Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:986

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
8059211 UC EXPL 19-10429 HR/43019
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwikkeling nalatenschap. Uitbetaling van saldo op spaarbankboekje.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0075
Jurisprudentie Erfrecht 2020/100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8059211 UC EXPL 19-10429 HR/43019

Vonnis van 18 maart 2020

inzake

F.J. Bik, handelend als testamentair executeur namens de erven van mevrouw [A],

wonende te Elspeet,

verder ook te noemen Bik q.q.,

eisende partij,

procederend in persoon,

tegen:

de coöperatie

Coöperatieve Rabobank U.A.,

kantoorhoudende te Utrecht,

verder ook te noemen Rabobank,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. P.W. van Kooij.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 januari 2020

- de mondelinge behandeling van 12 februari 2020, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bik q.q. is als testament executeur belast met de afwikkeling van de nalatenschap van mevrouw [A] , die op [2018] is overleden. Bik q.q. heeft in de stukken die mevrouw [A] heeft nagelaten een spaarbankboekje aangetroffen dat op haar naam staat, met daarop een tegoed per 31 december 1986 van NLG 30.062,48.

2.2.

Het betreft een op 20 december 1965 geopend spaarbankboekje met rekeningnummer [rekeningnummer] dat is uitgegeven door de Stichting Spaarbank der Coöperatieve Boerenleenbank (Raiffeisen-Bank) te Texel. De laatste inleg vond plaats op 31 december 1986 met een rentebijschrijving over het jaar 1986. In het spaarbankboekje is op de eerste pagina, dat iets boven de andere pagina’s uitsteekt, de cijferreeks “16.7.530” geschreven.

2.3.

In het spaarbankboekje is een reglement opgenomen, waarin onder andere de volgende bepalingen zijn opgenomen:

Artikel 3

“Elke inleg of terugbetaling moet in het spaarbankboekje worden aangetekend (…).”

Artikel 5

“Bij algehele terugbetaling van het spaartegoed wordt het spaarbankboekje door de Spaarbank ingenomen en na controle afgetekend. Het ingenomen spaarbankboekje kan gedurende een half jaar na inneming door de spaarder worden teruggevraagd. Na verstrijking van deze termijn wordt het niet opgevraagde spaarbankboekje vernietigd.”

Artikel 6

“De spaarbank is gekweten door betaling in handen van de aanbrenger van het boekje. Zij is niet verplicht een onderzoek in te stellen naar de bevoegdheid van de aanbrenger.”

Artikel 16

“Indien gedurende 30 jaar geen inlagen of terugbetalingen hebben plaatsgehad, vervalt het tegoed aan de Spaarbank.”

2.4.

De Stichting Spaarbank der Coöperatieve Boerenleenbank (Raiffeissen-Bank) Texel is opgegaan in de Coöperatieve Rabobank Kop van Noord Holland U.A. te Den Helder. Uiteindelijk zijn de rechten en verplichtingen uit het spaarbankboekje overgegaan op Rabobank.

3 Het geschil

3.1.

Bik q.q. vordert bij vonnis, uitbetaling door de Rabobank van zowel het saldo van het spaarbankboekje van € 13.726,- alsmede de wettelijke rente over het saldo, begroot op

€ 8.959,-, aan de erven van mw. [A] . Ook vordert Bik q.q. om Rabobank in de proceskosten te veroordelen.

3.2.

Ter onderbouwing van de vordering stelt Bik q.q. samengevat het volgende. Het laatst vermelde saldo op het spaarbankboekje is nooit afgeboekt op de in het reglement voorgeschreven wijze. Ook blijkt nergens uit dat het saldo naar een rekening op naam van mevrouw [A] is overgeboekt. Het saldo dat op het spaarbankboekje is vermeld is dus opeisbaar voor de erven van mevrouw [A] .

3.3.

Rabobank heeft de vordering betwist en concludeert dat de vorderingen dienen te worden afgewezen, met veroordeling van Bik q.q. in de proceskosten. Volgens Rabobank is het spaarbankboekje geen bewijs van een spaartegoed bij een bank, maar slechts een middel om klanten over het verloop van het spaartegoed te informeren, vergelijkbaar met een rekeningafschrift. Rabobank voert daarnaast als verweer dat het openstaande saldo wel degelijk op een rekening van mevrouw [A] is overgeboekt, waardoor het saldo dus niet meer opeisbaar is. Indien desondanks zou worden geoordeeld dat de vordering per 31 december 1986 nog steeds bestond, beroept Rabobank zich op verjaring van de vordering.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het meest verstrekkende verweer van Rabobank houdt in dat de vordering tot uitbetaling van het spaartegoed (het laatst vermelde saldo op het spaarbankboekje) is verjaard. Omdat Rabobank zich echter pas op verjaring wenst te beroepen als zou worden geoordeeld dat op basis van het spaarbankboekje een rechtsgeldige vordering bestaat, zal de kantonrechter eerst stilstaan bij de vraag of Bik q.q. op grond van het spaarbankboekje een rechtsgeldige vordering heeft op Rabobank.

Heeft Bik q.q. een rechtsgeldige vordering op grond van het spaarbankboekje?

4.2.

Bij de vraag of Bik q.q. op grond van het spaarbankboekje een rechtsgeldige vordering heeft op Rabobank is het volgende van belang.

4.3.

Het spaarbankboekje is niet vergelijkbaar met een rekeningafschrift, zoals Rabobank betoogt, vanwege het reglement dat op het spaarbankboekje van toepassing is. Uit de daarin opgenomen bepalingen volgt dat het spaarbankboekje een wezenlijk andere status heeft dan een rekeningafschrift, en veel meer behelst dan alleen het bieden van informatie over het tegoed op een bankrekening. Zo is in artikel 6 van het reglement bepaald dat de aanbrenger van het spaarbankboekje geld kan opnemen bij de bank, waarna de bank aan haar verplichtingen jegens de inbrenger heeft voldaan. Ook is in het reglement bepaald dat het spaarbankboekje wordt ingenomen door de bank als het gehele saldo wordt uitbetaald. Het spaarbankboekje kan dan ook als bewijs dienen voor het bestaan van een spaartegoed.

4.4.

Het spaarbankboekje zelf bevat geen aanwijzingen waaruit blijkt dat het laatst genoteerde saldo is uitbetaald aan mevrouw [A] . Was het saldo uitbetaald, dan had dit op grond van artikel 3 van het reglement moeten zijn aangetekend op het spaarbankboekje, net zoals eerdere uitbetalingen, die wel duidelijk zichtbaar in het spaarbankboekje zijn afgetekend. Ook blijkt nergens uit dat het spaarbankboekje op enig moment door de bank is ingenomen en is afgetekend, hetgeen volgens artikel 5 van het reglement had moeten gebeuren als het gehele spaartegoed door de bank was uitgekeerd. De enige aanwijzing dat het saldo zou zijn overgeschreven op een rekening van mevrouw [A] zou kunnen zijn dat er eenmalig op het spaarbankboekje een cijferreeks is bijgeschreven, die overeenkomt met de laatste zes cijfers van een bij mevrouw [A] in gebruik geweest bankrekeningnummer. Op basis van alleen deze aanwijzing kan echter niet worden geconcludeerd dat het openstaande saldo op dat rekeningnummer is bijgeschreven.

4.5.

Ook het spaarbankboekje buiten beschouwing latend, staat op dit moment niet vast dat Rabobank het op het spaarbankboekje vermelde saldo heeft overgemaakt op een rekening van mevrouw de [A] . Uit het feit dat Rabobank in 1986 is gestopt met de spaarbankboekjes, en spaartegoeden heeft uitbetaald aan haar klanten, volgt niet zonder meer dat ook mevrouw [A] het saldo van haar spaarbankboekje uitgekeerd heeft gekregen.

4.6.

De stelling van Rabobank dat het saldo op het spaarbankboekje al eerder aan mevrouw [A] is betaald, betreft een bevrijdend verweer. Op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) draagt Rabobank de bewijslast van deze stelling. Voorafgaand aan de vraag of Rabobank zal worden toegelaten bewijs te leveren van deze stelling, dient echter eerst de vraag te worden beantwoord of de vordering is verjaard.

Is de vordering verjaard?

4.7.

Bij de beoordeling of de vordering is verjaard is het volgende van belang. De vordering tot uitbetaling van het saldo betreft een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd. In artikel 3:307 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat een dergelijke rechtsvordering verjaard door verloop van 20 jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waartegen de opeising, zo nodig na opzegging door de schuldeiser, op zijn vroegst mogelijk was. De kantonrechter is van oordeel dat de opeising van het spaartegoed op zijn vroegst mogelijk was op 31 december 1986. Dit is de datum waarop de laatste bijschrijving op het spaarbankboekje heeft plaats gehad. De verjaringstermijn was toentertijd 30 jaar, en is dus per 31 december 1986 aangevangen. Ten tijde van de inwerkingtreding van het Nieuwe Burgerlijk Wetboek in 1992 was de verjaringstermijn nog niet verstreken. Dat betekent dat op grond van artikel 73 van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (Ow NBW) de op 31 december 1986 aangevangen verjaringstermijn van 30 jaren op 1 januari 1993 gewijzigd is in 20 jaren. Hieruit volgt dus dat op grond van de wettelijke bepalingen omtrent verjaring de vordering op 1 januari 2007 is verjaard.

4.8.

Artikel 16 van het reglement, waarin is bepaald dat het spaartegoed dat op het spaarbankboekje is vermeld vervalt als gedurende 30 jaar geen inlagen of terugbetalingen hebben plaatsgehad, maakt dit niet anders. Uitgaande van die termijn is het spaartegoed komen te vervallen op 1 januari 2017. Een beroep op deze termijn kan Bik q.q. dus ook niet baten.

4.9.

Bik q.q. heeft als verweer tegen de verjaring aangevoerd dat Rabobank op grond van een coulanceregeling gehouden is het laatst vermelde spaartegoed op het spaarbankboekje uit te betalen. Een coulanceregeling is echter rechtens niet afdwingbaar, zodat ook op deze grondslag de vordering van Bik q.q. niet toewijsbaar is.

Conclusie

4.10.

De vordering van Bik q.q. is verjaard en om die reden zal de vordering moeten worden afgewezen. De vraag of Rabobank toegelaten wordt tot het leveren van bewijs behoeft dan ook niet te worden beantwoord.

Proceskosten

4.11.

Hoewel Bik q.q. in het ongelijk wordt gesteld, zal Bik q.q. niet worden veroordeeld in de proceskosten van Rabobank, op grond van het volgende. Bik q.q. heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij herhaaldelijk heeft gevraagd of Rabobank zich op verjaring zou beroepen, of dat zij het saldo op grond van een coulanceregeling zou uitbetalen. Volgens Bik q.q. is hier nooit een duidelijk antwoord op gekomen van Rabobank, wat voor Bik q.q. reden is geweest deze procedure te starten. De kantonrechter is het op dit punt eens met Bik q.q. Uit de door Bik q.q. overgelegde correspondentie blijkt namelijk niet dat Rabobank zich uitdrukkelijk en zonder voorbehoud op verjaring beroept. In de brief van Rabobank van 1 juli 2019 wordt weliswaar aangegeven dat de vordering naar de mening van Rabobank is verjaard, maar in diezelfde brief geeft Rabobank ook het volgende aan (productie 5 bij dagvaarding): “Hoewel de bank een beroep kan doen op verjaring, zal zij dit nooit zomaar doen.” Hiermee is het voor Bik q.q. onduidelijk gebleven of Rabobank al dan niet een beroep doet op verjaring. Het is dan ook deels te wijten aan de onduidelijke communicatie van Rabobank dat Bik q.q. deze procedure heeft gestart.

4.12.

Gelet op de hetgeen hiervoor is overwogen, acht de kantonrechter het redelijk dat de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat Rabobank en Bik q.q. de eigen kosten dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Hebly, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2020.