Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:924

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
12-03-2020
Zaaknummer
8282886 / MV EXPL 20-15 van
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. De voorzieningenrechter acht de kans dat de bodemrechter tot toewijzing van de vorderingen van huurder overgaat voldoende aannemelijk.

Verhuurder heeft geen gerechtvaardigd belang bij het eenzijdig wijzigen van de toegangsmogelijkheid tot de winkel. De huurder maakt al zes jaar lang gebruik van deze toegangsmogelijkheid. Dat een onveilige situatie kan ontstaan is niet aan huurder toe te rekenen. Verhuurder is gehouden om huurder op normale wijze als voorheen toegang te verlenen tot de hal.

Voor het gebruiken van de internetaansluiting geldt eveneens dat verhuurder het gebruik hiervan ongewijzigd moet laten. Huurder gebruikt deze aansluiting al zes jaar en het is niet duidelijk of het praktisch gezien mogelijk is dat huurder een eigen aansluiting kan aanleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Almere

Vonnis in kort geding van 10 maart 2020

in de zaak met zaaknummer / rolnummer 8282886 / MV EXPL 20-15 van
1. de vennootschap onder firma
[eiseres sub 1] V.O.F.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen [eiseres sub 1] .,
2. [eiseres sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen [eiseres sub 2] ,
3. [eiser sub 3],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen [eiser sub 3] ,
eiseressen in conventie,
gedaagden in reconventie, hierna tezamen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde mr. S. Hamerling,

tegen

de stichting
[gedaagde],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie, hierna ook te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde mr. E. van der Hoeden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 31 januari 2020

  • -

    de eis in reconventie van [gedaagde] , binnengekomen ter griffie op 14 februari 2020

  • -

    de producties 1 t/m 10 van [gedaagde]

  • -

    de aanvullende producties 16 t/m 19 van [eisers] .

1.2.

Op 25 februari 2020 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [gedaagde] heeft pleitaantekeningen overgelegd, die zijn toegevoegd aan het dossier.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[gedaagde] exploiteert Sporthal [sporthal] aan de [adres] in [vestigingsplaats] . De sporthal wordt voornamelijk gebruikt voor badmintonactiviteiten.

2.2.

[eisers] huurt sinds 1 januari 2014 een winkelruimte in de Sporthal van [gedaagde] . De winkelruimte (hierna: de winkel) bevindt zich tussen de badmintonhal en vergaderzaal in op de begane grond. De winkel van [eisers] betreft een winkel in badmintonbenodigdheden.

2.3.

De winkel is toegankelijk via de dubbele buitendeur waarboven de naam [eisers] -Sport is vermeld.

2.4.

De winkel van [eisers] is daarnaast voor publiek toegankelijk via de sporthal, waar rolluiken voor de winkel de ingang vormen. Deze rolluiken zijn door [eisers] in overleg met [gedaagde] aangebracht aan de winkel en heeft [eisers] bij aanvang van de huurovereenkomst in gebruik genomen. Deze toegang wordt door de meeste klanten gebruikt.

2.5.

[gedaagde] heeft de binnendeur aan het einde van de gang – die toegang geeft tot de sporthal en kleedruimten – voorzien van een pasjessysteem, zodat deze deur alleen geopend kan worden door degenen die over een toegangspasje beschikken.

2.6.

De tweede binnendeur links in de gang kan eveneens toegang geven tot de winkel. Deze deur is de afgelopen zes jaar niet gebruikt.

2.7.

De sporthal wordt naast de badmintonactiviteiten (bijna) dagelijks gebruikt door basisscholen voor gymlessen.

2.8.

In de mail van 7 januari 2020 van [gedaagde] aan [eisers] staat onder meer vermeld dat [gedaagde] heeft besloten een aantal hoofdlijnen op te stellen ten aanzien van het toekennen van pasjesrechten. Hierin staat onder meer dat [eisers] geen enkele toegang meer heeft tot de badmintonzaal.

2.9.

In de mail van 29 januari 2020 deelt [gedaagde] onder meer het volgende aan [eisers] mee:

(…) Als er geen badmintonactiviteiten zijn in de hal is toegang tot de [eisers] -ruimte uitsluitend toegestaan via de tweede linker deur in de zijingang – zoals wij ook reeds bericht hebben aan DAS bij brief van 11 januari jl. – waar zoals u weet geen pasje voor nodig is en die met een fysieke sleutel te openen is. De rolluiken tussen uw ruimte en de badmintonhal dienen dan gesloten te zijn. (..)

2.10.

Vanaf aanvang van de huurovereenkomst heeft [eisers] – middels een eigen netwerk – gebruik gemaakt van de internetaansluiting via het modem van [gedaagde] .

2.11.

In de mail van [gedaagde] aan [eisers] van 22 januari 2020 staat onder meer vermeld:

“U kunt, tot 1 maart 2020, gewoon gebruik maken van het [gedaagde] netwerk.(…)

Na 1 maart 2020 dient u zelf voor uw internet aansluiting zorg te dragen en zal deze verbinding niet meer open worden gesteld. (…)”

2.12.

In de verklaring van B-Sec van 1 februari 2020 staat onder meer vermeld:

“Als er een nieuwe Adsl/Vdsl aansluiting moet worden gerealiseerd zal dat na aanvraag gemiddeld drie weken in beslag nemen voordat het is aangesloten. Het aanleggen van het modem kan ik voor mijn zorg nemen. (…)”

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eisers] vordert, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren :

I. Binnen 24 uur na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis de oude situatie te herstellen en eisers op normale wijze als voorheen toegang te verlenen tot de hal en derhalve aan hen een of meerdere pasjes te verstrekken waarmee de toegangsdeur tot de hal te openen is, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag;

II. Ervoor zorg te dragen dat ook na 1 maart 2020 eisers op gebruikelijke wijze als voorheen van internet zijn voorzien en voorzien te houden, voor het geval dat het vonnis na 1 maart 2020 pas wordt gewezen om binnen 24 uur na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis, eisers weer van internet te voorzien en voorzien te houden op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag;

III. [eisers] te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder salaris van gemachtigde.

3.2.

Aan haar vorderingen legt [eisers] ten grondslag dat door [gedaagde] het normale huurgenot niet meer aan haar wordt verleend. Zij wordt ernstig belet in de uitoefening van haar bedrijf in de winkelruimte, met name doordat de normale toegang tot de winkel wordt belemmerd door [gedaagde] en tevens het internet van de winkel afgesloten dreigt te worden. Zowel op het punt van de toegang tot de winkelruimte, als de internetaansluiting van de winkel, is het [gedaagde] niet toegestaan daar eenzijdig wijzigingen in aan te brengen, zodat [eisers] vordert dat de situatie in oude staat wordt hersteld dan wel gehandhaafd, op straffe van dwangsommen.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. Om [eisers] in reconventie te bevelen:

  1. om het pasje – dat de deur aan het einde van de gang kan ontsluiten – niet te gebruiken indien in de sporthal – volgens het overgelegde schema – geen badmintonactiviteiten of badmintontrainingen door Mevrouw [eiseres sub 2] worden ontwikkeld;

  2. om de rolluiken tussen de winkel en de sporthal gesloten te houden indien er geen badmintonactiviteiten/trainingen worden ontwikkeld.

2. Een en ander op straffe van een te verbeuren dwangsom van € 250,00 voor iedere keer dat wordt gehandeld in strijd met de onder punt 1. uit te spreken veroordeling, tot een maximum van € 10.000,00.

3. Alles met veroordeling van [eisers] in reconventie in de kosten van dit geding.

4.2.

[eisers] voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze gezamenlijk worden behandeld.

5.2.

[gedaagde] heeft aangekondigd dat zij [eisers] de toegang tot de sporthal op de momenten dat er geen badmintonactiviteiten in de hal plaatsvinden, volledig wil ontzeggen. Daarnaast heeft [gedaagde] meegedeeld aan [eisers] dat zij vanaf 1 maart 2020 geen gebruik meer van de internetaansluiting kan maken. Van een spoedeisend belang van [eisers] bij de vorderingen is voldoende gebleken, nu onweersproken vaststaat dat zij over een directe toegang voor de klanten dient te beschikken en het voor de bedrijfsvoering van haar winkel vereist is dat zij een (goed werkende) internetverbinding heeft.

5.3.

In deze kort geding procedure moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder nader onderzoek, beoordeeld worden of de vorderingen van [eisers] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopen daarop door toewijzing reeds nu gerechtvaardigd is.

5.4.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij niet langer toestaat dat [eisers] als er geen badmintonactiviteiten zijn in de sporthal, haar klanten via de hal door de rolluiken in de winkel binnen laat komen. Volgens [gedaagde] is het nooit de bedoeling geweest dat [eisers] deze toegang voor klanten zou gebruiken op het moment dat er geen activiteiten in de sporthal plaatsvinden. [gedaagde] heeft dit laatste echter niet onderbouwd, zodat dit niet vast is komen te staan.

Tijdens de mondelinge behandeling is door [gedaagde] bovendien erkend dat vanaf de aanvang van de huurovereenkomst de meeste klanten via de rolluiken in de sporthal de winkel van [eisers] binnenkomen, ook als er geen activiteiten plaatsvinden in de sporthal. Tevens is vast komen te staan dat de deur van de winkel van [eisers] waarvan [gedaagde] wil dat deze als ingang wordt gebruikt, gedurende zes jaar nooit is gebruikt en ook altijd op slot heeft gezeten. Voor deze deur staan en hangen ook kledingrekken volgens [eisers] , zodat het ook uit praktisch oogpunt niet mogelijk zou zijn die deur te gebruiken. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat sprake is van een bestendige situatie, hetgeen betekent dat niet zonder zwaarwegende redenen die situatie eenzijdig kan worden gewijzigd.

5.5.

[gedaagde] heeft daartoe aangevoerd dat zij er belang bij heeft dat de sporthal niet wordt betreden door onbevoegden en dat het om die reden noodzakelijk is dat de binnendeur aan het einde van de gang – indien er geen activiteiten plaatsvinden in de sporthal – afgesloten is. Zij voert aan dat dit thans niet het geval is en daardoor de veiligheid in het gedrang komt, nu [eisers] de binnendeur aan het einde van de gang laat openstaan, door het plaatsen van een wig tussen deze deur die toegang geeft tot de hal en kleedruimten. Op die manier kunnen onbevoegden in de hal en kleedruimten komen op het moment dat er geen activiteiten plaatsvinden in de sporthal. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eisers] echter uitdrukkelijk betwist dat zij een wig plaatst tussen deze deur. Zij heeft toegelicht dat dit met regelmaat wordt gedaan door de leraren van de basisschool die in de hal gymlessen geven, zodat leerlingen in en uit kunnen lopen. Door [gedaagde] is dit niet danwel onvoldoende betwist, zodat niet vast is komen te staan dat [eisers] degene is die een wig tussen de deur plaatst. Derhalve kan [eisers] niet worden aangerekend dat zij een onveilige situatie laat ontstaan. [eisers] heeft verder toegelicht dat zij de deur opent wanneer de klanten bij haar aanbellen, door middel van het indrukken van een knop die de deur (die toegang geeft tot de hal en kleedruimten) ontgrendeld. Die deur blijft vervolgens vijftien minuten ontgrendeld, omdat dit zo is ingesteld. [eisers] heeft als oplossing hiervoor aangedragen dat zij voor deze deur een pasje krijgt om de deur te ontgrendelen, zodat de deur direct weer in het slot valt.

5.6.

Gelet op voorgaande feiten en omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat [gedaagde] geen gerechtvaardigd belang heeft bij het eenzijdig wijzigen van de toegangsmogelijkheid van de winkel. Niet gebleken is dat het aan [eisers] is te wijten dat de deur naar de hal (regelmatig) geopend is. Het belang van [gedaagde] dat er geen onbevoegden in de sporthal en kleedruimte kunnen komen als er geen activiteiten plaatsvinden in de hal is op zichzelf terecht, maar dit kan worden opgelost door [eisers] de mogelijkheid te geven door middel van een pasje de deur aan het einde van de gang te openen voor klanten en [eisers] niet langer toe te staan de knop te gebruiken om de deur te openen. Wat betreft de wig die ervoor zorgt dat de deur naar de sporthal openstaat, geldt dat [gedaagde] dit probleem dient op te lossen met de desbetreffende betrokken partij(en), nu [eisers] niet degene is die gebruikt maakt van de wig. Dat er weliswaar nog een andere ingang is die door [eisers] kan worden gebruikt (via de tweede binnendeur links) en [eisers] derhalve nog een tweede mogelijkheid heeft om de klanten toegang te verlenen tot de winkel door de kledingrekken te verplaatsen die nu voor die deur staan/hangen, doet gelet op de hiervoor aangehaalde feiten en omstandigheden niet af.

5.7.

Nu de rolluiken (via de sporthal) door [eisers] vanaf aanvang huur – inmiddels zes jaar lang – worden gebruikt als ingang voor de klanten en er geen zwaarwegende redenen zijn om dit eenzijdig te wijzigen, acht de voorzieningenrechter de kans dat de bodemrechter tot toewijzing van de vorderingen van [eisers] overgaat voldoende aannemelijk.

Dat betekent dat de vorderingen van [eisers] worden toegewezen en dat [gedaagde] gehouden is om [eisers] op normale wijze als voorheen toegang te verlenen tot de hal en dat [gedaagde] aan [eisers] één of meerdere pasjes dient te verstrekken waarmee de toegangsdeur tot de hal te openen is.

Internet

5.8.

Ten aanzien van het internetgebruik staat vast dat [eisers] vanaf aanvang van de huur gebruik maakt van de internetaansluiting via het modem van [gedaagde] vanuit de meterkast die via glasvezel binnenkomt bij [gedaagde] . Beide partijen hebben daarbij hun eigen netwerk. Sinds
13 januari 2020 ondervindt [eisers] problemen met het internet. Daarnaast heeft [gedaagde] aangekondigd dat [eisers] per 1 maart 2020 geen internettoegang meer krijgt via het modem van [gedaagde] , maar dat zij vanaf die datum voor een eigen internetaansluiting moet zorgen.

5.9.

Vaststaat dat het voor de bedrijfsvoering van [eisers] noodzakelijk is dat zij een deugdelijke internetverbinding heeft. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het niet duidelijk is of er daadwerkelijk een mogelijkheid bestaat voor [eisers] om een eigen modem en internetaansluiting te realiseren, nu volgens [eisers] het splitsen van glasvezel niet mogelijk is. De “verklaring” die door [gedaagde] is overgelegd van een vermeende ICT-deskundige wordt door [eisers] betwist, nu die afkomstig is van een monteur van een beveiligingsbedrijf (B-sec). Aan deze verklaring kan ook geen waarde worden gehecht, nu hieruit niet blijkt dat is onderzocht wat de daadwerkelijke mogelijkheden zijn voor een eigen internetaansluiting voor [eisers] .

Nu [eisers] al zes jaar lang gebruik maakt van de internetaansluiting via het modem van [gedaagde] en thans niet duidelijk is of een internetaansluiting via een eigen modem voor [eisers] daadwerkelijk is te realiseren, acht de voorzieningenrechter de kans dat de bodemrechter tot toewijzing van de vordering van [eisers] overgaat voldoende aannemelijk. [gedaagde] dient dan ook onverkort de internettoegang via haar modem aan [eisers] te verlenen.

Dwangsommen

5.10.

De door [eisers] gevorderde dwangsommen zijn eveneens toewijsbaar, op de hierna te melden wijze. [gedaagde] heeft hier ook geen afzonderlijk verweer tegen gevoerd.

5.11.

Gelet op de uitkomst in conventie, worden de vorderingen in reconventie afgewezen.

Proceskosten

5.12.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten van [eisers] , tot vandaag begroot op € 950,47, bestaande uit € 106,47 aan explootkosten,
€ 124,00 aan griffierecht en € 720,00 aan salaris gemachtigde.

Voor de reconventie worden de proceskosten op nihil gesteld, nu dit gelet op de samenhang tussen de conventie en reconventie, geen noemenswaardige extra werkzaamheden voor [eisers] met zich heeft meegebracht.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

6.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 24 uur na dagtekening van dit vonnis de oude situatie te herstellen en [eisers] op normale wijze als voorheen toegang te verlenen tot de hal en derhalve aan hen één of meerdere pasjes te verstrekken waarmee de toegangsdeur tot de hal te openen is, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, met een maximum van € 10.000,00;

6.2.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 24 uur na dagtekening van het vonnis [eisers] weer van internet te voorzien en voorzien te houden op straffe van een dwangsom van
€ 1.000,00 per dag, met een maximum van € 10.000,00;

6.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten zijdens [eisers] , in deze begroot op € 950,47;

6.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie:

6.6.

wijst de vorderingen af;

6.7.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eisers] , in deze begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2020.