Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:917

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-03-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
498594 / HA RK 20-55
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak. Zaak schietpartij 24 Oktoberplein: wrakingsverzoek naar aanleiding van procesbeslissing ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beslissing

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER

Zaaknummer/rekestnummer: 498594 / HA RK 20-55

Schriftelijke uitwerking van de beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 5 maart 2020


op het verzoek in de zin van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) van:

[verzoeker] ,

wonend in [woonplaats] ,

verder te noemen verzoeker,

gemachtigde: drs. K. Aachboun.

1 De procedure

1.1.

Verzoeker heeft op 5 maart 2020 de meervoudige strafkamer bestaande uit mrs. R. Veldhuisen, C.M.A.T. van der Geest en J.G. van Ommeren (verder te noemen: de rechters) gewraakt in de strafzaak met parketnummer 16/659055-19 tegen verdachte [verdachte] . In deze strafprocedure heeft verzoeker zich gevoegd als één van de benadeelde partijen.

1.2.

De wrakingskamer heeft het verzoek op 5 maart 2020 behandeld. De gemachtigde van verzoeker heeft het wrakingsverzoek nader toegelicht. De rechters zijn niet aanwezig geweest bij deze behandeling, maar hebben schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek. Bij de behandeling waren ook aanwezig verdachte en diens raadsman mr. A.M. Seebregts, alsmede de advocaten/gemachtigden van de (overige) benadeelde partijen.

1.3.

Op 5 maart 2020 heeft de wrakingskamer een mondelinge beslissing gegeven op het wrakingsverzoek van verzoeker. Dit betrof een verkorte beslissing. Het onderstaande vormt de in die beslissing toegezegde nadere schriftelijke uitwerking daarvan en is op 10 maart 2020 vastgesteld.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Verzoeker heeft het volgende ten grondslag gelegd aan zijn wrakingsverzoek. Op 27 februari 2020 heeft hij een klacht op grond van artikel 12 Sv bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ingediend, omdat hij het niet eens is met de beslissing van de officier van justitie om verdachte te vervolgen ter zake van bedreiging van verzoeker. Verzoeker is van mening dat verdachte in plaats daarvan vervolgd moet worden ter zake van poging tot moord met terroristisch oogmerk van verzoeker. De gemachtigde van verzoeker heeft daarom op 27 februari 2020 de rechters schriftelijk verzocht om aanhouding van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak, voor zover het de bespreking van de feiten betreft die zien op de handelingen tegen verzoeker, totdat het gerechtshof beslist heeft naar aanleiding van voornoemde klacht. Op 28 februari 2020 heeft mr. Veldhuisen aan verzoeker geantwoord dat hij geen aanleiding ziet om bij wijze van voorgenomen beslissing van de rechters te bewilligen in het verzoek. Ook heeft mr. Veldhuisen daarbij aangetekend dat het de gemachtigde van verzoeker vrij staat ter terechtzitting een aanhoudingsverzoek te doen. De gemachtigde heeft op deze e-mail gereageerd en gewezen op het landelijk aanhoudingenprotocol en het landelijk strafprocesreglement waaruit blijkt dat het mogelijk is om een schriftelijk aanhoudingsverzoek in te dienen.

2.2.

Volgens verzoeker is de voorzitter blijven volharden dat het hem vrijstaat om op de terechtzitting een aanhoudingsverzoek te doen, terwijl er al een schriftelijk aanhoudingsverzoek was ingediend. Op de eerste zittingsdag van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak, op 2 maart 2020, waren verzoeker en zijn gemachtigde niet aanwezig, maar toen is het aanhoudingsverzoek ambtshalve behandeld en afgewezen. In het e-mailbericht van 3 maart 2020 hebben de rechters laten weten dat gemachtigde noch verzoeker op de eerste zittingsdag een verzoek heeft geformuleerd. Dit was volgens verzoeker ook niet nodig omdat er al een schriftelijk aanhoudingsverzoek was ingediend op 27 februari 2020.

2.3.

Uit deze omstandigheden volgt volgens verzoeker dat de rechters het landelijk aanhoudingenprotocol hebben veronachtzaamd. Verzoeker heeft daarom als benadeelde partij in de strafzaak de objectief en gerechtvaardigde vrees aangaande mogelijke vooringenomenheid en/of schijn van partijdigheid van de rechters.

2.4.

De rechters hebben niet berust in de wraking. In hun schriftelijke reactie hebben zij een overzicht gegeven van de mailwisseling tussen de gemachtigde en de rechters. Verder hebben zij de wrakingskamer in overweging gegeven het verzoek ongegrond te verklaren, en daarbij opgemerkt dat het niet ondenkbaar is dat de wrakingskamer verzoeker, slachtoffer in de zin van Sv, niet-ontvankelijk zal verklaren.

2.5.

Mr. Seebregts heeft op de zitting naar voren gebracht dat hij de rechters niets heeft horen doen of zeggen waaruit vooringenomenheid blijkt, of de schijn daarvan. Verder is volgens hem sprake van een procesbeslissing. In dat kader heeft hij gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 (vindplaats: ECLI:NL:HR:2018:1413).

2.6.

Namens de andere benadeelde partijen hebben de advocaten mr. A.J.J.G. Schijns en mr. E.W. Bosch op de zitting naar voren gebracht dat het verzoek te laat is ingediend. Daarnaast is het landelijk aanhoudingenprotocol geen geldend recht, maar slechts een handreiking met gezichtspunten voor de rechter. Het is begrijpelijk dat over een aanhoudingsverzoek in een strafzaak met zoveel betrokkenen, al deze betrokkenen gehoord moeten worden. Tot slot is ook gewezen op het door de Hoge Raad geformuleerde criterium in het hiervoor genoemde arrest.

3 De beoordeling

Ontvankelijkheid verzoeker

3.1.

De rechters en de benadeelde partijen hebben zich op het standpunt gesteld dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek. De wrakingskamer oordeelt hierover als volgt.

3.2.

Verzoeker heeft zich in deze strafprocedure gevoegd als benadeelde partij en heeft een civiele vordering ingediend. De behandeling van deze vordering is daarmee onderdeel geworden van het strafproces. Verzoeker heeft het recht om als partij in het civiele geding, dat de rechtbank in het kader van de strafzaak behandelt, desgewenst een verzoek tot wraking in te dienen. In die zin is verzoeker ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek.

3.3.

Aangaande het standpunt van de benadeelde partijen dat verzoeker te laat heeft gewraakt geldt het wettelijk uitgangspunt dat een wrakingsverzoek moet worden ingediend zodra de feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. In dit geval heeft de wrakingskamer vastgesteld dat de gemachtigde van verzoeker op 27 februari 2020 de rechters heeft verzocht de behandeling van de strafzaak aan te houden voor zover deze betrekking heeft op het ten laste gelegde strafbare feit dat ziet op verzoeker. Op 28 februari 2020 heeft de voorzitter geantwoord dat hij geen aanleiding zag om bij wijze van voorgenomen beslissing van de rechtbank in het verzoek te bewilligen. Op dezelfde dag heeft de gemachtigde het verzoek herhaald, heeft de voorzitter bericht niet terug te komen op zijn eerdere antwoord en heeft de gemachtigde nogmaals een bericht aan de rechtbank gestuurd. Op 1 maart 2020 heeft de gemachtigde een rappel aan de rechtbank gestuurd. Op 2 maart 2020 hebben de rechters ter terechtzitting, waar verzoeker noch diens gemachtigde was verschenen, het verzoek om aanhouding afgewezen. Op 2 maart 2020, 18.50 uur, heeft de gemachtigde nogmaals een rappel aan de rechtbank gestuurd. Op 3 maart 2020 heeft de rechtbank geantwoord dat zij ter terechtzitting van 2 maart 2020 het aanhoudingsverzoek heeft afgewezen. Op 4 maart 2020 bericht de gemachtigde aan de rechtbank dat hij nog terug zal komen op het bericht van de rechtbank van 3 maart 2020. Op 5 maart 2020 volgt dan ter terechtzitting het verzoek tot wraking. Gelet op de inhoud en het tijdsverloop van de hiervoor genoemde correspondentie tussen de gemachtigde van verzoeker en de rechtbank is de wrakingskamer van oordeel dat verzoeker niet zo lang heeft gewacht met het indienen van het verzoek tot wraking dat hij zijn recht verspeeld zou hebben om nog een verzoek in te dienen. Dus ook vanuit dit gezichtspunt is verzoeker ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek.

Beoordeling wrakingsverzoek

3.4.

Artikel 512 Sv bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

3.5.

De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Van dat laatste kan sprake zijn indien uit zijn of haar overtuiging of gedrag persoonlijke vooringenomenheid tegenover een procespartij blijkt. Daarnaast kan een procespartij de indruk krijgen dat de rechter vooringenomen is. Het gezichtspunt van de procespartij is hier van belang maar speelt geen doorslaggevende rol. Beslissend is of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Komt vooringenomenheid of een gerechtvaardigd vermoeden daarvan vast te staan, dan lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaven beoordelen.

3.6.

Uit de ter zitting gegeven toelichting door de gemachtigde van verzoeker heeft de wrakingskamer afgeleid dat het wrakingsverzoek niet zozeer gericht is tegen de beslissing van de rechters om in eerste instantie het verzoek tot aanhouding van 27 februari 2020 niet meteen te behandelen en daarop te beslissen of de beslissing om dat verzoek op 2 maart 2020 te behandelen, maar veeleer tegen de omstandigheid dat de wijze waarop de rechters dat initiële verzoek van 27 februari 2020 behandeld hebben, namelijk door niet meteen te antwoorden, een handelwijze zou zijn die in strijd is met het landelijk aanhoudingenprotocol.

3.7.

De wrakingskamer is van oordeel dat de beslissing van de rechters om het verzoek tot aanhouding niet aanstonds en voorafgaand aan de terechtzitting te behandelen, maar te beslissen dat hierop later beslist zou worden, moet worden aangemerkt als een procesbeslissing. In de hierboven genoemde uitspraak van de Hoge Raad staat dat de wrakingskamer over de juistheid van zo’n procesbeslissing geen oordeel toekomt. De Hoge Raad heeft wel één uitzondering geformuleerd. Als de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven zou daarin een grond voor wraking kunnen liggen. Naar het oordeel van de wrakingskamer is hier geen sprake van. De beslissing en de motivering van de rechters houden in dat zij nu niet gaan antwoorden op het verzoek van aanhouding, maar op een later tijdstip, namelijk op de terechtzitting. Dat geeft ook de andere procespartijen de mogelijkheid om op dit verzoek te reageren. Deze motivering geeft geen blijk van enige vooringenomenheid van de rechters.

3.8.

De wrakingskamer voegt hier nog aan toe dat voor het geval uit enig handelen in strijd met het landelijk aanhoudingenprotocol vooringenomenheid af te leiden zou zijn, dat met deze beslissing ook niet in strijd met dit protocol is gehandeld. De beslissing van de rechters om niet meteen op het ingediende verzoek te beslissen, maar mee te delen dat later zou worden beslist, is niet in strijd met de inhoud en bewoordingen van het landelijk aanhoudingenprotocol.

3.9.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking ongegrond verklaren.

4 De beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechters, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter(s) van het team strafrecht, waarin de rechters werkzaam zijn en de president van deze rechtbank;

4.3.

bepaalt dat de behandeling van de strafzaak met parketnummer 16/659055-19 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, mrs. R.J. Praamstra en C.S.K. Fung Fen Chung als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. F.G.T. Russcher-Jansen en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2020.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.