Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:934

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
UTR19/2471
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Openbare orde, cash center

Samenvatting:

De burgemeester van de gemeente Amersfoort heeft het restaurant van eiser gesloten wegens de aanwezigheid van een cash center en de nauwe verwevenheid tussen een cash center en illegaal gokken.

De rechtbank overweegt allereerst dat de burgemeester bevoegd is om tot sluiting over te gaan ook als geen sprake is van een overtreding. De rechtbank is verder van oordeel dat met de aanwezigheid van een cash center illegaal gokken wordt gefaciliteerd. Dat is niet helemaal hetzelfde als ‘gelegenheid bieden’ in de zin van de Wok. De rechtbank volgt verweerder vervolgens in zijn standpunt dat het faciliteren van illegaal gokken een gevaar vormt voor de openbare orde. Eiser heeft ook verwijtbaar gehandeld. Verweerder heeft dan ook tot de sluiting van het restaurant voor de duur van zes maanden kunnen besluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/2471

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats ] , eiser

(gemachtigde: mr. P. Koorn),

en

de burgemeester van de gemeente Amersfoort, verweerder

(gemachtigden: mr. drs. H. Maaijen en mr. B. Eising).

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten “ [restaurant] ” aan het [adres] in [vestigingsplaats] te sluiten voor de duur van zes maanden met ingang van 16 april 2019.

Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 13 mei 2019 heeft de voorzieningenrechter het primaire besluit geschorst (UTR 19/1525) tot de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Bij besluit van 21 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter opnieuw verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Daarbij heeft verweerder voor de aanvullende bestuurlijke rapportage van 2 april 2019 een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de voorzieningenrechter medegedeeld dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van dit stuk. Bij beslissing van 4 september 2019 heeft de rechtbank, mr. V.E. van der Does, bepaald dat de gevraagde beperkte kennisneming van de bestuurlijke rapportage gerechtvaardigd is. Eiser heeft toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Bij uitspraak van 17 september 2019 (UTR 19/2470) heeft de voorzieningenrechter het bestreden besluit geschorst tot de uitspraak op het beroep.

Het beroep is ter behandeling verwezen naar de meervoudige kamer. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om te laten weten of zij prijs stellen op een zitting. Geen van partijen heeft hiervan gebruik gemaakt.

Bij brief van 13 december 2019 heeft eiser nog aanvullende gronden van beroep ingediend. Verweerder is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren en heeft dat gedaan bij brief van 13 januari 2020. Eiser heeft op 3 februari 2020 nog een reactie hierop gegeven.


Partijen hebben de rechtbank toestemming verleend om uitspraak te doen zonder nadere zitting. Op 6 maart 2020 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

  1. Het gaat in deze zaak over de sluiting van het restaurant van eiser. De rechtbank moet beoordelen of de aanwezigheid van een cash center in het restaurant van eiser een gevaar oplevert voor de openbare orde en of het daarom gesloten kon worden.
    Wat is voor verweerder de reden voor de sluiting?

  2. Verweerder heeft overwogen dat er een zeer nauwe verwevenheid bestaat tussen een cash center en illegaal gokken. De omzet van het cash center dat in het restaurant van eiser was geplaatst heeft in de periode van 15 mei 2018 tot 1 april 2019 € 27.001,54 bedragen. Uit de facturen blijkt dat deze omzet grotendeels is behaald uit het gebruik van tegoed voor illegale kansspelen via www. [website] .com. De omzet vertoonde ook een stijgende lijn. Volgens verweerder levert de aanwezigheid van een cash center een gevaar op voor de openbare orde. Omdat de accounts op het cash center anoniem worden aangemaakt, wordt de mogelijkheid gegeven om door middel van een cash center geld wit te wassen. Dit kan criminelen aantrekken. Verweerder wijst er dan ook op dat uit de bestuurlijke rapportage van de politie blijkt dat het restaurant veel bezocht werd door bezoekers die een strafblad hebben. Eiser heeft geld verdiend aan de aanwezigheid van het cash center. Er is in de hiervoor genoemde periode een bedrag van € 10.800,61 aan hem uitgekeerd als ‘handling fee’. Hij wist of had op zijn minst moeten vermoeden dat er iets niet deugde. Hij heeft dus verwijtbaar gehandeld. Overeenkomstig de Beleidsregel Sluiting van horecabedrijven en voor het publiek openstaande gebouwen wordt in een situatie waarin sprake is van een ernstig gevaar voor de openbare orde én de ondernemer verwijtbaar heeft gehandeld, het pand voor een periode van zes maanden gesloten. De omstandigheid dat het cash center al op 28 maart 2019 in beslag is genomen, is geen reden om van het beleid af te wijken of om een sluiting voor een kortere termijn op te leggen. Omdat landelijk niet alle cash centers in beslag zijn genomen is het mogelijk dat opnieuw een cash center in het restaurant wordt geplaatst. Er is sprake geweest van een zogeheten loop naar het restaurant en verweerder vindt het van zeer groot belang om krachtig handhavend op te treden tegen ondermijnende criminaliteit.
    Is eiser in zijn verdediging geschaad door de wijziging van de grondslag?

  3. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit de grondslag voor de sluiting heeft gewijzigd en dat hij daardoor in zijn verdediging is geschaad. De rechtbank stelt vast dat het inderdaad zo is dat het bestreden besluit een andere grondslag kent dan het primaire besluit. Aan het primaire besluit had verweerder ten grondslag gelegd dat sprake is van een ernstig gevaar voor de openbare orde, omdat sprake is van een overtreding van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de kansspelen (Wok) en artikel 2:39, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Verweerder heeft aan het bestreden besluit artikel 2:31 van de APV ten grondslag gelegd.

  4. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat hij hierdoor in zijn verdediging is geschaad. Op grond van artikel 7:11 van de Awb is verweerder gehouden op grondslag van het bezwaar een volledige heroverweging te maken die niet is gebonden aan argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. Door het hanteren van een andere grondslag voor de sluiting is verweerder niet buiten de grenzen getreden die artikel 7:11, eerste lid, van de Awb stelt aan de heroverweging in bezwaar. De wijziging van de grondslag is te beschouwen als het resultaat van de heroverweging van het primaire besluit, waarbij ook de uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2019 in acht moest worden genomen. Er is ook geen sprake van een verslechtering van de positie van eiser, aangezien het bestreden besluit uiteindelijk niet meer inhoudt dan de handhaving van de sluiting voor de duur van zes maanden.
    Is het vereist dat er een overtreding door eiser is gepleegd?

  5. Eiser heeft aangevoerd dat daadwerkelijk sprake moet zijn van een overtreding om tot sluiting over te kunnen gaan. Eiser verwijst daarvoor naar titel 5.1 van de Awb. In de situatie dat een bestuursorgaan een dwangsom oplegt, is artikel 5:1 van de Awb van toepassing en moet dus sprake zijn van een overtreding. Alleen ‘vrees’ voor een overtreding is onvoldoende voor een sluiting. Een preventieve sluiting is dus niet mogelijk, aldus eiser. Volgens eiser is het besluit onduidelijk over wat nu precies door verweerder als ‘overtreding’ wordt gezien.

  6. De rechtbank volgt deze redenering van eiser niet. Verweerder heeft aan het bestreden besluit artikel 2:31 van de APV ten grondslag gelegd. Aan dit artikel ontleent verweerder de bevoegdheid tot sluiting van horecabedrijven in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid. Een overtreding of zelfs een concreet dreigende overtreding is daarvoor niet vereist. De openbare orde kan immers ook in het gedrang komen zonder dat sprake is van een (dreigende) overtreding. De argumenten van eiser die hierop zien zijn dan ook niet relevant en behoeven geen verdere bespreking.
    Levert de aanwezigheid van een cash center een gevaar op voor de openbare orde?

  7. De belangrijkste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is dus of de aanwezigheid van een cash center in het restaurant van eiser een gevaar oplevert voor de openbare orde en de veiligheid. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en licht dat hieronder toe.
    a. Er is sprake van het faciliteren van illegaal gokken

  8. Verweerder heeft gewezen op de nauwe verwevenheid tussen een cash center en illegaal gokken. Op een cash center kan een anoniem account worden aangemaakt, waarop door middel van het cash center contant geld kan worden gestort. Met dit tegoed kan via een (andere) gegevensdrager (computer of telefoon) online worden gegokt op www. [website] .com, een website voor sportweddenschappen. Voor deze website is in Nederland geen vergunning verleend als bedoeld in de Wok. Het gokken op deze website is reeds daarom als ‘illegaal’ aan te merken. Dat dit eerst door het Openbaar Ministerie of de KSA vastgesteld zou moeten worden, zoals eiser stelt, volgt de rechtbank niet. Verder kan eventuele winst die is behaald met het gokken slechts als tegoed gekoppeld aan dat account worden uitbetaald via hetzelfde cash center als waar het account aanvankelijk op is aangemaakt. Een zeer groot deel van de omzet van cash centers, circa 95%, komt voort uit het gebruik van tegoed voor www. [website] .com. Dat is gebleken uit onderzoek van de Kansspelautoriteit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met het plaatsen van een cash center in zijn restaurant illegaal gokken direct gefaciliteerd. Voor de volledigheid merkt de rechtbank daarbij op dat faciliteren naar haar oordeel een iets andere betekenis heeft dan ‘gelegenheid bieden’ in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wok. Zoals verweerder ook ter zitting heeft toegelicht impliceert ‘gelegenheid bieden’ immers een actieve rol van de aanbieder van het kansspel, terwijl ‘faciliteren’ het gemakkelijk(er) maken van - in dit geval illegaal gokken - is en dat is precies wat eiser heeft gedaan. Met een passievere houding kan dus wel sprake zijn van faciliteren, maar nog niet van gelegenheid bieden. Het feit dat ook via andere wegen kan (of kon) worden gegokt op www. [website] .com -bijvoorbeeld met een paysafe-kaart, zoals eiser stelt- en dat het daadwerkelijke gokken ook buiten het restaurant van eiser kan plaatsvinden, maakt dit niet anders, omdat dit niets afdoet aan het faciliteren van het illegale gokken door eiser.
    b. Het faciliteren van illegaal gokken vormt een gevaar voor de openbare orde

  9. Verweerder heeft zich op de zitting gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het faciliteren van gokactiviteiten een gevaar vormt voor de openbare orde. Hoewel de motivering in het bestreden besluit op dit punt summier is, heeft verweerder met de toelichting op de zitting en zijn schriftelijke uiteenzetting van 13 januari 2020 naar het oordeel van de rechtbank voldoende uitgelegd waarom het faciliteren van illegaal gokken een gevaar vormt voor de openbare orde. Daar komt bij dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS)1 volgt dat de burgemeester zich in het algemeen op het standpunt mag stellen dat met illegaal gokken de openbare orde nadelig wordt beïnvloed. Daarbij wordt van belang geacht dat bij illegale gokactiviteiten geen sprake is van consumentenbescherming, verslavingspreventie en correcte afdracht van middelen. Ook kan niet worden gewaarborgd dat minderjarigen geen toegang krijgen tot de activiteiten. Bovendien geldt in het algemeen dat illegale gokactiviteiten criminaliteit aantrekken. Verweerder heeft in dat verband terecht gewezen op de mogelijkheid van het witwassen van zwart geld. Criminaliteit oefent in zijn algemeenheid een negatieve invloed uit op het woon- en leefklimaat en het is aannemelijk dat bekendheid van het horecabedrijf ten aanzien van witwassen van crimineel geld zorgt voor toeloop van ongewenste personen. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat ook in het restaurant van eiser veel mensen komen met een strafblad. Dit blijkt uit de bestuurlijke rapportage van de politie eenheid Midden Nederland van 2 april 2019.

Dat de jurisprudentie van de ABRvS alleen op zou gaan wanneer er ook feitelijk wordt gegokt in de inrichting zelf, zoals eiser heeft gesteld in zijn aanvullende gronden van 13 december 2019, volgt de rechtbank overigens niet. Niet valt in te zien dat de algemene overwegingen van de ABRvS over de negatieve effecten van illegaal gokken en het gevaar voor de openbare orde dat hiermee gepaard gaat niet tevens zouden gelden in een situatie zoals hier, waarin door middel van de plaatsing van een cash center het illegaal gokken wordt gefaciliteerd.

10. Hoewel het cash center zelf niet gebruikt kan worden om op te gokken, is het duidelijk dat de aanwezigheid van het cash center primair wordt ingegeven door de mogelijkheid dat hiermee grote geldbedragen anoniem op een account kunnen worden gezet, waarmee illegaal gegokt kan worden. De omstandigheid dat de geldbedragen ook op een andere manier besteed kunnen worden, zoals bijvoorbeeld aan telefoonkaarten, maakt dit niet anders, omdat uit onderzoek van de Kansspelautoriteit is gebleken dat van de totale omzet van alle cash centers van circa 28 miljoen ongeveer 95% ook daadwerkelijk is behaald uit kansspelen via www. [website] .com. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat ook op het cash center dat bij eiser in het restaurant stond maar een klein percentage omzet is behaald met de verkoop van telefoon- of cadeaukaarten en dat er in de periode van 15 mei 2018 tot 1 april 2019 een omzet van € 27.001,54 is gedraaid. Eiser heeft dit bedrag als zodanig ook niet weersproken. Het voorhanden hebben en verplaatsen van grote bedragen in contanten brengt een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich mee, namelijk een risico op al dan niet gewelddadige berovingen en overvallen.
Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het faciliteren van illegaal gokken door de plaatsing van een cash center een gevaar vormt voor de openbare orde. Dat er geen strafbare feiten zijn geconstateerd en er zich - voor zover bekend - geen incidenten of ongeregeldheden hebben voorgedaan, maakt dit niet anders. En dat geldt ook voor het feit dat het cash center op het moment van het nemen van het primaire besluit al niet meer in het restaurant van eiser aanwezig was, omdat het in beslag was genomen. Het doel van de maatregel tot sluiting is het teniet doen van de bekendheid van het pand in het criminele milieu en de loop naar het pand eruit te halen. Dat kan ook nog enig tijd doorwerken na het verwijderen van het cash center. Naar het oordeel van de rechtbank is het tijdsverloop tot het moment van het bestreden besluit (21 juni 2019) niet zodanig lang dat dit argument van verweerder niet meer op zou gaan.
c. Het onderzoek is niet onzorgvuldig geweest

10. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder onzorgvuldig gehandeld heeft door geen nader onderzoek of navraag te doen bij het OM of de KSA naar aanleiding van de kritische kanttekeningen die eiser geplaatst heeft en zijn stelling dat er sprake is van materiële misvattingen ten aanzien van zowel de feiten als het recht. Daargelaten dat eiser in beroep niet nader geconcretiseerd heeft op welke kanttekeningen en ‘materiële misvattingen’ hij precies doelt, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in zijn algemeenheid kunnen baseren op de processen-verbaal en rapportages van de politie, KSA en de gemeentelijke toezichthouders. Deze instanties hebben immers te gelden als deskundig op dit gebied en verweerder heeft dan ook in beginsel van de juistheid van deze stukken uit kunnen gaan. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat het onderzoek naar de feiten dat aan de rapportages ten grondslag ligt niet zorgvuldig is verricht en/of dat de feiten de conclusies niet kunnen dragen. Dat eiser het niet eens is met alles wat in deze stukken staat en daarbij kritische kanttekeningen plaatst betekent niet dat verweerder gehouden was om op al deze punten navraag te doen of nader onderzoek uit te (laten) voeren.
d. De Implementatiewet geeft geen aanleiding voor een ander oordeel

10. Eiser heeft tenslotte verwezen naar de onlangs in de Tweede Kamer aangenomen Implementatiewet wijziging vierde anti-witwasrichtlijn en de daarin genoemde ATM’s (Automated Teller Machines), die volgens eiser vergelijkbaar zijn met cash centers. Eiser stelt zich op het standpunt dat daaruit blijkt dat de wetgever aanneemt dat er geen openbare orde probleem is bij gebruik van een ATM en dat dit dus ook geldt ten aanzien van cash centers.

De rechtbank is, anders dan eiser, van oordeel dat de vergelijking met een ATM niet zonder meer gemaakt kan worden, alleen al omdat een ATM bestemd is om valuta te wisselen en een cash center - zoals hiervoor is overwogen - is bestemd om (grote) geldbedragen anoniem op een account te kunnen zetten. En zelfs als er vanuit zou worden gegaan dat een cash center wel vergeleken kan worden met een ATM, dan betekent dat niet dat er per definitie geen gevaar voor de openbare orde is. Dat laatste is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij in deze zaak van belang is dat anoniem het digitale tegoed dat op een cash center kan worden verkregen nagenoeg geheel wordt gebruikt om via www. [website] .com illegaal te gokken, zoals eerder in de uitspraak is beschreven.

Is er sprake van verwijtbaarheid van eiser en was de sluiting gerechtvaardigd?

13. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voorts op het standpunt kunnen stellen dat eiser verwijtbaar heeft gehandeld en dat een sluiting van het restaurant voor zes maanden was aangewezen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder, op grond van het Handhavingsbeleid 2016, slechts een waarschuwing kan geven en niet bevoegd is over te gaan tot sluiting. Zoals hiervoor al is overwogen ontleent verweerder zijn bevoegdheid tot sluiting immers aan de APV en niet aan enige beleidsregel. Het in deze zaak van toepassing zijnde beleid is bovendien niet het beleid uit 2016, maar de Beleidsregel Sluiting van horecabedrijven en voor het publiek openstaande gebouwen van 21 november 2018. Deze Beleidsregel is op 2 januari 2019 op juiste wijze bekendgemaakt in het Gemeenteblad Amersfoort. In het beleid is neergelegd dat verweerder besluit tot sluiting van een horecabedrijf voor de duur van zes maanden als de ondernemer/eigenaar verwijtbaar heeft gehandeld, in de zin dat hij criminele activiteiten heeft getolereerd, gefaciliteerd of er aan deel heeft genomen. Zoals hiervoor al is overwogen, is daarvan in dit geval sprake. Eiser heeft illegaal gokken gefaciliteerd en heeft met de aanwezigheid van het cash center in zijn restaurant geld verdiend. Eiser wist of had op zijn minst moeten vermoeden dat er iets niet deugde. De rechtbank volgt hem dan ook niet dat hij te goeder trouw was. Dat er voorafgaand aan de plaatsing van de cash centers contact is geweest tussen ‘de exploitanten’ en de Belastingdienst en dat het volgens het NMI rapport niet mogelijk is om op het cash center spellen te spelen of in te zetten op weddenschappen, zoals eiser stelt, maakt nog niet dat hij te goeder trouw was. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser zelf geen navraag heeft gedaan bij bijvoorbeeld Fun Tech Store, de politie of de KSA. Voorts stelt verweerder terecht dat eiser zich aan de hand van de facturen die hij kreeg van Fun Tech Store had moeten realiseren dat er iets niet deugde, omdat zijn ‘handling fee’ afhankelijk was van de omzet en duidelijk was dat er met prepaid en cadeaukaarten nauwelijks omzet en inkomsten werden gegenereerd, terwijl eisers omzet aanzienlijk was. Eiser heeft dus wel degelijk verwijtbaar gehandeld en verweerder heeft geen reden hoeven zien om af te wijken van zijn beleid.

13. In de argumenten van eiser heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om af te zien van sluiting of om een sluiting voor een kortere duur op te leggen. Verweerder heeft gemotiveerd toegelicht waarom een sluiting van zes maanden in dit geval evenredig is. Verder is op de zitting gebleken dat verweerder er - in het kader van de proportionaliteit - welbewust voor heeft gekozen om vast te houden aan de oorspronkelijke einddatum van de sluiting en deze niet ‘op te rekken’. Verweerder heeft daarmee blijk gegeven van een evenwichtige belangenafweging.
Is het gelijkheidsbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel geschonden?

13. Eiser heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Hij voert daartoe aan dat burgemeesters van andere gemeenten niet overgaan tot sluiting van een horecabedrijf na het aantreffen van een cash center en dat alle burgemeesters hetzelfde zouden moeten handelen. De sluitingen zijn immers allemaal gebaseerd op artikel 174 van de Gemeentewet en het ‘openbare orde’ begrip zou door alle burgemeesters op dezelfde manier moeten worden uitgelegd. Door zijn bedrijf wel te sluiten terwijl andere burgemeesters dat onder dezelfde omstandigheden niet doen, handelt verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank overweegt hierover dat het aan iedere burgemeester is om zijn eigen beleid te maken en invulling te geven aan artikel 174 van de Gemeentewet (de ‘toezichtfunctie’). Hij is daarbij niet verplicht dit af te stemmen met burgemeesters van andere gemeenten. De rechtbank toetst vervolgens het beleid en de toepassing daarvan in een individuele zaak en betrekt daarbij ook niet het beleid van andere burgemeesters in andere gemeenten. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.

13. Eiser heeft verder gewezen op het rechtszekerheidsbeginsel en aangevoerd dat nog niet vast staat dat sprake is van een overtreding van de Wok en daarmee ook nog niet of de exploitanten van cash centers een strafbaar feit hebben gepleegd. Eiser vindt dat hij er op mocht vertrouwen dat van zo’n overtreding geen sprake was, waarbij hij wederom heeft verwezen naar de afstemming die heeft plaatsgevonden met de Belastingdienst en KSA. De rechtbank overweegt dat, nog daargelaten dat aan eiser niet (meer) wordt tegengeworpen dat hij een overtreding begaan zou hebben van de Wok, in overweging 13. reeds is overwogen dat het feit dat er afstemming zou hebben plaatsgevonden door ‘de exploitanten’ met de Belastingdienst en de KSA, niet direct betekent dat eiser geen verwijt valt te maken. Ook anderszins valt niet in te zien dat sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Eiser heeft niet nader onderbouwd op basis van welke informatie hij er op mocht vertrouwen dat het was toegestaan om een cash center in zijn restaurant te plaatsen, waarmee illegaal gokken werd gefaciliteerd. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Conclusie

13. De rechtbank concludeert dat verweerder terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat hij door de plaatsing van een cash center in zijn restaurant illegaal gokken heeft gefaciliteerd en dat dit een gevaar voor de openbare orde oplevert. Ook heeft verweerder terecht gesteld dat eiser verwijtbaar heeft gehandeld en dat, op grond van de Beleidsregel Sluiting van horecabedrijven, een sluiting voor de duur van zes maanden is aangewezen.

13. Het beroep is ongegrond

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, voorzitter, en mr. J.J. Catsburg en mr. V.E. van der Does, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zie de uitspraak van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3439