Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:973

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
17-03-2020
Zaaknummer
C/16/497261
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid KG-rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0079
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: C/16/497261 / KG ZA 20-72

Vonnis in kort geding van 17 maart 2020

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. C.J.W. Tijsseling,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J.E. Maats-Stokx.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding betekend op 21 februari 2020;

  • -

    de brief van de vrouw van 2 maart 2020, met bijlagen;

  • -

    de conclusie van antwoord, met daarin de eis in reconventie;

  • -

    de mondelinge behandeling (zitting) op 3 maart 2020, waarbij partijen zijn verschenen bijgestaan door hun advocaten;

  • -

    de pleitnota van de vrouw;

  • -

    de pleitnota van de man;

  • -

    de door de vrouw ter zitting overgelegde volmacht en opzegging samenlevingscontract.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben ruim twintig jaar met elkaar een relatie gehad. Deze relatie is in september 2019 verbroken.

2.2.

Zij zijn samen de ouders van twee kinderen, [kind 1] van 18 jaar oud en [kind 2] van 14 jaar oud.

2.3.

Partijen zijn op 10 november 2000 een samenlevingsovereenkomst aangegaan. De man heeft in december 2019 deze samenlevingsovereenkomst schriftelijk opgezegd.

2.4.

Partijen hebben in gemeenschappelijk eigendom de woning aan de [adres] in [woonplaats] . Zij hebben deze woning onder meer gefinancierd met een annuïtaire hypothecaire geldlening. De man heeft de woning in september 2019 verlaten en woont sindsdien in een caravan op een camping. De vrouw is met de kinderen achtergebleven in de woning.

2.5.

Daarnaast hebben partijen spaartegoeden op een gemeenschappelijke rekening die zij als gemeenschappelijk beschouwen. Een deel van deze tegoeden is al feitelijk tussen hen verdeeld door toe-eigening via overboekingen naar de privérekening van partijen.

2.6.

In artikel 10 van de samenlevingsovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat een ieder van hen na verbreking van de samenwoning het verzoek aan de kantonrechter kan doen om gedurende zes maanden met uitsluiting van de ander in de gezamenlijke woning te blijven wonen. Daarbij zijn zij overeengekomen dat de partij die gedurende deze periode het uitsluitend gebruik van de woning heeft een redelijke vergoeding dient te voldoen aan de andere partij. De kantonrechter kan deze partij geheel of gedeeltelijk vrijstellen van het voldoen van deze vergoeding.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert samengevat:

  1. het uitsluitend gebruik van de woning en de inboedel daarvan aan haar te verlenen voor een periode van zes maanden, met het gebod dat de man deze woning dient te verlaten en niet verder mag betreden op straffe van een dwangsom;

  2. de man te veroordelen tot het verlenen van zijn medewerking aan de verkoop van de woning, onder gelijktijdige inlossing van de hypotheekschuld uit de verkoopopbrengst, waarbij partijen recht hebben op de helft van de resterende overwaarde, bij gebreke waarvan dit vonnis in plaats treedt van de handtekening van de man of op straffe van een dwangsom;

  3. te bepalen dat de man gehouden is bij te dragen in de kosten van de woning met een bedrag van € 1.142,- per maand (uit een specificatie van de vrouw blijkt dat hierin ook begrepen zijn gebruikerslasten en kosten van huisdieren);

  4. te bepalen dat de man gehouden is bij te dragen in de kosten van studie en verzorging van [kind 1] met een bedrag van € 331,- per maand;

  5. te bepalen dat de man gehouden is bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] met een bedrag van € 331,- per maand;

  6. de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

De man voert verweer en vordert bij wijze van vordering in reconventie, samengevat:

  1. primair te bepalen dat partijen afwisselend gerechtigd zijn tot het gebruik van de woning en subsidiair dat de man uitsluitend gerechtigd is tot het gebruik van de woning en de inboedel daarvan met het gebod dat de vrouw deze woning dient te verlaten en deze niet meer mag betreden op straffe van een dwangsom;

  2. indien het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw wordt toegewezen, primair de vrouw te veroordelen tot betaling van de volledige eigenaarslasten van de gemeenschappelijke woning als redelijke gebruiksvergoeding en subsidiair een in goede justitie te bepalen bedrag, primair vanaf datum dagvaarding en subsidiair vanaf een andere in goede justitie te bepalen datum, tot datum verdeling woning;

  3. een voorlopige zorgregeling tussen de man en [kind 2] vast te stellen waarbij [kind 2] in de oneven weken van woensdag 12.00 uur tot woensdag 12.00 bij de man verblijft;

  4. voor het geval het gevorderde onder C niet wordt toegewezen, de vrouw te gelasten de man te informeren indien zij een nacht niet voor [kind 2] kan zorgen en de vrouw de vrouw te gelasten de man in staat te stellen de zorg dan van de vrouw over te nemen op straffe van een dwangsom.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Bevoegdheid voorzieningenrechter

4.1.

De man stelt dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is met betrekking tot de vordering over het uitsluitend gebruik van de woning, omdat in de samenlevingsovereenkomst is bepaald dat de kantonrechter hierover beslist. Dit verweer slaagt niet. Op grond van de wet is in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad is vereist, de voorzieningenrechter bevoegd deze te geven.1 Dit betekent dat de voorzieningenrechter naast de kantonrechter bevoegd is.

Vorderingen woning

4.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrouw een spoedeisend belang heeft bij haar vordering om aan haar het uitsluitend voortgezet gebruik te gunnen van de woning. Dat geldt ook voor de subsidiaire vordering van de man in reconventie om hem het uitsluitend gebruik van deze woning toe te kennen. Partijen hebben hun relatie verbroken en hun verhoudingen zijn niet zodanig dat zij nog samen onder een dak kunnen wonen. Zoals artikel 10 van de samenlevingsovereenkomst voorschrijft dient dan een afweging gemaakt te worden tussen de belangen van partijen voor de korte termijn. Beiden hebben een belang bij de woning omdat beiden vooralsnog niet over passende woonruimte beschikken. Dat geldt voor de man die al meer dan een half jaar in een caravan woont, maar dat geldt ook voor de vrouw, ook al heeft zij inmiddels een nieuwe partner. Sinds het vertrek van de man uit de woning heeft de vrouw feitelijk de dagelijkse zorg voor [kind 2] . Om die reden acht de voorzieningenrechter het belang van de vrouw van doorslaggevende betekenis. Daar komt nog bij dat het de vrouw is die aandringt op een spoedige verdeling van deze woning en de man aangeeft daar meer tijd voor nodig te hebben. Het feit dat de vrouw nog zes maanden in de woning mag blijven wonen, zal naar verwachting voor de man voldoende stimulans opleveren om aan een spoedige verdeling mee te werken. Dit betekent dat de voorzieningenrechter over het voortgezet gebruik van de woning zal beslissen zoals in het dictum van dit vonnis is vermeld. Over de door de man primair gevorderde birdnesting overweegt de voorzieningenrechter dat birdnesting, gezien de verhoudingen tussen partijen, niet in aan de orde is. Birdnesting is een variant die bezwaarlijk in rechte afgedwongen kan worden, maar uitsluitend op vrijwillige basis werkt.

Gebruiksvergoeding

4.3.

In de samenlevingsovereenkomst is bepaald dat de partij die in de woning blijft wonen aan de andere partij een redelijke vergoeding dient te betalen. In de daarop volgende zin is vermeld dat van het betalen van een zodanige vergoeding ook vrijstelling verleend kan worden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bestaat in dit geval geen reden om de vrouw daar van vrij te stellen, zoals zij beoogt. De man woont al een half jaar in een caravan en heeft tot op heden (nagenoeg) alle lasten van de woning betaald, zonder daar zelf woongenot van te hebben gehad. Hij heeft daarmee waarschijnlijk te veel betaald omdat hij sinds de verbreking van de samenwoning niet langer verplicht was naar rato van de inkomens van partijen maar naar rato van zijn eigendomsaandeel, dus voor de helft, bij te dragen in de lasten van de woning. En daarbij gaat het ook nog alleen om de eigenaarslasten, zoals de hypotheektermijnen van € 1.437,90 per maand. Hij is sinds de verbreking van de samenwoning niet gehouden de gebruikerslasten (zoals gas, water, licht) en de kosten van netflix en KPN voor zijn rekening te nemen. De vrouw woont in de woning en is dus draagplichtig voor de daarmee gemoeide kosten. Het zijn immers haar gebruikerskosten. Van belang hierbij is dat de man niet onderhoudsplichtig is voor de vrouw omdat partijen niet gehuwd zijn geweest.

4.4.

De voorzieningenrechter acht het redelijk de vergoeding die de vrouw moet betalen gelijk te stellen aan de helft van het bedrag dat de vrouw kwijt zou zijn geweest voor het huren van een gelijkwaardige woning, dus op € 500,- per maand. Dit komt ook ongeveer overeen met een redelijke rentevergoeding over de helft van de overwaarde van de woning.

4.5.

Een rechtsgrond voor een veroordeling van de man om bij te dragen in de kosten van de huisdieren is niet gesteld en daarvan is de voorzieningenrechter niet gebleken. Zoals vermeld is de man wel gehouden sinds de verbreking van de samenwoning de helft van de eigenaarslasten van de woning te betalen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrouw onvoldoende spoedeisend belang heeft om de man daartoe te veroordelen, nu zijn betaalgedrag uit het verleden en zijn proceshouding geen aanleiding geeft om te veronderstellen dat hij daartoe niet (langer) bereid is.

Zorgregeling

4.6.

De door de man in reconventie gevorderde vaststelling van een zorgregeling tussen hem en [kind 2] betreft een boek 1 BW-procedure. Deze moet in beginsel bij verzoekschrift worden ingeleid, waarbij ook ruimte is een minderjarige van 12 jaar of ouder te horen. In een kort geding kan wel nakoming van een zorg- of omgangsregeling worden gevorderd, maar in beginsel geen vaststelling daarvan. In uitzonderingsgevallen kan de voorzieningenrechter desalniettemin een van de ouders veroordelen om mee te werken aan contact met een minderjarige, omdat dit recht ook zonder overeengekomen of vastgestelde zorg- of omgangsregeling rechtstreeks uit de wet voortvloeit. Het is dan wel nodig dat een verzoekschriftprocedure niet kan worden afgewacht. Dit zal zich met name voordoen als een van partijen weigerachtig is aan het contact mee te werken of dit belet. Daar is hier niet van gebleken. Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat de vrouw het contact tussen de man en [kind 2] belet. [kind 2] is bovendien 14 jaar oud. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de man en [kind 2] zelf afspraken kunnen maken over hun contact. Verder is niet aannemelijk dat een verzoekschriftprocedure niet kan worden afgewacht. Zolang de man nog in een caravan woont is een overnachting van [kind 2] bij de man überhaupt niet aan de orde.

Kinderalimentatie

4.7.

Ook voor de vorderingen van de vrouw een bijdrage vast te stellen in het levensonderhoud van de kinderen geldt dat op grond van een uitspraak van de Hoge Raad (Hoge Raad 2 mei 2013, ECLI:NL:HR:2003:AF8125) voor dergelijk verzoek een verzoekschriftprocedure moet worden gevolgd. Omdat de onderhoudsplicht van ouders uit de wet voortvloeit kan de voorzieningenrechter in een kort geding een van de ouders wel, bij wijze van noodmaatregel, veroordelen tot een voorschot op te betalen kinderalimentatie. Ook hiervoor geldt dat daarvoor een zodanig spoedeisend belang moet zijn dat een verzoekschriftprocedure niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter komt niet tot het oordeel dat dit hier aan de hand is. Partijen hebben een deel van hun spaargeld feitelijk al verdeeld, dus de vrouw beschikt over voldoende liquide middelen om de kosten van [kind 2] daaruit te voldoen. Dit kan later worden verrekend met de kinderalimentatie die partijen overeenkomen of die de bodemrechter vaststelt, doorgaans met terugwerkende kracht tot tenminste datum verzoekschrift. Ten aanzien van de door de vrouw namens de jongmeerderjarige [kind 1] gevorderde bijdrage geldt dat niet buiten redelijke twijfel is dat [kind 1] de vrouw ook daadwerkelijk gemachtigd heeft voor deze procedure. De voorzieningenrechter acht [kind 1] prima in staat zelf te proberen met zijn vader financiële afspraken te maken. Lukt dit niet dan kan ook hij een verzoekschriftprocedure starten. De voorzieningenrechter heeft overigens niet de indruk dat de man zich aan zijn onderhoudsplicht jegens [kind 1] wil onttrekken.

Medewerking verkoop woning

4.8.

De vordering van de vrouw om de man te veroordelen mee te werken aan de verkoop van de woning zal eveneens worden afgewezen. Toewijzing hiervan zou neerkomen op een verdeling in kort geding. Dat is op zichzelf niet onmogelijk maar daar dient wel terughoudend mee te worden omgegaan, omdat dit doorgaans onomkeerbaar is. De vrouw heeft niet aannemelijk gemaakt dat partijen als verdeling van de woning zijn overeengekomen dat deze zal worden verkocht. Een dergelijke overeenkomst is door de man namelijk betwist en dit blijkt onvoldoende uit de verkoopvoorstellen van de drie door partijen aangezochte makelaars. De voorzieningenrechter acht de verklaring van de man dat de makelaars slechts zijn benaderd om gratis waardebepalingen van de woning te krijgen, die nodig zijn voor een toedeling van de woning aan de man, niet onaannemelijk. Een dergelijke toedeling is wat de man beoogt. Op dit moment acht de voorzieningenrechter niet uitgesloten dat de man de vrouw zal kunnen uitkopen en zal kunnen laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire lening. Dit zal mede afhankelijk zijn van de taxatiewaarde van de woning (de drie verkoopvoorstellen lopen te ver uiteen om als indicatie te gebruiken) en de uitkomst van het tussen partijen bestaande geschil over wederzijdse vergoedingsrechten. Kortom, een verdelingsovereenkomst, waarvan de nakoming kan worden gevorderd, is niet aannemelijk geworden en de verdeling van de woning, door verkoop of toedeling, is op dit moment te ingewikkeld om in kort geding vast te stellen. Bovendien zijn partijen nog maar een half jaar uit elkaar en mag de vrouw nog tenminste een half jaar in de woning blijven wonen, zodat niet aannemelijk is dat haar belang zodanig spoedeisend is dat de woning nu al verkocht zou moeten worden.

Dwangsom

4.9.

De vordering van de vrouw en de man om een dwangsom op te leggen zal de voorzieningenrechter afwijzen nu is gesteld noch gebleken is dat één van partijen zich niet aan de in dit vonnis vermelde beslissing zal houden.

Proceskostenveroordeling

4.10.

Anders dan door de vrouw en de man is verzocht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om één van partijen te veroordelen in de proceskosten. Nu partijen ex-partners zijn en het geschil tussen partijen voortvloeit uit het einde van hun relatie, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

4.11.

De voorzieningenrechter geeft partijen in overweging geen opname meer te doen voor privédoeleinden (waaronder ook wordt verstaan ieders eigen kosten van levensonderhoud) uit het deel van het gezamenlijke spaargeld, dat nog niet verdeeld is, maar te leven van hun eigen inkomen of van het al verdeelde spaargeld. Dit omdat het daardoor nog ingewikkelder zal zijn deze opnames sinds het feitelijk uiteengaan te verrekenen. Daarnaast is het zaak dat partijen zo spoedig mogelijk een onafhankelijke taxatie van de woning laten maken en een deugdelijke opstelling van de over en weer gepretendeerde vergoedingsrechten en verrekenvorderingen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie en reconventie

5.1.

bepaalt dat de vrouw met ingang van heden voor een periode van zes maanden bij uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de woning en de zich daarin bevindende inboedel, met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden, onder de voorwaarde dat zij aan de man een bedrag van € 500,- per maand betaalt als gebruiksvergoeding, zolang zij in die woning woont;

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2020.

1 Artikel 254 lid 1 Rechtsvordering