Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:869

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
09-03-2020
Datum publicatie
09-03-2020
Zaaknummer
16/706064-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank overweegt dat verdachte willens en wetens heeft meegewerkt aan een buitengewoon ernstig en schokkend strafbaar feit: moord. Verdachte heeft door het verschaffen van informatie over het slachtoffer een wezenlijke bijdrage geleverd aan de moord. Verdachte heeft het slachtoffer wekenlang geobserveerd en inlichtingen doorgespeeld.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 13 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Amsterdam Osdorp

Parketnummer: 16/706064-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 9 maart 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1988] in [geboorteplaats] (Marokko),

wonende aan de [adres] in [woonplaats] ,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Alphen aan den Rijn,

hierna: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 4 december 2019, 10 december 2019, 3 februari 2020 en 9 maart 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. R.E. Craenen en van hetgeen verdachte en zijn raadslieden mrs. C.W. Flokstra en J. de Vries, advocaten te Amsterdam, alsmede mr. W. van Egmond, advocaat te Naarden namens de benadeelde partij [benadeelde] naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met [medeverdachte 1] opzettelijke behulpzaam is geweest bij de liquidatie (moord) op [slachtoffer] op 9 september 2015 in Huizen, gepleegd door [medeverdachte 2] , door in de periode van 29 juli 2015 tot en met 9 september 2015 [slachtoffer] te identificeren en inlichtingen te verschaffen over de persoon van [slachtoffer] en diens dagelijkse routine alsmede die van andere medewerkers van de [winkel]

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de waardering van het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Overlijden [slachtoffer]

Op woensdag 9 september 2015 rond 18:20 uur geeft een centralist van de regionale meldkamer door dat een persoon is neergeschoten in [straat] te [woonplaats] .2 De politie komt ter plaatse en treft ter hoogte van [adres] een blauwe Ford Ka aan. In deze auto zit een man met zijn hoofd voorover gebogen. De politie ziet dat er bloed uit zijn neus en mond komt en dat er drie kogelwonden in het hoofd van de man zitten.3 De inmiddels gearriveerde ambulancemedewerkers geven aan dat ze niets meer voor de man kunnen betekenen.4
De overleden man is [slachtoffer] , geboren op [1956] , 59 jaar oud geworden.5


Er wordt een gerechtelijke sectie verricht aan het lichaam van [slachtoffer] en de conclusie is dat hij is overleden als gevolg van meerdere bij leven opgelopen schotverwondingen.6

Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij op woensdag 9 september 2015 op [straat] fietste. Zij fietste langs een kleine blauwe personenauto die bezig was om in te parkeren en zij zag op dat moment een geheel in het zwart gekleed persoon aan komen lopen in de richting van het voertuig. De persoon had een motorhelm op en hield iets in zijn hand dat op een Maglite zaklamp leek. Toen de persoon het voertuig op ongeveer één meter was genaderd, richtte deze persoon het voorwerp op de bestuurder van de auto. Getuige hoorde drie korte harde knallen en zij zag vuurflitsen uit het voorwerp komen. Zij zag dat de bestuurder van het voertuig in elkaar zakte.7

E-mailadres [e-mailadres]

In het dossier zit een proces-verbaal van identificatie van 6 augustus 2019. In dat proces-verbaal relateert de verbalisant ( [nummer] ) dat de gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres] (hierna: het Vf7-adres) kan worden geïdentificeerd

als: [verdachte] , geboren op [1988] te [geboorteplaats] (Marokko).8

Op 20 juli 2015 wordt door het Vf7-adres het eerst ontsloten bericht gestuurd aan [A] (geïdentificeerd als de persoon die gebruik maakte van 8NG-adres) met de tekst: “Oke yoo met [bijnaam 1] ”. Het is daarom zeer waarschijnlijk dat de gebruiker van het Vf7-adres bekend staat onder de bijnaam “ [bijnaam 1] ”.9 In het onderzoek 26Koper is vastgesteld dat “ [bijnaam 1] ” de bijnaam is van verdachte.10

Tijdens de terechtzitting op 4 december 2019 heeft de raadsman van verdachte verzocht om de beschikking te krijgen over de berichten die zijn gestuurd naar en verzonden vanaf het Vf7-adres. Verdachte heeft hierover tijdens de zitting verklaard: “Voor de waarheidsvinding is het van belang dat ik inzage krijg in mijn berichten die ik heb verstuurd en ontvangen. Alles wordt uit de context gehaald en er wordt een verkeerde samenvatting gemaakt.”11

De tijdsaanduiding bij de berichten uit de Ennetcom-databank betreft UTC tijd. In Nederland geldt in de winter UTC+1 en in de zomer UTC+2. De tijdsaanduiding in de inhoud van de berichten is afhankelijk van de tijdsinstellingen op het betreffende telefoontoestel.12

Omdat zal worden verwezen naar samenhang tussen berichten en gebeurtenissen, zal de rechtbank telkens de Nederlandse tijd noemen die bij het bericht hoort. Aangezien de meeste berichten tijdens de zomertijd zijn verstuurd, betekent dit dat er twee uur wordt opgeteld bij de UTC tijd.13

Het Vf7-adres verstuurde de volgende berichten aan [e-mailadres] (hierna: het 8NG-adres):

- Oke yoo met [bijnaam 1] (20 juli 2015)14

- Nee sir hahaha die heb k altijd [B] en [C] kantoor (21 juli 2015)15

- K weet sir maar k denk dat boek bang was dat iederen was op gehaaid en hij geen doekoe had daarvoor om advo te betalen snapie dat denk sir (29 juli 2015 om 16:11 uur)16

- Jah dat denk k ook sir maar jah die advo zij nog tegen me zus dat hij hem wou houden blabla toen dag k van jah hij denk dat tie geen pap had voor advo. dat dag me zus ook en die ken hem snapie (29 juli 2015 om 16:16 uur)17

Observeren [winkel]

Het Vf7-adres verstuurde op 29 juli 2015 de volgende berichten aan het 8NG-adres:

- Oke en waar zijn ze gekocht sir daar tog bij de [winkel] zeker (00.46 uur)18

- Oke welk die we laats zagen sir of die andere want je heb er 2 ouwe die we laats zagen

met zweapen en kale ouwe die vroeger scoutoe was (01.36 uur)19

- Ja en je heb en ander eigen naar die kale die ouwe man hij heeft zo jeep auto Porsche

cajen die is die ouwe scoutoe manetje (01.40 uur)20

- Of die ander ouwe die we laats zagen 1 van die 2 heben de woord daar en die ander

zijn werk manetjes meestal is die ouwe daar die we laats zagen die help de klanten

denk ook dat hij dan heb gepraat om dat tie ze heb geholpen (01.42 uur)21

- U bedoel die ouwe van laats tog die we hebben gezien die weet k niet dan ga k we’ll

even posten daar wat voor auto hij heeft (01.42 uur)22

- Oke jah dan alle 2 maar pitten geen een over laten (02.13 uur)23

Het Vf7-adres verstuurde op 10 augustus 2015 de volgende berichten aan het 8NG-adres:

- Jah klopt 50 zeker die blond is rond de 40 die eigen tog (15.08 uur)24

- Hij heeft altijd en blous aan sir tog hij is zelf grijs beetje (15.10 uur)25

- Jah dat is goed sir die man die hij bedoelt heeft tie bruin haar sir (17.21 uur)26

- Oke sir kan dat hij met op vakantie is die ouwe sir (17.25 uur)27

- Oke sir k ga zo met hem afspreken (17.23 uur)28

- Jah sir k ben mrg niet hem sir k ga hij de bus halte zitten sir bij kenaal hij laat

me weten als tie vertrek alles tie langs mij rijd zie k hem sir die hond dan geef k door dat het de goeie is of niet maar k denk het we’ll sir dat hij de goei heeft (21.22 uur)29

Het Vf7-adres verstuurde op 11 augustus 2015 de volgende berichten aan het 8NG-adres:

- Jah sir hij had hem gezien weg rijden maar [bijnaam 2] zeg hij is binnen 5 min rijd tie

meestal langs de kenaal maar hij kwam niet (10.56 uur)30

- K ben er sir hahaha k zit naar die honden kopen bekijken van ze (12.51 uur)31

- Jah sir k heb hem die vlikker laten zien die wij hebben gezien laats aan wie we pap

hebben gegeven (12.52 uur)32

- Jah sir k heb hem die ouwe laten zien sir die ons had geholpen heeft die dag en die de

boys heeft herkend die meestal iederen help sir snapie voor zit en je heb die ouwe man

kale boven zijkant haar die altijd achter zit in de bureau 1 van hen zit je goed sir kijk u maar wie k heb hem die man aan gewezen die ons altijd help (13.06 uur)33

- Oke sir k heb hem de juiste laten zien sir die we pap haden gegeven (13.11 uur)34

- Oke sir ieder geval hij weet nu wie geef hem 3 dagen om goed alles te kijken bij deze

dan kan tie gaan sir (13.16 uur)35

‘ [bijnaam 2] ’ blijkt de bijnaam te zijn van [medeverdachte 1] .36

In het ‘Proces-verbaal Bevindingen gebruik PGP verdachte [medeverdachte 1] ’ van 3 februari 2017 relateert verbalisant [verbalisant] dat tijdens een doorzoeking in de woning van [medeverdachte 1] aan de [adres] in [woonplaats] op 3 februari 2016 een pgp-telefoon is gevonden die is gebruikt in combinatie met het e-mailadres [e-mailadres] (hierna: het 65G-adres). De verbalisant relateert dat [medeverdachte 1] via het 65G-adres heeft gecommuniceerd.37

Het 65G-adres verstuurde op 10 september 2015 het volgende bericht aan het 8NG-adres:

Ja sir ik hoef eigenlijk niet te kijken dat is die man die [bijnaam 1] mij heeft aangewezen sir

maar ik ga ff nu kijken ap u zo. (14.29 uur)38

Bewijsoverwegingen

Gelet op de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

[verdachte] gebruiker [e-mailadres]

De rechtbank stelt vast dat verdachte de gebruiker is geweest van het Vf7-adres en meerdere berichten heeft verzonden waaruit valt af te leiden dat hij observaties heeft uitgevoerd rondom de [winkel] en [slachtoffer] .

Dubbel opzet ter zake medeplichtigheid

In artikel 48 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr.) is het opzettelijk behulpzaam zijn bij, of het opzettelijk gelegenheid/middelen/inlichtingen verschaffen tot een door ander begaan misdrijf strafbaar gesteld als medeplichtigheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte gedurende de periode van 29 juli 2015 tot en met 11 augustus 2015 aan medeverdachte [medeverdachte 1] en [A] inlichtingen heeft verschaft ten aanzien van [slachtoffer] , zijn auto, de [winkel] en diens medewerkers. Verdachte heeft [slachtoffer] aan medeverdachte [medeverdachte 1] aangewezen als de persoon die hij diende te observeren teneinde het voor de schutter mogelijk te maken om hem te liquideren.

Voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid als bedoeld in artikel 48 onder 1° of 2° Sr. moet komen vast te staan dat verdachtes opzet (al dan niet in voorwaardelijke vorm) was gericht op het behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf dan wel op het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van het misdrijf en voorts dat verdachtes opzet al dan niet in voorwaardelijke vorm was gericht op het door de dader(s) gepleegde misdrijf (gronddelict). Daarbij geldt dat het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige niet gericht hoeft te zijn op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan.

Uit de inhoud van de berichten van verdachte volgt dat hij wetenschap heeft gehad van het feit dat zijn inlichtingen van belang waren voor het uitvoeren van de liquidatie. Hij heeft [slachtoffer] aangewezen aan medeverdachte [medeverdachte 1] . En toen twijfel bestond over het antwoord op de vraag welke persoon moest worden gevolgd, en vermoord, stuurde verdachte het volgende bericht:

Oke jah dan alle 2 maar pitten geen een over laten (29 juli 2015) 39

Pitten is codetaal voor vermoorden40. Dat wordt ondersteund door de tekst ‘geen een over laten’. Verdachte wist dus dat er iemand zou worden vermoord.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzet heeft gehad op het verstrekken van inlichtingen teneinde [slachtoffer] te laten liquideren. Daarmee is voldaan aan het vereiste van dubbel opzet. Op grond van het voorgaande komt voor een bewezenverklaring in aanmerking dat verdachte medeplichtig is aan de moord op [slachtoffer] . Gelet op de nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] (verdachte heeft [slachtoffer] aan [medeverdachte 1] aangewezen als de persoon die hij verder moest observeren), komt ook het ten laste gelegde medeplegen van de medeplichtigheid voor een bewezenverklaring in aanmerking. De rechtbank zal daartoe overgaan.

[medeverdachte 2] als medepleger

In de tenlastelegging is [medeverdachte 2] als medepleger opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat het onderhavige procesdossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor de betrokkenheid van [medeverdachte 2] als medepleger. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal verdachte derhalve worden vrijgesproken.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

één onbekend gebleven persoon op 9 september 2015 te Huizen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer] ) van het leven heeft beroofd, immers heeft die onbekend gebleven persoon met een vuurwapen een aantal kogels in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden,

tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op een of meer tijdstippen in de periode van 29 juli 2015 tot en met 11 augustus 2015 te Nieuwegein en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en anderen, telkens opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk inlichtingen heeft verschaft, door

- post te vatten op een locatie met zicht op de werklocatie van [slachtoffer] , te weten de [winkel] gelegen aan de [adres] te [adres] , en op een locatie, gelegen langs de route die [slachtoffer] van zijn werklocatie naar zijn woning en vice versa aflegde, en

- inlichtingen aangaande:

* de vermoedelijke rol van [slachtoffer] binnen voornoemde [winkel] , en

* de identificatie van [slachtoffer] als degene die verdachte en/of anderen (door verdachte aangeduid met 'hun' en/of 'de boys') in het verleden zou hebben geholpen en spullen aan hen zou hebben verkocht, en op hun verzoek een of meer auto's zou hebben ge-sweep't (onderzocht op aanwezigheid van zenders en trackers), en een of meer van hen daarna (ten overstaan van de politie) zou hebben herkend en een of meer van hen zou hebben verraden ('genaaid'), en (tegen de politie) zou hebben gepraat en (de politie) informatie zou hebben gegeven en

* het signalement van [slachtoffer] en

* de werkplek van [slachtoffer] binnen de [winkel] , en

* overige omstandigheden rondom die [slachtoffer] ,

al dan niet via een tussenpersoon te verschaffen aan een onbekend gebleven persoon.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

Medeplichtigheid in vereniging aan moord

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van veertien jaren, met aftrek van het voorarrest.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een uitgebreid strafmaatverweer gevoerd en geconcludeerd dat de vordering van de officier van justitie te fors is.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van één en ander ter terechtzitting is gebleken. Ter toelichting daarop overweegt de rechtbank het volgende.

De ernst van het feit

Op 9 september 2015 is [slachtoffer] op koelbloedige en professionele wijze vermoord door hem van dichtbij meerdere kogels door zijn lichaam te schieten. De schutter heeft op klaarlichte dag, in een woonwijk, het leven van [slachtoffer] met geweld beëindigd.. Zijn vrouw, die op dat moment in de woning aanwezig was, heeft de schoten gehoord waarmee haar man om het leven is gebracht. Een nog minderjarige getuige heeft gezien hoe de schutter meerdere schoten loste op het lichaam van [slachtoffer] . Vervolgens hebben meerdere omwonenden [slachtoffer] doodgeschoten in zijn auto zien zitten.

De moord op [slachtoffer] heeft immens veel leed veroorzaakt voor met name de echtgenote en dochters van [slachtoffer] , leed dat niet in woorden is uit te drukken. Zij moeten leven met het enorme gemis van [slachtoffer] en met de wetenschap hoe en waarom hun dierbare om het leven is gebracht. De naasten van [slachtoffer] hebben jaren in het duister getast naar het waarom van deze moordaanslag op hun echtgenoot en vader. Door de ontsluiting van de Ennetcom-berichten is er meer inzicht gekomen in het motief achter de moord.

Op 15 juli 2015 hebben er binnen het onderzoek 26Koper diverse aanhoudingen plaatsgevonden. Tevens is een loods met een grote hoeveelheid wapens aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat enkele verdachten uit dat onderzoek aankopen hebben gedaan bij de [winkel] waar [slachtoffer] werkzaam was. Onder meer uit de reeds aangehaalde berichten tussen verdachte en [A] van 29 juli 2015, blijkt dat men ervan overtuigd was dat de [winkel] hen ‘genaaid’ had, door met de politie te praten en auto’s niet goed te sweepen (te controleren op bakens en afluisterappartuur). Uit het procesdossier komt naar voren dat men, gelet op het voorgaande, vond dat er een signaal diende te worden afgegeven. De rechtbank constateert dat [slachtoffer] om het leven is gebracht om een boodschap af te geven aan de [winkel] waarvoor hij werkte, maar ook aan andere leveranciers, dat zij zich niet moeten inlaten met de politie. Veelzeggend is in dit verband het bericht van verdachte aan [A] van 28 juli 2015, 23:10 uur: Jah sir egt meen het als ze dat hebben gedaan hoeren zoonen doe k dat met plezier.41En het bericht van 9 september 2015, 19:01 uur dat wordt toegeschreven aan [D] : Salam sir kyk nieuws straks! Kanker [winkel] honden !! Hebben dubbel spel gespeelt met ons sweapen en zenders plaatste ze voor petten sir maar boodschap is aangekomen.42

De rechtbank overweegt dat verdachte willens en wetens heeft meegewerkt aan een buitengewoon ernstig en schokkend strafbaar feit. Verdachte heeft door het verschaffen van inlichtingen een wezenlijke bijdrage geleverd aan de moord. Verdachte heeft geen enkel respect getoond voor het leven van [slachtoffer] of voor het verdriet dat diens nabestaanden zou worden aangedaan. De rechtbank overweegt dat uit de berichten van verdachte, die een beeld geven van de aanloop naar de moord, volgt dat verdachte zelfs van harte (‘met plezier’) heeft meegewerkt aan de moord. De rechtbank overweegt dat verdachte op de hoogte was van het motief van de moord, te weten de boodschap af te geven dat medewerken met de politie met de dood zal worden bekocht. De officier van justitie heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht opgemerkt dat de moord op [slachtoffer] gelet op dat motief een directe aantasting is van de Nederlandse rechtsstaat.

De persoon van verdachte

De rechtbank overweegt dat verdachte ontkent enige betrokkenheid te hebben gehad bij de moord op [slachtoffer] . Op vragen van de rechtbank en de officier van justitie heeft hij zich voornamelijk op zijn zwijgrecht beroepen. Gelet op de houding van verdachte heeft de rechtbank geen inzicht gekregen in zijn denkbeelden en de bereidheid tot het behulpzaam zijn bij het plegen van een moord. Gelet op het feit dat de moord op [slachtoffer] inmiddels ruim vier jaar geleden heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank geen inzicht gekregen of zijn denkbeelden mogelijk zijn veranderd. De rechtbank stelt vast dat verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen en geen berouw heeft getoond voor zijn handelen. Verdachte heeft ook geweigerd medewerking te verlenen aan reclasseringsonderzoek.

De rechtbank overweegt dat uit het procesdossier volgt dat verdachte een onmisbare schakel is geweest in aanloop naar de uiteindelijke moord op [slachtoffer] . Verdachte heeft [slachtoffer] op 11 augustus 2015 aangewezen als de persoon die ‘de boys’ zou hebben herkend en verraden. Verdachte verstrekte vanaf 29 juli 2015 al signalementen van personen die bij de [winkel] werkten. De rechtbank overweegt dat verdachte bovendien in zijn berichten duidelijk maakt dat het hem niet uit maakt of er nu één of twee personen om het leven worden gebracht. Hiermee geeft hij er blijk van geen enkel respect te hebben voor een mensenleven.

De rechtbank stelt vast dat uit de justitiële documentatie van verdachte volgt dat hij eerder een gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen van drie jaar naar aanleiding van zijn veroordeling eind 2016 voor onder meer deelname aan een criminele organisatie in het onderzoek 26Koper.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die in soortgelijke moordzaken zijn opgelegd. Hoewel strafzaken zich moeilijk laten vergelijken, is het wel mogelijk een rode draad te onderscheiden.

Het vermoedelijke motief in de door de officier van justitie aangehaalde moordzaak met betrekking tot de broer van de kroongetuige en het motief van de moord op [slachtoffer] laten zich redelijk goed vergelijken. De rechtbank neemt voor een moord als de onderhavige (een liquidatie) een gevangenisstaf van 25 jaar als uitgangspunt. Verdachte is medeplichtig aan deze moord. De lijn van de wet is dat de straf die aan een (mede)pleger van een delict wordt opgelegd bij een medeplichtige met een derde dient te worden verminderd. Met name gelet op de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht komt de rechtbank tot een lagere straf dan door de officier van justitie geëist.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat een forse gevangenisstraf passend en geboden is. Met inachtneming van de rol van verdachte bij de moord, wordt hij veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

9 BENADEELDE PARTIJ

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 11.612,38. Dit bedrag bestaat uit € 1.612,38 materiële schade en € 10.000,- immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De benadeelde partij is geconfronteerd met het overlijden van haar vader en daarnaast de afschuwelijke realiteit van de moord. Zij heeft hierdoor shockschade opgelopen. De officier van justitie acht de geleden schade voldoende onderbouwd. De officier van justitie is van mening dat de gevorderde schade van de benadeelde partij geheel voor toewijzing in aanmerking komt met daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het gevorderde bedrag dient hoofdelijk aan verdachte en zijn medeverdachte te worden opgelegd.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de vordering ten aanzien van de immateriële schade geheel af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. De verdediging stelt dat er geen directe confrontatie heeft plaatsgevonden na de moord op haar vader en daarmee geen sprake is van shockschade. Daarnaast is het geestelijk letsel onvoldoende onderbouwd.

Gelet op het voorgaande stelt de verdediging dat de benadeelde partij eveneens geen aanspraak kan maken op materiële schade. De verdediging verzoekt de materiële schade eveneens af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat het evident is dat de benadeelde partij door de moord op haar vader zeer veel leed is toegebracht. De rechtbank overweegt dat het invoelbaar is dat de aanblik van haar vader in het mortuarium met schotwonden in onder andere zijn gezicht, haar voor de rest van haar leven hebben getekend.

Ondanks het voorgaande overweegt de rechtbank dat uit vaste rechtspraak volgt dat voor een zeer beperkte kring van personen en onder zeer bijzondere omstandigheden de mogelijkheid bestaat tot het verkrijgen van een vergoeding van geleden shockschade. De grondslag hiervoor is gelegen in artikel 6:106, eerste lid, sub b, van het Burgerlijk Wetboek. Bij de toepassing van voormelde bepaling - ook in zaken als de onderhavige, waarbij het slachtoffer door een geweldsmisdrijf om het leven is gekomen - heeft de Hoge Raad steeds vastgehouden aan een zeer strikte uitleg van de geldende criteria. De Hoge Raad heeft bepaald dat de ernst van het feit geen reden is die criteria opzij te schuiven of af te zwakken.

De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van een vordering tot vergoeding van shockschade, de maatstaf of sprake is van geestelijk letsel in de vorm van een psychiatrisch erkend ziektebeeld, in acht dient te worden genomen. In de regel wordt een vordering tot vergoeding van shockschade afgewezen als deze niet is onderbouwd met een schriftelijke verklaring van een psycholoog of psychiater. Een dergelijke verklaring is echter geen voorwaarde voor toekenning van shockschade. Waar het om gaat is dat kan worden vastgesteld dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De rechtbank overweegt dat het vaak om complexe vraagstukken gaat (zoals causaal verband, relativiteit en omvang van de schade) en er om die reden strenge eisen gelden voor zowel de ontvankelijkheid als de toewijzing van shockschade.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij geen stukken heeft kunnen overleggen waaruit volgt dat zij lijdt aan een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Het vormt een onevenredige belasting van het strafgeding om de benadeelde partij de gelegenheid te geven alsnog bewijsstukken over te leggen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij, zowel ten aanzien van de materiële als de immateriële schade, niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 47, 48, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 13 (dertien) jaren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden;

Benadeelde partij

  • -

    verklaart [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

  • -

    compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Bos, voorzitter, mrs. W.S. Ludwig en H.B.W. Beekman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. O.S. Salet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 maart 2020.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

[medeverdachte 2] en/of één of meer (andere) onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 9 september 2015 te Huizen, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade [slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer] ) van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben die [medeverdachte 2] en/of één of meer (andere) onbekend gebleven perso(o)n(en) met een vuurwapen een aantal kogels in het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden,

tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 28 juli 2015 tot en met 11 augustus 2015 te Huizen en/of Nieuwegein en/of Amsterdam en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door

- post te vatten op een locatie met zicht op de werklocatie van [slachtoffer] , te weten de [winkel] gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , en/of op een locatie, gelegen langs de route die [slachtoffer] van zijn werklocatie naar zijn woning en/of vice versa aflegde, en/of

- inlichtingen aangaande:

* de (vermoedelijke) rol van [slachtoffer] binnen voornoemde [winkel] , en/of

* de identificatie van [slachtoffer] als degene die verdachte en/of anderen (door verdachte aangeduid met 'hun' en/of 'de boys') in het verleden zou hebben geholpen en/of spullen aan hen zou hebben verkocht, en/of op hun verzoek een of meer auto's zou hebben ge-sweep't (onderzocht op aanwezigheid van zenders en/of trackers), en/of een of meer van hen daarna (ten overstaan van de politie) zou hebben herkend en/of een of meer van hen zou hebben verraden ('genaaid'), en/of (tegen de politie) zou hebben gepraat en/of (de politie) informatie zou hebben gegeven en/of

* het signalement van [slachtoffer] en/of

* de werkplek van [slachtoffer] binnen de [winkel] , en/of

* overige omstandigheden rondom die [slachtoffer] ,

al dan niet via (een) tussenperso(o)n(en) te verschaffen aan die [medeverdachte 2] en/of één of meer (andere) onbekend gebleven perso(o)n(en).

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlage opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 30 augustus 2019, genummerd PL0900-2015274558, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd A tot en met 1656. Tenzij anders vermeld, zijn deze processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 70.

3 Pagina 65.

4 Pagina 78.

5 Pagina 71.

6 Pagina 107.

7 Pagina 6 en 7.

8 Pagina 1097.

9 Pagina 1098.

10 Pagina 1098 en 1099.

11 P-V van de zitting van 4 december 2019.

12 Pagina 1030.

13 De zomertijd liep in 2015 van 29 maart tot 25 oktober.

14 Pagina 1098.

15 Pagina 1100.

16 Pagina 1100.

17 Pagina 1100.

18 Pagina 1053.

19 Pagina 1057.

20 Pagina 1058.

21 Pagina 1059.

22 Pagina 1061.

23 Pagina 1066.

24 Pagina 1417.

25 Pagina 1417.

26 Pagina 1417.

27 Pagina 1417.

28 Pagina 1417.

29 Pagina 1417.

30 Pagina 1417.

31 Pagina 1418.

32 Pagina 1418.

33 Pagina 1418.

34 Pagina 1418.

35 Pagina 1418.

36 Pagina 1417.

37 Pagina 866 en 867.

38 Pagina 1434.

39 Pagina 1066.

40 Pagina 1405.

41 pagina 1056.

42 Pagina 1505.