Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1047

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
19-03-2021
Datum publicatie
19-03-2021
Zaaknummer
16/066462-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 21-jarige man uit Hilversum is veroordeeld voor het beledigen van de voormalige eigenaresse van ijssalon ’t Perronnetje in Hilversum. De man riep in augustus 2017 heftige en racistische woorden naar de vrouw. De rechtbank Midden-Nederland veroordeelt hem tot het betalen van een boete van 500 euro en het betalen van een schadevergoeding aan de vrouw.

Op 17 augustus 2017 gaat het goed mis voor de ijssalon van de vrouw. Zij was voor haar winkel haar auto aan het uitladen toen er een mandarijn in haar richting werd aangegooid. Nadat zij haar zoontje naar binnen bracht is zij op de jongens afgelopen. Zij is toen uitgescholden voor onder andere kankernegerin, kankeraap en kankerzwarte. Hierop heeft zij een stok van een dweil gepakt en één van de jongens geslagen. De man gaf op zitting toe de vrouw te hebben uitgescholden. Hiermee heeft hij zich schuldig gemaakt aan belediging. De woorden zijn bijzonder kwetsend en ze hebben het slachtoffer ook diep geraakt. Het op deze manier uitschelden van de vrouw noemt de rechtbank een gebrek aan respect. Daar komt bij dat de man een opname van de ruzie maakte en deze door een derde online werd gezet. Dit leidde destijds tot veel onrust op social media en zowel de landelijke- als regionale media schonken aandacht aan deze zaak.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank onder andere gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Ook houdt de rechtbank rekening met het feit dat de redelijke termijn in deze zaak is overschreden. De man is in september 2017 voor het eerst door de politie gehoord. Een verdachte mag ervan uitgaan dat binnen 2 jaar nadat de vervolging start een vonnis ligt. Al met al komt de rechtbank tot het opleggen van een geldboete van 500 euro zoals ook geëist door de officier van justitie. Daarnaast moet hij een schadevergoeding van in totaal 400 euro betalen.

De strafzaak tegen de vrouw – voor het slaan van één van de jongens – is in 2019 al behandeld. De rechtbank oordeelde dat de vrouw niet strafbaar is omdat er sprake was van putatief noodweer exces.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/066462-18

Vonnis van de meervoudige kamer van 19 maart 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1999] te [woonplaats] ,

wonende aan de [adres] te [woonplaats] ,

hierna: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 maart 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A. Drogt en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L.D.H. Lesmeister, advocaat te Almere, naar voren hebben gebracht. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door mr. C.M. Bijl, advocaat te Amsterdam, die waarneemt voor mr. R.A. Korver, namens de benadeelde partij naar voren is gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er in het kort op neer dat verdachte:

op 17 augustus 2017 te [woonplaats] [aangeefster] heeft beledigd.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde belediging wettig en overtuigend te bewijzen en zij heeft zich daarbij gebaseerd op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit bewezen kan worden verklaard, mede gelet op de bekentenis van verdachte.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Verdachte heeft ten aanzien van het ten laste gelegde een bekennende verklaring afgelegd. De verdediging heeft geen vrijspraak bepleit. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen:

- de aangifte van [aangeefster] ;2

- het verhoor van aangeefster [aangeefster] ;3

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 maart 2021.4

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 17 augustus 2017 te [woonplaats] opzettelijk [aangeefster] , in het openbaar, mondeling, heeft beledigd, door haar de woorden toe te voegen:

- “ he kankernegerin, kankerzwarte” en

- “ ja kankernegerin, wat denk je wel niet joh, kanker slaan met die stokken” en

- “ kankeraap” en

- “ he joh, kankernegerin joh, ga lekker je boom in man”.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

belediging.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte te veroordelen tot een geldboete ter

hoogte van 500 euro, te vervangen door 10 dagen hechtenis.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair bepleit om verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf (artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht). Subsidiair heeft zij verzocht om aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat voor het slachtoffer geen enkele straf genoegdoening zal opleveren. Daarnaast is verdachte – al dan niet gedeeltelijk – reeds gestraft door de media-aandacht die bewust door het slachtoffer is opgezocht, met alle gevolgen van dien voor verdachte.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het beledigen van het slachtoffer [aangeefster] , de voormalige eigenaresse van ijssalon [ijssalon] in [woonplaats] . Verdachte heeft daarbij heftige en racistische woorden gebruikt, zoals kankernegerin, kankeraap en kankerzwarte. De geuite woorden zijn bijzonder kwetsend en ze hebben het slachtoffer ook diep geraakt.

Door op deze wijze te handelen heeft de verdachte het slachtoffer in haar eer aangetast en bij haar gevoelens van angst en schaamte veroorzaakt. De verdachte heeft door zijn handelen blijk gegeven van een gebrek aan respect. Daar komt bij dat verdachte hiervan opnames heeft gemaakt.

Persoon van verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 30 april 2021, waaruit volgt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk delict is veroordeeld.

De op te leggen straf

De rechtbank stelt ambtshalve voorop dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is overschreden. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Verdachte is voor het onderhavige feit gehoord in september 2017 (de termijn is toen aangevangen), terwijl het vonnis op 19 maart 2021 wordt gewezen. Hoewel de behandeling ter terechtzitting enkele keren is aangehouden, en de laatste aanhouding verband hield met een door aangeefster gevoerde procedure zoals omschreven in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, stelt de rechtbank niettemin vast dat de redelijke termijn, gerekend vanaf september 2017, is overschreden.

De rechtbank houdt daarnaast rekening met de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

Gelet op het bewezenverklaarde, de persoon van verdachte, de vele media-aandacht die de zaak heeft gekregen, en de hiervoor genoemde overschrijding van de redelijke termijn waarmee de rechtbank rekening dient te houden, acht de rechtbank een geldboete op ter hoogte van € 500,00, bij niet betalen, te vervangen door 10 dagen hechtenis, passend en geboden.

9 BENADEELDE PARTIJ

9.1.

Benadeelde partij [aangeefster]

De benadeelde partij [aangeefster] heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend.

Zij vordert € 164,12 aan materiële schade, bestaande uit € 64,12 aan reiskosten eerste aanleg en €100,00 aan reiskosten hoger beroep (toekomstig). Verder vordert zij € 1.000,00 aan immateriële schade en € 1.512,50 aan proceskosten.

9.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de materiële kosten af te wijzen omdat deze kosten volgens haar zien op de strafzaak tegen aangeefster en deze kosten geen verband houden met de onderhavige strafzaak. De immateriële kosten moeten volgens de officier van justitie eveneens worden afgewezen. Uit de onderbouwing van de vordering komt naar voren dat aangeefster kwetsende woorden heeft gehoord, maar dat zij vooral last heeft van de beelden die op internet terecht zijn gekomen, waarop naast de geuite belediging ook haar eigen handelen te zien is. Dit is echter verdachte niet aan te rekenen en om die reden verzoekt de officier van justitie de rechtbank deze vordering af te wijzen.

9.1.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel moet worden afgewezen. Naar de mening van de raadsvrouw is er geen direct verband tussen de door verdachte geuite belediging en de vordering.

Mocht de rechtbank daar anders over denken, dan verwijst de raadsvrouw ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 november 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:8189, waarbij de schadevergoeding werd beperkt tot € 250,-. Daarnaast moet in deze zaak rekening worden gehouden met het handelen van aangeefster zelf. Ook zij heeft bepaalde woorden geuit, die eveneens als beledigend zouden kunnen worden aangemerkt. De conclusie zou dan moeten zijn dat het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.

De gevorderde materiële kosten, zijnde reiskosten, moeten worden afgewezen. Volgens de raadsvrouw hebben deze kosten mede betrekking op de procedure tegen aangeefster en daarnaast is de urenspecificatie van de raadsman niet conform het liquidatietarief. Verder merkt de raadsvrouw nog op dat in de media naar voren is gekomen dat de kosten van rechtsbijstand zouden worden gedragen door derden.

9.1.3

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is ten aanzien van de gevorderde materiële schade van oordeel dat deze kosten, bestaande uit de reiskosten naar de advocaat en de rechtszitting, die de benadeelde partij heeft gemaakt, niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit, maar als proceskosten, waar de rechtbank volgens art. 592a Sv in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing over dient te geven

(Vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:653).

De rechtbank zal deze schade dan ook bespreken bij de proceskosten.

Immateriële schade

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de stukken in het dossier, hetgeen ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken en hetgeen door de rechtbank over de ernst van het feit onder 8.3 is overwogen, vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezen verklaarde belediging in haar eer en goede naam is geschaad. Op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij dan ook recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. Om de omvang hiervan te bepalen heeft de rechtbank allereerst rekening gehouden met de aard en ernst van de belediging. Verdachte heeft gebruik gemaakt van zeer grove en racistische scheldwoorden, en heeft de benadeelde partij daarmee ernstig gekwetst. De rechtbank heeft echter geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de beelden van de benadeelde partij, waarop ook de beledigingen zijn te horen, op internet zijn gepubliceerd en zijn verspreid. De vraag in hoeverre het publiceren en verspreiden van die beelden is toe te rekenen aan de verdachte is immers geen onderdeel geweest van deze strafprocedure. Bij de begroting van de immateriële schade heeft de rechtbank ook aansluiting gezocht bij eerder in de jurisprudentie vastgestelde bedragen in vergelijkbare gevallen, en op basis daarvan begroot de rechtbank de immateriële schade van de benadeelde partij op € 250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Proceskosten

De rechtbank zal verdachte ook veroordelen in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft de rechtbank verzocht om de gevorderde proceskosten integraal toe te wijzen omdat de kosten in verhouding staan met de zaak, ook gelet op de urenspecificatie. De rechtbank oordeelt anders. De rechtbank kan een partij, als er sprake is van “buitengewone omstandigheden”, in afwijking van het liquidatietarief veroordelen tot vergoeding van de volledige proceskosten. Hiervoor moet voldaan zijn aan de strikte maatstaf van misbruik van procesrecht of onrechtmatige daad. De rechtbank is van oordeel dat dit hier niet aan de orde is. De rechtbank zal dus aansluiten bij het liquidatietarief in civiele zaken. De proceskosten worden begroot op twee punten – voor het indienen en opstellen van de vordering en het toelichtingen daarvan ter terechtzitting – van het toepasselijke liquidatietarief (kanton), hetgeen neerkomt op een bedrag van (2 x € 75,- =)

€ 150,-.

Op grond van artikel 238, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komen reis-, verlet en verblijfkosten voor het bijwonen van de zitting alleen voor vergoeding in aanmerking indien in persoon mag worden en ook daadwerkelijk in persoon is geprocedeerd. Aangezien de benadeelde partij met behulp van een advocaat heeft geprocedeerd, die ook ter terechtzitting de vordering heeft toegelicht, komen de gevorderde reiskosten die verband houden met het bijwonen van de zitting niet voor vergoeding in aanmerking. De reiskosten in verband met het bezoeken van de advocaat komen, in het licht van de proceskostenregeling in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (die voor deze kosten in het geheel geen voorziening kent), evenmin als proceskosten voor vergoeding in aanmerking.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [aangeefster] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 250,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 augustus 2017 tot de dag van volledige betaling.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 23, 24c, 36f, 266 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis;

Benadeelde partij [aangeefster]

- wijst de vordering van [aangeefster] toe tot een bedrag van € 250,00, bestaande uit

immateriële schade;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [aangeefster] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2017 tot de dag van volledige betaling;

- verklaart [aangeefster] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op dit moment begroot op € 150,00;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster] aan de Staat

€ 250,00 aan immateriële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2017 tot de dag van de algehele voldoening, bij niet betaling aan te vullen met 5 dagen gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Hebly, voorzitter, mr. Y.M. Vanwersch en

mr. N.P.J. Janssens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van der Meulen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 maart 2021.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 augustus 2017 te [woonplaats] , althans in het

arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk [aangeefster] , in het

openbaar, mondeling, heeft beledigd, door haar één of meermalen de

woorden toe te voegen:

- “ he kankernegerin, kankerzwarte” en/of

- “ ja kankernegerin, wat denk je wel niet joh, kanker slaan met die stokken”

en/of

- “ kankeraap” en/of

- “ he joh, kankernegerin joh, ga lekker je boom in man”,

althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

( art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij de in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal PL0900-2017330210Z van 30 oktober 2017, opgemaakt door de Politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 94. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , pag. 16/17.

3 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [aangeefster] en bijlage, pag. 29-32.

4 Proces-verbaal van terechtzitting van 5 maart 2021.