Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2021:1009

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-03-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
UTR 20/2913
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pw, beroep ongegrond, bestuurlijke boete, geen sprake van verminderde verwijtbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/2913


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2021 in de zaak tussen

[A] , bewindvoerder

gevestigd te Huis ter Heide

in hoedanigheid van bewindvoerder van

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. B.J.P. Toonen),

en

Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug, verweerder

(gemachtigde: E. Heij).

Procesverloop

In het besluit van 27 mei 2020 (primair besluit) heeft verweerder aan eiser een bestuurlijke boete van € 921,05 opgelegd.

In het besluit van 21 juli 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De bewindvoerder van eiser heeft op 18 januari 2021 schriftelijk toestemming gegeven voor het voeren van de procedure.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2021 via Skype for business. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser ontvangt een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Verweerder heeft naar aanleiding van bij- en afschrijvingen op eisers rekening een onderzoek ingesteld. De uitkomst van dit onderzoek is neergelegd in het rapport mutatieonderzoek van 22 januari 2020. Naar aanleiding van het rapport is een verzoek tot herberekening gedaan ten behoeve van terugvordering. Verweerder heeft op 19 februari 2020 de uitkering van eiser herzien in de periode 1 april 2019 tot en met 31 oktober 2019. In her voornemen van 29 januari 2020 vermeldt verweerder dat hij van plan is om aan eiser een boete op te leggen en verzoekt hij eiser om een vragenlijst in te vullen. Verweerder verwijst naar het boeterapport van 23 januari 2020. Eiser heeft de vragenlijst niet retour gestuurd. Verweerder heeft in het primaire besluit de boete van € 1.151,31 op grond van artikel 13, eerste lid, van de beleidsregel bestuurlijke boete RDWI 2019 verlaagd met 20% en vastgesteld op
€ 921,05.

Standpunt verweerder

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser de inlichtingenplicht van artikel 17 van de Pw heeft geschonden. Uit onderzoek is gebleken dat eiser een geldbedrag van een derde heeft ontvangen en dit niet heeft doorgegeven aan verweerder. In de periode april tot en met oktober 2019 is een bedrag van € 2.302,63 netto teveel aan uitkering aan eiser verstrekt. Bij schending van de inlichtingenplicht is verweerder verplicht om een boete op te leggen. Verweerder heeft de boete getoetst aan het evenredigheidsbeginsel en gaat uit van de zogenaamde normale verwijtbaarheid. Dat eiser onder behandeling staat bij een psychiater maakt niet dat hij verminderd handelingsbekwaam is. Verweerder heeft verder rekening gehouden met de financiële draagkracht van eiser. Verweerder heeft op grond van artikel 13, eerste lid, van de beleidsregel bestuurlijke boete RDWI 2019 de boete verlaagd met 20%. De boete is daarom vastgesteld op een bedrag van € 921,05 en kan door eiser binnen 12 maanden worden voldaan.

Standpunt eiser

3. Eiser heeft aangevoerd dat er onvoldoende sprake is van verwijtbaarheid voor het opleggen van een bestuurlijke boete. Eiser heeft geldleningen ontvangen, maar hij heeft ook terugbetalingen verricht naar aan de personen die hem geld hebben geleend. Eiser wist niet dat geldleningen middelen zijn en dat hij hierover een inlichtingenplicht had. Hij dacht dat hij door de leningen niet vermogensrechtelijk zou worden verrijkt, omdat hij het moet terugbetalen en dat ook deels heeft gedaan. Verweerder heeft eiser er nooit over geïnformeerd over dat voor geldleningen een inlichtingenplicht geldt. Eiser is een psychiatrisch patiënt en hij is onder bewind gesteld vanwege zijn geestelijke toestand. Verweerder heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar eisers geestelijke gesteldheid.
Eiser heeft subsidiair aangevoerd dat er slechts sprake is verminderde verwijtbaarheid, waardoor de boete vastgesteld had moeten worden op 25% van het benadelingsbedrag.
Oordeel van de rechtbank

4. In geschil is of verweerder aan eiser terecht een boete van € 921,05 heeft opgelegd over de periode van 1 april 2019 tot en met oktober 2019.

5. Uit artikel 18a, eerste lid, van de Pw volgt dat verweerder gehouden is een bestuurlijke boete op te leggen indien de in artikel 17, eerste lid, van de Pw opgenomen inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen. Indien de schending van de inlichtingenverplichting niet is vast komen te staan is verweerder niet bevoegd een boete op te leggen.

6. Gelet op vaste rechtspraak van de CRvB1 worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw. Een geldlening is in artikel 31, tweede lid, van de Pw niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Dat bij een aannemelijk gemaakte lening de schuldenlast van betrokkene toeneemt, is niet van belang. Hetzelfde geldt voor de vraag of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden. Dat eiser niet is geïnformeerd door verweerder dat er een inlichtingenplicht geldt over leningen maakt het voorgaande niet anders, op verweerder rust niet een dergelijke informatieplicht.

7. Eiser heeft in de periode van 1 april 2019 tot 31 oktober 2019 stortingen ontvangen van derden ter hoogte van netto € 2.214,27. Uit het rapport Mutatie PW-I van 22 januari 2020 volgt dat eiser in de periode 15 februari 2019 t/m 8 oktober 2019 81 bijschrijvingen heeft gehad van [B] . Eiser heeft 9 keer een bedrag overgemaakt aan [B] , van in totaal € 359,73. De stortingen van [B] hebben een periodiek karakter en zien op een periode waarin eiser bijstand had. Eiser heeft weliswaar bedragen ‘teruggestort’ aan [B] , maar daaruit blijkt niet dat er sprake is van afbetaling van een lening. Het verschil tussen de bij- en afschrijvingen is substantieel en er zit geen structuur in de terugbetalingen in die zin dat hieruit kan worden afgeleid dat eiser gehouden was tot een periodieke aflossing van de gestelde leningen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de stortingen van [B] kunnen aanmerken als inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw.

8. Ten aanzien van de verwijtbaarheid overweegt de rechtbank als volgt. Normale verwijtbaarheid wordt aangenomen als er geen verzwarende omstandigheden (grove schuld of opzet) of verzachtende omstandigheden (verminderde verwijtbaarheid) een rol spelen. Als normale verwijtbaarheid is aangenomen wordt de bestuurlijke boete als uitgangspunt vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag. In de toelichting op het Boetebesluit socialezekerheidswetten staat het volgende over normale verwijtbaarheid: "Van normale verwijtbaarheid is bijvoorbeeld sprake bij een laakbare slordigheid bij het niet of niet behoorlijk naleven van de inlichtingenverplichting. Bij een normale gemiddelde verwijtbaarheid had betrokkene redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat dit van invloed kon zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan betrokkene wordt betaald (zie Stb. 2016, 342, p. 15)." De stelplicht en bewijslast voor verminderde verwijtbaarheid rust bij eiser zelf. Eiser dient feiten en omstandigheden aan te tonen die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete.

9. Anders dan eiser heeft betoogd, kan niet worden gezegd dat verminderde of elke verwijtbaarheid aan de schending van de inlichtingenverplichting ontbreekt. Aan eiser had redelijkerwijs duidelijk kunnen en ook moeten zijn dat de bedragen die zijn bijgeschreven op de bankrekening, welke rekening ook op zijn naam stond, van invloed konden zijn op het recht op bijstand. Daarmee staat de verwijtbaarheid van de schending van de inlichtingenverplichting vast.2 Eiser heeft ook niet nader onderbouwd waarom zijn psychiatrische gesteldheid en het feit dat hij onder bewind is gesteld ertoe moeten leiden dat er in zijn geval sprake is van een verminderde verwijtbaarheid. De stelling van eiser dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de psychische gesteldheid van eiser volgt de rechtbank niet. Het is immers aan eiser om feiten en omstandigheden aan te tonen op grond waarvan verweerder verminderde verwijtbaarheid had moeten aannemen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

10. Ten overvloede overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt vast de gronden van bezwaar en beroep identiek zijn. De gemachtigde van eiser heeft dit ter zitting erkend en verwijst voor de gronden met name naar de punten 15 en 16 in de gronden van beroep. De rechtbank stelt vast dat deze gronden ook in de gronden van bezwaar onder 10. zijn aangevoerd. Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft meegewogen dat eiser onder bewind is gesteld vanwege zijn geestelijke toestand. Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder in het bestreden besluit op de gronden van bezwaar gemotiveerd heeft gereageerd. De rechtbank benadrukt dat het aan eiser is om in beroep gemotiveerd aan te voeren dat het bestreden besluit gebreken vertoont en niet in stand kan blijven.

10. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.E. van Gestel, griffier. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op
12 maart 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

1 Uitspraak van 25 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3872, r.o. 5.5.

2 Zie in dit kader ECLI:NL:CRVB:2018:61