Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:965

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
12-03-2020
Datum publicatie
26-03-2020
Zaaknummer
NL19.8321
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verjaring publieke grond; artikel 3:99 BW; artikel 3:105 BW; in bezit nemen en houden niet onrechtmatig; artikel 6:162 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Lelystad zaaknummer: NL19.8321

Vonnis van 12 maart 2020

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE FLEVOLAND,

zetelend te Lelystad, eiseres van de vordering,

verweerster op de tegenvordering, hierna te noemen: de provincie, advocaat T.H. Liebregts te Arnhem,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] , verweerder op de vordering,

eiser van de tegenvordering, hierna te noemen: [verweerder] , advocaat J.T. Fuller te Zwolle.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de procesinleiding van 4 april 2019 met producties 1 tot en met 6

het verweerschrift met een tegenvordering met producties 1 tot en met 12 het verweerschrift op de tegenvordering

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, tevens descente op 12 december 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

Wat is er aan de hand?

2.1.

De provincie verwijt [verweerder] dat hij zijn tuin heeft doorgetrokken tot over de kadastrale grenzen van het (weg)perceel van de provincie. Daardoor maakt hij zonder recht of titel gebruik van een enkele meters brede strook grond (hierna: de strook) die eigendom is

van de provincie. Volgens [verweerder] is hij vanaf 1992 onafgebroken bezitter van de strook geweest, zodat hij door verjaring eigenaar is geworden.

2.2.

De provincie vordert primair onder meer een verklaring voor recht dat zij eigenaar is van haar gehele perceel, dus ook van de strook, en een bevel tot ontruiming op straffe van een dwangsom. Subsidiair- als het verjaringsverweer van [verweerder] slaagt- vordert de provincie dat [verweerder] wordt veroordeeld om de strook terug te leveren bij wijze van schadevergoeding in natura dan wel - meer subsidiair - een schadevergoeding in geld van

€ 7.000,-.

Als tegenvordering vraagt [verweerder] onder meer een verklaring voor recht dat niet de provincie maar hij eigenaar van de strook is. Ook moet de provincie meewerken aan registratie van de nieuwe situatie bij het kadaster en moet de provincie de strook te zijner vrije beschikking laten.

Wat is de uitspraak?

2.3.

De rechtbank wijst de vorderingen van de provincie af. Het beroep van [verweerder] op verjaring slaagt en het is niet komen vast te staan dat het in bezit houden van de strook door [verweerder] een onrechtmatige daad was, zodat er geen plaats is voor schadevergoeding.

De rechtbank wijst de eerste twee tegenvorderingen van [verweerder] toe, namelijk de verklaring voor recht en de verplichting om mee te werken aan registratie van de nieuwe situatie in het kadaster. De derde tegenvordering, om de strook ter vrije beschikking te laten van [verweerder] , wordt afgewezen wegens gebrek aan belang.

de beoordeling van de vordering

Heeft [verweerder] daden van bezit verricht (artikel 3:113 HW)?

2.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de strook volgens de kadastrale gegevens onderdeel is van het perceel van de provincie. Het gaat in deze zaak dan ook in de eerste plaats om het verjaringsverweer van [verweerder] . De rechtbank stelt in dit verband voorop dat het aan [verweerder] is om concreet en feitelijk te stellen dat hij bezitter van de strook is geweest, waaruit dat blijkt en per wanneer. Daarbij is van belang dat uit het handelen van [verweerder] kenbaar moet zijn dat hij de strook voor zichzelf ging houden. De provincie heeft op dit punt terecht aangevoerd dat aan dergelijke daden van bezit hogere eisen worden gesteld wanneer het om grond met een publieke bestemming gaat. Zeker wanneer die grenst aan particuliere grond en het gaat om kleine of smalle oppervlakken, zoals de onderhavige beheerstrook voor kabels en leidingen, mag niet snel worden geoordeeld dat gebruik en onderhoud door die particulier bezitsdaden zijn. Zou dat wel zo zijn, dan zouden overheden in het algemeen dat gebruik en onderhoud niet of veel minder gedogen. Dat levert niet alleen hogere lasten voor de gemeenschap als geheel op, maar de particulier én de overheid missen dan de voordelen van het gebruik van de publieke grond.

2.5.

[verweerder] heeft aangevoerd dat hij bezitter is geweest vanaf 13 november 1992, toen het perceel (plaatselijk bekend: [adres] te [woonplaats] , kadastraal bekend: [nummer] ) aan hem is geleverd. Toen werd de tuin door een laag houten schaaldelen hek afgescheiden van het perceel van de provincie (kadastraal bekend: [nummer] , met daarop de [straat] en het fietspad). Volgens [verweerder] stond dat schaaldelen hek op de plek waar nu de grensafscheiding is, dus enkele meters op het perceel van de provincie. De tuin liep tot aan dat schaaldelen hek, zodat de strook optisch bij het perceel van [verweerder] hoorde, en niet bij het perceel van de provincie. [verweerder] stelt dat hij vanaf dat moment de grond

binnen die afbakening heeft gebruikt en heeft onderhouden als tuin en dat de strook door het schaaldelen hek niet toegankelijk was vanaf de openbare weg. Tussen 1993 en 1996 heeft [verweerder] op de plaats van het schaaldelen hek een nieuw hek laten plaatsen, met daaromheen een heg. Ook heeft hij de lage stenen muur aangebracht. Ook daaruit bleek duidelijk dat hij de bezitter was van de strook, aldus nog steeds [verweerder] . Deze stellingen heeft [verweerder] onderbouwd met foto's en verklaringen van personen die in die tijd geregeld langs zijn huis kwamen. Ook heeft [verweerder] een uit de grond stekend stuk van een paal getoond, volgens hem een restant van het schaaldelen hek.

2.6.

De provincie heeft het bestaan van het schaaldelen hek in 1992 betwist. Zij wijst op de als productie 7 (de rechtbank begrijpt: bij het verweerschrift, tevens onderdeel van productie 5 bij de procesinleiding) overgelegde foto. Volgens [verweerder] zou die zijn genomen in september 1993, maar daarop is volgens de provincie het schaaldelen hek niet te zien en ook geen andere grensafscheiding.

Aan de verklaringen moet volgens de provincie beperkte waarde worden gehecht omdat deze op punten tegenstrijdig zijn en omdat deze zijn afgelegd door familie en bekenden van [verweerder] .

Ook voldoet het door [verweerder] omschreven schaaldelen hek niet aan de criteria voor daden van bezit, te meer nu die criteria strenger zijn omdat het gaat om publieke grond. Hetzelfde geldt voor de later aangebrachte lage stenen muur (volgens de provincie gaat het om een paar tegels) en voor de heg, die in ieder geval de eerste jaren na de aanplant de provincie niet kan hebben belet om de strook te betreden, aldus nog steeds de provincie.

2.7.

De rechtbank heeft bij de descente geconstateerd dat de strook op dit moment optisch deel uitmaakt van de tuin op het perceel van [verweerder] . De vervolgvraag is dan hoe lang dat al het geval is. De rechtbank overweegt dat de door de provincie genoemde foto (zie 2.6.) te onduidelijk is om uitsluitsel te geven over het schaaldelen hek, en dat dit op andere foto's (met enige moeite) wel zichtbaar is. De stellingen van [verweerder] worden daarnaast onderbouwd door de restanten van het schaaldelen hek en de verklaringen, ook als de rechtbank de kanttekeningen van de provincie meeweegt. De rechtbank is van oordeel dat de provincie de aldus onderbouwde stellingen van [verweerder] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De rechtbank stelt dan ook vast dat de strook al bij de aankoop door [verweerder] was afgebakend door het schaaldelen hek en dat de strook sindsdien bij [verweerder] als tuin in gebruik is geweest.

2.8.

De rechtbank overweegt dat de strook direct in het zicht van een drukke toegangsweg naar Urk ligt, zodat het gaat om daden die volledig in het zicht van de provincie zijn verricht. Ook stelt de rechtbank vast dat de afbakening en het gebruik van de strook de provincie voldoende heeft belet om haar eigen rechten als bezitter uit te oefenen. Deze daden zijn dan ook voldoende openbaar en niet-dubbelzinnig om te kunnen gelden als daden van bezit. Anders dan de provincie stelt, brengt de omstandigheid dat de tussentijds geplante heg de eerste jaren nog niet ondoordringbaar zal zijn geweest, niet mee dat het bezit van [verweerder] is onderbroken. Dat de verjaring anderszins is onderbroken of gestuit is niet gesteld. De rechtbank oordeelt dan ook dat [verweerder] vanaf 1992 bezitter is geweest van de strook. Dat betekent dat de verjaring is voltooid, of nu de verjaringstermijn geldt van 10 jaar (voor de bezitter te goeder trouw, zie artikel 3:99 BW) of van 20 jaar (voor de bezitter niet te goeder trouw, zie artikel 3:105 en 3:306 BW).

2.9.

De slotsom is dat [verweerder] door verjaring eigenaar is geworden van de strook. De rechtbank zal de door de provincie primair gevorderde verklaring voor recht dan ook afwijzen, evenals de ontruimingsvordering.

Onrechtmatige daad - wist [verweerder] dat de strook niet van hem was?

2.10.

Nu het beroep op verjaring van [verweerder] slaagt, komt de rechtbank toe aan de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen van de provincie op grond van onrechtmatige daad. De provincie stelt dat de aanhoudende inbezitneming door [verweerder] , met als gevolg eigendomsverlies een onrechtmatige daad oplevert tegenover haar als voormalig eigenaar (zie Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309, rechtsoverweging 3.7.3.) en een op dat arrest gebaseerde uitspraak van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NLRBROT:2017:9336). In die uitspraken is bepaald dat een persoon die een zaak in bezit neemt en houdt, wetende dat een ander daarvan eigenaar is, onrechtmatig handelt tegenover die eigenaar. Een van de vereisten voor dit type onrechtmatige daad is dan ook dat de inbezitnemer wist dat een ander eigenaar was.

2.11.

Dat "wetende dat een ander eigenaar is" valt niet één op één samen met het ontbreken van de goede trouw als bedoeld in artikel 3:118 BW. Daarnaast ligt de stelplicht en de bewijslast van deze wetenschap- anders dan bij de goede trouw- bij degene die zijn eigendom door verjaring heeft verloren.

2.12.

De provincie heeft onder meer aangevoerd dat [verweerder] zelf heeft gesteld dat hij in 1992 en 1996 de kadastrale gegevens heeft geraadpleegd, zodat hij wel moet hebben geweten dat een ander eigenaar van de strook was (althans: dat hij niet te goeder trouw was). Als [verweerder] toen inderdaad de- onjuiste - conclusie heeft getrokken dat de feitelijke grensafscheiding gelijk liep met de kadastrale grens, was hij niet te goeder trouw. In dat geval heeft hij zich er immers niet van vergewist dat de feitelijke grens op de plaats van de kadastrale grens stond, aldus nog steeds de provincie.

2.13.

Dat is naar het oordeel van de rechtbank te kort door de bocht. Zoals overwogen onder 2.7. liep de tuin van het perceel van [verweerder] in 1992 door tot aan het schaaldelen hek, dat enkele meters op het perceel van de provincie stond. Als op [verweerder] onder die omstandigheden al een verplichting rustte om te controleren of die precies op de kadastrale grens was geplaatst, ging die verplichting niet verder dan een eenvoudige raadpleging van de kadastrale gegevens. [verweerder] hoefde dus niet aan de slag te gaan met meetinstrumenten, ook niet toen hij het schaaldelen hek ging vervangen.

Het betoog van de provincie kan hooguit slagen als de door [verweerder] geraadpleegde kadastrale gegevens zó duidelijk waren dat hij reeds bij zo een eenvoudige raadpleging moet hebben gezien dat het schaaldelen hek op het perceel van de provincie stond.

2.14.

Zo duidelijk zijn de kadastrale gegevens naar het oordeel van de rechtbank echter niet. De tekeningen zijn bepaald onduidelijk over de twee belangrijkste oriëntatiepunten voor de bepaling van de kadastrale grens: het fietspad en de grensafscheidingen tussen de buurpercelen en het perceel van de provincie. Uit de kadastrale tekening valt niet (althans niet eenvoudig) op te maken of het perceel van [verweerder] nu ophoudt bij het fietspad of bij de beheerstrook. Op de kadastrale tekening is zichtbaar dat de percelen van [verweerder] en zijn buurman van [adres] meer richting de [straat] liggen dan de andere percelen. Het meest gedetailleerde stuk is nog een door [verweerder] overgelegde plattegrond van het kadaster uit 1969, waarop bepaalde afstanden tot de gevel van de woning van [verweerder]

zijn aangetekend. Volgens [verweerder] blijkt daaruit dat zijn persceel doorliep tot aan het fietspad. Volgens de provincie blijkt dat juist niet uit de plattegrond, en kan op grond van de plattegrond net zo goed worden verondersteld dat de tuin tot aan de groene beheerstrook liep. De rechtbank concludeert dan ook dat de kadastrale gegevens onvoldoende duidelijk waren.

2.15.

De rechtbank oordeelt daarom dat niet gezegd kan worden dat [verweerder] ten tijde van het inbezitnemen en houden van de strook wist dat deze van de provincie was, zodat geen sprake is geweest van een onrechtmatige daad jegens de provincie. De rechtbank wijst daarom ook de subsidiair gevorderde schadevergoeding in de vorm van een verplichting om de strook terug te leveren af, evenals de meer subsidiair gevorderde schadevergoeding in geld.

2.16.

De slotsom is dat alle drie de hoofdvorderingen worden afgewezen. Dat betekent dat de door de provincie ingestelde nevenvorderingen in de vorm van buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten en rente ook niet toewijsbaar zijn.

2.17.

De provincie zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure over de vorderingen van de provincie worden veroordeeld. De daarover gevorderde rente wordt toegewezen als hierna bepaald in de beslissing. De kosten worden aan de zijde van [verweerder] begroot op:

  • -

    griffierecht

  • -

    salaris advocaat Totaal

€ 914,-

922,- (2 punten x tarief € 461,-)

€ 1.836,-

2.18.

De nakosten zullen hierna in de beslissing worden begroot. Daar staat ook hoe de wettelijke rente over de nakosten wordt toegewezen.

de beoordeling van de tegenvordering

2.19.

Onder 2.9. is reeds vastgesteld dat [verweerder] door verjaring eigenaar is geworden van de strook, en onder 2.15. dat [verweerder] de strook niet hoeft terug te leveren. De rechtbank zal daarom de door [verweerder] gevraagde verklaring voor recht toewijzen. De rechtbank verwerpt dus het verweer van de provincie dat niet exact duidelijk is waar de strook precies loopt, zodat de vorderingen onvoldoende bepaald zijn. De betreffende functionarissen moeten in staat worden geacht om een vierhoekige strook te bepalen tussen de thans aanwezige grensafscheiding en perceelgrens zoals die nu nog uit de kadastrale gegevens blijkt. De rechtbank acht het - anders dan de provincie - niet uitgesloten dat hierbij toch de medewerking van de provincie is vereist. De rechtbank zal de provincie daarom tevens veroordelen om mee te werken aan het kadastraal duiden en registreren van de verjaring van de strook grond en wijst ook de door [verweerder] gevorderde dwangsom toe.

2.20.

De derde tegenvordering van [verweerder] , een veroordeling van de provincie om de strook tot zijn vrije beschikking te laten, wijst de rechtbank af. Weliswaar heeft de provincie tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat er nog geen concrete plannen zijn voor werkzaamheden, maar dat zal in de toekomst anders zijn. De provincie heeft in dat geval een gerechtvaardigd belang om de strook te gebruiken voor het beheer van de weg, het naast de strook gelegen fietspad en de kabels en leidingen in de strook. [verweerder] zal dat moeten

dulden. Dat geldt te meer omdat [verweerder] de strook heeft verkregen door verjaring, de provincie de strook juist voor dit beheer in eigendom heeft willen houden en omdat er nagenoeg geen ruimte meer is voor een beheerstrook naast de strook. Dat de provincie ook buiten gevallen van noodzakelijk beheer plannen heeft om [verweerder] te hinderen in zijn vrije beschikking over de strook, is niet gesteld en ook niet gebleken. Onder deze omstandigheden heeft [verweerder] onvoldoende belang bij deze tegenvordering.

2.21.

De provincie zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure over de door de [verweerder] ingestelde tegenvorderingen worden veroordeeld. De daarover gevorderde rente wordt toegewezen als hierna bepaald in de beslissing. Die kosten worden aan de zijde van [verweerder] begroot op€ 461,- aan salaris advocaat (2 punten x factor 0,5 x tarief€ 461,-).

2.22.

De nakosten zullen hierna in de beslissing worden begroot. Daar staat ook hoe de wettelijke rente over de nakosten wordt toegewezen.

3 De beslissing

De rechtbank

op de vordering

3.1.

wijst de vorderingen af,

3.2.

veroordeelt de provincie in de kosten van de procedure aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 1.836,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag van af de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van betaling,

op de tegenvordering

3.3.

verklaart voor recht dat [verweerder] door verjaring eigenaar is geworden van de strook,

3.4.

veroordeelt de provincie om binnen 14 dagen na aanschrijving door [verweerder] mee te werken aan het kadastraal duiden en door het kadaster laten registreren van de eigendom van de strook, onder verbeurte van een dwangsom van€ 500,- voor iedere dag dat de provincie nalaat aan deze veroordeling te voldoen, tot een maximum van€ 100.000,-,

3.5.

veroordeelt de Provincie in de kosten van de procedure op de tegenvordering, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op€ 461,-, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van betaling,

op de vordering en op de tegenvordering

3.5.3.6. veroordeelt de provincie gedaagde in de kosten die zijn ontstaan na dit vonnis, begroot op:

€ 246,- aan salaris advocaat, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art.

6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na die aanschrijving tot de dag van betaling;

en

€ 82,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van dit vonnis, als er vervolgens betekening heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot de dag van betaling,

3.7.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de onderdelen 3.2,

3.4, 3.5. en 3.6,

3.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2020.