last hebben van de psychische gevolgen daarvan. Verdachte heeft alleen gedacht aan zijn eigen verlangen naar geld en totaal geen rekening gehouden met de gevolgen voor het slachtoffer. Verdachte heeft ook laten zien dat hij geen respect heeft voor de eigendommen van anderen. De rechtbank neemt verdachte dit alles erg kwalijk.

Het bezit en gebruik van hasj levert daarnaast een gevaar op voor de volksgezondheid, omdat deze stof bij regelmatig gebruik schadelijke lichamelijke, psychische en sociale gevolgen met zich mee kan brengen. Daarbij veroorzaakt de met hasj samenhangende handel schade en overlast voor de samenleving vanwege de andere vormen van criminaliteit die samengaan gaan met drugsgebruik.

Voor de feiten die verdachte heeft gepleegd vindt de rechtbank een jeugddetentie van meerdere maanden in beginsel passend.

8.3.2

De persoonlijke omstandigheden van verdachte

Strafblad

Uit het strafblad (de ‘justitiële documentatie’) van verdachte blijkt dat hij niet eerder door de strafrechter is veroordeeld. Wel heeft hij in het verleden boetes opgelegd gekregen van het Openbaar Ministerie. Aangezien de boetes voor andere strafbare feiten zijn uitgedeeld dan de feiten waar verdachte nu voor wordt veroordeeld, hebben die boetes geen invloed op het bepalen van de straf.

Adviezen van Reclassering Nederland

Verdachte heeft gesprekken gevoerd met K. Lakeman van Reclassering Nederland. Lakeman heeft een rapport over verdachte geschreven.

De reclassering vindt dat verdachte volgens het jeugdstrafrecht moet worden berecht, omdat verdachte op praktisch niveau nog afhankelijk is van zijn moeder en gevoelig is voor pedagogische beïnvloeding. Ook wijst de reclassering op de leeftijd van verdachte ten tijde van het delict; hij was toen net 18 jaar oud. De begeleiding moet volgens de reclassering wel plaatsvinden bij de volwassenreclassering. Binnen de reclassering kan een specifieke aanpak gericht op jongvolwassenen plaatsvinden.

De reclassering kan de kans op herhaling van strafbare feiten niet inschatten, omdat verdachte ontkent dat hij de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. De reclassering ziet wel risico’s in de gevoeligheid van verdachte voor snel financieel gewin en het ontbreken van een dagbesteding en een inkomen. De reclassering adviseert verdachte tot een (deels) voorwaardelijke straf te veroordelen met als bijzondere voorwaarden:

  • -

    een meldplicht bij de reclassering;

  • -

    meewerken aan begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

  • -

    meewerken aan begeleiding door Ocura;

  • -

    meewerken aan het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding.

De reclassering adviseert de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.3.3

Conclusie

De rechtbank vindt net als de reclassering, de officier van justitie en de advocaat dat verdachte moet worden berecht volgens het jeugdstrafrecht, omdat verdachte baat heeft bij een pedagogische aanpak en ook nog pedagogisch beïnvloedbaar is.

Zoals hierboven al besproken neemt de rechtbank een jeugddetentie van meerdere maanden als uitgangspunt. Maar de rechtbank vindt dat verdachte naast straf ook hulp nodig heeft.

Het uitgangspunt voor het plegen van een overval is een jeugddetentie van vier maanden. De rechtbank weegt als strafverzwarende omstandigheden mee dat verdachte de overval samen met iemand anders heeft gepleegd, dat verdachte en zijn mededader hebben gedreigd met een (voorwerp dat leek op een) wapen en dat verdachte ook een grote hoeveelheid hasj in bezit had.

Alles afwegend vindt de rechtbank een jeugddetentie van 200 dagen, waarvan 43 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden. Aan het voorwaardelijke gedeelte verbindt de rechtbank de voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd, met uitzondering van de verplichting om mee te werken aan begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Uit het onderzoek op de zitting en de adviezen van de reclassering is namelijk niet duidelijk geworden waarom verdachte niet zelfstandig zou kunnen wonen.

De straf is lager dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank maar bij één van de twee overvallen heeft kunnen vaststellen dat verdachte de dader was.

De rechtbank zal bevelen dat de opgelegde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn. Verdachte heeft een strafbaar feit gepleegd dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van personen. Alhoewel de reclassering de kans op herhaling van vergelijkbare strafbare feiten niet kan inschatten, vindt de rechtbank dat gevreesd moet worden dat verdachte opnieuw een gewelddadig strafbaar feit zal plegen. Vóórdat verdachte de overval pleegde was hij nog nauwelijks in beeld geweest bij politie of justitie. De eerste keer dat hij in beeld komt bij politie en justitie heeft hij ineens een heel ernstig strafbaar feit gepleegd, waar hij geen verantwoordelijkheid voor heeft genomen. Dat maakt dat de rechtbank het toekomstige gedrag van verdachte lastig kan inschatten. De reclassering ziet in de wens om snel financieel gewin te behalen, het ontbreken van een dagbesteding en het ontbreken van een inkomen ook risico’s voor het opnieuw plegen van strafbare feiten. Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat gevreesd moet worden voor de veiligheid van personen of goederen als verdachte niet op de goede manier begeleid wordt.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het overige ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

  • -

    verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 200 dagen;

  • -

    bepaalt dat de tijd door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (157 dagen) op de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat een gedeelte van 43 dagen van deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;

  • -

    als voorwaarden gelden dat veroordeelde:

o zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

o ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

o medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

o zich binnen zeven dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres Zwarte Woud 2, 3524 SJ in Utrecht. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

o blijft meewerken aan de begeleiding door Ocura, zolang de reclassering dat nodig vindt;

o meewerkt aan het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van werk of scholing;

- waarbij aan Reclassering Nederland opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

Dadelijke uitvoerbaarheid

- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;

Voorlopige hechtenis

- heft op het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W.B. Snijders Blok, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. H.F. Koenis, kinderrechter, en R.A. Hebly, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 maart 2021.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 20 november 2019 te Hilversum, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag van ongeveer 500 euro, in elk geval een geldbedrag, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] en/of snackbar [snackbar] , heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- gemaskerd en/of vermomd, althans met gezichtsbedekking, voornoemde snackbar binnen te gaan en/of

- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp op de toonbank te slaan en/of

- (vervolgens) gewapend die [slachtoffer 1] de woorden toe te roepen: ‘Dit is een overval. Kassa openmaken’ en/of ‘Kassa open, snel’ en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp (dreigend) in de richting van die [slachtoffer 1] te houden en/of te tonen,

en/of

hij op of omstreeks 20 november 2019 te Hilversum, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot afgifte van, een geldbedrag van ongeveer 500 euro, in elk geval een geldbedrag, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, welk geweld en bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- gemaskerd en/of vermomd, althans met gezichtsbedekking, voornoemde snackbar zijn binnengegaan en/of

- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp op de toonbank heeft/hebben geslagen en/of

- (vervolgens) gewapend die [slachtoffer 1] de woorden heeft/hebben toegeroepen: ‘Dit is een overval. Kassa openmaken’ en/of ‘Kassa open, snel’ en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en/of een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp (dreigend) in de richting van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gehouden/getoond;

( art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

2. hij op of omstreeks 25 november 2019 te Hilversum, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, onder meer, een geldbedrag van ongeveer 300 euro in elk geval een geldbedrag, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [B] en/of supermarkt [supermarkt] , heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- gemaskerd en/of vermomd, althans met gezichtsbedekking, voornoemde supermarkt binnen te gaan en/of

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp (dreigend) in de richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te houden en/of te tonen,

en/of

hij op of omstreeks 25 november 2019 te Hilversum, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot afgifte van, onder meer, een geldbedrag van ongeveer 300 euro, in elk geval een geldbedrag, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, welk geweld en bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- gemaskerd en/of vermomd, althans met gezichtsbedekking, voornoemde supermarkt zijn binnengegaan en/of

- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp (dreigend) in de richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft/hebben getoond en/of gehouden;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )

3. hij op of omstreeks 2 maart 2020 te Huizen, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 84,19 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

( art 11 lid 2 Opiumwet, art 3 ahf/ond C Opiumwet )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers zijn dit – tenzij anders aangegeven – pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met kenmerk 14DRIFT / MD1R019052 van 4 maart 2020, opgemaakt door de districtsrecherche Gooi en Vechtstreek, doorgenummerd 1 tot en met 369 en 1001 t/m 5015. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 16-18.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 21-28.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 3028-3034.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 2040-2043.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 1011-1017.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 1018-1022.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 44-45.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 47.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 284-285.

11 Kennisgeving van inbeslagneming, p. 263-264.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 280-281.