Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1068

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-03-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
C/16/492269 / HA ZA 19-194
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inzagevordering ex art. 843a Rv ivm vermeende merkinbreuk/onrechtmatig handelen. Vordering afgewezen, omdat rechtsbetrekking tussen partijen onvoldoende aannemelijk is geworden, dan wel vanwege gebrek aan rechtmatig belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/492269 / HA ZA 19-194

Vonnis van 17 maart 2021

in de zaak van

vennootschap naar buitenlands recht

CHANEL S.A.S.,

gevestigd te F-92200 Neuilly-Sur-Seine,

eiseres,

advocaat mr. N. Doing te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOL.COM B.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Chanel en Bol.com genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Chanel heeft op 14 november 2019 een dagvaarding met 15 producties uitgebracht tegen Bol.com. Bol.com heeft daarna een conclusie van antwoord ingediend met 7 producties. Verder heeft Chanel nog aanvullende producties 16 (met 119 bijlagen) en 17 (kostenoverzicht) overgelegd en heeft Bol.com een aanvullende productie 8 (kostenoverzicht) ingebracht.

1.2.

Vanwege de coronamaatregelen heeft de op 7 mei 2020 geplande mondelinge behandeling niet plaatsgevonden. Vervolgens is een nieuwe mondelinge behandeling gepland op 5 november 2020 en deze heeft via Skype plaatsgevonden. Beide partijen hebben hun pleitnota’s voorafgaand aan de mondelinge behandeling naar elkaar en de rechter gestuurd. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier zittingsaantekeningen bijgehouden.

1.3.

Daarna is vonnis bepaald.

2 Waar gaat het om?

2.1.

Chanel wil op grond van artikel 843a jo. 1019a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) – kort gezegd – inzage in de administratie van Bol.com met betrekking tot de door Bol.com te koop aangeboden Chanel-producten over de periode vanaf 1 januari 2015 tot aan heden.

2.2.

Chanel is een bekende en wereldwijd opererende onderneming gespecialiseerd in haute couture en prêt-à-porter kleding, luxe artikelen en modeaccessoires waaronder schoenen, handtassen, lederwaren, horloges en sieraden en luxe parfumerie-, huidverzorgings- en cosmeticaproducten. Deze producten worden op de markt gebracht onder diverse Chanel merken, die zijn beschermd door diverse internationale merkregistraties, met bescherming binnen de Benelux, de lidstaten van de Europese Unie en daarbuiten.

2.3.

In deze procedure gaat het om parfum, huidverzorgings- en cosmetische producten van Chanel (hierna: Chanelproducten). Chanel verkoopt haar producten zelf via www.chanel.com, lokale webshops en fysieke Chanel boetieks. Binnen de Europese Unie worden de Chanel producten ook gedistribueerd en verkocht via een selectief distributiesysteem. Binnen dit systeem sluit Chanel volgens eigen zeggen (verticale) overeenkomsten met erkende distributeurs die voldoen aan bepaalde objectieve kwalitatieve criteria en verkoopt zij haar producten uitsluitend aan deze door haar geselecteerde distributeurs.

2.4.

Bol.com is een online winkel met een assortiment van miljoenen artikelen. Zij verkoopt ook Chanelproducten. Bol.com maakt geen onderdeel uit van het selectief distributiesysteem van Chanel en Chanel heeft haar geen toestemming gegeven om Chanelproducten te verkopen. Chanel wil daarom – kort gezegd – dat Bol.com haar informatie verstrekt over de herkomst van de Chanelproducten. Bol.com weigert dit.

3 De vordering

3.1.

Zoals gezegd wil Chanel inzage in de administratie van Bol.com. Meer concreet in alle inkoopcontracten, productorders, orderbevestigingen, leveringsbevestigingen, inkoopfacturen, verkoopfacturen, alsmede correspondentie met en verklaringen en garanties van leveranciers omtrent de levering en de herkomst, van de Chanelproducten, die zijn ingekocht door Bol.com in de periode vanaf 1 januari 2015 tot en met heden. Dit op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag met een maximum van € 500.000,- , voor iedere dag dat Bol.com dit nalaat. Daarnaast vordert zij een proceskostenvergoeding conform 1019h Rv, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente.

3.2.

Met deze gegevens wil Chanel bewijs verzamelen om de (omvang van de) inbreuk op haar rechten vast te kunnen stellen en de herkomst van de door Bol.com aangeboden en verkochte Chanelproducten te kunnen achterhalen. Volgens Chanel heeft zij hier een rechtmatig belang bij.

4 De beoordeling

Juridisch kader inzagevordering

4.1.

Art. 843a Rv bepaalt dat hij die daarbij (1) rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van (2) bepaalde bescheiden aangaande (3) een rechtsbetrekking waarbij hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van (4) degene die deze bescheiden tot zijn beschikking of onder zijn berusting heeft, (5) tenzij de bescherming van vertrouwelijke gegevens niet is gewaarborgd. Op grond van art. 1019a lid 1 Rv geldt een verbintenis uit onrechtmatige daad wegens inbreuk op een recht van intellectuele eigendom als een rechtsbetrekking als bedoeld in art. 843a lid 1 Rv.

4.2.

De door de Hoge Raad gegeven maatstaf voor het aannemen van het bestaan van een rechtsbetrekking als bedoeld in art. 1019a Rv in verbinding met art. 843a Rv houdt in dat – in geval van betwisting – niet al aan dat vereiste is voldaan als een (dreigende) inbreuk op een recht van intellectuele eigendom onderbouwd is gesteld. Degene die inzage, afschrift of uittreksel van bewijsmateriaal verlangt, moet dan namelijk (ook) zodanige feiten en omstandigheden stellen en met eventueel reeds voorhanden bewijsmateriaal onderbouwen, dat voldoende aannemelijk is dat inbreuk op een recht van intellectuele eigendom is of dreigt te worden gemaakt. Bij beantwoording van de vraag wat een ‘voldoende’ mate van aannemelijkheid is, is het uitgangspunt dat de lat minder hoog ligt dan de aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing in kort geding van een op een (dreigende) inbreuk gebaseerde vordering, maar wel hoger dan in het geval sprake is van een verzoek tot het in beslag mogen nemen van bewijsmateriaal op de voet van art. 1019b Rv (HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304, Anti-infringement Bureau/Novisem en HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834, Synthon/Astellas). Nadien heeft de Hoge Raad bepaald dat dezelfde maatstaf moet worden aangelegd wanneer het gaat om het onrechtmatig verkrijgen en gebruiken van bedrijfsgeheimen (HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775, Organik/Dow) en wanneer de vordering is gebaseerd op een (dreigende) tekortkoming of onrechtmatige daad (HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251, Semtex).

Rechtsbetrekking

4.3.

Chanel stelt zich primair op het standpunt dat Bol.com een onrechtmatige inbreuk op de Europese en Benelux merkenrechten van Chanel maakt nu Bol.com:

  1. niet authentieke Chanelproducten verkoopt dan wel Chanelproducten verhandelt die niet door haar of met haar toestemming op de Europese interne markt zijn gebracht;

  2. en – als dat anders mocht zijn – Bol.com de Chanelproducten betrokken heeft van door Chanel geselecteerde distributeurs, terwijl die distributeurs voor die ‘verdere verhandeling’ geen toestemming hadden, wat uitputting van de merkenrechten in de weg staat en dus een merkinbreuk oplevert;

  3. en – als dat anders mocht zijn – Bol.com door de verkoop van de Chanelproducten en de wijze waarop dat gebeurt, afbreuk doet aan het prestigieuze en luxe imago van Chanel, wat ook meebrengt dat Chanel een beroep op haar merkenrechten kan (blijven) doen.

4.4.

Subsidiair beroept Chanel zich op onrechtmatig handelen door Bol.com, omdat Bol.com profiteert van door een derde gepleegde wanprestatie en ondermijning van het selectieve distributiestelsel van Chanel.

Authentieke waren en door Chanel binnen de EER gebracht (zie 4.3. onder a.)?

4.5.

Volgens Bol.com gaat het bij de Chanelproducten die zij verkoopt om toegestane parallel import van Chanelproducten, zodat zij met de verhandeling van die producten geen inbreuk maakt op de merkenrechten van Chanel. Zij is van mening dat Chanel de inzagevordering gebruikt als opsporingsmiddel om voor Chanel vooralsnog onbekende feiten boven water te krijgen en dat er dus sprake is van een “fishing expedition”. Volgens Bol.com blijkt uit de stellingname van Chanel zelf dat zij helemaal niet weet of Bol.com merkinbreuk maakt, en zo ja wat dan de aard van die inbreuk is: piraterij (namaak) of handel in niet-uitgeputte authentieke waren en dat Chanel daar nu juist met deze vordering alsnog probeert achter te komen. Die poging kan niet slagen, omdat Chanel de door haar gestelde merkinbreuk volgens Bol.com onvoldoende concreet en specifiek heeft onderbouwd.

4.6.

De rechtbank oordeelt als volgt. Vast staat dat Chanel diverse testaankopen heeft gedaan bij Bol.com. Hoewel niet alle producten een track-and-trace-code bevatten, was daar in ieder geval in vijf gevallen wel sprake van. Ter zitting heeft Chanel verklaard dat uit het door haar verrichtte onderzoek bleek dat het in die gevallen steeds ging om authentieke Chanelproducten, die via een geselecteerde distributeur binnen de Europese Economische Ruimte (hierna: EER) waren gebracht.

4.7.

Op grond van het derde lid van art. 2.23 BVIE omvat het recht van de (Unie)merkhouder niet het recht zich te verzetten tegen het gebruik van het merk voor waren die onder het merk door de houder of met diens toestemming binnen de EER in de handel zijn gebracht. Van in de handel brengen in de EER – en daarmee van uitputting – is sprake als het gaat om handelingen die derden het recht verlenen over de van het merk voorziene waren te beschikken en die de merkhouder in staat stellen de economische waarde van zijn merk te realiseren. De gedachte hierachter is dat de rechthebbende al bij de eerste verhandeling van het product in staat is gesteld de economische waarde van zijn merk te realiseren en er geen (rechts)economische rechtvaardiging meer bestaat om hem die gelegenheid opnieuw te bieden bij iedere opvolgende verhandeling van het betrokken product.

4.8.

Wanneer een licentiehouder van het merk voorziene waren in de handel brengt, moet dit in beginsel worden geacht te geschieden met toestemming van de merkhouder. De hiervoor genoemde door Chanel onderzochte gevallen lijken dan ook een bevestiging van de juistheid van de stelling van Bol.com op te leveren dat er sprake is van toegestane parallel import van authentieke producten en dat de merkenrechten van Chanel daarom zijn uitgeput. Hoewel er in dit geval maar een zeer beperkt aantal producten van de door Bol.com aangeboden Chanelproducten daadwerkelijk zijn onderzocht, moet er wel enige indicatie zijn dat de producten ofwel namaakproducten betreffen ofwel zonder toestemming van Chanel binnen de EER op de markt zijn gebracht. Noch in de dagvaarding noch tijdens de mondelinge behandeling heeft Chanel haar stelling dienaangaande voldoende concreet gemaakt dan wel enige onderbouwing daarvan kunnen geven. Daarmee heeft Chanel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat inbreuk op een recht van intellectuele eigendom is of dreigt te worden gemaakt als bedoeld in de onder 4.2. genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad. Bij deze stand van zaken gaat de rechtbank ervan uit (1) dat de door Bol.com aangeboden en verkochte Chanelproducten met toestemming van Chanel binnen de EER op de markt zijn gebracht, (2) dat de verdere verhandeling daarvan in beginsel geen merkinbreuk oplevert en (3) dat de gestelde ‘merkinbreuk’ daarom geen rechtsbetrekking oplevert waarop een 843a Rv vordering kan worden gebaseerd.

Ondermijning selectief distributiestelsel (zie 4.3. onder b.)?

4.9.

Dat – zoals Chanel stelt – de doorverkoop van Chanelproducten van de selectief distributeur aan Bol.com in strijd is met de in de distributieovereenkomst opgenomen voorwaarden dat niet mag worden (door)verkocht aan een wederverkoper die geen onderdeel is van het selectieve distributiestelsel van Chanel doet aan het voorgaande niet af. Ook als het door Chanel gestelde juist blijkt te zijn – waarvan zij in deze procedure overigens geen bewijs (zoals bijvoorbeeld de gestelde voorwaarden) van heeft overgelegd –, geldt dat dit niet aan uitputting in de weg staat.

4.10.

Uitputting vindt plaats door het enkele feit dat de waren met toestemming van de merkhouder in de handel worden gebracht. Eventuele beperkende bedingen in de distributieovereenkomst betreft alleen de verhoudingen tussen partijen bij die handeling en staat niet in de weg aan uitputting. Dat is alleen anders als het gaat om een (doorwerkende) bepaling in de licentieovereenkomst tussen de merkhouder en zijn licentienemer als vermeld in artikel art. 2.32, lid 2 sub a t/m e, BVIE met betrekking tot de duur, de vorm waarin het merk mag worden gebruikt, de betreffende waren of diensten, het gebied en de kwaliteit van de waren of diensten. In dat geval is in zoverre geen sprake van toestemming van de merkhouder. Zie ook: Hof Den Haag, 20 november 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:3223 (Every Ware/Guy Laroche).

4.11.

Dat in het onderhavige geval sprake is van de gevallen als bedoeld in sub a t/m d van art. 2.32 lid 2 BVIE, is in deze procedure niet, althans onvoldoende, gesteld of gebleken. Het onder sub e genoemde geval (de kwaliteit van de waren of diensten) zal hieronder aan de orde komen.

Afbreuk aan het prestigieuze en luxe imago van Chanel (zie 4.3. onder c.)

4.12.

Chanel stelt zich onder verwijzing naar een uitspraak van het Hof van Justitie EU van 23 april 2009 (Copad/Dior, ECLI:EU:C:2009:260) op het standpunt dat de Chanelproducten niet met toestemming van Chanel binnen de EER in de handel zijn gebracht en de merkenrechten dus niet zijn uitgeput, omdat (1) de verkoopbeperkingen strekken tot bescherming van de kwaliteit van de Chanelproducten en het prestigieuze imago van Chanel en (2) de verkoop van de Chanelproducten door Bol.com hiermee in strijd is (zie art. 2.32 lid 2 sub e en/of 2.23 lid 3 BVIE). Dit wordt door Bol.com gemotiveerd betwist. Zo heeft Bol.com diverse verkooppunten genoemd, die de Chanelproducten op gelijksoortige wijze als zijzelf op de markt brengen.

4.13.

Wie op dit punt gelijk heeft kan in het midden blijven. Ook als de rechtbank er namelijk van uitgaat dat de stelling van Chanel klopt en dat de wijze waarop de Chanelproducten worden verkocht door Bol.com afbreuk doet aan het prestigieuze imago van Chanel kan dit niet tot toewijzing van de inzagevordering leiden. Om te (kunnen) bepalen of de wijze waarop Bol.com de Chanelproducten ter verkoop aanbiedt en presenteert mogelijk afbreuk doet aan de reputatie van de Chanel merken is immers geen inzage nodig in de door Chanel gevraagde bescheiden (inkoopcontracten, productorders, orderbevestigingen, leveringsbevestigingen, inkoopfacturen, verkoopfacturen, alsmede correspondentie met en verklaringen en garanties van leveranciers omtrent de levering en de herkomst), zodat in dat geval een rechtmatig belang van Chanel bij de gevraagde inzage ontbreekt.

Conclusie gestelde merkinbreuk

4.14.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank samenvattend tot de conclusie dat Chanel onvoldoende aannemelijk heeft weten te maken dat de door Bol.com verhandelde Chanelproducten zonder toestemming van Chanel binnen de EER in de handel zijn gebracht (zie 4.8.) of dat zij de gevraagde informatie nodig heeft om haar rechtspositie (in relatie tot Bol.com) te bepalen (zie 4.13.). Hierdoor ontbeert de ingevolge artikel 843a Rv door Chanel ingestelde inzagevordering de vereiste ‘rechtsbetrekking’ dan wel heeft ze bij die inzage geen rechtmatig belang (zie 4.1.). Dat de bewijslast voor uitputting in een eventuele door Chanel te starten inbreukprocedure tegen Bol.com op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad in de zaak Lancaster (ECLI:NL:HR:2008:BC7429) en het Hof van Justitie EU (ECLI:EU:C:2009:260, Copad/Dior) mogelijk bij Bol.com komt te liggen – wat door Bol.com eveneens gemotiveerd wordt betwist –, maakt de uitkomst niet anders. Zoals gezegd is het in het kader van de inzagevordering immers aan Chanel om de door haar gestelde rechtsgronden in voldoende mate aannemelijk te maken (zie 4.2.). Daarin is zij in deze procedure vooralsnog onvoldoende geslaagd.

Onrechtmatige daad (zie 4.4.)?

4.15.

Subsidiair, voor het geval het beroep op uitputting wordt aanvaard, beroept Chanel zich op onrechtmatig handelen door Bol.com. Chanel legt daaraan ten grondslag dat Bol.com (a) profiteert van de wanprestatie van een derde en (b) weigert inzicht te geven in de herkomst van de producten, waardoor Bol.com de onrechtmatige situatie in stand houdt.

Volgens Chanel heeft zij Bol.com er herhaaldelijk op gewezen dat Chanel haar

producten uitsluitend verhandelt binnen haar selectieve distributiestelsel en is Bol.com er

mee bekend dat Chanel haar distributeurs verbiedt om Chanelproducten te verkopen aan professionele partijen die géén deel uitmaken van het selectieve distributiesysteem.

4.16.

Uit deze stellingen volgt dat ‘de rechtsbetrekking’ die Chanel aan haar 843a Rv vordering ten grondslag legt, een onrechtmatig handelen van Bol.com betreft. Net zoals onder 4.13. is overwogen, geldt ook hier dat in het geval zij gelijk heeft, wat door Bol.com wordt betwist, de vordering tot inzage niet voor toewijzing in aanmerking komt. Inzage in de gevraagde bescheiden is immers niet nodig is om een eventuele onrechtmatige daad van Bol.com te kunnen onderbouwen. Een rechtmatig belang ontbreekt dus.

4.17.

Wellicht zijn de gevraagde gegevens voor Chanel wel van belang voor het vaststellen van de totale omvang van het gestelde onrechtmatig handelen. Daaraan wordt echter pas toegekomen als door Chanel voldoende aannemelijk is gemaakt dat Bol.com door het verhandelen van de Chanelproducten onrechtmatig jegens haar handelt. En hier zit het volgende probleem voor Chanel: dat aannemelijk maken is onvoldoende gelukt. Daarvoor geldt dat Bol.com pas kan profiteren van de wanprestatie van de selectieve distributeurs als die distributeurs ook daadwerkelijk tekort schieten in de nakoming van hun verplichtingen jegens Chanel. Dit laatste staat geenszins vast, zoals zal blijken uit wat hieronder over de rechtsbetrekking tussen Chanel en haar distributeurs wordt overwogen.

Andere rechtsbetrekking?

4.18.

Onduidelijk is of Chanel ook de rechtsbetrekking tussen haar en haar selectieve distributeurs aan de vordering tot inzage ten grondslag legt (tekort schieten van de selectieve distributeurs in de nakoming van hun verplichtingen jegens Chanel). Weliswaar stelt Chanel enerzijds dat zij de gevraagde informatie nodig heeft om het lek te dichten, anderzijds voert zij aan dat het haar om geen andere informatie te doen is dan die waaruit het bewijs van uitputting volgt. Zoals hiervoor al is overwogen, is dit laatste niet in voldoende mate aannemelijk geworden (zie 4.8.) of is de gevraagde informatie niet nodig om de gestelde uitputting aan te tonen (zie 4.13.).

4.19.

Maar ook als aangenomen zou worden dat Chanel de rechtsbetrekking tot haar distributeurs ten grondslag legt aan haar 843a Rv vordering, kan haar dat niet helpen. Daarvoor geldt dat Chanel in dat geval wel (enig) inzicht moet geven in haar distributiestelsel en de daarbinnen geldende afspraken. Pas dan kan immers worden geoordeeld of er sprake is van wanprestatie. Dat inzicht is onvoldoende door Chanel gegeven, zodat de inzagevordering ook daarom niet kan slagen. Daarbij komt dat het argument om een lek in een distributiestelsel te dichten niet zonder meer voor ‘de parallelimporteur’ de verplichting meebrengt om alle informatie over dat lek ter inzage aan de merkhouder te geven. De binnen de Europese Unie geldende mededingingsregels kunnen zich hiertegen namelijk verzetten (HvJ 22 december 2008, ECLI:EU:C:2008:756). Zonder inzicht in (a) het selectieve distributiestelsel van Chanel en (b) de eventuele maatregelen die Chanel met de gevraagde informatie precies (wilt) gaan nemen, kan de rechtbank deze regels van mededinging niet zomaar opzij schuiven.

Conclusie

4.20.

De door Chanel ingestelde inzagevordering zal op grond van het voorgaande worden afgewezen.

Proceskosten

4.21.

Chanel wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van Bol.com op de voet van artikel 1019h Rv. Bol.com heeft bij productie 8 een aangepaste kostenoverzicht in het geding gebracht, met een totaalbedrag van € 25.074,05 exclusief BTW.

4.22.

De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen voor 70% zien op de handhaving en bescherming van de merkrechten, zodat voor dit deel van de vordering artikel 1019h Rv van toepassing is. Het resterende deel van het geschil dat onrechtmatig handelen als grondslag heeft is 30%. Dit deel van de proceskosten zal conform het normale liquidatietarief worden vastgesteld en bedraagt € 325,80, (30% van € 1.086,-).

4.23.

Bij de vaststelling van de redelijke en evenredige kosten ex artikel 1019h Rv gaat de rechtbank uit van de Indicatietarieven in IE-zaken, versie 1 april 2017. Bij deze zaak past het indicatietarief voor een normaal IE-bodemzaak van maximaal € 20.000,-. Dit vanwege de omvang van het relevante feitencomplex in deze procedure, het feit dat de vorderingen op meerdere grondslagen zijn gebaseerd en er uitgebreid verweer is gevoerd. Bol.com heeft onvoldoende onderbouwd waarom in dit geval een hogere vergoeding op zijn plaats is.

4.24.

De op artikel 1019h Rv gebaseerde kosten bedragen € 14.000,- (70% van € 20.000,-).

4.25.

De kosten aan de zijde van Bol.com worden begroot op:

- griffierecht € 639,00

- salaris advocaat € 14.325,80

Totaal € 14.964,80

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Chanel in de proceskosten, aan de zijde van Bol.com tot op heden begroot op € 14.964,80,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.H. van Driel van Wageningen en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2021.1

1 type: CR (4529)