Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:904

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
10-03-2020
Zaaknummer
16-079048-19 (P) en 16-652842-17 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 20-jarige man wordt veroordeeld voor het plegen van een woninginbraak, de heling van een iPad en het dealen van harddrugs. De rechtbank spreekt verdachte vrij van de deelname aan een criminele organisatie die het plegen van woningbraken als doel had.

De rechtbank legt verdachte een jeugddetentie van veertien maanden op, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijke deel van de straf verbindt de rechtbank bijzondere voorwaarden. De rechtbank vindt het belangrijk dat de veroordeelde hulp krijgt, om zoveel mogelijk te voorkomen dat hij opnieuw strafbare feiten zal plegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16-079048-19 (P) en 16-652842-17 (tul)

Vonnis van de meervoudige kamer van 10 maart 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1999] in [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] , [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De rechtszaak tegen [verdachte] heeft in het openbaar plaatsgevonden op de zittingen van 15 juli 2019, 25 september 2019, 10 februari 2020 en 11 februari 2020. Op 10 en 11 februari 2020 is de zaak inhoudelijk behandeld. [verdachte] was bij de inhoudelijke behandeling aanwezig, waardoor juridisch gezien sprake is van een vonnis op tegenspraak. Het onderzoek op de zitting is op 2 maart 2020 gesloten.

De rechtbank heeft tijdens de zitting gesproken met en geluisterd naar de standpunten van [verdachte] zelf, zijn advocaat mr. A.C. Vingerling en de officier van justitie mr. C.J. Booij.

2 TENLASTELEGGING

De officier van justitie verdenkt [verdachte] ervan dat hij betrokken is geweest bij meerdere strafbare feiten. Deze verdenkingen staan beschreven in de tenlastelegging, die als bijlage is opgenomen in dit vonnis.

Kort gezegd verdenkt de officier van justitie [verdachte] ervan dat hij:

  1. samen met anderen op 19 oktober 2018 heeft ingebroken op het [adres] in [woonplaats] , waarbij zij geld, sieraden, horloges, een autosleutel, een laptop, een telefoon en een tablet (iPad) van [benadeelde 1] hebben weggenomen (primair), dan wel op 2 april 2019 in Amersfoort een tablet (iPad) in zijn bezit heeft gehad terwijl hij wist dat die tablet van een misdrijf afkomstig was (subsidiair);

  2. samen met anderen op 26 februari 2019 heeft ingebroken op de [adres] in [woonplaats] , waarbij zij geld, sieraden en een iPhone 4s van [benadeelde 2] hebben weggenomen (primair), dan wel dat hij heeft geholpen bij het plegen van die inbraak door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te vervoeren, voor hen op de uitkijk te staan, hen op te halen en de weggenomen goederen voor hen veilig te stellen (subsidiair);

  3. in de periode van 1 januari 2019 tot en met 2 april 2019 in Amersfoort een criminele organisatie heeft gevormd met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] die het plegen van inbraken als doel had;

  4. samen met anderen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 2 april 2019 in Amersfoort in cocaïne en heroïne heeft gehandeld;

  5. op 2 april 2019 in Amersfoort cocaïne en heroïne in zijn bezit heeft gehad;

  6. in de periode van 1 januari 2019 tot en met 2 april 2019 in Amersfoort een criminele organisatie heeft gevormd met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] die het plegen van drugsdelicten als doel had.

3 VOORVRAGEN

Voordat de rechtbank een inhoudelijke beslissing kan nemen in de zaak tegen [verdachte] , moet zij eerst kijken of aan de in de wet gestelde voorvragen is voldaan. Dat is het geval: de dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen, de officier van justitie mag [verdachte] vervolgen en er zijn geen redenen om de vervolging uit te stellen.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om [verdachte] vrij te spreken van feit 3 en feit 6. De officier van justitie vindt dat er tussen [verdachte] en de medeverdachten niet zoveel contact heeft plaatsgevonden dat van deelname aan een criminele organisatie kan worden gesproken. De officier van justitie vindt dat wel bewezen kan worden dat [verdachte] de andere feiten op de tenlastelegging heeft gepleegd.

Voor wat betreft feit 1 vindt de officier van justitie dat alleen kan worden bewezen dat [verdachte] een iPad in zijn bezit heeft gehad terwijl hij wist dat die iPad gestolen was. Op de iPad zat een code die bekend was bij mevrouw [benadeelde 1] . De iPad was dus evident van misdrijf afkomstig en ook niet bij [verdachte] in gebruik. De verklaring van [verdachte] dat hij de iPad van iemand op Marktplaats heeft gekocht is volgens de officier van justitie niet geloofwaardig. Voor het onder feit 1 primair ten laste gelegde, de woninginbraak, is onvoldoende bewijs en dient [verdachte] te worden vrijgesproken.

De officier van justitie vindt dat ook kan worden bewezen dat [verdachte] betrokken was bij de woninginbraak in [woonplaats] (feit 2). De officier van justitie meent dat [verdachte] degene was die op het moment dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de woning waren in de auto zat. De persoon in de auto wordt in tapgesprekken ‘ [bijnaam] ’ of ‘ [bijnaam] ’ genoemd. Volgens de officier van justitie blijkt uit het dossier dat [verdachte] hiermee wordt bedoeld. [verdachte] heeft op de zitting verklaard dat hij niet als enige ‘ [bijnaam] ’ wordt genoemd toen hij met stukken uit het dossier geconfronteerd werd.

Alhoewel de handelingen die [verdachte] heeft verricht op het eerste gezicht meer bij medeplichtigheid lijken te passen, vindt de officier van justitie toch dat bewezen kan worden dat [verdachte] als medepleger bij de inbraak in [woonplaats] betrokken was. Hij is samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar [woonplaats] gegaan om een inbraak te plegen. Hij heeft tussentijds contact met hen gehad. [verdachte] had als enige de beschikking over het vervoersmiddel, de braakvoorwerpen, de buit en telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Hij heeft de buit en inbrekerswerktuigen ook verstopt. Tot slot heeft hij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] uiteindelijk opgehaald in de buurt van de plek waar was ingebroken.

De officier van justitie vindt dat ook bewezen kan worden dat [verdachte] harddrugs in zijn bezit heeft gehad (feit 5) en dat hij in harddrugs heeft gehandeld (feit 4). [verdachte] heeft bekend dat de harddrugs die in zijn woning zijn gevonden van hem zijn. Dat [verdachte] ook in harddrugs heeft gehandeld, blijkt volgens de officier van justitie uit het dossier. Ten eerste is de hoeveelheid drugs die in het huis van [verdachte] is gevonden te veel om alleen door [verdachte] gebruikt te worden. Daarnaast hebben een aantal afnemers [verdachte] herkend als de persoon van wie zij wel eens harddrugs hebben gekocht. Ook uit de berichten in de telefoons die in het huis van [verdachte] zijn gevonden blijkt volgens de officier van justitie dat [verdachte] zich al langere tijd bezig hield met dealen. Tijdens een gesprek met [medeverdachte 2] in het arrestantenbusje verklaarde [verdachte] daarnaast over een doos met handelswaar die hij onder het bed van zijn ouders had gegooid. Tot slot wijst de officier van justitie op de pseudokopen die hebben plaatsgevonden. Volgens de officier van justitie blijkt uit het dossier dat [verdachte] degene was die toen drugs aan de pseudokoper heeft verkocht.

De officier van justitie concludeert dat [verdachte] zes maanden lang in harddrugs heeft gedeald.

4.2

Het standpunt van de advocaat

De advocaat van [verdachte] is het met de officier van justitie eens dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van de feiten 3 en 6, maar vindt dat [verdachte] ook volledig van feit 1 moet worden vrijgesproken. Uit het dossier kan volgens de advocaat niet worden afgeleid dat [verdachte] ten tijde van het verkrijgen van de iPad wist of moest vermoeden dat deze van een misdrijf afkomstig was.

De advocaat vindt daarnaast dat uit het dossier hoogstens kan worden afgeleid dat [verdachte] als medeplichtige bij de inbraak in [woonplaats] betrokken was. De handelingen die hij zou hebben verricht zijn volgens de advocaat typische medeplichtigheidshandelingen.

De advocaat vindt net als de officier van justitie dat kan worden bewezen dat [verdachte] harddrugs in zijn bezit heeft gehad, aangezien [verdachte] dat heeft bekend. Volgens de advocaat blijkt uit het dossier niet dat [verdachte] zes maanden in harddrugs heeft gedeald. Hoogstens kan worden vastgesteld dat [verdachte] drie maanden in harddrugs heeft gedeald. De periode van zes maanden heeft de officier van justitie afgeleid uit berichten die in een telefoon stonden. Dat is één van de vele telefoons die in het huis van [verdachte] zijn gevonden. Volgens de advocaat staat niet vast dat die telefoon al die tijd ook bij [verdachte] in gebruik was. Een contra-indicatie daarvoor is volgens de advocaat dat [verdachte] in het gesprek met [medeverdachte 2] in het transportbusje zegt dat hij ‘de doos van de Turk’ onder het bed van zijn ouders heeft gegooid. Blijkbaar hield [verdachte] de doos waarin de drugs en telefoons zijn gevonden dus in bewaring voor iemand anders, aldus de advocaat.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Vrijspraak feit 1, primair, feit 3 en feit 6

De rechtbank spreekt [verdachte] vrij van feit 1, primair, feit 3 en feit 6. Hieronder legt de rechtbank per feit uit waarom zij dat doet.

Feit 1, primair

Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat [verdachte] samen met anderen of alleen een woninginbraak heeft gepleegd op 19 oktober 2018 in [woonplaats] . Het enkele feit dat op 2 april 2019 in de berging bij zijn woning een iPad afkomstig van deze woninginbraak is gevonden, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank zal [verdachte] daarom vrijspreken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde.

Feit 3

De rechtbank spreekt [verdachte] vrij van de deelname aan een criminele organisatie die het plegen van woningbraken als doel had, omdat uit het dossier niet blijkt dat de verdachten een gestructureerd en georganiseerd samenwerkingsverband vormden.

Juridisch kader criminele organisatie

Voor een bewezenverklaring van deelname aan een criminele organisatie is ten eerste vereist dat sprake is van een ‘organisatie’. Volgens vaste jurisprudentie betekent een organisatie: een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. Niet is vereist dat de verdachte heeft samengewerkt met alle andere personen van de organisatie, dat hij die kende of dat er steeds in dezelfde samenstelling werd samengewerkt (vgl. HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134).

Een organisatie is ‘crimineel’ als die organisatie het plegen van misdrijven als doel heeft. Voor het bewijs van dat doel kan van belang zijn of er misdrijven in het kader van de organisatie zijn gepleegd, of de samenwerking duurzaam en gestructureerd was en of de activiteiten van deelnemers die gericht waren op de verwezenlijking van het doel van de organisatie planmatig of stelselmatig waren (onder meer HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502).

Tot slot is voor een bewezenverklaring volgens de Hoge Raad vereist dat de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en bijdraagt aan het realiseren van het doel van de organisatie. De verdachte moet in zijn algemeenheid weten dat de organisatie een misdadig doel heeft, maar niet welke concrete misdrijven er zijn of worden gepleegd (HR 10 februari 2015, ECLI:NL:2015:264 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413).

Beoordeling

De rechtbank oordeelt dat niet is gebleken dat er een gestructureerd samenwerkingsverband bestond tussen [verdachte] en de in de tenlastelegging genoemde personen: [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . Ook is niet gebleken van een structureel samenwerkingsverband met iemand anders.

In het dossier bevinden zich veel processen-verbaal van uitgewerkte afgeluisterde gesprekken tussen de hiervoor genoemde personen. Ook is duidelijk geworden dat zij elkaar kennen. Voor veel gesprekken is echter te onduidelijk gebleven waarover de gesprekken gaan en ook kan uit de gesprekken niet worden afgeleid dat er een gestructureerd samenwerkingsverband bestond.

Uit het dossier blijkt dat er op momenten wel sprake was van enige planmatigheid in de samenwerking, maar niet dat de verdachten in structureel en georganiseerd verband woninginbraken hebben gepleegd. Soms gingen zij alleen op pad om een woninginbraak te plegen. De plannen om in te breken lijken daarnaast vrij willekeurig tot stand te zijn gekomen. Uit het dossier kan dan ook niet méér worden vastgesteld dan dat een aantal van de verdachten heeft samengewerkt om in te breken. Volgens de rechtbank is daarom geen sprake van een criminele organisatie die gericht was op het plegen van woninginbraken.

Gelet op wat hierboven besproken is, wordt [verdachte] vrijgesproken van de deelname aan een criminele organisatie die het plegen van woninginbraken als doel heeft.

Feit 6

De rechtbank spreekt [verdachte] ook vrij van de deelname aan een criminele organisatie die het plegen van drugsdelicten als doel had. Uit het dossier blijkt namelijk niet dat er sprake was van een samenwerkingsverband dat gericht was op de handel in drugs.

Bewezenverklaring feit 1, subsidiair, 2, 4 en 5

De rechtbank vindt dat bewezen is dat [verdachte] de feiten 1, subsidiair, 2, 4 en 5 heeft gepleegd. Hieronder maakt de rechtbank eerst enkele algemene opmerkingen over het bewijs. Daarna legt de rechtbank per feit uit waarom zij vindt dat bewezen is dat [verdachte] de feiten heeft gepleegd. [verdachte] heeft toegegeven dat hij feit 5 heeft gepleegd. De rechtbank zal voor dat feit de bewijsstukken daarom niet uitschrijven, maar de bewijsstukken alleen opsommen. De rechtbank verwijst dan met voetnoten naar de plaats in het dossier waar de bewijsstukken te vinden zijn.

Algemene opmerkingen

Tijdens het onderzoek werden de telefoonnummers waarvan de politie vermoedde dat die bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in gebruik waren getapt. Volgens de politie maakte [medeverdachte 1] gebruik van het nummer [telefoonnummer] .2 De wijkagent had dat nummer van [medeverdachte 1] gekregen en meerdere malen via dat nummer contact met hem gehad. De gebruiker van dat nummer noemde zich ook [medeverdachte 1] . De politie vermoedde dat [medeverdachte 3] gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer] .3 De gebruiker van dat nummer noemde zichzelf namelijk [medeverdachte 3] . Bovendien stond het abonnement op naam van de moeder van [medeverdachte 3] . De rechtbank gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat [medeverdachte 1] de gebruiker is van het nummer [telefoonnummer] en [medeverdachte 3] de gebruiker van het nummer [telefoonnummer] .

In het dossier zitten ook tapgesprekken waarin gebeld wordt met het nummer [telefoonnummer] . Het abonnement dat aan dit nummer gekoppeld was stond op naam van [autorijschool] , [adres] in [woonplaats] . Dat is het woonadres van [medeverdachte 2] . De ouders van [medeverdachte 2] hebben op 27 februari 2019 hetzelfde nummer opgegeven als het nummer van [medeverdachte 2] .4 De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat [medeverdachte 2] de gebruiker is van het nummer [telefoonnummer] .

Nadat de verdachten op 2 april 2019 zijn aangehouden, zijn zij in een arrestantenbusje vervoerd. [medeverdachte 1] is samen met [medeverdachte 3] in een busje geplaatst en [medeverdachte 2] samen met [verdachte] . In beide busjes was afluisterapparatuur geplaatst. De stemmen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] werden door verbalisant [verbalisant 1] herkend, omdat zij een aantal weken de tapgesprekken van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] had beluisterd.5 Wie wat heeft gezegd in het arrestantenbusje waarin [medeverdachte 2] en [verdachte] zaten werd afgeleid uit hetgeen zij hebben gezegd. De man die in de bewijsstukken NN1 wordt genoemd, vertelde over een witte doos vol handelswaar die hij onder het bed van zijn ouders had gezet. Bij de doorzoeking van het huis van [verdachte] werd een witte doos met drugs onder het bed van zijn ouders gevonden. De man die NN2 wordt genoemd vertelde dat hij verdacht werd van inbraken in Kootwijkerbroek, Harskamp, Overberg en Baarn. Dat zijn inbraken waarvan [medeverdachte 2] wordt verdacht. De politie concludeerde dan ook dat NN1 [verdachte] is en NN2 [medeverdachte 2] .6 De rechtbank neemt deze conclusie over.

Feit 1, subsidiair

De rechtbank vindt niet bewezen dat [verdachte] bij de woninginbraak op het [straat] in [woonplaats] betrokken was, maar wel dat hij de iPad die bij die woninginbraak is meegenomen in zijn bezit had terwijl hij wist dat die iPad van een misdrijf afkomstig was.

Op 19 oktober 2018 heeft [benadeelde 1] aangifte gedaan van een inbraak in zijn woning. Uit de bijlage bij de aangifte blijkt dat er onder andere een laptop is meegenomen door de daders.7 Later heeft mevrouw [benadeelde 1] aangegeven dat daarmee een iPad werd bedoeld.8

Tijdens de doorzoeking op 2 april 2019 in de woning waar onder andere [verdachte] woont, is een iPad gevonden en in beslag genomen. De iPad werd door de politie gevonden in de berging die bij het huis hoort, in een smalle opening tussen twee kasten. De User-ID stond op naam van [User-ID] . De politie heeft toen contact opgenomen met de aangever. Mevrouw [benadeelde 1] gaf aan dat de code van de iPad [code] was. De iPad kon ook met die code worden geopend. Mevrouw [benadeelde 1] gaf aan dat deze iPad was gestolen bij de inbraak op 19 oktober 2019.9

Op de zitting heeft [verdachte] verklaard dat hij de iPad via Marktplaats van iemand heeft gekocht. Hij wist niet meer hoeveel hij voor de iPad had betaald of wanneer hij de iPad had gekocht. Het geld voor de iPad had hij van zijn zus en zijn vader gekregen. Het zou een iPad worden voor het hele gezin. [verdachte] verklaarde dat de batterij van de iPad leeg was toen hij hem kocht. Hij had geen code gekregen om de iPad te openen. De iPad lag volgens hem in de berging tussen twee kasten in, omdat hij was vergeten de iPad mee naar boven te nemen.10

Interpretatie van de bewijsstukken

Op grond van de bewijsstukken die hierboven zijn besproken, vindt de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] een iPad in zijn bezit heeft gehad terwijl hij wist dat die iPad van een misdrijf afkomstig was. Vaststaat dat de iPad afkomstig is van een woninginbraak. [verdachte] heeft bij de politie niets willen zeggen over de herkomst van de iPad. Pas op de zitting van 10 februari 2020 is hij met een verklaring gekomen. De verklaring die [verdachte] op zitting heeft afgelegd, vindt de rechtbank onaannemelijk. Details over de verkoper en de verkoop kan [verdachte] niet vertellen. Hij weet alleen dat hij de iPad heeft gekocht met geld van zijn familieleden en dat de iPad gebruikt zou worden door het hele gezin. De omstandigheden dat de iPad verstopt tussen twee kasten in de berging wordt gevonden en dat de iPad volgens [verdachte] leeg was en hij geen ontgrendelingscode heeft gekregen, maken dat de rechtbank zijn verklaring ongeloofwaardig vindt. Nu [verdachte] niet met een aannemelijke verklaring over de herkomst van de iPad is gekomen, terwijl de iPad nog was vergrendeld met de code van degene die aangifte heeft gedaan van diefstal van de iPad, gaat de rechtbank ervan uit dat hij wist dat de iPad van een misdrijf afkomstig was.

Feit 2

Op 27 februari 2019 heeft [aangever] namens zijn moeder, [benadeelde 2] , aangifte gedaan van een inbraak in de woning van zijn moeder aan de [adres] in [woonplaats] op 26 februari 2019 tussen 18.00 uur en 22.15 uur. Volgens de bijlage bij de aangifte zijn verschillende sieraden, een iPhone 4S en geld weggenomen.11

Uit het sporenonderzoek is gebleken dat de daders de woning binnen zijn gekomen via het toiletraam. Verbalisant [verbalisant 2] zag dat het mogelijk was om het toiletraam te verwijderen.12

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 26 februari 2019 rond 21.55 uur werd gebeld door zijn buurman met de mededeling dat hij een zwarte Volvo al een paar keer door het Kraatswegje zag rijden. Getuige [getuige 1] zag dat er een zwarte Volvo geparkeerd stond voor zijn woning. Hij heeft toen een foto gemaakt van die Volvo. Daarna reed de bestuurder van de Volvo weg. Het kenteken van de auto was [kenteken] .

Even later kwamen er twee jongens aanlopen. Zij liepen over de Dorpsstraat en sloegen linksaf het Kraatswegje in. De getuige zei toen dat ‘hij’ al weg was. Hij hoorde toen één van de jongens zeggen “oh shit, hij is al weg”.13

Op 27 februari 2019 om 00.15 uur belden de ouders van [medeverdachte 2] de politie, omdat [medeverdachte 2] niet thuis was gekomen. Zij vertelden dat [medeverdachte 2] weg was met de auto, een Volvo met kenteken [kenteken] .14

Op 26 februari 2019 om 22.16 uur belde [medeverdachte 3] naar de telefoon van [medeverdachte 1] . Iemand anders dan [medeverdachte 1] (hierna: “NNM”) nam op. Hij zei dat hij ‘ruwina’ (de rechtbank begrijpt: chaos) buiten de stad heeft en dat hun kenteken is gezien. Hij zei dat [medeverdachte 1] ‘loesoe’ (de rechtbank begrijpt: weg) is en ergens in de bosjes verstopt zit. Hij vroeg aan [medeverdachte 3] het nummer van de Nokia van [medeverdachte 1] .15

[medeverdachte 3] belde om 22.18 uur met een onbekend gebleven persoon en vroeg naar het ‘nokie’ (de rechtbank begrijpt: Nokia) nummer. Het nummer [telefoonnummer] wordt dan gegeven.16

In een gesprek met [medeverdachte 3] om 22.27 uur zei NNM dat hij geparkeerd staat, maar dat zij terug gingen om meer te pakken. Hij zei dat het kenteken van [medeverdachte 2] gefotografeerd is. Hij vertelde dat alle telefoons vergeten zijn. Hij had gebeld naar de Nokia. Toen werd gezegd dat ze in de tuin rechts waren, alleen daar stonden elke keer die mensen.17

In een gesprek met [medeverdachte 3] om 22.31 uur zei NNM dat hij in de auto zat toen de man een foto maakte. Hij zei dat hij de buit in een greppel heeft weggegooid en dat hij die vanavond op gaat halen.18

Om 22.36 uur belde [medeverdachte 3] naar het nummer [telefoonnummer] . De gebruiker van dat nummer zei dat hij bij het tankstation in Harskamp is.19

Om 22.42 uur belde [medeverdachte 3] met een onbekend gebleven persoon. Hij zei dat [medeverdachte 2] en die andere gekke jongen ruwina hebben en dat ze in [woonplaats] zijn en opgehaald moeten worden, omdat [bijnaam] / [bijnaam] is weg gegaan met al hun telefoons in de auto. Hij vertelde dat alleen [medeverdachte 2] en hij en [medeverdachte 1] daar zijn.20

Om 23.17 uur belt [medeverdachte 1] naar NNM. Hij zegt dat ze in het weiland zijn en vraagt of NNM hen op kan halen. [medeverdachte 1] zegt dat NNM gewoon naar [woonplaats] moet rijden. NNM vraagt of ze nog bij die osso zijn. [medeverdachte 1] zegt dat ze ver het weiland zijn ingelopen. NNM zegt dat hij het voetje de hele tijd op de achterbank had liggen. NNM zegt dat hij die ‘gowtu’ (de rechtbank begrijpt: goud) heeft verstopt in een greppel, met het voetje en de ‘scroeba’ (de rechtbank begrijpt: schroevendraaier).21

Om 23.20 uur belde [medeverdachte 3] met de gebruiker van het nummer [telefoonnummer] . De gebruiker van dat nummer zegt dan dat [bijnaam] hen komt ophalen.22

Om 00.15 uur belde [medeverdachte 3] naar iemand die hij [A] noemt. Hij vraag om het nummer van zijn broer. ‘ [A] ’ stuurt dan een SMS met de tekst: [telefoonnummer] .23

Om 00.22 uur belde [medeverdachte 3] naar het nummer dat hij van [A] heeft gekregen. [medeverdachte 3] vroeg of hij met ‘hen’ is, waarop de gebruiker van het nummer ‘ja’ antwoordde. De gebruiker van dat nummer zei dat ze de spullen aan het zoeken zijn.24

Op de zitting heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij degene is geweest die met de Volvo naar [woonplaats] is gereden en dat hij in een woning in [woonplaats] heeft ingebroken. De verklaring van [medeverdachte 2] is op verzoek van [verdachte] gevoegd in zijn zaak.25

Bewijsoverwegingen

Op grond van de bewijsstukken die hierboven besproken zijn, verklaart de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft ingebroken op de [adres] in [woonplaats] . Hieronder legt de rechtbank dit uit.

Gebruiker [telefoonnummer]

Op grond van de genoemde tapgesprekken in het dossier stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] op 26 en 27 februari 2019 de gebruiker was van het nummer [telefoonnummer] . [medeverdachte 3] probeerde [medeverdachte 1] te bereiken op zijn telefoon, maar kreeg ‘ [bijnaam] ’ of ‘ [bijnaam] ’ aan de lijn. Die [bijnaam] / [bijnaam] vroeg vervolgens om het Nokia-nummer van [medeverdachte 1] . Hij ontving toen het nummer [telefoonnummer] .

Identiteit [bijnaam] / [bijnaam]

De rechtbank vindt dat uit het dossier ook kan worden afgeleid dat [bijnaam] / [bijnaam] [verdachte]

is. Uit de tapgesprekken blijkt dat die [bijnaam] / [bijnaam] in het bezit was van de telefoon van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 3] heeft meerdere keren contact met [bijnaam] / [bijnaam] via de telefoon van [medeverdachte 1] . In een gesprek om 22.31 uur zegt [bijnaam] / [bijnaam] dat hij de buit in een greppel heeft gegooid en dat hij die vanavond op gaat halen. Op 27 februari 2019 om 0.15 uur belt [medeverdachte 3] naar ‘ [A] ’. Hij vraagt om het nummer van zijn broer. [A] geeft dan het nummer [telefoonnummer] .26 Uit informatie van de wijkagent blijkt dat de broer van [verdachte] [A] wordt genoemd. Als [medeverdachte 3] het nummer dat [A] heeft gegeven zeven minuten later belt, zegt de gebruiker dat ze ‘die spullen’ aan het zoeken zijn. [bijnaam] / [bijnaam] is volgens het tapgesprek om 23.20 uur [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gaan ophalen. Daarnaast is tussen de Facebookvrienden van [medeverdachte 2] een jongen gevonden die zichzelf ‘ [naam] ’ noemde. Verbalisant [verbalisant 3] heeft die jongen herkend als [verdachte] .27

Om bovengenoemde redenen is de rechtbank ervan overtuigd dat met de naam [bijnaam] / [bijnaam] [verdachte] wordt bedoeld. De verklaring van [verdachte] dat hij zelf geen Facebook heeft en iemand anders dat account moet hebben gemaakt, vindt de rechtbank ongeloofwaardig.

Betrokkenheid [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] bij de inbraak

Op grond van de bewijsstukken in het dossier stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 26 februari 2019 is er rond 22.00 uur ingebroken op de [adres] in [woonplaats] . De daders zijn naar binnengekomen via het toiletraam. Door getuige [getuige 1] werd een Volvo met kenteken [kenteken] om de hoek van de plaats waar was ingebroken gefotografeerd. Die Volvo reed direct daarna weg. Uit de tapgesprekken blijkt volgens de rechtbank dat [verdachte] de bestuurder was van de Volvo. Hij verklaarde dat het kenteken van [medeverdachte 2] was gefotografeerd toen hij in de auto zat. Uit het dossier blijkt dat de ouders van [medeverdachte 2] een Volvo met kenteken [kenteken] hebben. Uit de tapgesprekken blijkt dat [verdachte] op [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aan het wachten was, omdat zij terug waren gegaan om meer te halen. Nadat [verdachte] is weggereden, hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zich verstopt. [verdachte] heeft de buit toen weggegooid in een greppel. Later is [verdachte] teruggegaan om [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op te halen en samen met hen de buit te zoeken.

Is [verdachte] medepleger of medeplichtige?

Uit het dossier kan worden afgeleid dat [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] met zijn drieën in de Volvo naar Harskamp zijn gereden. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn in de woning geweest en hebben daar spullen gestolen. [verdachte] bleef in de auto. Na de inbraak heeft [verdachte] de buit verstopt in een greppel. Er is veel en langdurig contact geweest tussen de verdachten na de inbraak. Aldus is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [verdachte] . De substantiële bijdrage van [verdachte] aan de inbraak blijkt bovendien uit het feit dat hij – zonder overleg te hebben met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] – de buit in de greppel heeft gegooid en later samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] terug is gegaan om de buit op te halen. Hieruit maakt de rechtbank op dat [verdachte] over de buit kon en mocht beschikken. Hij heeft ervoor gezorgd dat de buit veilig gesteld werd. Uit de verklaring van [medeverdachte 2] op de zitting blijkt daarnaast dat [verdachte] niet de bestuurder was op het moment dat zij naar Harskamp toe reden. De rechtbank leidt hieruit af dat er geen vaste rolverdeling bestond bij het plegen van de inbraak. Het is niet zo dat [verdachte] alleen verantwoordelijk was voor het vervoer.

De rechtbank stelt dan ook vast dat de rol van [verdachte] van groot belang is geweest en dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . De rechtbank veroordeelt [verdachte] daarom voor het medeplegen van de woninginbraak.

Conclusie

Op grond van het voorgaande vindt de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft ingebroken op de [adres] in [woonplaats] .

Feit 4

Op de dag dat [verdachte] is aangehouden, 2 april 2019, is zijn huis doorzocht. In zijn huis werd 17,1 gram cocaïne, 7,73 gram heroïne, 3,65 gram Fenacetine en 5,55 gram Levasimol gevonden. Fenacetine en Levasimol zijn versnijdingsmiddelen.28 De drugs en versnijdingsmiddelen werden in een doos gevonden die onder het bed van de ouders van [verdachte] stond.29

Tijdens het gesprek met [medeverdachte 2] in het arrestantenbusje heeft [verdachte] gezegd dat hij een witte doos met handelswaar onder het bed van zijn ouders heeft gegooid.30

In de doos die de politie onder het bed van de ouders van [verdachte] heeft gevonden, zaten meerdere telefoons.31 In drie telefoons stonden onder andere de volgende berichten:

Datum Inkomend/uitgaand Bericht

8-10-2018 Inkomend “As woensdag weer grote order kan je dan?” 32

8-10-2018 Inkomend “Ik heb nu niet meer die gele zeg je. Dus je wist dat

je ons troep gaf. Geef twee bollen goeie terug en ik

zal je weer bellen. …” 33

1-4-2019 Uitgaand “Goeie morgen lekker en sterk niet goed geld terug

gr” 34

Twee getuigen, [getuige 2] en [getuige 3] , hebben [verdachte] herkend als een persoon van wie zij drugs hebben gekocht.35

Op 14 maart 201936, 19 maart 201937 en 28 maart 201938 heeft een pseudokoop plaatsgevonden waarbij een verbalisant drugs heeft gekocht van de gebruiker van het nummer [telefoonnummer] .

Bij de pseudokoop op 14 maart 2019 werd [verdachte] als de verkoper van de drugs herkend door verbalisant [verbalisant 4] .39 Uit een rapport van het NFI bleek dat de drugs die de pseudokoper had gekocht cocaïne was.40

Bij de pseudokoop op 19 maart 2019 herkende de pseudokoper de verkoper als dezelfde persoon waarvan hij op 14 maart 2019 drugs had gekocht.41 Verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 2] zagen rond het afgesproken tijdstip een Seat met kenteken [kenteken] aan komen rijden. Zij zagen dat de bestuurder uit deze Seat stapte en in de richting van de afgesproken locatie van de pseudokoop liep. Zij hoorden via verbindingsmiddelen dat er contact was geweest tussen genoemde bestuurder en de pseudokoper. De Seat stond op naam van [verdachte] .42 Uit een rapport van het NFI bleek dat de drugs die de pseudokoper had gekocht cocaïne was.43

Bij de pseudokoop op 28 maart 2019 herkende de pseudokoper de verkoper als dezelfde persoon van wie hij op 14 en 19 maart 2019 drugs had gekocht.44 Verbalisant [verbalisant 4] zag dat er een rode Seat Ibiza met kenteken [kenteken] parkeerde in de directe omgeving van de afgesproken locatie. Hij herkende de bestuurder als [verdachte] . Hij zag dat [verdachte] contact maakte met de pseudokoper en dat er tussen beiden wat overgegeven werd.45 Uit een rapport van het NFI bleek dat de drugs die de pseudokoper had gekocht cocaïne was.46

De interpretatie van de bewijsstukken

Op grond van de bewijsstukken die hierboven zijn besproken, stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 2 april 2019 zijn harddrugs en versnijdingsmiddelen in het huis van [verdachte] gevonden in een witte doos die onder het bed van zijn ouders stond. Uit het gesprek dat [verdachte] met [medeverdachte 2] in het arrestantenbusje had, maakt de rechtbank op dat die doos van [verdachte] was. In de doos zaten ook de telefoons waarin berichten zijn gevonden die te relateren zijn aan de handel in harddrugs. Ook hebben twee getuigen [verdachte] herkend als een verkoper van drugs. Tot slot is bij drie pseudokopen gebleken dat [verdachte] harddrugs verkocht.

[verdachte] heeft niets over de verdenking willen verklaren, behalve dat de harddrugs die bij hem thuis zijn gevonden voor eigen gebruik waren en dat de telefoons niet van hem zijn. De rechtbank vindt deze verklaring voor zover het de drugs betreft, gelet op de hoeveelheid en samenstelling in combinatie met hetgeen hiervoor is overwogen over de verkoop daarvan, niet aannemelijk. Nu [verdachte] over de telefoons verder niets heeft willen verklaren of concreet heeft kunnen maken, gaat de rechtbank ervan uit dat de telefoons aan hem toebehoren.

Gelet op wat hiervoor is besproken, vindt de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] in de periode van 8 oktober 2018 tot en met 2 april 2019 heeft gehandeld in cocaïne en heroïne. De rechtbank vindt niet bewezen dat [verdachte] samen met anderen in cocaïne en heroïne heeft gehandeld, en zal [verdachte] dan ook vrijspreken van het onderdeel ‘tezamen en in vereniging’.

Feit 5

De bewijsstukken:

- het proces-verbaal van bevindingen van 15 april 201947;

- de verklaring van [verdachte] op de zitting48.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte]

  1. op 2 april 2019 te [woonplaats] een tablet (iPad) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

  2. op 26 februari 2019 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een woning gelegen aan de [adres] , geld (ongeveer 150 euro), sieraden en een telefoon (Iphone 4s), toebehorende aan [benadeelde 2] , waarbij [verdachte] en zijn mededaders de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van inklimming;

4. in de periode van 8 oktober 2018 tot en met 2 april 2019 te Amersfoort meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd gebruikershoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne en van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en heroïne een middel voorkomende op lijst I van de Opiumwet;

5. op 2 april 2019 te Amersfoort opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne (te weten ongeveer 17,10 gram) en van een materiaal bevattende heroïne (te weten 7,73 gram), zijnde cocaïne en heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

[verdachte] wordt vrijgesproken van alles wat meer of anders ten laste is gelegd dan wat hierboven is bewezen. De rechtbank heeft taal- en spelfouten in de tenlastelegging verbeterd. Dat is volgens de rechtbank niet nadelig voor [verdachte] .

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Gedragingen zijn volgens de wet alleen strafbaar als er geen rechtvaardigingsgrond voor die gedragingen bestaat. Als een verdachte zich kan beroepen op zo’n rechtvaardigingsgrond is zijn gedrag niet in strijd met het recht. Er is niet gebleken dat er zo’n rechtvaardigingsgrond voor de door [verdachte] gepleegde feiten bestond. De door [verdachte] gepleegde feiten zijn dus strafbaar.

De wet noemt de door [verdachte] gepleegde feiten:

  1. opzetheling;

  2. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;

4. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

5. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID VAN [verdachte]

Verdachten zijn volgens de wet alleen strafbaar als zij geen beroep kunnen doen op een schulduitsluitingsgrond. Als een verdachte zich kan beroepen op een schulduitsluitingsgrond is zijn gedrag niet verwijtbaar. Er is niet gebleken dat [verdachte] een beroep kon doen op zo’n schulduitsluitingsgrond. [verdachte] is dus strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast en dat [verdachte] moet worden veroordeeld tot een jeugddetentie van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De officier van justitie vindt dat aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf de volgende bijzondere voorwaarden moeten worden verbonden:

  • -

    de maatregel van toezicht en begeleiding, ook indien dat inhoudt dat [verdachte] zich aan het programma van ITB Harde Kern moet houden voor maximaal 12 maanden;

  • -

    een locatiegebod, eventueel met elektronisch toezicht;

  • -

    een begeleid wonen traject, waarvan een kamerbegeleidingstraject of het wonen op een besloten leefgroep onderdeel kan zijn;

  • -

    meewerken aan ambulante behandeling;

  • -

    meewerken aan het vinden van een dagbesteding;

  • -

    een middelenverbod en meewerken aan urinecontroles;

  • -

    meewerken aan diagnostiek;

  • -

    een contactverbod met de medeverdachten.

Met deze straf krijgt de jeugdreclassering volgens de officier van justitie voldoende ruimte om het toezicht vorm te geven en om herhaling van strafbare feiten door [verdachte] zoveel mogelijk te voorkomen. De officier van justitie heeft verzocht om de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2

Het standpunt van de advocaat

De advocaat heeft verzocht om bij het bepalen van de straf rekening te houden met hetgeen deskundigen over [verdachte] in de rapporten hebben geschreven. Volgens de deskundigen moet het adolescentenstrafrecht van toepassing worden verklaard. [verdachte] functioneert op het niveau van een 10- tot 13-jarige. Volgens deskundigen was [verdachte] verminderd toerekeningsvatbaar door zijn verstandelijke beperkingen. [verdachte] staat open voor hulpverlening. De advocaat verzoekt een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest met daarnaast nog een voorwaardelijk deel en bijzondere voorwaarden. Volgens de advocaat is het juridisch niet mogelijk om de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij het bepalen van een passende straf rekening gehouden met de ernst van de strafbare feiten, de omstandigheden waaronder [verdachte] die feiten heeft gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] . De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

De rechtbank legt aan [verdachte] op een jeugddetentie van veertien maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijke deel van de straf verbindt de rechtbank bijzondere voorwaarden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij deze straf heeft bepaald.

8.3.1

De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd

[verdachte] heeft samen met anderen ingebroken in een woning en een iPad in zijn bezit gehad terwijl hij wist dat die gestolen was.

Woninginbraken veroorzaken niet alleen materiële en emotionele schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de slachtoffers. Het is voor de slachtoffers zeer onaangenaam om te leven met de wetenschap dat vreemden in de woning zijn geweest en persoonlijke bezittingen hebben doorzocht en weggenomen. De directe gevolgen van zo’n naar feit zijn wel gebleken bij de inbraak waaraan [verdachte] heeft deelgenomen. De 84-jarige bewoonster is na de inbraak met hartklachten in het ziekenhuis opgenomen. Zij kan sinds de woninginbraak niet meer zelfstandig wonen in haar huis.

De rechtbank neemt het [verdachte] erg kwalijk dat hij alleen heeft gedacht aan zijn eigen verlangen naar geld en niet aan de gevolgen voor het slachtoffer. Met zijn handelen heeft hij ook nog eens bijgedragen aan de gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Daarnaast heeft [verdachte] een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs in zijn bezit gehad en in een periode van zes maanden gedeald in harddrugs. Door het dealen in harddrugs heeft [verdachte] bijgedragen aan het ontstaan en in stand blijven van drugsafhankelijkheid bij anderen, waardoor hun gezondheid in gevaar wordt gebracht.

[verdachte] heeft nauwelijks verantwoordelijkheid genomen voor wat hij heeft gedaan. Dat vindt de rechtbank ernstig, en ook zorgelijk.

8.3.2

De persoonlijke omstandigheden van [verdachte]

Strafblad

Uit de justitiële documentatie (het ‘strafblad’) blijkt dat [verdachte] al eerder bij de strafrechter is geweest. Op 24 december 2018 is [verdachte] door een meervoudige kamer veroordeeld voor het handelen in harddrugs, waarbij hem ook een voorwaardelijke straf met een proeftijd is opgelegd. Die veroordeling heeft [verdachte] er niet van weerhouden om door te gaan met het dealen in drugs. Uit het dossier blijkt daarnaast dat [verdachte] , nadat zijn voorarrest geschorst was, in december 2019 opnieuw is aangehouden door de politie, omdat de politie hem verdacht van het bezit en/of de handel in drugs. De rechtbank vindt dat zorgelijk.

Adviezen van deskundigen

De rechtbank heeft de volgende adviezen van deskundigen gelezen:

  • -

    het psychologisch onderzoek Pro Justitia van 4 september 2019;

  • -

    het advies van Reclassering Nederland van 6 februari 2020;

  • -

    de rapportage van de William Schrikker Groep.

Het rapport van de psycholoog

[verdachte] is onderzocht door een psycholoog, mw. drs. B. Meijer. Zij heeft een rapport over [verdachte] geschreven. Volgens de psycholoog is [verdachte] licht verstandelijk beperkt. De conclusie van de psycholoog is dat [verdachte] een hechtingsstoornis, een oppositionele-opstandige gedragsstoornis en een antisociale persoonlijkheidsstoornis in ontwikkeling heeft. Door zijn geringe gevoel van eigenwaarde is hij kwetsbaar, gevoelig voor negatieve beïnvloeding en heeft hij veel moeite om weerstand te bieden tegen invloeden van buitenaf. [verdachte] is voornamelijk in zijn eigen belangen geïnteresseerd.

Volgens de psycholoog waren de stoornissen zeer waarschijnlijk van invloed op het plegen van de strafbare feiten. De psycholoog adviseert de rechtbank daarom om [verdachte] de feiten in verminderde mate toe te rekenen. Dat betekent dat [verdachte] volgens de psycholoog niet volledig verantwoordelijk is voor wat hij heeft gedaan.

De psycholoog schat de kans dat [verdachte] opnieuw strafbare feiten zal plegen in als hoog. De psycholoog maakt zich zorgen over de hoge beïnvloedbaarheid van [verdachte] , zijn zwakke impulscontrole en de aantrekkingskracht die het criminele circuit op hem lijkt te hebben. Om herhaling zoveel mogelijk te beperken en om de persoonlijkheidsontwikkeling van [verdachte] positief te bevorderen heeft [verdachte] volgens de psycholoog een behandeltraject nodig dat zich richt op zijn gedrag en opvoeding- en omgevingsproblemen. Er moet wel opgelet worden dat [verdachte] niet wordt overvraagd. De psycholoog adviseert een behandelprogramma op te leggen dat gericht is op jongeren met licht verstandelijk beperkte vaardigheden, waarin [verdachte] verantwoordelijkheden leert en waardoor zijn adaptieve functioneren, moreel redeneren, persoonlijke onafhankelijkheid en sociale vaardigheden verbeteren. De psycholoog denkt dat dit het beste plaats kan vinden in het kader van een gedragsbeïnvloedende maatregel en anders in het kader van een voorwaardelijke straf.

Tot slot adviseert de psycholoog om [verdachte] te berechten volgens het jeugdstrafrecht. [verdachte] komt in contact sociaal-emotioneel jonger over dan zijn kalenderleeftijd, hij kan de risico’s van zijn eigen handelen minder goed inschatten en kan zijn gedrag minder goed organiseren. De psycholoog vindt dat een pedagogische aanpak noodzakelijk is.

Het advies van Reclassering Nederland

Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) heeft aangegeven dat zij zich grote zorgen maakt over de thuissituatie en het familiesysteem van [verdachte] . De ouders van [verdachte] zijn niet in staat voldoende structuur en toezicht te bieden om hun zoon te behoeden voor crimineel gedrag en tonen zich niet gemotiveerd om gedragsverandering te helpen bereiken. De reclassering vindt het daarom wenselijk om [verdachte] uit het gezin te halen om in een meer beschermende omgeving aan gedragsverandering te kunnen werken. [verdachte] is daar nauwelijks voor gemotiveerd. Het uitvoeren van de gedragsbeïnvloedende maatregel is volgens de reclassering, gelet op het rapport van de William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (WSJ), niet haalbaar. De reclassering adviseert daarom om onderzoek te doen naar de mogelijkheid van een PIJ-maatregel (plaatsing in een inrichting voor jeugdigen) en anders een onvoorwaardelijke straf op te leggen.

De rapportage van de William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering

Mevrouw Deelman van de WSJ heeft een rapport over het verloop van het schorsingstoezicht geschreven. In dat rapport geeft zij aan dat [verdachte] en zijn ouders geen motivatie hebben om mee te werken aan begeleiding of behandeling, waardoor het inzetten van de juiste hulp heel moeilijk is. Een gedragsbeïnvloedende maatregel is volgens mevrouw Deelman daardoor ook niet haalbaar.

8.3.3

Conclusie

Alles overwegend legt de rechtbank aan [verdachte] een jeugddetentie van veertien maanden op, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank vindt het belangrijk dat [verdachte] hulp krijgt bij het aanpakken van zijn problematiek. Een gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) zou zinvol kunnen zijn om de ontwikkelingsachterstanden van [verdachte] aan te pakken. De rechtbank gaat echter uit van de juistheid van de rapporten van de reclassering en de WSJ en acht een GBM daardoor niet haalbaar. Aan het voorwaardelijke deel van de straf zal de rechtbank de volgende voorwaarden verbinden, zodat [verdachte] op een andere manier toezicht en begeleiding krijgt:

  • -

    een meldplicht bij de William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering in het kader van de maatregel van Toezicht en Begeleiding, waarvan maximaal twaalf maanden zullen bestaan uit de maatregel ITB Harde Kern;

  • -

    een locatiegebod, indien en voor zo lang de jeugdreclassering dat nodig vindt, met elektronische controle voor maximaal zes maanden;

  • -

    ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling;

  • -

    het meewerken aan diagnostiek;

  • -

    het meewerken aan het vinden en behouden van een dagbesteding.

De rechtbank zal dus geen onderzoek laten doen naar de mogelijkheid van een PIJ‑maatregel, omdat die zware maatregel nu nog niet aan de orde is, mede gelet op wat de rechtbank bewezen verklaart. [verdachte] dient wel te beseffen dat als hij zo doorgaat een PIJ-maatregel wel een keer in zicht kan komen. De rechtbank gaat ervan uit dat [verdachte] zijn best zal doen en de voorwaarden dus ook in het kader van een voorwaardelijke straf kunnen worden uitgevoerd.

De officier van justitie heeft verzocht om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoer te verklaren. Volgens de wet kan dat alleen als het gevaar bestaat dat [verdachte] een strafbaar feit zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dat is niet het geval. De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden dus niet dadelijk uitvoerbaar verklaren.

9 BESLAG

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht om de Seat Ibiza met kenteken [kenteken] verbeurd te verklaren, omdat die auto is gebruikt bij de drugshandel.

9.2

Het standpunt van de advocaat

De advocaat heeft verzocht om alle in beslag genomen goederen waarover nog geen beslissing is genomen terug te geven aan [verdachte] , met uitzondering van de telefoons waar berichten over de handel in harddrugs stonden. De advocaat vindt dat de Seat niet verbeurd moet worden verklaard, omdat de auto van de zus van [verdachte] was. Als de rechtbank ervan uit gaat de [verdachte] de rechthebbende van de auto was, vindt de advocaat dat het verbeurd verklaren van de auto niet in verhouding staat tot wat er is gebeurd. Bij een verbeurdverklaring zou volgens de advocaat in ieder geval een financiële tegemoetkoming op zijn plaats zijn.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Teruggave aan [verdachte]

De rechtbank bepaalt dat de volgende in beslag genomen voorwerpen moeten worden teruggeven aan [verdachte] :

  • -

    Sportschoenen, merk Dsquared-2 (D.10.01.001);

  • -

    Horloge, merk Audemars Piquet Royal Oak (D.11.01.001);

  • -

    OV-chipkaart (D.11.05.001);

  • -

    Herenhorloge (D.11.07.001);

  • -

    Playstation (D.11.08.001);

  • -

    Zilverkleurige ring (D.11.09.001);

  • -

    Zegelring met letter K (D.11.10.001);

  • -

    Zilverkleurige ring (D.11.10.002);

  • -

    Zilverkleurige ring met witte steen (D.11.10.003);

  • -

    Smartwatch (D.12.02.001);

  • -

    iPhone (D.12.05.001);

  • -

    iPhone (D.12.05.002);

  • -

    iPhone (D.12.05.003);

  • -

    Alcatel telefoon (D.12.05.005);

  • -

    Wiko telefoon (D.12.05.006);

  • -

    Nokia telefoon (D.12.04.001);

  • -

    Nokia telefoon (D.12.04.003);

  • -

    Nokia telefoon (D.12.04.004);

  • -

    Nokia telefoon (D.12.04.005);

  • -

    Nokia telefoon (D.12.05.004);

  • -

    Huawei telefoon (D.12.05.008);

  • -

    Cash geldbedrag van € 380,- (D.12.06.001);

  • -

    Blackberry telefoon (D.15.01.001);

  • -

    HTC telefoon (D.15.01.002);

  • -

    Siemens laptop (D.15.01.003);

  • -

    Asics sportschoenen (D.16.01.001);

  • -

    Schoudertas Louis Vuitton (D.16.01.002);

  • -

    Lyca sim-kaart (D.16.01.007);

  • -

    Oogdruppels (D.16.01.008);

  • -

    Lyca sim-kaart (D.16.01.009);

  • -

    Lyca sim-kaart (D.16.01.010);

  • -

    Lebara sim-kaart (D.16.01.011).

Verbeurdverklaring

De rechtbank zal de volgende in beslag genomen voorwerpen verbeurd verklaren:

  • -

    Auto, merk Seat, kenteken [kenteken] ;

  • -

    Wit metalen geldkistje (D.12.03.002);

  • -

    Breekijzer (D.15.01.005);

  • -

    Cash geldbedrag € 435,- (D.11.06.001).

Met behulp van de auto, het geldkistje en het breekijzer zijn de onder 2, 4 en 5 bewezen verklaarde feiten begaan. De rechtbank gaat ervan uit dat [verdachte] de rechthebbende van de auto was. De rechtbank heeft hierbij gelet op de draagkracht van [verdachte] .

Dit geldbedrag is gevonden in de slaapkamer van [verdachte] . De rechtbank gaat ervan uit dat hij dat geheel of grotendeels door het plegen van het onder 4 bewezen verklaarde feit heeft verkregen.

10 BENADEELDE PARTIJ

10.1

[benadeelde 2] (feit 2)

Mevrouw [benadeelde 2] heeft een schadevergoedingsverzoek ingediend. Zij vordert een bedrag van € 355,-. Dat bedrag bestaat uit de waarde van de gestolen sieraden, het geld, de mobiele telefoon en de inboedel. Het totale bedrag aan materiële schade is € 1.594,-, maar een deel van de schade, € 1.239,-, is al vergoed door de verzekering.

In de vordering staan ook bedragen genoemd onder de omschrijving van de immateriële schade, namelijk een bedrag van € 380,- voor het eigen risico en ongeveer € 1.500,- voor de verhuiskosten. De immateriële schade zelf is volgens het verzoek niet vast te stellen. Uiteindelijk wordt geen bedrag aan immateriële schade gevorderd.

De officier van justitie heeft gevraagd om de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 735,-. Hij vindt dat het bedrag voor het eigen risico van de ziektekosten dat onder de omschrijving van de immateriële schade wordt genoemd bij de materiële schade opgeteld moet worden.

De advocaat van [verdachte] heeft verzocht om de vordering af te wijzen. Uit het verzoek blijkt dat mevrouw [benadeelde 2] de materiële schade al vergoed heeft gekregen van de verzekering. De kosten van het eigen risico zijn volgens de advocaat onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank wijst de vordering af voor zover die ziet op de vergoeding van de materiële schade. Uit de vordering blijkt namelijk dat de verzekering deze kosten al heeft vergoed. De verzekering heeft weliswaar een lager bedrag uitgekeerd dan door mevrouw [benadeelde 2] is verzocht, maar dat komt doordat de goederen op een lagere waarde zijn getaxeerd, zodat in deze strafzaak niet zonder meer aangenomen kan worden dat de schade hoger is dan het getaxeerde bedrag.

De rechtbank zal mevrouw [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaren in de rest van haar vordering. Mevrouw [benadeelde 2] kan de vergoeding van dit gedeelte van de vordering nog wel aan de burgerlijke rechter verzoeken. De rechtbank vindt het heel voorstelbaar dat mevrouw [benadeelde 2] immateriële schade heeft geleden, maar kan geen bedrag toekennen nu er geen bedrag aan immateriële schade wordt gevorderd. De kosten van het eigen risico en van de verhuizing zijn daarnaast onvoldoende onderbouwd. Bij het verzoek zijn namelijk geen bijlagen gevoegd die bijvoorbeeld aantonen dat mevrouw [benadeelde 2] inderdaad haar eigen risico heeft moet verbruiken of verhuiskosten heeft moeten maken.

11 VORDERING TENUITVOERLEGGING

Bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland van 24 december 2018 (parketnummer 16-652842-17) is aan [verdachte] onder andere een voorwaardelijke jeugddetentie van één maand opgelegd. [verdachte] heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Om die reden zal deze straf alsnog ten uitvoer gelegd worden.

12 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 63, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

13 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 1, primair, en 3 en 6 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het onder 1, subsidiair, 2, primair, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

  • -

    verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van veertien maanden;

  • -

    bepaalt dat de tijd door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht op de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    bepaalt dat een gedeelte van vier maanden van de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat veroordeelde de hierna te melden algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast;

  • -

    als voorwaarden gelden dat veroordeelde:

o zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

o ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

o medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

- stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde gedurende de proeftijd;

o zich in het kader van de maatregel Toezicht en Begeleiding, waarvan maximaal twaalf maanden zullen bestaan uit de maatregel ITB Harde Kern, zal (blijven) melden bij de William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (WSJ), en zich daarna gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal blijven melden bij deze instelling, zo vaak en zo lang die instelling dat nodig vindt;

o zich zal houden aan een locatiegebod op zijn woonadres, dat ten tijde van dit vonnis luidt: [adres] in [woonplaats] , indien en zo lang de WSJ dat nodig vindt;

o gedurende maximaal de eerste zes maanden van de proeftijd na invrijheidsstelling onder elektronisch toezicht zal worden gesteld, tenzij de WSJ dit in die periode niet langer nodig acht;

o mee zal werken aan een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling;

o mee zal werken aan diagnostiek;

o mee zal werken aan het vinden en behouden van een dagbesteding;

waarbij de WSJ opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:

o Sportschoenen, merk Dsquared-2 (D.10.01.001);

o Horloge, merk Audemars Piquet Royal Oak (D.11.01.001);

o OV-chipkaart (D.11.05.001);

o Herenhorloge (D.11.07.001);

o Playstation (D.11.08.001);

o Zilverkleurige ring (D.11.09.001);

o Zegelring met letter K (D.11.10.001);

o Zilverkleurige ring (D.11.10.002);

o Zilverkleurige ring met witte steen (D.11.10.003);

o Smartwatch (D.12.02.001);

o iPhone (D.12.05.001);

o iPhone (D.12.05.002);

o iPhone (D.12.05.003);

o Alcatel telefoon (D.12.05.005);

o Wiko telefoon (D.12.05.006);

o Nokia telefoon (D.12.04.001);

o Nokia telefoon (D.12.04.003);

o Nokia telefoon (D.12.04.004);

o Nokia telefoon (D.12.04.005);

o Nokia telefoon (D.12.05.004);

o Huawei telefoon (D.12.05.008);

o Blackberry telefoon (D.15.01.001);

o HTC telefoon (D.15.01.002);

o Siemens laptop (D.15.01.003);

o Asics sportschoenen (D.16.01.001);

o Schoudertas Louis Vuitton (D.16.01.002);

o Lyca sim-kaart (D.16.01.007);

o Oogdruppels (D.16.01.008);

o Lyca sim-kaart (D.16.01.009);

o Lyca sim-kaart (D.16.01.010);

o Lebara sim-kaart (D.16.01.011).

- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:

o Auto, merk Seat, kenteken [kenteken] ;

o Wit metalen geldkistje (D.12.03.002);

o Breekijzer (D.15.01.005);

o Cash geldbedrag van € 380,- (D.12.06.001);

o Cash geldbedrag € 435,- (D.11.06.001).

Benadeelde partij [benadeelde 2]

  • -

    wijst de vordering ten aanzien van de materiële schade af;

  • -

    verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding niet ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en [verdachte] , in die zin dat ieder haar/zijn eigen kosten draagt.

Vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 16-652842-17

- wijst de vordering toe;

- gelast de tenuitvoerlegging van de door de meervoudige kamer in de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 24 december 2018 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van één maand.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht, voorzitter, mrs. E.J. van Rijssen en J.W.B. Snijders Blok, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. F. Verkuijlen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 maart 2020.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan [verdachte] wordt ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 19 oktober 2018 te [woonplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (in/uit een woning gelegen aan de [adres] ), goederen, te weten geld (ongeveer 150 euro) en/of een of meerdere siera(a)d(en) en/of een of meerdere horloge(s) en/of een autosleutel (Mercedes) en/of een laptop en/of een telefoon en/of een tablet (Ipad), althans enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] (en/of zijn familie), althans aan een ander dan aan [verdachte] en/of zijn mededader(s), waarbij [verdachte] en/of zijn mededader(s) de weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 2 april 2019 te Amersfoort, althans in Nederland, een goed, te weten een tablet (Ipad) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

( art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht )

2. hij op of omstreeks 26 februari 2019 te [woonplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (in/uit een woning gelegen aan de [adres] ), goederen, te weten geld (ongeveer 150 euro) en/of een of meerdere siera(a)d(en) en/of een telefoon (Iphone 4s), althans enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] , althans aan een ander dan aan [verdachte] en/of zijn mededader(s), waarbij [verdachte] en/of zijn mededader(s) de weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of zijn/hun mededader(s) op of omstreeks 26 februari 2019 te [woonplaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (in/uit een woning gelegen aan de [adres] ), goederen, te weten geld (ongeveer 150 euro) en/of een of meerdere siera(a)d(en) en/of een telefoon (Iphone 4s), althans enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] , althans aan een ander dan aan die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of zijn/hun mededader(s), waarbij die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of zijn/hun mededader(s) de weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, bij en/of tot welk misdrijf hij, [verdachte] , op of omstreeks 26 februari te [woonplaats] , althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of zijn/hun mededader(s) naar de woning aan de [adres] te vervoeren en/of

- voor die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of zijn/hun mededader(s) op de uitkijk te staan en/of

- die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of zijn/hun mededader(s) bij de woning aan de [adres] op te halen en/of

- de door die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] en/of zijn/hun mededader(s) weggenomen goederen voor hun veilig te stellen;

( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 4 en/of ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht, art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )

3. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 2 april 2019 te Amersfoort, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van diefstallen (uit woningen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming);

( art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

4. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 2 april 2019 te Amersfoort, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een of meer (gebruikers)hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en/of van een materiaal bevattende heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne, (telkens) een middel voorkomende op lijst I van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

( art 10 lid 4 Opiumwet, art 2 ahf/ond B Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

5. hij op of omstreeks 2 april 2019 te Amersfoort, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne (te weten ongeveer 17,10 gram) en/of van een materiaal bevattende heroïne (te weten 7,73 gram), zijnde cocaïne en/of heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )

6. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 2 april 2019 te Amersfoort, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid, 11 derde, vijfde lid en/of 11a Opiumwet;

( art 11b lid 1 Opiumwet )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers zijn dit – tenzij anders aangegeven – pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 8 juli 2019, genummerd PL0900-2019094150C, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 1868. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2019, opgemaakt door [verbalisant 6] , p. 23-24.

3 Proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2019, opgemaakt door [verbalisant 6] , p. 29-30.

4 Proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2019, opgemaakt door [verbalisant 7] , p. 19-20.

5 Proces-verbaal van bevindingen van 4 juni 2019, opgemaakt door [verbalisant 1] , p. 650.

6 Proces-verbaal van bevindingen van 4 juni 2019, opgemaakt door [verbalisant 1] , p. 632.

7 Proces-verbaal van aangifte van 19 oktober 2018, opgemaakt door [verbalisant 8] , p. 1120-1124.

8 Proces-verbaal van bevindingen van 29 april 2019, opgemaakt door [verbalisant 7] , p. 1147-1148.

9 Proces-verbaal van bevindingen van 29 april 2019, opgemaakt door [verbalisant 7] , p. 1147-1148.

10 Proces-verbaal ter terechtzitting van 10 februari 2020.

11 Proces-verbaal van aangifte van 27 februari 2019, opgemaakt door [verbalisant 9] , p. 313-315 en 328-329.

12 Proces-verbaal van sporenonderzoek van 27 februari 2019, opgemaakt door [verbalisant 2] , p. 336-339.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige van 27 februari 2019, opgemaakt door [verbalisant 10] , p. 347-349.

14 Proces-verbaal van bevindingen van 5 maart 2019, opgemaakt door [verbalisant 11] , p. 343-344.

15 Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2019, opgemaakt door [verbalisant 6] , p. 394.

16 Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2019, opgemaakt door [verbalisant 6] , p. 395.

17 Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2019, opgemaakt door [verbalisant 6] , p. 398.

18 Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2019, opgemaakt door [verbalisant 6] , p. 400-401.

19 Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2019, opgemaakt door [verbalisant 6] , p. 402.

20 Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2019, opgemaakt door [verbalisant 6] , p. 405.

21 Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2019, opgemaakt door [verbalisant 6] , p. 417-418.

22 Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2019, opgemaakt door [verbalisant 6] , p. 418.

23 Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2019, opgemaakt door [verbalisant 6] , p. 421.

24 Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2019, opgemaakt door [verbalisant 6] , p. 422.

25 Proces-verbaal ter terechtzitting van 10 februari 2020.

26 Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2019, opgemaakt door [verbalisant 6] , p. 421.

27 Proces-verbaal van bevindingen van 21 maart 2019, p. 21.

28 Proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2019, opgemaakt door [verbalisant 12] , p. 1588-1589 en het proces-verbaal van bevindingen van 4 april 2019, met als bijlagen de rapportages van het NFI, opgemaakt door A. Peovic en A. Kesteloo, p. 1558-1580.

29 Proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2019, opgemaakt door [verbalisant 13] , p. 1555-1556.

30 Proces-verbaal van bevindingen van 4 juni 2019, opgemaakt door [verbalisant 1] , p. 1698-1715.

31 Proces-verbaal van bevindingen van 3 april 2019, opgemaakt door [verbalisant 13] , p. 1555-1556.

32 Proces-verbaal van bevindingen van 2 juli 2019, opgemaakt door [verbalisant 1] , p. 1667-1668.

33 Proces-verbaal van bevindingen van 2 juli 2019, opgemaakt door [verbalisant 1] , p. 1667-1668.

34 Proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2019, opgemaakt door [verbalisant 14] , p. 1634-1637.

35 Proces-verbaal van verhoor getuige van 13 april 2019, opgemaakt door [verbalisant 7] , p. 1614-1617 en proces-verbaal van verhoor getuige van 30 mei 2019, opgemaakt door [verbalisant 15] en [verbalisant 16] , p. 1618-1621.

36 Proces-verbaal van bevindingen van 14 maart 2019, p. 1750.

37 Proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2019, p. 1770.

38 Proces-verbaal van bevindingen van 28 maart 2019, p. 1780.

39 Proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2019, p. 1760-1761.

40 Een geschrift, namelijk: een NFI-rapport van 20 maart 2019, p. 1768.

41 Proces-verbaal van bevindingen van 19 maart 2019, p. 1770.

42 Proces-verbaal van bevindingen van 20 maart 2019, opgemaakt door [verbalisant 5] en J. [verbalisant 2] , p. 1771-1772.

43 Een geschrift, namelijk: een NFI-rapport van 20 maart 2019, p. 1778.

44 Proces-verbaal van bevindingen van 28 maart 2019, p. 1780.

45 Proces-verbaal van bevindingen van 17 juni 2019, opgemaakt door [verbalisant 4] , p. 1752.

46 Een geschrift, namelijk: een NFI-rapport van 2 april 2019, p. 1786.

47 Proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2019, opgemaakt door [verbalisant 12] , p. 1588-1589.

48 Proces-verbaal ter terechtzitting van 10 februari 2020.