Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:837

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-02-2020
Datum publicatie
13-03-2020
Zaaknummer
8168693 UE VERZ 19-337
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Art. 7:677 lid 1 BW en art. 7:678 BW. Ontslag zonder schriftelijke instemming van de werknemer. Dringende reden vereist. Belediging en bedreiging zijn als dringende reden aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0303
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8168693 UE VERZ 19-337 CS/30362

Beschikking van 5 februari 2020

inzake

[verzoeker] ,

wonend in [woonplaats] ,

die verder [verzoeker] zal worden genoemd,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. M.F.J. Martens,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,

die verder [verweerster] zal worden genoemd,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. E. Jansen.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Hoe deze procedure is verlopen, blijkt uit het volgende:

- het verzoekschrift van [verzoeker] , dat op 13 november 2019 door de griffie is ontvangen;

- het verweerschrift van [verweerster] , ontvangen op 6 januari 2020;

- de brief met nadere bijlagen van [verweerster] , ontvangen op 10 januari 2020;

- de brief met twee producties van [verzoeker] , ontvangen op 15 januari 2020;

- de brief van [verweerster] van 16 januari 2020.

1.2.

De zaak is op een zitting met de rechter besproken op 17 januari 2020. Mr. Jansen heeft toen pleitaantekeningen voorgelezen en overhandigd. Van de zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

2 Waar gaat het om?

2.1.

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1979, is op 4 juni 2019 in dienst gekomen van [verweerster] . [verweerster] detacheert haar werknemers als ict-medewerkers bij klanten. [verzoeker] werkte in de praktijk als ‘service desk engineer’ voor het bedrijf [bedrijfsnaam] in [vestigingsplaats 2] , voor een bruto maandloon van € 3.300,-- (exclusief 8% vakantiegeld) op basis van een werkweek van 40 uur.

2.2.

Tijdens zijn werk bij [bedrijfsnaam] zijn er conflicten ontstaan tussen [verzoeker] en zijn directe collega’s en leidinggevende. Naar eigen zeggen werd [verzoeker] bij [bedrijfsnaam] gepest en zat hij niet lekker in zijn vel. Op 12 september 2019 heeft [bedrijfsnaam] aan [verweerster] meegedeeld dat zij niet meer van [verzoeker] diensten gebruik wilde maken.

2.3.

Op 13 september 2019 heeft [verweerster] hierover een gesprek gehad met [verzoeker] , waarin zij hebben gesproken over de door [verweerster] gewenste beëindiging van het dienstverband. Direct na dit gesprek heeft [verweerster] [verzoeker] op staande voet ontslagen omdat hij zich tijdens het gesprek had misdragen. [verweerster] heeft hem diezelfde dag een brief gestuurd waarin onder andere de grove belediging en bedreiging van leidinggevenden als reden voor het ontslag is genoemd.

2.4.

[verzoeker] legt zich neer bij het ontslag op staande voet, maar verzoekt de kantonrechter om doorbetaling van zijn loon van 13 september tot en met 31 oktober 2019. Volgens [verzoeker] is hij ‘onregelmatig’ ontslagen en moet hij geacht worden te zijn ontslagen door ondertekening van een vaststellingsovereenkomst, waarmee de arbeidsovereenkomst (onder verbetering van een onjuiste einddatum die daarin volgens hem is vermeld) op 31 oktober 2019 zou zijn geëindigd. Ook verzoekt hij om toekenning van een billijke vergoeding van € 5.000,-- omdat hij vindt dat [verweerster] zich onvoldoende om hem heeft bekommerd tijdens zijn tewerkstelling bij [bedrijfsnaam] en daarmee de escalatie van 13 september 2019 mede heeft veroorzaakt. Ten slotte vraagt hij om een bedrag van € 3.500,-- voor de kosten van rechtsbijstand die hij heeft moeten maken voor deze procedure.

Is het verzoek op tijd gedaan? Ja.

2.5.

[verzoeker] heeft het verzoek op tijd ingediend. In de wet is bepaald dat dit binnen twee maanden na het ontslag moet (zie artikel 7:686a lid 4 onder a van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Het ontslag is gegeven op 13 september 2019 en het verzoek is op de rechtbank ontvangen op 13 november 2019. Dat is dus op tijd.

Mocht [verzoeker] op staande voet worden ontslagen? Ja.

2.6.

Alleen als er een dringende reden voor ontslag bestaat, mag een werkgever een werknemer ontslaan zonder schriftelijke instemming van die werknemer (zie artikel 7:677 lid 1 BW en artikel 7:678 BW). Zo’n dringende reden kan bestaan als de werknemer zich zó gedraagt, dat het niet redelijk is om van de werkgever te verlangen dat hij hem nog in dienst houdt. Wanneer de rechter dit beoordeelt, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden die in het specifieke geval spelen (zoals de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, hoe lang hij al voor de werkgever werkte, hoe hij heeft gefunctioneerd en wat het ontslag op staande voet voor gevolgen voor hem heeft). Ook als het ontslag voor de werknemer grote gevolgen heeft, kan de dringende reden toch maken dat een onmiddellijke

beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is. Bij zo’n ontslag om een dringende reden moet die reden dan wel ‘onverwijld’ (wat hier zoiets wil zeggen als ‘zo snel mogelijk’) aan de werknemer worden gemeld. De werkgever is de partij die moet bewijzen dat er een dringende reden bestaat voor het ontslag op staande voet.

2.7.

In dit geval heeft [verweerster] als dringende reden aangevoerd dat [verzoeker] op 13 september 2019 haar directielid [A] ernstig heeft beledigd en heeft bedreigd. Om dat te onderbouwen en te bewijzen heeft [verweerster] verklaringen overgelegd van [A] en van twee collega’s die dit hebben gehoord en bevestigen. Daarbij heeft [verzoeker] volgens hen woorden gebruikt als “vuile bitch”, “leugenaar”, “mongool”, “kutbedrijf” en “ik waarschuw jou!”. [verweerster] heeft verklaard dat [A] van het gesprek zo van slag was dat zij een week niet op kantoor is geweest. [verzoeker] heeft erkend dat hij (in de woorden van zijn gemachtigde) ‘zich niet diplomatiek heeft uitgelaten’ en (in zijn eigen woorden) in dat gesprek ‘luidruchtig is geweest’. Volgens [verzoeker] zat hij niet lekker in zijn vel en voelde hij zich tijdens het gesprek onder druk gezet om de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen. Ook in dat geval, en zelfs als hij zijn woorden zelf niet als een ernstige belediging of bedreiging heeft opgevat of bedoeld, hoefde [verweerster] dit gedrag in redelijkheid niet toe te laten. Ook de door [verweerster] overgelegde e-mails die [verzoeker] na zijn ontslag nog gestuurd heeft, (die daarom niet ten grondslag zijn gelegd aan het ontslag) bevestigen dat [verzoeker] grenzen overschrijdt in zijn communicatie en zich boos en dreigend uit kan laten. De kantonrechter is er daardoor wel van overtuigd dat [verzoeker] zich echt beledigend en bedreigend heeft uitgelaten in het gesprek van 13 september 2019.

[verzoeker] was pas in juni 2019, vanuit een bijstandsuitkering, bij [verweerster] komen werken. Door zijn ontslag op staande voet heeft hij opnieuw moeten terugvallen op een bijstandsuitkering, waarbij hij bovendien enige tijd helemaal geen inkomen heeft gehad. De gevolgen van het ontslag op staande voet zijn voor hem persoonlijk groot, maar dit maakt niet dat [verweerster] hem als gevolg van zijn ontoelaatbare en grensoverschrijdende gedrag niet op staande voet mocht ontslaan.

Moet [verzoeker] nog een vergoeding krijgen? Nee.

2.8.

Door het ontslag op staande voet is het dienstverband van [verzoeker] per direct geëindigd en hoefde [verweerster] hem de vaststellingsovereenkomst die ze hem eerder in het gesprek van 13 september 2019 had aangeboden (waar hij een paar weken later toch zijn handtekening nog onder heeft gezet) niet langer aan te bieden. [verweerster] hoeft daarom ook geen loon meer te betalen vanaf 13 september 2019. Door de omstandigheden waaronder [verzoeker] is ontslagen, is ook een billijke vergoeding voor zijn ontslag niet aan de orde. Deze verzoeken van [verzoeker] moeten daarom worden afgewezen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de verzoeken van [verzoeker] af.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2020