Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1034

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-03-2021
Datum publicatie
17-03-2021
Zaaknummer
20/127 R en 20/128 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

hoger beroep tegen beschikking r-c om lijfrenteverzekering af te kopen in een schuldsaneringsregeling. Lijfrenteverzekering betreft een gerichte lijfrenteverzekering in de zin van artikel 7:986 lid 4 BW en is niet afkoopbaar. Het afkoopverbod kan worden tegengeworpen aan de bewindvoerder in de Wsnp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

locatie Utrecht

zaaknummer: 20/127 R en 20/128 R

Beschikking van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2021

Deze beschikking wordt gegeven naar aanleiding van het op 30 september 2020 ter griffie van deze rechtbank ingediende beroepschrift ex artikel 315 lid 1 van de Faillissementswet (Fw) door:

[appellant 1] en [appellant 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen appellanten,

advocaat: mr. C. Liefting.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Appellanten hebben bij beroepschrift als voorzien in artikel 315 lid 1 Fw hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 28 september 2020 in de onderhavige schuldsaneringsregeling. Het beroepschrift is op 30 september 2020 ter griffie van deze rechtbank ingekomen.

1.2

De mondelinge behandeling van het beroepschrift heeft plaatsgevonden op

13 januari 2021. Ter terechtzitting zijn verschenen appellanten, mr. Liefting voornoemd, en mevrouw mr. [A] , bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling van appellanten. De aanwezigen hebben ter terechtzitting hun standpunten naar voren gebracht.

1.3.

Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank besloten om de behandeling van het beroep aan te houden, in afwachting van opgevraagde informatie van appellanten. Mr. Liefting en de bewindvoerder zijn hierover ingelicht bij brief van

14 januari 2021.

1.4

Bij e-mail van 23 januari 2021 heeft mr. Liefting aanvullende informatie opgestuurd.

1.5

Bij email van 11 februari 2021 zijn hierover nog aanvullende vragen gesteld, die gedeeltelijk zijn beantwoord door de boekhouder van appellanten, bij email van

17 februari 2021.

1.6

De uitspraak is bepaald op 4 maart 2021.

2 De feiten

2.1

Bij vonnis van deze rechtbank van 6 juli 2020 is de wettelijke schuldsaneringsregeling op appellanten van toepassing verklaard, met benoeming van mr. F.H. Schormans tot rechter-commissaris en mevrouw [A] voornoemd tot bewindvoerder.

2.2

Bij verzoek van 4 september 2020 heeft de bewindvoerder aan de rechter-commissaris toestemming verzocht om de twee pensioenvoorzieningen van appellanten, een lijfrenteverzekering bij De Onderlinge en een Toekomstspaarrekening bij de Rabobank niet af te kopen, en dus te behouden als pensioenvoorziening voor appellanten.

2.3

Namens de rechter-commissaris is op 8 september 2020 nadere informatie opgevraagd bij de bewindvoerder, om te kunnen beoordelen of de voorzieningen dienen te worden afgekocht.

2.4

De bewindvoerder heeft in haar bericht van 9 september 2020 nadere informatie verstrekt, waaronder een pensioenoverzicht van appellanten en het standpunt van de bewindvoerder ten aanzien van het wel of niet afkopen van de voorzieningen.

2.5

De rechter-commissaris heeft op 28 september 2020 als volgt beslist:

“Rabobank Banksparen mag behouden worden. De Onderlinge moet worden afgekocht dan wel de schuldenaren vergoeden de afkoopwaarde

(- Inkomstenbelasting - revisierente) aan de boedel.”

3 De beoordeling van het beroepschrift

3.1

Het hoger beroep is tijdig ingesteld. Appellanten leggen aan het beroep ten grondslag dat de lijfrenteverzekering niet mag worden afgekocht omdat het een pensioenvoorziening betreft, welke niet ten goede aan de schuldeisers dient te komen. Ook heeft de heer [appellant 1] geen andere pensioenvoorzieningen, aldus appellanten.

3.2.

De bewindvoerder heeft ter zitting haar standpunt toegelicht. Ook zij is van mening dat de lijfrenteverzekering behouden mag worden door appellanten omdat uit berekeningen van de boekhouder van appellanten volgt dat appellanten zonder de uitkeringen van de lijfrenteverzekering maandelijks te weinig inkomsten zouden hebben wanneer zij de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt.

3.3.

De rechtbank overweegt als volgt.

Het uitgangspunt is dat een schuldenaar met zijn gehele vermogen instaat voor de schulden en dat in het kader van het doorlopen van de wettelijke schuldsaneringsregeling en het verkrijgen van de schone lei, hij geacht wordt zich zo veel mogelijk in te spannen voor een zo hoog mogelijke uitkering aan zijn schuldeisers.

Uitzonderingen hierop zijn neergelegd in artikel 21 en 22a Fw, welke artikelen op grond van artikel 295 Fw ook gelden voor de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Voor een belangrijk deel strekken deze uitzonderingen ertoe te waarborgen dat de schuldenaar over het hoogstnoodzakelijke voor zijn levensonderhoud kan beschikken (zie ook Hoge Raad 22 november 2002, NJ 2003,32). Tot die uitzonderingen behoort het recht op het doen voortbestaan van een levensverzekering indien door het te gelde maken c.q. afkopen daarvan de verzekeringnemer onredelijk wordt benadeeld.

3.4.

Alvorens aan de beoordeling toe te komen of een verzekeringnemer onredelijk wordt

benadeeld door het afkopen van een lijfrenteverzekering dient eerst de vraag beantwoord te worden of de betreffende verzekering een zogeheten ‘gerichte lijfrenteverzekering’ betreft, als bedoeld in artikel 7:986 lid 4 BW. Wanneer sprake is van een dergelijke verzekering kan deze niet worden afgekocht ten gunste van de schuldeisers in een schuldsaneringsregeling.

Artikel 7:986 lid 4 BW wordt als volgt toegelicht. “In bepaalde gevallen kan contractuele beperking van het afkooprecht ook worden tegengeworpen aan de schuldeisers, de curator en de bewindvoerder. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de zogenaamde «gerichte lijfrenten» (…). Dergelijke verzekeringen vormen veelal oudedags- of nabestaandenvoorzieningen waarvan het karakter zozeer gelijkt op dat van pensioenen, dat net als bij pensioenaanspraken vervreemding, bezwaring en afkoop niet mogelijk dienen te zijn. Ten aanzien van gerichte lijfrenten is door de wetgever in de wet vastgelegd dat deze niet afkoopbaar dienen te zijn, waarbij mede beoogd werd dat zij buiten het bereik van schuldeisers zouden worden gebracht. Deze voorzieningen dienen niet in gevaar te worden gebracht door het onderhavige wetsvoorstel. (…) Door de eis dat het in aanmerking kunnen nemen van de ter zake voldane premies mede het gevolg is van de uitsluiting van de mogelijkheid van afkoop, vallen slechts die verzekeringen onder de uitzondering waarvan de fiscale wetgever heeft gemeend dat deze niet afkoopbaar dienen zijn.” (Kamerstukken II 1999-2000, 19 529, nr. 5, p. 56)

3.5.

Uit deze toelichting volgt dat is beoogd een koppeling te leggen met fiscaal

gefaciliteerde pensioenvoorzieningen. Het gaat dan om gevallen waarin de wetgever mede heeft beoogd dat de aanspraak buiten het bereik van schuldeisers zou vallen. Voor die fiscale facilitering is vereist dat de desbetreffende levensverzekering niet afkoopbaar is. (HR, 06-10-2017, nr.16/05173) In het onderhavige geval volgt dit uit aanhangsel nr. 2 behorend bij de polis van de lijfrenteverzekering, waarin een afkoopverbod staat vermeld. Uit artikel 7:986 lid 4 BW volgt voorts dat het afkoopverbod slechts tot op zekere hoogte aan de curator kan worden tegengeworpen. Daartoe wordt verwezen naar de mate waarin de ter zake voldane premies in aanmerking konden worden genomen voor de heffing van inkomstenbelasting voor de bepaling van het belastbaar inkomen uit werk en woning. De premies van de lijfrenteverzekering bij De Onderlinge zijn volgens mededeling van de boekhouder van appellanten steeds opgegeven als aftrekpost in box 1 op de aangiftes inkomstenbelasting van appellanten. Vervolgens heeft de Belastingdienst de aangiftes gevolgd en zijn er definitieve belastingaanslagen opgelegd. Uit de door appellanten toegezonden belastingaangiftes van de afgelopen jaren blijkt dat in ieder geval in de jaren 2017 en 2019 de door appellanten betaalde premies in mindering zijn (en dus ook: konden worden) gebracht op het belastbaar inkomen. Daaruit volgt, bij gebreke van tegenaanwijzingen, dat die premies over andere jaren dan 2017 en 2019, voor zover zij in die andere jaren niet daadwerkelijk in de aangiften voor de inkomstenbelasting van appellanten in aanmerking zijn genomen, in die jaren wel daarvoor in aanmerking konden worden genomen, als bedoeld in het genoemde lid 4.

3.6.

Naar oordeel van de rechtbank volgt uit het bovenstaande dat voldoende kan worden vastgesteld dat de lijfrenteverzekering bij De Onderlinge een zogeheten ‘gerichte lijfrenteverzekering’ betreft, waarbij het afkoopverbod kan worden tegengeworpen aan de bewindvoerder, en deze dus niet kan worden afgekocht ten gunste van de schuldeisers van appellanten. Immers, de polis bevat een afkoopverbod, en door appellanten is aangetoond dat de door hen betaalde premies volledig in aanmerking konden worden genomen bij de vaststelling van hun inkomen uit werk en woning, voor de heffing van inkomstenbelasting.

3.7.

Dat, zoals uit de stukken blijkt, De Onderlinge (naar de rechtbank begrijpt: in het kader van een aan haar naar aanleiding van de schuldsaneringsregeling van appellanten gedaan verzoek) heeft gemeld dat de lijfrenteverzekering wel afkoopbaar is, leidt niet tot een ander oordeel. Ten eerste is niet gebleken dat die uitlating berust op een (door of namens appellanten met De Onderlinge) overeengekomen wijziging van de voorwaarden die op de lijfrenteverzekering van toepassing zijn. Ten tweede doet die wijziging niet af aan het karakter van de lijfrenteverzekering, in het licht van de beschermingsgedachte die door de wetgever is beoogd ten gunste van degenen die die verzekering afsloten, zoals onder 3.4, is weergegeven.

3.8.

Derhalve zal het beroep van appellanten gegrond worden verklaard. De beschikking van de rechter-commissaris zal worden vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de afkoop van de verzekering bij De Onderlinge, en zal voor het overige in stand blijven.

4 Beslissing

De rechtbank:

- vernietigt de beschikking van de rechter-commissaris van

28 september 2020, voor zover aan het oordeel van de rechtbank onderworpen, te weten ten aanzien van hetgeen daarin is besloten over de lijfrenteverzekering bij De Onderlinge;

- en, opnieuw recht doende:

beslist dat appellanten de lijfrenteverzekering bij De Onderlinge niet hoeven af te kopen ten gunste van de schuldsaneringsboedel.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op

4 maart 2021.