Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1132

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-03-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
C/16/505391 / FA RK 20-4046
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Valt de kleding van de kinderen onder de verblijfsoverstijgende kosten? Geen kinderalimentatie voor niet hoofdverzorgende ouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/505391 / FA RK 20-4046

Kinderalimentatie

Beschikking van 16 maart 2021

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende in [woonplaats] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.H. van den Berg,

tegen

[verweerster] ,

wonende in [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.M.C.J. Dekkers-de Jong.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

  • -

    het verzoekschrift van de man met producties, binnengekomen op 8 juli 2020;

  • -

    het verweerschrift van de vrouw met producties, binnengekomen op 28 augustus 2020;

  • -

    de brief met een aantal aanvullende producties (via F9-formulier) van de man, ingekomen van 20 januari 2021;

  • -

    de brief met een aantal aanvullende producties (via F9-formulier) van de man van 21 januari 2021;

  • -

    de brief met een aanvullende productie tevens wijzigingsverzoek (via F9-formulier) van de man van 25 januari 2021.

1.2.

Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 2 februari 2021. Daarbij waren partijen met hun advocaten aanwezig. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw aantekeningen overhandigd.

1.3.

De rechtbank heeft op de zitting - naar aanleiding van het bezwaar van de vrouw tegen de late indiening van de stukken van de man op 25 januari 2021 - besloten om de laatste brief van de man van 25 januari 2021 buiten beschouwing te laten. Dit omdat de stukken in strijd met de wet1 en het Procesreglement Alimentatie2 op een kortere termijn dan tien dagen vóór de mondelinge behandeling zijn ingediend, terwijl de man deze stukken eerder had kunnen indienen.

2 Waar gaat het over?

2.1.

Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Zij zijn op [2017] uit elkaar gegaan.

2.2.

Zij zijn de ouders van:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [2006] in [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [2009] in [geboorteplaats] .

[voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] wonen bij de vrouw. Partijen hebben samen het gezag over [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] .

2.3.

Tussen partijen geldt een zorgregeling die is vastgesteld in de beschikking van deze rechtbank van 10 mei 2019. De regeling houdt in dat de kinderen eenmaal per twee weken van vrijdag na school tot dinsdagochtend en de daaropvolgende week van maandag na school tot dinsdagochtend bij de vader verblijven. Ook is er een regeling voor de vakanties en feestdagen vastgesteld.

2.4.

De man wil dat de vrouw aan kinderalimentatie voor [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] aan hem gaat betalen:

- Primair, met inachtneming van de werkelijke woonlast van de vrouw:

o In 2018: € 167,- per kind per maand,

o In 2019: € 163 per kind per maand,

o In 2020: € 164 per kind per maand,

- Subsidiair, rekening houdend met de forfaitaire woonlast van de vrouw:

o In 2018: € 154 per kind per maand,

o In 2019: € 148,50 per kind per maand,

o In 2020: € 148,50 per kind per maand,

  • -

    te vermeerderen met de wettelijke indexatie vanaf 1 januari 2021,

  • -

    en (na wijziging van het verzoek) om de vrouw te veroordelen aan de man te betalen € 559,45 zijnde de totaal-som van uitgaven van de man voor verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen die voor rekening van de vrouw komen,

  • -

    met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

2.5.

De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man. Zij vraagt de man niet te ontvangen in zijn verzoeken dan wel zijn verzoeken af te wijzen. Ook vraagt zij om de man te veroordelen in de proceskosten.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank wijst het verzoek van de man over de kinderalimentatie af en zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.

Vaststellen kinderalimentatie

3.2.

Het geschil betreft in de kern de vraag of de man aanspraak kan maken op een bijdrage van de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen terwijl hij niet de hoofdverzorger van de kinderen is.

3.3.

Bij de beantwoording van deze vraag wijst de rechtbank in de eerste plaats op artikel 1:408 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin staat dat de kinderalimentatie wordt betaald aan de ouder die het kind verzorgt en opvoedt. In het geval van partijen betekent dit dat als hoofdregel geldt dat de man kinderalimentatie betaalt aan de vrouw, en niet andersom.

3.4.

Op deze hoofdregel zou een uitzondering gemaakt kunnen worden, en zou de vrouw kinderalimentatie moeten betalen aan de man, als de man het verblijf van de kinderen bij hem niet zou kunnen betalen. De grond voor deze verplichting vindt de rechtbank in artikel 1:247 lid 3 BW waarin staat dat het ouderlijk gezag mede de verplichting omvat van de ene ouder om de ontwikkeling van de banden van het kind met de andere ouder te bevorderen.

De vrouw heeft dus een zekere verantwoordelijkheid om het verblijf van de kinderen bij de man mogelijk te maken, als de vrouw daarvoor ten minste voldoende draagkracht heeft. Maar deze financiële verantwoordelijkheid geldt in de ogen van de rechtbank alleen als de man geen draagkracht heeft om het verblijf van de kinderen bij hem te betalen. De kosten van het verblijf van de kinderen bij de man stelt de rechtbank op het bedrag van de zogenoemde zorgkorting. In het geval van partijen is de draagkracht van de man groter dan het bedrag van de zorgkorting, zoals hierna zal blijken, zodat hij de kosten van het verblijf van de kinderen bij hem kan dragen. Dit maakt dat de vrouw niet de plicht heeft om financieel bij te dragen.

3.5.

De rechtbank is het dus niet eens met de man, die vindt dat er eerst een draagkrachtvergelijking moet worden gemaakt, en het hieruit resulterende aandeel van de man in de kosten van de kinderen moet worden vergeleken met het bedrag van de zorgkorting. Indien het aandeel van de man dan lager uitvalt dan het bedrag van de zorgkorting, moet de vrouw het verschil bijpassen, vindt de man. Maar de rechtbank vindt dat nu de man voldoende draagkracht heeft om de hele zorgkorting te financieren, er geen aanleiding is om een uitzondering te maken op de hiervoor genoemde hoofdregel dat kinderalimentatie wordt betaald aan de ouder bij wie de kinderen hun hoofdverblijf hebben. De rechtbank is het niet eens met de man dat de systematiek van alimentatierekenen meebrengt dat hier anders over gedacht moet worden.

3.6.

De rechtbank zal nu de behoefte van de kinderen, de draagkracht van de man en zijn zorgkosten beoordelen.

De behoefte van de kinderen

3.7.

De kosten van de kinderen worden de ‘behoefte’ van de kinderen genoemd. Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de kinderen in 2020 € 764,- per kind per maand is.

De draagkracht van de man en de zorgkosten

3.8.

Wat ieder van de ouders kan bijdragen in de kosten van de kinderen wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Partijen zijn het erover eens dat de draagkracht van de man € 579,- per maand is. De man draagt een deel van de kosten van de kinderen als zij bij hem verblijven (de zorgkosten). Partijen zijn het erover eens dat gelet op het duur en frequentie van het verblijf van de kinderen bij de man de zorgkosten van de man 33% van de totale kosten van de kinderen (de behoefte van € 764,- per kind per maand) bedragen. Dit komt neer op zorgkosten van € 504,- per maand voor beide kinderen samen.

Draagkracht overstijgt zorgkosten

3.9.

Uit het voorgaande blijkt dat de man volledig kan voorzien in de kosten die hij maakt als de kinderen tijdens hun verblijf bij hem zijn. De draagkracht van de man van € 579,- per maand overstijgt immers het bedrag van de zorgkosten van € 504,- per maand. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om in deze situatie een uitzondering op de hiervoor onder 3.3 genoemde hoofdregel te maken.

3.10.

Nu de rechtbank geen kinderalimentatie zal vaststellen hoeft er ook geen ingangsdatum te worden vastgesteld. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat uit de draagkrachtberekeningen van de man blijkt dat de draagkracht van de man vanaf 2018 altijd ongeveer gelijk of hoger is geweest dan zijn zorgkosten. De man heeft dus vanaf het begin steeds voldoende draagkracht gehad om de zorgkosten voor de kinderen te kunnen betalen.

3.11.

Nu er geen sprake is van een verplichting voor de vrouw om aan de man kinderalimentatie te betalen, komt de rechtbank verder niet toe aan een bespreking van de stellingen van partijen over de draagkracht van de vrouw en een berekening hiervan.

Verblijfsoverstijgende kosten

3.12.

De rechtbank wijst af het verzoek van de man om de vrouw te veroordelen tot betaling van de te veel betaalde verblijfsoverstijgende kosten van € 466,49. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.

3.13.

Om te beoordelen wat onder de verblijfsoverstijgende kosten valt, neemt de rechtbank het Tremarapport van de Expertgroep Alimentatie (versie 2021) als uitgangspunt. In paragraaf 5.2.2. staat dat het uitgangspunt is dat de ouder waar de kinderen het hoofdverblijf hebben de ‘vaste lasten’ voldoet. Met de ‘vaste lasten’ worden schoolgeld, contributie voor sport, kleding en dergelijke bedoeld, ook als dit grote of onvoorziene kosten zijn. Dit worden de verblijfsoverstijgende kosten genoemd. De Expertgroep Alimentatie heeft op

1 januari 2020 de post kleding toegevoegd aan de verblijfsoverstijgende kosten. Dit omdat de vraag wie de kosten van welke kleding van de kinderen moet dragen in de praktijk tot veel discussie tussen ouders leidde en een duidelijke regel hierover discussie zal voorkomen.

3.14.

De rechtbank vindt dat de kosten die de man in productie 8 heeft genoemd voor zijn rekening moeten komen. De man heeft in productie 8 een lijst gemaakt van de kosten die hij voor de kinderen heeft betaald tussen oktober 2017 en april 2020. Partijen kunnen het niet eens worden voor wiens rekening die kosten moeten komen. De man vindt dat de vrouw al deze kosten aan hem moet vergoeden en de vrouw vindt dat de man deze kosten uit zijn eigen draagkracht moet betalen. De rechtbank wil voorop stellen dat, als de man kosten wil maken die onder de verblijfsoverstijgende kosten vallen en dus voor rekening van de vrouw komen, hij daarover eerst overleg moet voeren met de vrouw. Als partijen geen overeenstemming hebben en de man maakt de kosten toch, dan komt die voor zijn rekening. Ten aanzien van de kosten die de man noemt in zijn lijst geldt het volgende. Nu de Expertgroep Alimentatie vanaf 1 januari 2020 de post kleding aan de verblijfsoverstijgende kosten heeft toegevoegd, vindt de rechtbank dat de vrouw de kleding van de kinderen vanaf die datum moet betalen. De man heeft vanaf 1 januari 2020 drie kledingstukken (boxers en sokken) voor in totaal € 10,27 gekocht en betaald. De vrouw betwist dat de kinderen die kleding nodig hadden. Partijen hebben hierover dus geen overeenstemming. Deze kosten blijven dan voor rekening van de man, net als de overige kleding op de lijst van de man voor 1 januari 2020. Voor de overige kosten geldt dat de man deze zelf moet betalen. Het gaat hier bijvoorbeeld om aankopen voor een vakantie van de man met de kinderen, en kosten die gemaakt zijn tijdens een verblijf van de kinderen bij de man, zoals kosten van een uitje met vrienden of van de sportclub en cadeaus voor vrienden.

3.15.

Nu de kinderen hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben, moet de vrouw alle verblijfsoverstijgende kosten waaronder kleding, schoolgeld en contributie voor sport en dergelijke van de kinderen betalen. Dit betekent ook dat de vrouw moet zorgen dat de kinderen voldoende kleding hebben bij beide ouders. De rechtbank kan zich voorstellen de vrouw er gelet op de ruime zorgregeling voor zorgt dat er voldoende basiskleding en ondergoed voor de kinderen bij de man ligt.

Ouderschapsbemiddeling

3.16.

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat zij in ouderschapsbemiddeling gaan bij [naam instelling] wanneer de onderhavige procedure is afgerond. De rechtbank hoopt dat de ouders hun voornemen zo snel mogelijk uitvoeren. Het is immers in het belang van de kinderen als de ouders hun onderlinge communicatie verbeteren.

De proceskosten

3.17.

De rechtbank zal beslissen dat partijen allebei hun eigen proceskosten moeten betalen, dit omdat zij elkaars ex-partners zijn.

Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijst af de verzoeken van de man;

4.2.

beslist dat partijen allebei hun eigen proceskosten moeten betalen.

Dit is de beslissing van (kinder)rechter mr. G.L.M. Urbanus, tot stand gekomen in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2021.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

ZEWF

1 Artikel 87 lid 6 in verbinding met artikel 297 lid 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

2 Artikel 5.9 van het Procesreglement Alimentatie geldend vanaf 1 januari 2020