Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:873

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
19-03-2020
Zaaknummer
8277702 AE VERZ 20-3
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Rechtsgeldig ontslag op staande voet wegens diefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 8277702 AE VERZ 20-3 MS/1270

Beschikking van 4 maart 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [verzoeker] ,

verzoekende partij,

gemachtigde: A.D.E. Bevers (Stichting Achmea Rechtsbijstand),

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Run2Day Retail B.V.,

gevestigd te Leusden,

verder ook te noemen Run2Day,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. V. Breedveld.

1 De procedure

1.1.

[verzoeker] heeft op 17 januari 2020 een verzoekschrift met producties ingediend en Run2Day op 3 februari 2020 een verweerschrift. Beide partijen hebben op 7 februari 2020 nog nadere producties ingediend.

1.2.

Op 12 februari 2020 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verzoeker] is daar verschenen met zijn gemachtigde mevrouw Bevers. Namens Run2Day zijn verschenen mr. Breedveld met de heer [A] , algemeen directeur van Run2Day, en de heer [B] , hoofd financiën van Run2Day. Partijen hebben hun standpunten aan de hand van een pleitnota toegelicht. Zij hebben over en weer op elkaars standpunten kunnen reageren en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen is besproken. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter partijen meegedeeld dat op 4 maart 2020 een beschikking in deze zaak zal worden gegeven.

2 Het geschil en de beoordeling daarvan

2.1.

Het gaat in deze zaak - kort samengevat - om de geldigheid van het ontslag op staande voet dat Run2Day [verzoeker] op 21 november 2019 heeft gegeven.

voorgeschiedenis

2.2.

Run2Day is een keten van hardloopwinkels. [verzoeker] is op 10 december 2018 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van 12 maanden bij Run2Day in dienst getreden. Hij bekleedde de functie van bedrijfsleider voor twee vestigingen van Run2Day in [vestigingsplaats] , namelijk [vestiging 1] en [vestiging 2] .

2.3.

Run2Day heeft [verzoeker] in de zomer van 2019 meegedeeld dat zijn arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. De arbeidsovereenkomst zou op 9 december 2019 van rechtswege eindigen en partijen hadden afgesproken dat [verzoeker] na 21 november 2019 zijn vrije uren zou opnemen. Zijn laatste werkdag was dus 21 november 2019.

2.4.

Op 21 november 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] , [A] en [B] . In dat gesprek is [verzoeker] op staande voet ontslagen omdat hij artikelen van Run2Day zou hebben gestolen.

2.5.

[A] heeft dit ontslag bij brief van 22 november 2019 aan [verzoeker] bevestigd. In deze brief staat het volgende:

“Gisteren hebben [B] en ik met jou bij de Run2Day vestiging op de [vestiging 1] gesproken over diefstal in beide Run2Day winkels.

De afgelopen tijd constateerden medewerkers steeds grotere verschillen in de voorraden. Naar aanleiding van deze situatie hebben we besloten hier strakker op te letten. Op verschillende dagen hebben wij steekproefsgewijs vooraf én achteraf tellingen gedaan van diverse artikelen.

Hieruit bleek dat de verschillen ontstonden op de dagen dat jij werkzaam was op de desbetreffende vestiging. Op woensdagavond 20 november hebben wij daarom de camerabeelden van filiaal [vestiging 2] bekeken. Als snel bleek daarop duidelijk dat jij handelingen verrichtte die in de richting wezen van diefstal en die we direct konden linken aan de vermiste voorraadartikelen.

Op donderdag 21 november zijn [B] en ik het gesprek met jou hierover aangegaan. Hier kreeg je de mogelijkheid om de handelingen toe te lichten en te verklaren. Tijdens het gesprek heb je toegegeven op verschillende momenten artikelen zonder af te rekenen mee te hebben genomen. Het betreft minimaal een tight, een shirt, een jas en tientallen gels en repen. Deze diefstal is reden voor ontslag op staande voet en dit hebben we je ook ter plekke direct gegeven en aan je medegedeeld.

Wij vermoeden echter dat de diefstal van grotere omvang is en zullen hier nader onderzoek naar doen. Aan jou is gevraagd om een lijst te maken met de artikelen welke je ontvreemd hebt en je hebt toegezegd deze diezelfde donderdagavond te mailen en de spullen in latere fase te retourneren.

Wij hebben geen lijst met artikelen ontvangen, ondanks jouw duidelijke toezegging. Dit laat ons geen keus, wij zullen aangifte doen bij de politie van diefstal en vervreemding. Tevens houden we ons het recht voor alle geconstateerde en nog te constateren schade volledig op je te verhalen inclusief alle bijkomende kosten. Zolang wij geen duidelijk beeld hebben wat er allemaal is gestolen maken wij geen salaris aan je over. (…)”

2.6.

[verzoeker] heeft zich bij brief van 28 november 2019 tegen het gegeven ontslag op staande voet verzet. Hij heeft ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal en heeft Run2Day gesommeerd het ontslag in te trekken. Run2Day heeft niet aan deze sommatie voldaan.

het verzoek van [verzoeker]

2.7.

[verzoeker] verzoekt in deze procedure:

primair: de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en Run2Day te veroordelen om aan hem zijn loon over de periode van 21 november 2019 tot 9 december 2019 te betalen, vermeerderd met wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten en onder overlegging van deugdelijke specificaties, op straffe van een dwangsom;

subsidiair, indien [verzoeker] mocht besluiten zich neer te leggen bij de opzegging: Run2Day te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding en een vergoeding voor onregelmatige opzegging, vermeerderd met wettelijke rente.

[verzoeker] verzoekt daarnaast Run2Day te veroordelen tot:

a. betaling van het achterstallig loon over de periode van 1 tot 21 november 2019 van € 1.857,14 bruto;

b. betaling van de eindafrekening van vakantiegeld van € 1.292,76 bruto en vakantie-uren en overwerkuren (111,9 uur) van € 1.907,90 bruto;

c. betaling van de wettelijke verhoging van 50% over de onder a. en b. genoemde bedragen;

d. betaling van de wettelijke rente over de onder a. tot en met c. genoemde bedragen;

e. betaling van de reiskosten over de maand oktober 2019 van € 164,33 en over de maand november 2019 van € 87,97 netto;

f. betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 631,60;

g. overlegging van deugdelijke specificaties, op verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag dat Run2Day niet aan deze veroordeling voldoet;

h. betaling van een vergoeding gelijk aan de schade die [verzoeker] lijdt door het niet toekennen van een WW-uitkering op grond van artikel 7:611 BW;

i. betaling van de proceskosten.

de beoordeling van het primaire verzoek

2.8.

Gelet op de in artikel 7:686a lid 4 BW genoemde vervaltermijn heeft [verzoeker] het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet tijdig ingediend.

2.9.

[verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij kiest voor zijn primaire verzoek. Zijn subsidiaire verzoek hoeft hier dus niet te worden behandeld. Gelet hierop staat ter beoordeling of het op 21 november 2019 aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet vernietigd dient te worden.

2.10.

De werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij sprake is van een opzegging op grond van artikel 7:677 lid 1 BW. In dit artikel is bepaald dat ieder van de partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.

2.11.

Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende redenen sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen in dit geval bij de werkgever.

de dringende reden voor het ontslag op staande voet

2.12.

Run2Day heeft haar stelling dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal als volgt onderbouwd:

  • -

    De directie ontving in november 2019 een melding van [C] , de assistent-bedrijfsleider van de vestiging aan de [straat] , dat er artikelen uit de winkels verdwenen zonder dat daarvoor werd afgerekend. [C] constateerde dit op de dagen die direct volgden op dagen dat [verzoeker] op de betreffende vestiging had gewerkt, waarbij het onder meer ging om kleding in de maat van [verzoeker] . Hij vermoedde daarom dat deze artikelen door [verzoeker] werden meegenomen.

  • -

    Ook [D] , de assistent-bedrijfsleider van de vestiging aan de [vestiging 1] , sprak tegenover de directie het vermoeden uit dat [verzoeker] uit de winkel spullen meenam zonder af te rekenen.

  • -

    [C] is vervolgens op verzoek van de directie regelmatig de voorraad gaan turven en heeft een lijst met verdwenen producten opgesteld. Deze lijst heeft Run2Day op 20 november 2019 aanleiding gegeven de camerabeelden van de bewakingscamera’s terug te kijken. Dit kan tot 2 weken terug.

  • -

    Op basis van de camerabeelden konden de handelingen met artikelen door [verzoeker] gelinkt worden aan de inventarislijst. Zo verwijderde hij beveiligingstags van bepaalde hardloopspullen en liep er vervolgens mee naar de personeelsruimte. Het artikel werd niet gescand, niet afgerekend en verdween vervolgens wel uit de winkel.

  • -

    [A] en [B] hebben [verzoeker] op 21 november 2019 met deze constateringen geconfronteerd. [verzoeker] gaf aanvankelijk aan van niets te weten en sloeg het aanbod om de camerabeelden te bekijken af. Later in het gesprek heeft hij echter wel toegegeven dat hij de artikelen had gestolen. Het ging daarbij om minimaal een tight, een shirt, een jas, tientallen gels en repen. [A] en [B] hebben gevraagd of [verzoeker] ook nog andere artikelen had meegenomen, maar dat kon [verzoeker] zich niet herinneren.

  • -

    [verzoeker] is in dat gesprek op staande voet ontslagen. Met hem is afgesproken dat hij nog die avond een lijst zou mailen met alle weggenomen artikelen. Als de schade mee zou vallen en de artikelen geretourneerd zouden worden, dan zou Run2Day bereid zijn om af te zien van aangifte bij de politie en een negatieve verklaring jegens het Uwv.

  • -

    Hierna is [D] bij het gesprek aangeschoven. Het ontslag op staande voet en de redenen daarvoor zijn met hem besproken. Vervolgens heeft er tussen [D] en [verzoeker] een overdracht van zaken plaatsgevonden.

  • -

    [verzoeker] heeft die avond een e-mail aan Run2Day gestuurd, maar niet met de beloofde inhoud. Dit mailbericht luidde als volgt:

“ [A] , [B] ,

Bij deze een beloofd mailtje.

Niet met de info die jullie gevraagd hebben.

Dit om 2 redenen.

1 om zelf informatie in te winnen over hoe ik nu het beste kan handelen.

Ik voelde me zwaar onder druk gezet vanmiddag.

2 een belofte die jullie vanmiddag maakte reeds teniet is gedaan.”

 Na de schriftelijke bevestiging van het ontslag op staande voet op 22 november 2019 heeft [verzoeker] bij brief van zijn gemachtigde van 28 november 2019 opeens de diefstal ontkend.

2.13.

Run2Day is van mening dat het vermoeden van de assistent-bedrijfsleiders, de inventarisatielijsten, de camerabeelden en de uitdrukkelijke erkenning door [verzoeker] van de diefstal op 21 november 2019, voldoende aanleiding geven voor een ernstige verdenking dat [verzoeker] de verschillende artikelen heeft gestolen. Daarom hecht Run2Day geen enkele waarde aan de latere ontkenning van de diefstal door [verzoeker] .

betwisting onverwijldheid

2.14.

[verzoeker] stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven, omdat Run2Day al lange tijd wist dat er voorraadverschillen waren.

2.15.

Run2Day stelt dat het ontslag op staande voet wel onverwijld is gegeven. Zij stelt dat voorraadverschillen op zichzelf niet ongebruikelijk zijn, maar dat zij pas op 20 november 2019 na het bekijken van de camerabeelden afdoende bewijs had om [verzoeker] te verdenken van diefstal. Zij heeft [verzoeker] hiermee op 21 november 2019 geconfronteerd en hem op staande voet ontslagen.

2.16.

De kantonrechter acht het, gelet op de toelichting die Run2Day op de gang van zaken voorafgaande aan het ontslag op staande voet heeft gegeven, voldoende aannemelijk dat Run2Day pas na het bekijken van de camerabeelden voldoende reden had om [verzoeker] van diefstal te verdenken. Run2Day heeft voldoende voortvarend gehandeld door [verzoeker] de dag erna met haar bevindingen te confronteren en hem op staande voet te ontslaan. Het ontslag op staande voet is dus onverwijld gegeven.
betwisting dringende reden

2.17.

[verzoeker] betwist dat sprake is van een dringende reden voor een ontslag op staande voet. Hij betwist dat hij ooit artikelen van Run2Day heeft gestolen en dat hij dit tijdens het gesprek op 21 november 2020 met [A] en [B] heeft erkend. Hij ontkent ook dat Run2Day hem in dit gesprek heeft aangeboden de camerabeelden te bekijken. Zijn handelingen op de camerabeelden die Run2Day beschrijft zijn volgens [verzoeker] volstrekt logisch gezien de werkzaamheden die hij moest verrichten. [verzoeker] wijst er daarnaast nog eens op dat het verschil in voorraden altijd al een groot probleem was bij Run2Day.

2.18.

De kantonrechter is echter van oordeel dat Run2Day voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal. Het betoog van Run2Day is consistent en komt overeen met de aangifte die [A] op 25 november 2019 van de diefstal heeft gedaan.

2.19.

De door Run2Day geuite beschuldiging wordt in de eerste plaats ondersteund door een verklaring van [C] over de aanleiding van zijn verdenkingen. [C] verklaart onder meer het volgende:

  • -

    Rond september/oktober viel het [C] op dat de voorraad eiwitrepen die in de winkel lag snel opraakte en dat er een voorraadverschil was. De repen zijn makkelijk mee te nemen door klanten. Er werden niet alleen verpakkingen van deze repen in de prullenbak bij de uitgang aangetroffen, maar ook achter.

  • -

    [C] is de voorraad toen bij gaan houden. Hij heeft tellingen gedaan op 21 en 23 oktober 2019, waaruit een voorraadverschil van in totaal 14 repen bleek. Op de tussenliggende dag, 22 oktober 2019, hadden [verzoeker] en [E] (hierna: [E] ), een andere collega, in de winkel gewerkt.

  • -

    Op 13 november 2019, nadat [verzoeker] en [E] de dag ervoor samen hadden gewerkt, trof hij in de prullenbak in de keuken een paar handschoentjes aan zonder label van het soort dat Run2Day verkocht en bleken er twee paar handschoentjes te missen.

  • -

    Op 20 november 2019, ook een dag nadat [verzoeker] en [E] samen hadden gewerkt, trof hij in de winkel een lege doos Herzog compressieshorts aan, die er op 18 november 2019 nog niet lag.

  • -

    [C] heeft [verzoeker] gevraagd hoe dit kan, maar heeft geen antwoord op deze vraag gekregen.

2.20.

De beschuldigingen van Run2Day worden daarnaast ondersteund door de beschrijving van de camerabeelden die [C] in zijn verklaring heeft gegeven. [C] verklaart hierover het volgende:

“Omdat ik niet wist op welk moment ik moest kijken ben ik vanaf begin af aan gaan kijken van de desbetreffende dag, dinsdag 19 november 2019. Hierdoor zag ik dingen die ik echt niet wilde zien. Handelingen die ook niet passen bij iemand die in de winkel werkt. Tenzij je van plan bent een artikel zelf aan te schaffen.

Kledingstukken werden vergeleken, waarna [verzoeker] vervolgens een zwart adidas vest mee naar de kassa nam om het artikel van de hanger af te halen evenals de tag. De kassa is niet gebruikt. Samen met de dagstaat nam hij het artikel mee naar achteren. Gedurende de dag is dit artikel niet meer teruggehangen en de volgende dag ook niet gevonden. Tevens was dit de laatste dag van [verzoeker] op [vestiging 2] .

En zo waren er ook handelingen om sportvoeding mee te nemen uit de winkel naar een andere niet zichtbare locatie die alleen [verzoeker] weet.

Hetzelfde geldt voor een Asics compressie sleeve, waarvan ik de verpakking in de wastas heb aangetroffen die ik woensdag 20 november had meegenomen. Verder is duidelijk op de beelden te zien dat [verzoeker] de sleeve omdoet. De wastas zou ik eigenlijk maandag 18 november meenemen, maar die had ik op kantoor laten staan.

Op de beelden is verder te zien dat [verzoeker] een groen Nike vest draagt afkomstig van Run2Day.

Tenslotte is nog zichtbaar dat [verzoeker] handelingen verricht met de Herzog compressieshorts. Van al deze producten waren verschillen in de voorraad terug te vinden en geen aankopen/personeelsaankopen zichtbaar. De artikelen lagen ook niet achter. (…)”

2.21.

Run2Day heeft ter verdere onderbouwing van de gestelde diefstal als productie 8 en 9 een aantal foto’s (stills) overgelegd van de camerabeelden. Volgens Run2Day is op de foto’s van productie 8 te zien dat [verzoeker] op 19 november 2019 een zwart vest ‘untagt’, dit vest vervolgens meeneemt en niet aanslaat of anderszins verwerkt in de kassa. Run2Day stelt dat dit vest de volgende dag uit de voorraad was verdwenen zonder dat ervoor was betaald. Op de foto’s van productie 9 is volgens Run2Day te zien dat [verzoeker] sleeves uit het rek pakt, de verpakking losmaakt, de sleeve past en vervolgens met de sleeves (en de losse verpakking) verdwijnt. Ook dit is niet aangeslagen of anderszins verwerkt in de kassa, terwijl de sleeves de volgende dag uit de voorraad zijn verdwenen. De verpakking is de volgende dag teruggevonden in een wastas.

2.22.

De kantonrechter merkt hierover op dat op de foto’s die Run2Day heeft overgelegd niet een heel duidelijk beeld geven van wat [verzoeker] precies aan het doen is, maar wel ondersteuning bieden voor de interpretatie die Run2Day hieraan geeft. Op de foto’s van productie 8, die het tijdvak 11.48:10 tot en met 11:48:41 beslaan, is in ieder geval te zien dat [verzoeker] met een zwart kledingstuk naar de toonbank loopt en vervolgens iets met dit kledingstuk doet. Gelet op de foto van 11:48:33 zou het inderdaad zo kunnen zijn dat [verzoeker] hierop een zwart vest ‘untagt’. Uit de foto’s, die kort na elkaar zijn genomen, blijkt niet dat [verzoeker] dit kledingstuk aanslaat op de kassa. Wel is te zien dat hij vervolgens met het kledingstuk wegloopt. Op de foto’s van productie 9, die het tijdvak 16:36:37 tot en met 16:38.50 beslaan, is te zien dat [verzoeker] gaat zitten en een zwarte sleeve om zijn rechterarm doet, waarbij hij wordt geholpen door een vrouw. Hij doet deze sleeve vervolgens weer af en loopt met de sleeve en de verpakking weg. [verzoeker] heeft niet betwist dat het vest en de sleeves zich sindsdien niet meer in de voorraad van Run2Day bevinden en dat in het computersysteem niet is geregistreerd dat deze artikelen zijn verkocht of naar een andere vestiging zijn overgedragen.

2.23.

Gelet op de door [C] beschreven camerabeelden en de foto’s daarvan, lag het op de weg van [verzoeker] om precies uit te leggen wat hij met deze artikelen heeft gedaan. Dat heeft hij echter niet gedaan. [verzoeker] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat hij het vest waarschijnlijk in het magazijn heeft gelegd, maar heeft niet toegelicht waarom hij dat precies had gedaan. Ten aanzien van de sleeves heeft [verzoeker] verklaard dat hij deze heeft aangedaan om te kijken hoe ze zitten, maar hij heeft vervolgens niet uitgelegd waarom hij deze sleeves daarna niet gewoon heeft teruggelegd. Het gaat hier om incidenten op 19 november 2019 en [verzoeker] is hiermee al tijdens het gesprek op 21 november 2019 geconfronteerd. Er is dus geen sprake van een groot tijdsverloop dat er de oorzaak van kan zijn dat [verzoeker] niet meer goed weet wat met deze artikelen is gebeurd. [verzoeker] heeft hiermee de gestelde diefstal onvoldoende weersproken.

2.24.

Run2Day heeft bovendien aannemelijk gemaakt dat [verzoeker] de diefstal in het gesprek op 21 november 2019 heeft erkend. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen:

  • -

    [A] en [B] hebben beide verklaard dat [verzoeker] de diefstal in het gesprek op 21 november 2019 heeft erkend

  • -

    [D] heeft verklaard dat hij halverwege het gesprek is aangeschoven, te horen heeft gekregen dat [verzoeker] van diefstal werd beschuldigd en dit zou hebben toegegeven en dat [verzoeker] dit toen niet heeft weersproken.

  • -

    [A] vermeldt ook in de ontslagbrief van 22 november 2019 dat [verzoeker] de diefstal van minimaal een tight, een shirt, een jas en tientallen gels en repen zou hebben toegegeven.

  • -

    Zowel [A] als [B] verklaren dat zij in het gesprek op 21 november 2019 met [verzoeker] hadden afgesproken dat hij diezelfde avond een e-mail zou sturen met een lijst van de artikelen die hij had gestolen. [verzoeker] heeft die avond inderdaad een e-mail aan [A] en [B] gestuurd. Hij ontkent hierin op geen enkele manier de diefstal, hetgeen voor de hand had gelegen als hij die dag inderdaad - naar zijn mening ten onrechte - van diefstal was beschuldigd. Hij geeft in de mail alleen aan dat, en waarom, hij de gevraagde info niet zal geven.

  • -

    [verzoeker] heeft vervolgens pas bij brief van zijn advocaat van 28 november 2019 de diefstal ontkend.

De kantonrechter acht de ontkenning van [verzoeker] van de diefstal daarom onvoldoende geloofwaardig.

conclusie

2.25.

De kantonrechter acht het gezien het voorgaande aannemelijk dat [verzoeker] de artikelen die in de ontslagbrief worden genoemd inderdaad heeft gestolen en acht daarom een dringende reden voor het aan hem gegeven ontslag op staande voet aanwezig. [verzoeker] heeft geen persoonlijke omstandigheden aangevoerd die aan een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet in de weg staan. Van een buitenproportionele ernstige sanctie is evenmin sprake. De handelwijze van [verzoeker] wordt aangemerkt als een zodanig ernstige schending van de op hem rustende verplichting zich jegens Run2Day als goed werknemer te gedragen en daarmee als een dermate ernstige inbreuk op het vertrouwen dat zij in hem moest kunnen stellen, dat van Run2Day redelijkerwijs niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren tot het moment waarop deze van rechtswege zou eindigen.

2.26.

Run2Day heeft de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op 21 november 2019 dan ook om een dringende reden onverwijld mogen opzeggen, zodat zijn verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet en de daarmee samenhangende verzoeken zullen worden afgewezen.

de loonvordering

2.27.

[verzoeker] vordert onder a. betaling van achterstallig loon over de periode van 1 tot 21 november 2019 van € 1.857,14 bruto. Run2Day erkent de verschuldigdheid van dit bedrag. Zij stelt echter dat zij op haar beurt op grond van artikel 7:677 lid 2 BW jegens [verzoeker] aanspraak kan maken op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging voor hetzelfde bedrag en dat zij deze vordering met de vordering van [verzoeker] wenst te verrekenen. Zij doet subsidiair een beroep op een opschortingsbevoegdheid.

2.28.

[verzoeker] stelt echter terecht dat op grond van artikel 7:686a lid 4 onder a BW een vervaltermijn van twee maanden geldt om een verzoek op deze grondslag bij de kantonrechter in te dienen en dat deze termijn inmiddels is verstreken. Gelet hierop is deze vordering van Run2Day niet komen vast te staan en komt haar geen beroep op verrekening en opschorting toe. Het gevorderde bedrag van € 1.857,14 bruto zal daarom worden toegewezen.

vakantiegeld, vakantie-uren, overwerkuren en reiskosten

2.29.

Run2Day betwist niet dat zij in geval van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet nog een bedrag van € 1.292,76 bruto aan vakantiegeld en een bedrag van € 1.907,90 bruto aan vakantie-uren en overwerkuren aan [verzoeker] is verschuldigd. Ook betwist zij niet dat [verzoeker] nog recht heeft op een bedrag van € 164,33 netto aan reiskosten over de maand oktober 2019 en een bedrag van € 87,97 netto aan reiskosten over de maand november 2019. Zij stelt echter vanwege de diefstal een vordering van ongeveer € 15.000,-- op [verzoeker] te hebben. Dit is de waarde van alle geconstateerde voorraadverschillen. Run2Day wenst deze vordering met de vordering van [verzoeker] te verrekenen en doet subsidiair een beroep op haar opschortingsbevoegdheid.

2.30.

De kantonrechter merkt hierover op dat Run2Day deze vordering op geen enkele manier heeft onderbouwd. Zij heeft zelf erkend dat niet alle voorraadverschillen aan [verzoeker] te wijten zullen zijn, dus alleen op grond hiervan al is niet aannemelijk dat zij een vordering van € 15.000,-- op [verzoeker] heeft. Run2Day heeft nog gesteld dat zij, uitgaande van de artikelen waarvan [verzoeker] heeft toegegeven dat hij deze heeft gestolen, minimaal een vordering van € 1.000,-- op [verzoeker] heeft, maar ook deze vordering is verder op geen enkele manier onderbouwd. Gelet hierop staat deze tegenvordering van Run2Day onvoldoende vast en kan Run2Day zich niet op verrekening of opschorting beroepen. De verzoeken van [verzoeker] onder b. en e. zullen daarom worden toegewezen.

wettelijke verhoging

2.31.

Nu vaststaat dat Run2Day het aan [verzoeker] toekomende achterstallige loon over de periode 1 tot 21 november 2019 en de onder b. verzochte bedragen aan vakantiegeld, vakantie-uren en overwerkuren niet tijdig heeft betaald, is zij in beginsel de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW verschuldigd vanaf de vierde dag na de dag waarop de betaling had moeten plaatsvinden. De kantonrechter ziet in dit geval echter aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot nihil. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet duidelijk is hoeveel schade Run2Day als gevolg van de diefstal heeft geleden, maar dat het wel aannemelijk is dat [verzoeker] financieel nadeel aan Run2Day heeft toegebracht. Het zou daarom onredelijk zijn [verzoeker] aanspraak te geven op wettelijke verhoging.

wettelijke rente

2.32.

Run2Day zal wel worden veroordeeld om aan [verzoeker] de wettelijke rente over het achterstallige loon en de verschuldigde bedragen aan vakantiegeld, vakantie-uren en overwerkuren te vergoeden, berekend vanaf de dag van verzuim tot de dag van algehele voldoening.

buitengerechtelijke kosten

2.33.

Het verzoek tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, nu niet is gebleken dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De brief van de gemachtigde van [verzoeker] van 28 november 2019 waarin zij Run2Day sommeert het ontslag op staande voet in te trekken en te bevestigen dat volledige salaris wordt doorbetaald, kan niet als een incassohandeling worden aangemerkt.

overleggen specificaties

2.34.

Het verzoek Run2Day te veroordelen om een deugdelijke specificatie van de nog te betalen bedragen te overleggen zal worden toegewezen. Run2Day zal dit binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis moeten doen. Aan deze veroordeling zal een dwangsom worden verbonden van € 50,-- voor iedere dag dat Run2Day niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.000,--.

betaling schadevergoeding

2.35.

[verzoeker] verzoekt Run2Day te veroordelen om op grond van artikel 7:611 BW de schade te vergoeden die hij lijdt doordat het Uwv hem geen WW-uitkering heeft toegekend. Hij verwijt Run2Day dat zij het Uwv volledig op eigen initiatief en doelbewust heeft meegedeeld dat hij op staande voet is ontslagen, hetgeen tot een volledige weigering van de WW-uitkering heeft geleid.

2.36.

Run2Day betwist dat zij aansprakelijk is voor de gevolgen van de geweigerde WW-uitkering. Zij heeft toegelicht dat het Uwv haar in december 2019 nadere telefonische inlichtingen heeft gevraagd over het ontslag van [verzoeker] . Volgens het Uwv had [verzoeker] verklaard dat hij zonder opgave van redenen tijdens zijn vakantie op staande voet was ontslagen. Run2Day heeft op uitdrukkelijk verzoek van het Uwv het gegeven ontslag toegelicht en de ontslagbrief van 22 november 2019 aan het Uwv gestuurd. Volgens het Uwv was Run2Day hier ook toe verplicht.

2.37.

[verzoeker] heeft deze gang van zaken betwist, maar heeft niet aannemelijk gemaakt dat Run2Day uit eigen beweging contact met het Uwv heeft gezocht om het Uwv van het ontslag op staande voet op de hoogte te stellen en zo de toekenning van een WW-uitkering onmogelijk te maken. Daarom is niet komen vast te staan dat Run2Day in dit opzicht niet als een goed werkgever heeft gehandeld en op grond van artikel 7:611 BW aansprakelijk is. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

2.38.

De proceskosten zullen gezien de uitkomst van deze procedure worden gecompenseerd, in die zin dat partijen hun eigen proceskosten dragen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt Run2Day tot betaling aan [verzoeker] van het achterstallig loon over de periode van 1 tot 21 november 2019 van € 1.857,14 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van verzuim tot de dag van algehele voldoening;

3.2.

veroordeelt Run2Day tot betaling aan [verzoeker] van de eindafrekening van vakantiegeld van € 1.292,76 bruto en vakantie-uren en overwerkuren van € 1.907,90 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van verzuim tot de dag van algehele voldoening;

3.3.

veroordeelt Run2Day tot betaling aan [verzoeker] van de reiskosten over de maand oktober 2019 van € 164,33 en over de maand november 2019 van € 87,97 netto;

3.4.

veroordeelt Run2Day om aan [verzoeker] een deugdelijke specificatie te overleggen van de onder 3.1 tot en met 3.3. te betalen bedragen, op verbeurte van een dwangsom van € 50,-- per dag dat Run2Day niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.000,-- is bereikt;

3.5.

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

3.6.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2020.