Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1010

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-03-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
UTR 20/1943
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IOW, beroep ongegrond, hypotheekrentevoordeel mag als inkomen aangemerkt worden, verlaging uitkering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/1943


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2021 in de zaak tussen


[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: J. de Haan).

Inleiding

Eiser heeft op 17 februari 2020 een aanvraag ingediend voor een IOW1-uitkering.

In het besluit van 2 april 2020 (primair besluit) heeft verweerder per 1 april 2020 aan eiser een IOW-uitkering toegekend. Het basisbedrag van deze uitkering bedraagt € 1.219,09 bruto per maand. Verweerder heeft op dit basisbedrag, de personeelskorting uit vroegere dienstbetrekking op woningfinanciering van ABN AMRO Bank N.V. ten bedrage van
€ 226,66 in mindering gebracht zodat eiser € 992,43 bruto per maand ontvangt.

In het besluit van 18 mei 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de hoogte van de IOW-uitkering ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2021 via Skype for Business. Eiser heeft telefonisch deelgenomen aan de zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat het hypotheekrentevoordeel van ABN AMRO N.V. volledig in mindering moet worden gebracht op de IOW-uitkering omdat sinds 1 januari 2016 het bedrag van de rentekorting als loon wordt aangemerkt. Dit heeft als gevolg dat verweerder het hypotheekrentevoordeel van ABN AMRO N.V. als overig inkomen van eiser beschouwt en volledig in mindering brengt op de IOW-uitkering.

  2. Eiser stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van inkomsten uit arbeid of uit pensioen. Verweerder heeft dan ook ten onrechte de hypotheekrentekorting in mindering gebracht op de uitkering. Ook voert eiser aan dat de IOW-uitkering gebaseerd is op het sociaal minimum van een alleenstaande met als gevolg dat eiser door verlaging van de uitkering onder het sociaal minimum komt. Volgens eiser is de wetswijziging alleen bedoeld om het hypotheekrentevoordeel voor personeel fiscaal te belasten en niet om dit mee te nemen in de uitvoering van bijvoorbeeld de IOW. Eiser verwijst naar een artikel op de website financieelactief.nl.2

Het wettelijk kader

3. Op grond van artikel 10, vierde lid, van de IOW wordt overig inkomen op de

uitkering geheel in mindering gebracht.

In artikel 10, vijfde lid, van de IOW, voor zover van belang, is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat onder overig inkomen als bedoeld in het vierde lid wordt verstaan. Deze algemene maatregel van bestuur is het Algemeen Inkomensbesluit Socialezekerheidswetten (AIB).

Op grond van artikel 2:4, eerste lid, aanhef en onder m, van het AIB wordt onder overig inkomen verstaan: een uitkering op grond van een pensioenregeling als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964, op grond van een regeling van vervroegde uittreding of op grond van functioneel leeftijdsontslag.

Het oordeel van de rechtbank

4. Met ingang van 1 januari 2016 is de Fiscale Verzamelwet 2015 in werking getreden. Op grond van deze wet wordt het rentevoordeel op personeelsleningen, dat voorheen werd gewaardeerd op nihil, per 1 januari 2016 tot het belastbare loon van de werknemer in de loon- en inkomstenbelasting gerekend. Het is niet mogelijk om af te wijken van deze wettelijke bepaling. Op grond van artikel 2:4, sub q, van het AIB3, wordt de hypotheekrentekorting beschouwd als inkomen in de zin van artikel 10, vierde lid, van de IOW.

5. De rechtbank verwijst in dit verband naar de wetsgeschiedenis4 van de Fiscale Verzamelwet 2015:

“(…). Het in aanmerking nemen van het rentevoordeel in het loon leidt ook tot verhoging van het loon voor de sociale verzekeringen, voor zover het loon nog niet boven het maximumpremieloon lag. Daarmee stijgt de grondslag voor de heffing van premies werknemersverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, alsmede de grondslag voor de berekening van het dagloon. Bij verrekening van inkomsten uit dienstbetrekking met een lopende uitkering wordt ook het rentevoordeel verrekend; dit kan leiden tot een lagere uitkering. Deze effecten treden onmiddellijk in na inwerkingtreding van de wet.(…)”.

6. Hieruit blijkt dat de wetgever zich ervan bewust is geweest dat het aanmerken van de hypotheekrentekorting als loon in de zin van de Wet op de loonbelasting, bij verrekening van inkomsten uit dienstbetrekking, kan leiden tot een lagere uitkering en dat dit gevolg onmiddellijk na inwerkingtreding van de wet per 1 januari 2016 intreedt.

7. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder het bedrag van de hypotheekrentekorting mocht minderen op de IOW-uitkering van eiser. De rechtbank verwijst in dit verband naar een vergelijkbare uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB).5

De rechtbank overweegt verder dat eiser, anders dan hij stelt, met zijn inkomen niet onder het sociaal minimum geraakt. Zoals eiser immers ter zitting heeft verklaard, ontvangt hij het bedrag van de hypotheekrentekorting op zijn bankrekening. Er is niet gebleken van een dusdanig ingrijpend effect van het in mindering brengen van de hypotheekrentekorting dat om die reden een intensievere beoordeling van de belangenafweging van de wetgever geboden is dan de terughoudende toetsing die in dit geval is aangewezen. Verweerder heeft terecht op grond van artikel 2:4 van het AIB de hypotheekrentekorting als inkomen aangemerkt. Dat eerder bij de aan eiser toegekende WW-uitkering geen rekening is gehouden met de hypotheekrentekorting maakt het voorgaande niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.E. van Gestel, griffier. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op
12 maart 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

de rechter is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Inkomensvoorziening Oudere Werklozen

2 http://www.financieelactief.nl/content/de-fiscale-verzamelwet-2015-en-personeelshypotheken

3 Algemeen inkomensbesluit sociale zekerheid

4 Memorie van Toelichting bij de Fiscale Verzamelwet 2015: Kamerstukken II, 2014-2015, 34220, nr. 3, p. 3

5 Uitspraak van 17 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3285.