Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:868

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
02-03-2020
Datum publicatie
09-03-2020
Zaaknummer
UTR 19/2252 en UTR 19/2261
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Twee beroepszaken over hoogte schadevergoeding. Vergoedingsregeling ganzenrustgebieden provincie Utrecht 2017.

GS hebben zich mogen baseren op de adviezen van de taxateur. Onvoldoende aanleiding om taxateur niet te volgen in zijn verklaring dat hij de percelen 4 maal heeft bezocht.

Gebruik van grashoogtemeter niet verplicht. Eisers hadden eerder kunnen klagen over (wijze van) taxaties. Beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: UTR 19/2252 en UTR 19/2261

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 maart 2020 in de zaken tussen

[eiser] en [eiseres] (h.o.d.n. [maatschap] ), te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. A.R. van Tilborg),

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college), verweerder

(gemachtigde: E.M. van Wijk van Brievingh).

Inleiding

Eisers runnen sinds 2013 een melkveebedrijf aan de [adres] in [woonplaats] . Vanaf

1 april 2018 is dit een biologisch melkveebedrijf geworden.

Eisers hebben een aantal percelen in gebruik die door het college zijn aangewezen als ganzenrustgebied. Zo’n gebied geeft rust en foerageerplaats voor de Grauwe gans en Kolgans in de periode van 1 november tot 1 april omdat er in die periode niet of zeer beperkt gejaagd mag worden. Omdat het college het wenselijk vindt dat aan grondgebruikers van wie de percelen zijn begrensd als ganzenrustgebied en waarop sprake is van schade, een aanvullende vergoeding wordt verstrekt, heeft hij de Vergoedingsregeling ganzenrustgebieden provincie Utrecht 2017 vastgesteld.

Voorjaarsschade 2018

In opdracht van het college heeft taxateur [taxateur]1 (hierna: [taxateur] ) op

3 april 2018 en 24 april 2018 de schade die is toegebracht door de Grauwe gans en Kolgans op de graslanden van eisers getaxeerd. In zijn rapport van 24 april 2018 komt hij uit op een schadebedrag van € 2.100,-.

Op 8 mei 2018 hebben eisers het Faunafonds verzocht om tegemoetkoming in de schade.

In het besluit van 29 november 2018 heeft het college, onder verwijzing naar de rapporten

van [taxateur] , aan eisers voor de voorjaarsschade 2018 een tegemoetkoming toegekend van

€ 2.100,00. Eisers hebben bezwaar tegen dit besluit ingediend.

Zomerschade 2018

Op 16 augustus 2018 en 24 september 2018 heeft [taxateur] de graslanden van eisers opnieuw getaxeerd. In zijn rapport van 24 september 2019 komt hij uit op een schadebedrag van € 3.840,-.

In het besluit van 20 februari 2019 heeft het college, onder verwijzing naar de rapporten van [taxateur] , aan eisers voor de zomerschade 2018 een tegemoetkoming toegekend van

€ 3.590,00. Eisers hebben ook tegen dit besluit bezwaar ingediend.

Beslissingen op bezwaar

In twee afzonderlijke besluiten van 2 mei 2019 heeft het college het bezwaar van eisers tegen de tegemoetkoming voorjaarsschade 2018 en de tegemoetkoming zomerschade 2018 ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen deze twee besluiten beroep ingesteld. Het college heeft een

verweerschrift ingediend.

Zitting

Beide beroepen zijn behandeld op de zitting van 10 december 2019. Namens eisers is

[eiseres] verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens het college is zijn gemachtigde verschenen, vergezeld van taxateur [taxateur] .

Tijdens de zitting hebben eisers hun beroepsgronden over de hoorzitting en de aanwezigheid van [taxateur] ingetrokken.

Overwegingen

1. De vraag die de rechtbank in deze zaken moet beantwoorden is of het college zijn besluiten over de tegemoetkoming voorjaarsschade en tegemoetkoming zomerschade had mogen baseren op de taxaties van [taxateur] .

Beroepsgronden

2. Eisers voeren aan dat het college had moeten afwijken van de taxatierapporten omdat de taxaties onzorgvuldig en in strijd met de Taxatierichtlijnen faunaschade en het rapport “Meten is weten” zijn verricht. Volgens eisers heeft [taxateur] bij het uitvoeren van zijn taxaties geen grashoogtemeter gebruikt en heeft hij niet de in het rapport “Meten is weten” voorgeschreven 30 metingen verricht. Ter onderbouwing van hun standpunt wijzen eisers op schriftelijke verklaringen van agrariërs in de directe omgeving, die daarin bevestigen dat bij de taxatie van hun percelen ook geen grashoogtemeter is gebruikt. Volgens eisers heeft [taxateur] , anders dan hij vermeldt, op 16 augustus 2018 de percelen niet bezocht. Eisers twijfelen ook aan de juistheid van de taxaties omdat deze erg verschillen met de taxaties van 2016 en 2017 en de daaraan gekoppelde vergoedingen.

Standpunt college

3. Het college is van mening dat de taxaties zijn verricht conform de Beleidsregels natuur en landschap provincie Utrecht 2017, de Taxatierichtlijnen faunaschade en het rapport “Meten is weten”. Hij ziet daarom geen reden om te twijfelen aan de juistheid en zorgvuldigheid van de taxaties. Het college wijst ter onderbouwing op de rapporten van [taxateur] en zijn toelichting van 4 september 2019. [taxateur] verklaart daarin dat hij de percelen vier keer heeft bezocht: op 4 en 24 april 2018 voor de voorjaarsschade en op 16 augustus en 24 september 2018 voor de zomerschade. Het klopt dat hij niet bij alle bezoeken een grashoogtemeter heeft gebruikt, maar bij een eerste bezoek is dat volgens [taxateur] ook niet nodig omdat hij zich dan een beeld vormt van de schadeveroorzakende dieren, het gewas en eventuele andere bijzonderheden. Over het aantal metingen heeft [taxateur] verklaard dat hij het gras al lopende door de percelen heen meet en dat hij een gemiddelde grashoogte per perceel noteert. Op basis van zijn kennis en praktijkervaring kan hij soms sneller een goed beeld van de schade vormen en zijn er geen 30 metingen nodig. Dat is niet in strijd met het rapport “Meten is weten”. Over de vergelijking met voorgaande jaren merkt het college op dat het jaar 2018 een minder goed grasjaar was en het landelijke beeld dan ook laat zien dat de faunaschade aan grasland in 2018 is afgenomen ten opzichte van de voorgaande jaren. Dat er op de percelen van eisers minder schade is vastgesteld ten opzichte van de voorgaande jaren komt overeen met de landelijke trend en heeft dus niets te maken met de werkwijze van [taxateur] .

Oordeel van de rechtbank

4.1

Het college moet zich er op grond van artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van vergewissen dat de adviezen - in dit geval de taxaties van [taxateur] - die hij aan zijn besluitvorming ten grondslag wil leggen, naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent zijn.

4.2

Net als eisers vindt de rechtbank dat de door [taxateur] ingevulde taxatierapporten weinig (inhoudelijke) informatie geven over de wijze waarop hij de taxaties heeft uitgevoerd. Dat betekent echter niet dat dan ook meteen vaststaat dat de taxaties onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en/of zijn uitgevoerd en dat het college ze niet had mogen gebruiken voor zijn besluitvorming. Daarvoor heeft de rechtbank te weinig aanknopingspunten. Zij zal dit hieronder toelichten.

Bezoeken

5.1

Eisers hebben gesteld dat [taxateur] de percelen niet heeft bezocht op 16 augustus 2018. Het college wijst op de toelichting van [taxateur] die heeft verklaard wel degelijk een bezoek af te hebben gelegd. De rechtbank kan natuurlijk niet met zekerheid vaststellen wie van beide partijen gelijk heeft, maar zij heeft in het dossier wel gezien dat er na 16 augustus 2018 telefonisch overleg is geweest over de datum voor een eindtaxatie. Omdat eisers uit voorgaande jaren weten dat er twee (of meer) bezoeken worden afgelegd, had het voor de hand gelegen dat eisers hadden gewezen op het ontbreken van het eerste bezoek. Zij hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij dat hebben gedaan. Ook na het bezoek op 24 september 2018 hebben eisers het college niet laten weten dat er geen eerste bezoek is afgelegd. Daarmee hebben eisers met hun enkele ontkenning van het eerste bezoek dan toch te weinig tegenover de schriftelijke verklaring en de kaarten met daarop aantekeningen (metingen) van [taxateur] gesteld.

Grashoogtemeter en aantal metingen

5.2

Ook over het gebruik van de grashoogtemeter en het aantal metingen lopen de verklaringen van eisers en [taxateur] uiteen. Het antwoord op de vraag of bij alle bezoeken een grashoogtemeter is gebruikt en of er 30 metingen zijn verricht, vindt de rechtbank niet doorslaggevend voor het oordeel of de taxaties zorgvuldig zijn uitgevoerd. Daartoe overweegt zij dat uit de Taxatierichtlijnen en het rapport “Meten is weten” blijkt dat het gebruik van de grashoogtemeter wenselijk wordt geacht maar dat dit niet verplicht is. Datzelfde geldt voor het verrichten van 30 metingen. Met andere woorden: een taxatie is niet automatisch onzorgvuldig als er geen grashoogtemeter is gebruikt en minder dan 30 metingen zijn verricht. Over de hier uitgevoerde taxaties merkt de rechtbank op dat [taxateur] op een aantal kaarten handmatig zijn metingen heeft genoteerd. In zijn schriftelijke toelichting en tijdens de zitting heeft [taxateur] uiteengezet dat zijn taxaties een combinatie zijn van metingen met de grashoogtemeter en een inschatting van de schade aan het grasland op basis van zijn kennis en ervaring. Op de kaarten noteert hij vervolgens de gemiddelde centimeters. Het aantal beschadigde ha grasland en de gemeten centimeters grasverlies vult hij in op het formulier “bevestiging taxatie grasland” dat hij meteen na de eindtaxatie of een paar dagen daarna aan de aanvrager beschikbaar stelt. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de schriftelijke toelichting van [taxateur] en zijn uitleg tijdens de zitting. Daar komt bij dat eisers hebben bevestigd dat zij de formulieren “bevestiging taxatie grasland” hebben ontvangen. Op dat formulier staat dat de ontvanger van het formulier eventuele bedenkingen over de taxatie binnen 8 dagen kenbaar kan maken bij BIJ12-Faunafonds. Eisers hebben geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Naar het oordeel van de rechtbank lag het, als eisers het zo duidelijk niet eens zijn met (de wijze van uitvoering van) de taxaties, op hun weg om binnen acht dagen schriftelijk hun bedenkingen kenbaar te maken. Dat eisers dat niet hebben gedaan, blijft voor hun rekening.

5.3

Eisers hebben nog opgemerkt dat de taxateur niet de aangewende maatregelen in het taxatierapport heeft vermeld en dat onduidelijk is welke referentielocatie is gebruikt. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat de aangewende maatregelen niet zijn ingevuld, omdat in het geval van eisers geen preventieve maatregelen zijn vereist om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Voor de gebruikte referentielocatie heeft verweerder verwezen naar een bij het verweerschrift overgelegde kaart van de getaxeerde schadepercelen. Verweerder heeft toegelicht dat boven de rode streep geen schade is getaxeerd en dat dat gedeelte dus als referentielocatie is gebruikt. De rechtbank kan dit volgen. Eisers hebben dit ook niet weersproken.

5.3

Gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat de taxaties niet volgens de regels zijn uitgevoerd of onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Het college heeft ze dan ook ten grondslag mogen leggen aan zijn besluitvorming. Deze beroepsgronden slagen niet.

Voorgaande jaren

6. Dat de schade in 2018 lager is dan in de andere jaren, betekent niet dat daaruit volgt dat de taxaties onjuist of onzorgvuldig zijn geweest. Het college heeft gewezen op de landelijke trend en heeft dit onder andere onderbouwd met cijfers van het CBS. Eisers hebben geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat het standpunt van het college onjuist is. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond en voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzitter, en mr. E.M. van der Linde en

mr. B. Rademaker, leden, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 werkzaam bij Taxatiebureau Overheul Agro B.V.