Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1026

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
16-02-2021
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
UTR 19/5156, UTR 19/5158 en UTR 19/5160
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toeslagen; herziening en tv; motiveringsgebrek; koppelingsbeginsel; art 14 EVRM; art 24 IVBPR; proportionaliteit; belang van de kinderen; art 1 EP bij EVRM; zaak Cakerevic; tv en belangenafweging; gegrond; rechtsgevolgen in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 19/5156 en 19/5158 en 19/5160


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.C. Gelok),

en

Belastingdienst/Toeslagen, kantoor Utrecht, verweerder

(gemachtigde: W.D. Carrière).

Procesverloop

In het besluit van 4 mei 2018 (het primair besluit I) heeft verweerder de voorschotten zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag van eiser over 2017 opnieuw berekend. Het voorschot zorgtoeslag is vastgesteld op € 255,-, het voorschot kindgebonden budget op € 435,- en het voorschot huurtoeslag op € 474,-.

In de afzonderlijke besluiten van 11 mei 2018 (de primaire besluiten II en III) heeft verweerder de zorgtoeslag, het kindgebonden budget en de huurtoeslag van eiser over 2015 en over 2016 definitief berekend. Voor 2015 is de zorgtoeslag vastgesteld op € 672,- het kindgebonden budget op € 774,- en de huurtoeslag op € 1.337,-. Voor 2016 is de zorgtoeslag vastgesteld op € 379,- het kindgebonden budget op € 433,- en de huurtoeslag op € 737,-.

Bij afzonderlijke besluiten van 24 oktober 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder het bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten I, II en III ongegrond verklaard. In de afzonderlijke bestreden besluiten over het jaar 2015 en 2016 blijven de definitieve bedragen hetzelfde als vastgesteld in de primaire besluiten II en III. In het afzonderlijke bestreden besluit voor het jaar 2017 heeft verweerder de voorlopig vastgestelde zorgtoeslag voorlopig gewijzigd in € 195,-, het kindgebonden buget in € 375,- en de huurtoeslag in € 274,-.

In het besluit van 15 november 2019 heeft verweerder de zorgtoeslag, het kindgebonden budget en de huurtoeslag van eiser over 2017 definitief berekend en vastgesteld op dezelfde bedragen als de voorschotten van het afzonderlijke bestreden besluit voor het jaar 2017.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2020. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat uit de gegevens van de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) blijkt dat de toeslagpartner van eiser in de perioden 1 februari 2015 tot 30 april 2015, 1 juni 2016 tot 31 januari 2017 en 1 mei 2017 tot 31 december 2017 geen rechtmatig verblijf had. Eiser heeft door het (door)koppelingsbeginsel in genoemde perioden geen recht op toeslagen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in de uitspraak van 20 februari 20191 geoordeeld dat de herzieningen van de voorschottoeslagen van eiser over 2015 en 2016 op grond van het (door)koppelingsbeginsel niet in strijd zijn met het discriminatieverbod van artikel 14 gelezen in samenhang met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 26 van het Verdrag tot bescherming van burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Verweerder verwijst voor zijn motivering van de bestreden besluiten daarom naar de uitspraak van 20 februari 2019.

2. Eiser voert aan dat verweerder met de enkele verwijzing naar de uitspraak van 20 februari 2019 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom toepassing van artikel 9, tweede lid en derde lid, van de Algemene wet Inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet in strijd is met genoemde internationale discriminatieverboden. Eiser handhaaft zijn standpunt dat het middel niet geschikt is voor het bereiken van het doel, omdat toeslagen doeluitkeringen zijn waarvan niet vastgesteld kan worden dat de toeslagpartner niet profiteert van met name de zorgtoeslag en het kindgebonden budget. Als de toeslagpartner al ergens van meeprofiteert, dan is het van de aan eiser verstrekte bijstandsuitkering. Ook handhaaft eiser het standpunt dat het middel disproportioneel is. Eiser is van mening dat wel sprake is zeer van bijzondere omstandigheden op grond waarvan artikel 9, tweede lid en derde lid, van de Awir buiten beschouwing moet worden gelaten. Van eiser kan niet worden gevergd om zijn echtgenote het huis uit te zetten om aanspraak te blijven maken op toeslagen, vanwege zijn eigen psychische gezondheidssituatie en vanwege de zeer kwetsbare situatie van zijn oudste kind. Volgens eiser wordt het voorgaande bevestigd door het besluit van de IND van 4 juli 2017 om zijn jongste kind vrij te stellen van het paspoortvereiste, omdat een (tijdelijke)scheiding van eiser en zijn echtgenote en kinderen niet in hun belang is. Ook wijst eiser op het feit dat zijn toeslagpartner sinds 4 januari 2018 een verblijfsvergunning heeft. Hiermee is in de uitspraak van 20 februari 2019 geen rekening gehouden, omdat daarin alleen de voorschottoeslagen over 2015 en 2016 in geschil waren. Hiermee is ook het doel van het onthouden van de toeslagen niet meer aan de orde en heeft dat enkel diepere schulden tot gevolg. Het vreemdelingenbeleid wordt niet gefrustreerd door het alsnog toekennen van toeslagen over 2015, 2016 en 2017, dan wel als wordt afgezien van terugvordering. Ook wijst eiser op de bijzondere, ernstige omstandigheden van zijn oudste kind en van hemzelf. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de beide kinderen van eiser. Het besluit is daarom in strijd met artikel 3 van het Verdrag voor de rechten van het kind (IVRK) en met artikel 24, eerste lid van het IVBPR. Eiser beroept zich op de uitspraak van het VN-Mensenrechtencomité van 26 maart 2019, in de zaak Abdoellaevna en haar dochter Y.2

3. Tussen partijen is niet in geschil dat in de onder 1 genoemde perioden de toeslagpartner van eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland had. De rechtbank stelt vast dat artikel 9, derde lid, van de Awir niet is toegepast. De rechtbank beperkt zich daarom hier tot beoordeling van artikel 9, tweede lid, van de Awir.

Motiveringsgebrek

4. De rechtbank oordeelt dat de bestreden besluiten op drie punten onvoldoende zijn gemotiveerd. Verweerder heeft voor zijn motivering dat in het geval van eiser geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die met zich brengen dat toepassing van artikel 9, tweede lid, van de Awir buiten toepassing moet worden gelaten, niet kunnen volstaan met het verwijzen naar de uitspraak van 20 februari 2019. Deze uitspraak ziet namelijk alleen op de herziene voorschottoeslagen over 2015 en 2016 en niet, zoals hier, ook op de definitieve berekeningen van de toeslagen over 2017. Verder is in die uitspraak weliswaar de situatie van eiser en zijn oudste zoon betrokken maar zijn niet de twee andere in deze procedure aangevoerde omstandigheden betrokken, te weten de vrijstelling van het paspoortvereiste voor het jongste kind en ook niet de omstandigheid dat de partner van eiser rechtmatig verblijf heeft sinds 4 januari 2018. Ook in het verweerschrift is verweerder hier niet nader gemotiveerd op ingegaan. Verder heeft verweerder in de bestreden besluiten noch in het verweerschrift inhoudelijk gereageerd op het beroep van eiser in het kader van artikel 24, van het IVBPR op de uitspraak van het VN-Mensenrechtencomité in de zaak Abdoellaevna. Dat het beroep op die uitspraak volgens verweerder niet is onderbouwd, vindt de rechtbank als motivering onvoldoende.

5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bestreden besluiten onvoldoende gemotiveerd zijn. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding het motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, nu eiser door het motiveringsgebrek in zijn procesbelangen is geschaad. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. Nu verweerder op zitting de bestreden besluiten op de hiervoor genoemde punten gedeeltelijk wel heeft voorzien van een nadere motivering, zal de rechtbank beoordelen of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand te laten.

Het (door)koppelingsbeginsel

6. Toepassing van artikel 9, tweede lid, van de Awir leidt tot een onderscheid tussen enerzijds een Nederlander die samenwoont met een Nederlander of een vreemdeling met een verblijfsrecht ingevolge artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en anderzijds een Nederlander, zoals eiser, die samenwoont met een vreemdeling die niet over een zodanig verblijfsrecht beschikt.

7. Artikel 14 van het EVRM verbiedt niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, maar slechts die behandeling die als een ongerechtvaardigd onderscheid moet worden beschouwd. Zoals volgt uit vaste jurisprudentie van het EHRM, dient een ongerechtvaardigd onderscheid te worden aangenomen, indien voor het gemaakte onderscheid geen redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. Dit doet zich voor, indien dat onderscheid geen legitiem doel dient of er geen redelijke, proportionele verhouding is tussen de gebruikte middelen en het doel dat daarmee wordt beoogd te realiseren.

8. In artikel 10, eerste lid, van de Vw is het koppelingsbeginsel neergelegd. Deze bepaling strekt ertoe het recht op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen ten laste van de collectieve middelen te koppelen aan het rechtmatig verblijf in Nederland.3 Het uitgangspunt dat illegale vreemdelingen geen aanspraken op collectieve voorzieningen kunnen doen gelden, heeft de wetgever als beginsel van het vreemdelingenrecht aangemerkt.4 De wetgever heeft het koppelingsbeginsel niet alleen van toepassing geacht op de in artikel 10, eerste lid, van de Vw bedoelde situatie dat een vreemdeling zelf om verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen verzoekt, maar ook op de in artikel 9, tweede van de Awir genoemde gevallen, waarin een Nederlander een tegemoetkoming aanvraagt en deze een partner dan wel een medebewoner heeft die in Nederland geen rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de Vw 2000. In die gevallen wordt ook wel gesproken van het doorkoppelingsbeginsel.

9. Voor het gemaakte onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus, zoals dat uit zowel artikel 10, eerste lid, van de Vw, als artikel 9, tweede lid, van de Awir volgt, bestaat volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in beginsel een redelijke en objectieve rechtvaardiging.5 Met dit onderscheid wordt een legitiem doel gediend. Met de toepassing van het koppelingsbeginsel wordt beoogd te voorkomen dat illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen door ontvangst van tegemoetkomingen en voorzieningen in staat worden gesteld tot voortzetting van hun wederrechtelijk verblijf, het verwerven van een schijn van legaliteit of het opbouwen van een zodanige sterke rechtspositie - of de schijn hiervan - dat zij na ommekomst van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijken. Met hetgeen in artikel 9, tweede lid, van de Awir is neergelegd, is in zoverre hierop aangesloten dat deze bepaling ertoe strekt daarenboven te voorkomen dat niet rechtmatig in Nederland verblijvende medebewoners zou kunnen meeprofiteren van de tegemoetkomingen die aan de Nederlander worden toegekend.

De uitspraak van 20 februari 2019

10. De ABRvS heeft in de uitspraak van 20 februari 2019 een oordeel gegeven over de herzieningen van de voorschottoeslagen van eiser over 2015 en 2016 op grond van het (door)koppelingsbeginsel. De ABRvS heeft geoordeeld dat deze herzieningen een legitiem doel dienen (r.o. 10.2) en de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden weliswaar ernstig zijn maar niet zodanig dat het (onder r.o. 10.1) bij het (door)koppelingsbeginsel gemaakte onderscheid tussen enerzijds een Nederlander die samenwoont met een Nederlandse partner of een vreemdeling met een verblijfsrecht en anderzijds een Nederlander die samenwoont met een vreemdeling die niet over een zodanig verblijfsrecht beschikt, ongerechtvaardigd is. De ABRvS heeft geoordeeld dat de herzieningen niet in strijd zijn met het discriminatieverbod van artikel 14 in samenhang met artikel 8 van het EVRM en artikel 26 van het IVBPR in welk geval er geen sprake is van een situatie dat artikel 9, tweede lid van de Awir, gelet op artikel 94 van de Grondwet, buiten toepassing moet worden gelaten. Er is gezien de ratio van het doorkoppelingsbeginsel aldus geen sprake van zeer bijzondere omstandigheden die met zich brengen dat artikel 9, tweede lid, van de Awir buiten toepassing moet worden gelaten. De aangevoerde omstandigheden die erop neerkomen dat eisers echtgenote niet profiteert van de toeslagen, zij de huurwoning zou moeten verlaten en eiser feitelijk van zijn echtgenote zou moeten scheiden om weer toeslagen te kunnen ontvangen en de direct aangevoerde problematiek van het oudste kind van eiser en zijn eigen problematiek, maken volgens de ABRvS niet dat voor het onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus geen redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. Volgens de ABRvS is toepassing van het (door)koppelingsbeginsel niet ongerechtvaardigd tegenover eiser en zijn (oudste) kind.

Proportionaliteitstoets

11. De rechtbank heeft in dit kader beoordeeld of sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die in dit concrete geval maken dat de toepassing van artikel 9, tweede lid, van de Awir voor eiser toch buiten toepassing moet worden gelaten. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en geeft hiervoor de volgende motivering.

12. Verweerder heeft op zitting als nadere motivering gegeven dat het jongste kind op 7 februari 2017 is geboren en dat zijn situatie daarom niet ingrijpt in de periode van belang betreffende de toeslagen over 2015 en 2016. Verweerder heeft voorts ter zitting toegelicht dat de vrijstelling van het paspoortvereiste voor dit kind geen gevolgen heeft voor het niet rechtmatige verblijf van eisers toeslagpartner. De omstandigheid dat in 2018 aan de toeslagpartner wel rechtmatig verblijf is verleend, maakt volgens verweerder evenmin dat de situatie in de perioden hier van belang anders beoordeeld moet worden dan in de uitspraak van 20 februari 2019.

13. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt dat erop neerkomt dat deze aangevoerde omstandigheden niet leiden tot het oordeel dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat er in deze concrete situatie sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid in de periode van belang. De rechtbank erkent dat de omstandigheden bij elkaar genomen voor eiser, zijn echtgenote en zijn beide kinderen zorgwekkend zijn. De rechtbank is echter van oordeel dat geen sprake is van zeer bezwarende omstandigheden die maken dat het onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus niet gerechtvaardigd is te achten en eiser, hoewel zijn echtgenote in de perioden in geding geen rechtmatig verblijf heeft, toch recht zou hebben op toeslagen. Dat het jongste kind van eiser is vrijgesteld van het paspoortvereiste, kan enkel van belang zijn voor het toeslagjaar 2017 en wijzigt niet de situatie dat de echtgenote toen geen rechtmatig verblijf had. Deze omstandigheid is dan ook niet bijzonder genoeg om artikel 9, tweede lid, van de Awir buiten toepassing te laten. Dat het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid hierover berust op dezelfde feiten en omstandigheden van eiser en zijn gezin, maakt dat niet anders, omdat het hier gaat om een andere wet en met een ander toetsingskader. Ook de medische situatie van eiser en die van zijn oudste kind brengen naar het oordeel van de rechtbank niet met zich dat sprake is van een zeer bijzondere omstandigheden. De rechtbank verwijst in dit verband naar wat de ABRvS hierover heeft geoordeeld in rechtsoverwegingen 11.2, 11.3 en 11.4 van de uitspraak van 20 februari 2019. Dat in 2018 aan de echtgenote een verblijfsvergunning is verleend, maakt niet dat het doel van de regeling niet meer wordt gediend, omdat hierbij van belang is of in de jaren 2015, 2016 en 2017 recht bestond op een tegemoetkoming. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.

Belangen van de kinderen

14. De rechtbank stelt vast dat eiser bij zijn beroep op artikel 3 van het IVRK voor de voorschottoeslagen over 2017 dezelfde feiten en omstandigheden naar voren brengt als in de procedure over de voorschottoeslagen 2015 en 2016, namelijk de kwetsbaarheid van het oudste kind. Over die feiten en omstandigheden heeft de ABRvS zich in de uitspraak van 20 februari 2019 al uitgelaten. Eiser heeft hierover geen wezenlijk nieuwe informatie naar voren gebracht. Verweerder heeft daarnaast in het verweerschrift terecht gewezen op jurisprudentie van de ABRvS van 6 juni 20186 waarin staat dat een besluit over kindgebonden budget niet wordt genomen jegens kinderen. Het gaat hier om een financiële bijdrage van het Rijk waarop niet een kind zelf maar zijn ouder, in dit geval eiser, voor een kind aanspraak kan hebben. De ouder is de begunstigde. Evenmin resulteert het eigen belang van het kind in een aanspraak van de ouder op kindgebonden budget. Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de toeslagen ook niet het karakter dragen van een laatste financieel vangnet. Het is de rechtbank, gelet op wat is aangevoerd niet gebleken dat verweerder zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van eiser in het kader van artikel 3 van het IVRK. De stelling ter zitting dat armoede zeer schadelijke gevolgen heeft voor het kind en dat dit volgt uit het rapport van de Ombudsman, vindt de rechtbank onvoldoende, nu eiser onvoldoende concreet heeft gemaakt dat de belangen van de kinderen specifiek als gevolg van de bestreden besluiten in het geding zijn.

15. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op de gegronde klacht in de zaak Abdoellaevna eiser niet kan baten. Dat het VN-Mensenrechtencomité in die zaak heeft geoordeeld dat Nederland door de weigering van een kindgebonden budget aan de betrokkene artikel 24 van het IVBPR heeft geschonden, betekent niet dat eiser aanspraak kan maken op de toeslagen in deze zaak. De casuspositie van die zaak verschilt op veel punten met die van eiser. In die zaak ging het om een alleenstaande moeder, die staatloos was, geen rechtmatig verblijf had en afhankelijk was van ‘charity for basic needs’, terwijl eiser een bijstandsuitkering ontvangt en een bestaansminimum heeft. Van een acute humanitaire noodsituatie is in de situatie van eiser niet gebleken. Dat het gezin naar gesteld lange tijd in armoede heeft geleefd en dat eiser onder bewind is gesteld, maakt dat niet anders. Dat volgens het VN-Mensenrechtencomité zowel de ouder als het kind profiteren van het kindgebonden budget en dat de afwezigheid van sociale protectie van kinderen onder omstandigheden het fysieke en psychisch welzijn van kinderen aantasten, betekent niet dat dit ook voor eiser moet gelden. Eiser heeft dat immers niet concreet onderbouwd. Eiser heeft evenmin onderbouwd dat als daar sprake van is, dat het gevolg is van de bestreden besluiten. Het beroep op de uitspraak van het VN-Mensenrechtencomité slaagt daarom niet.

Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM

16. Eiser voert aan dat hier sprake is van bezit als bedoeld in artikel 1, van het Eerste Protocol bij het EVRM, omdat verweerder op hoogte was van de verblijfstatus van zijn toeslagpartner en voor 2017 toch is overgegaan tot het verlenen van voorschottoeslagen. Eiser meent dat hij er daarom op heeft mogen vertrouwen dat hij aanspraak had op de betaalde voorschotten. Eiser heeft de toeslagen ook besteed aan de doelen waarvoor die zijn toegekend. Nu eiser ver onder het bestaansminimum leeft en hij niet in staat is om in de basale levensbehoeften van hemzelf en die van zijn kinderen te voorzien, is terugvordering van de voorschotten over 2017 volgens hem in strijd met artikel 1, van het Eerste Protocol bij het EVRM. Eiser beroept zich daarbij op het arrest van het EHRM van 26 april 2018 in de zaak Čakerevič tegen Kroatië.7

17. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat toeslagen geen eigendom (possession) zijn in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Aan het verlenen van voorschotten kan volgens verweerder ook geen vertrouwen worden ontleend dat recht bestaat op toeslagen. Volgens verweerder is de situatie van eiser ook niet vergelijkbaar met die in de zaak Čakerevič.

18. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt, waarbij het verweerschrift wordt aangemerkt als een nadere motivering van de bestreden besluiten. De aanspraken van eiser op toeslagen is geen rechtstreeks gevolg van enig overheidsingrijpen, maar van het feit dat eisers echtgenoot niet rechtmatig in Nederland verblijft. De omstandigheid dat voor 2017 aan eiser voorschottoeslagen zijn verstrekt, terwijl verweerder had kunnen weten dat zijn toeslagpartner geen rechtmatig verblijf had, – wat daar ook van zij – maakt naar het oordeel van de rechtbank daarom niet dat sprake is van een eigendomsrecht als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Het verstrekken van voorschottoeslagen betekent ook niet dat daadwerkelijk aanspraak bestaat op een tegemoetkoming. De rechtbank tekent daarbij aan dat eiser na de stopzetting van zijn voorschottoeslagen weer toeslagen heeft aangevraagd. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat, zoals eiser stelt, geen enkel verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de door hem teveel ontvangen bedragen aan toeslagen. Bovendien zijn zorgtoeslag, huurtoeslag en het kindgebonden budget, zoals hiervoor reeds is overwogen geen inkomensvoorzieningen die een bestaansminimum garanderen. Op dit punt verschilt de situatie van eiser ook met die in de zaak Čakerevič, die ziet op een terugvordering van een werkloosheidsuitkering na drie jaar wat voor betrokkene een ‘excessive burden’ zou opleveren. Het beroep op die zaak kan eiser daarom niet baten.

Terugvordering en belangenafweging

19. Eiser voert aan dat de terugvordering van de toeslagen onevenredig nadelige gevolgen heeft voor hem en zijn gezin. Eiser verwijst daarvoor naar het schuldoverzicht van de belastingdienst van 16 november 2019. De totale schuld over 2016 en 2017 bedraagt € 4.320,- terwijl voor 2013 nog bedragen openstaan van € 1.837 en € 1.065,-. Eiser stelt dat hij die bedragen niet van zijn bijstandsuitkering kan betalen. Volgens eiser is de terugvordering daarom in strijd met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

20. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij op grond van het Verzamelbesluit8 in bijzondere omstandigheden geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan afzien. Daarvan is in het geval van eiser geen sprake. De financiële situatie of financiële problemen van de belanghebbende die terugbetaling van toeslagen verhinderen, leiden in het algemeen niet tot een matiging van de terugvordering. In het geval eiser door de terugvordering in financiële problemen komt, kan hij om een persoonlijke betalingsregeling vragen. Gelet hierop zijn volgens verweerder de nadelige gevolgen van de terugvordering voor eiser niet onevenredig.

21. De rechtbank stelt vast dat de bestreden besluiten voor berekeningsjaren 2015 en 2016 geen terugvordering bevat. Voor het berekeningsjaar 2017 zijn voor de huurtoeslag en het kindgebonden budget wel voorschotbedragen teruggevorderd. In het Verzamelbesluit is vastgelegd dat verweerder bij bijzondere omstandigheden geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan afzien. Eiser heeft geen andere omstandigheden naar voren gebracht dan dat hij door de terugvordering in financiële problemen komt. Eiser heeft dit in beroep onderbouwd met een schuldenoverzicht van 16 november 2019 van de belastingdienst. In het dossier zit verder een uitspraak van de kantonrechter van 28 oktober 2014 waaruit volgt dat eiser onder bewind is gesteld en een Bugetplan-maandoverzicht van juli 2015. De rechtbank vindt dit onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan maatwerk geboden zou zijn. Eiser heeft immers met uitzondering van het overgelegde schuldenoverzicht, niet anders dan met algemene stellingen naar voren gebracht dat de nadelige gevolgen van de terugvordering onevenredig zijn, zonder dit en zijn huidige financiële positie concreet inzichtelijk te maken. Gelet hierop is de rechtbank, op grond van wat er ligt, van oordeel dat eiser niet, althans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de nadelige gevolgen van de terugvordering voor eiser onevenredig zijn. Verweerder heeft aldus kunnen volstaan met het verwijzen naar de betalingsregeling. Verweerder heeft de terugvordering daarom niet hoeven matigen. Eisers betoog op zitting dat het Verzamelbesluit geen juiste uitwerking is de uitspraak van de ABRvS van 23 oktober 2019 volgt de rechtbank niet. De formulering in het Verzamelbesluit dat financiële problemen in het algemeen niet leiden tot matiging, maakt dat verweerder beoordelingsruimte heeft om in het concrete geval al dan niet te matigen. Juist door het overeenkomen van een betalingsregeling kan worden voorkomen dat eiser door de terugvordering in ernstige financiële problemen raakt. Dat dit geen passende oplossing kan zijn voor eiser heeft eiser niet gesteld, noch aannemelijk gemaakt. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

22. De conclusie is dat verweerder terecht heeft beslist dat eiser in de perioden dat de toeslagpartner van eiser geen rechtmatig verblijf had geen recht heeft op zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag. De rechtsgevolgen van de te vernietigen bestreden besluiten worden daarom in stand gelaten.

23. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser in beroep. Deze proceskosten stelt de rechtbank vast op € 1.068,- aan verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

24. Ook ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder de door eiser betaalde griffierechten vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten in stand blijven;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-;

  • -

    bepaalt dat verweerder drie maal het griffierecht van € 47,- aan eiser moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 16 februari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 ECLI:NL:RVS:2019:526.

2 Communication No. 2498/2014.

3 Kamerstukken II 1994/95, 24 233, nr. 3, blz. 1-2.

4 Kamerstukken II 1995/96, 24 233, nr. 6, blz. 3-4.

5 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 22 oktober 2014, (ECLI:NL:RVS:2014:3788).

6 ECLI:NL:RVS:2018:1645

7 Zaaknummer 48921/13.

8 Besluit van 22 april 2020 gepubliceerd in de Staatscourant 2020, 22720 naar aanleiding van de uitspraak van de ABRvS 23 oktober 2019, (ECLI:NL:RVS:2019:3536).