Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:812

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-02-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
NL19.1282
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissement Belgische vennootschap. Insolventieverordening. Nederlands recht van toepassing op verrekeningsverweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2020-0079
RI 2020/61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL19.1282

Vonnis van 18 februari 2020

in de zaak van

de naamloze vennootschap
SHS ANTWERP AVIATION N.V. IN FAILLISSEMENT,
gevestigd te Deurne (België),
eiseres van de vordering,
verweerster op de voorwaardelijke tegenvordering,
hierna te noemen: SHS,
advocaten mr. J.B.J. van der Kolk en mr. J.G.M. de Koning,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster op de vordering,
eiseres van de voorwaardelijke tegenvordering,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat mr. T.M. Maters te Huissen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de procesinleiding met producties 1 tot en met 8,

  • -

    het verweerschrift tevens voorwaardelijke tegenvordering, met producties 1 tot en met 12,

  • -

    het verweerschrift tegen tegenvorderingen met producties 9 tot en met 12,

  • -

    de brief van [gedaagde] van 13 september 2019 met producties 13 tot en met 16,

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling op 24 september 2019,

  • -

    de akte uitlaten gevolgen faillissement van SHS met producties 13 en 14,

  • -

    de akte uitlating gevolgen faillissement van [gedaagde] met productie 17.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

SHS, een vennootschap naar Belgisch recht, was een luchtvaartmaatschappij die opereerde onder de naam “VLM Airlines” en “FlyVLM”. [gedaagde] , een Nederlandse vennootschap, is een detacheringsbureau dat actief is in de luchtvaartbranche. [gedaagde] detacheert piloten en ander personeel bij luchtvaartmaatschappijen. De heer [A] (hierna: [A] ), is (indirect) bestuurder/managing director van [gedaagde] .

2.2.

SHS en [gedaagde] hebben op 16 november 2016 een detacheringsovereenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten. Deze overeenkomst is onderverdeeld in 11 ‘Schedules’ (hoofdstukken). Artikel 14 van Schedule 1 van deze overeenkomst bepaalt dat Nederlands recht van toepassing is op de overeenkomst.

2.3.

Op grond van de overeenkomst detacheerde [gedaagde] piloten en ander luchtvaartpersoneel bij SHS. De loon- en administratiekosten van deze medewerkers kwamen voor rekening van [gedaagde] . Op grond van Schedule 8 van de overeenkomst heeft SHS een borgsom van € 50.000,00 betaald aan [gedaagde] onder de naam “guarantee”. Deze betaalde borgsom gaf [gedaagde] zekerheid voor de betaling van de loon- en administratiekosten voor het personeel dat via [gedaagde] bij SHS gedetacheerd was. SHS en [gedaagde] zijn daarna een “Contract Amendment” overeengekomen, op grond waarvan Schedule 8 van de overeenkomst is gewijzigd en SHS nog een aanvullend bedrag van € 30.000,00 heeft betaald aan [gedaagde] als borgsom. In totaal heeft SHS een borgsom betaald van € 80.000,00 aan [gedaagde] (hierna aangeduid als ‘de borgsom’).

2.4.

[gedaagde] heeft op grond van de overeenkomst maandelijks facturen gestuurd aan SHS voor haar dienstverlening, onder meer voor de loonkosten voor het bij SHS gedetacheerde personeel.

2.5.

[gedaagde] heeft op 18 november 2016 een factuur aan SHS gestuurd voor een bedrag van € 5.000,00, met als omschrijving “GoToMyFlight Configuration/API”.

2.6.

SHS heeft - in ieder geval vanaf begin 2018 - een aantal medewerkers overgenomen van [gedaagde] . Deze medewerkers zijn rechtstreeks in dienst getreden van SHS. Voor wat betreft twee medewerkers ( [B] en [C] ) heeft [gedaagde] op 14 februari en 12 maart 2018 facturen aan SHS gestuurd waarop vermeld staat “Recruitment fee”.

2.7.

Op 20 april 2018 hebben SHS en [gedaagde] in diverse e-mails contact gehad over de overname van SHS van een aantal piloten die [gedaagde] bij SHS detacheerde. Op 20 april 2018 stuurde [A] drie e-mails aan SHS namens [gedaagde] . Hij heeft - voor zover relevant - het volgende geschreven:

(…) We therefore suggest to come to an agreement in which we allow you to contract the crew currently under contract with [gedaagde] directly under SHS Belgium (...)

(…) I strongly suggest to stick to the suggested chances to the payment structure and offer that in a Belgium (SHS) contract for an indefinite period to the current crew which we will transfer to you.(…)

(…) I am looking forward to your proposal in taking over the pilots to your own payroll.

In reactie hierop heeft SHS op 20 april 2018 - voor zover relevant - geschreven:

1. I feel ashamed that 4 pilots namely [D] , [E] , [F] and [G] see their contract end at April 30 and have no official news about their future. If you want to lose pilots please continue like.

2. Looking back at history we had a very good opportunity with [gedaagde] to outsource crew in big numbers thus avoiding the influence of the unions in Belgium. (…)
3. I want to and will offer the 4 above mentioned pilots a fixed Belgium contract today. [voornaam van A] [ [A] , rechtbank] please confirm that you are OK with this (…)

2.8.

Op 17 mei 2018 vroeg SHS of [gedaagde] 50% van de borgsom in mindering kon brengen op de factuur van mei 2018, omdat SHS al een aantal piloten zelf in dienst had genomen. In reactie hierop heeft [A] op 17 mei 2018 gemaild: “We wont be doing anything to the deposit until the end of the contract. We expect the full invoice amount in order to pay the crew on time.

2.9.

Op 3 april 2018 heeft [gedaagde] aan SHS twee facturen gestuurd voor (i) “Insurance 2017” voor een bedrag van € 12.339,12 en (ii) voor “Insurance 2018” voor een bedrag van € 14.151,84. De factuur voor het jaar 2017 is door SHS betaald.

2.10.

De overeenkomst tussen [gedaagde] en SHS eindigde op 30 juni 2018. SHS heeft [gedaagde] op 11 juli, 17 juli en 6 augustus 2018 per e-mail gevraagd wanneer de borgsom terugbetaald zou worden. De advocaat van SHS heeft (in een brief van 30 augustus 2018) [gedaagde] gesommeerd tot terugbetaling van de borgsom.

2.11.

Sinds 31 augustus 2018 was SHS in vereffening (vrijwillige ontbinding). SHS heeft de procesinleiding uitgebracht op 18 januari 2019. Op 16 juli 2019 is SHS failliet verklaard.

3 Het geschil

3.1.

SHS vordert samengevat - veroordeling, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, van [gedaagde] tot betaling van € 80.000,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente vanaf 1 juli 2018, althans 11 september 2018, althans per datum dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, plus € 1.575,00 aan buitengerechtelijke incassokosten (te vermeerderen met de wettelijke rente) en veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente.

3.2.

Aan haar vordering legt SHS ten grondslag dat de betaalde borgsom na de beëindiging van de overeenkomst aan haar moet worden terugbetaald. De borgsom diende volgens SHS tot zekerheid van de voldoening van de facturen van [gedaagde] . Op 30 juni 2018 is de overeenkomst geëindigd en zijn de op dat moment nog gedetacheerde medewerkers in dienst van SHS getreden. Daarmee is volgens SHS de grondslag voor [gedaagde] om de borg onder zich te houden weggevallen.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] betwist niet dat zij de borgsom terug moet betalen. [gedaagde] stelt echter dat SHS aan haar nog een bedrag van in totaal € 69.756,68 moet betalen, te vermeerderen met de contractuele rente van 8%. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat zij recht heeft op buitengerechtelijke kosten van € 1.472,57. [gedaagde] beroept zich op verrekening van € 71.229,25 met de aan SHS terug te betalen borgsom.

3.4.

[gedaagde] heeft ook een (voorwaardelijke) tegenvordering ingesteld, voor het geval de rechtbank tot het oordeel komt dat [gedaagde] niet tot verrekening van haar vorderingen met haar schuld aan SHS over kan gaan.

3.5.

SHS betwist de vorderingen van [gedaagde] .

3.6.

Gedurende de procedure, op 16 juli 2019, is het faillissement van SHS uitgesproken. Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank partijen daarom in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de gevolgen van het faillissement van SHS voor deze procedure.

3.7.

In de akte uitlaten gevolgen faillissement heeft SHS aangevoerd dat de tegenvordering van [gedaagde] van rechtswege is geschorst op grond van artikel 29 Faillissementswet. [gedaagde] mag volgens SHS niet verrekenen. Voor het geval dat [gedaagde] zich wel op verrekening zou mogen beroepen, heeft SHS aangevoerd dat dan Belgisch recht van toepassing is op het verrekeningsverweer.

3.8.

In reactie hierop heeft [gedaagde] (in haar akte uitlating gevolgen faillissement) betoogd dat Nederlandse recht van toepassing is op haar bevoegdheid tot verrekening en dat op grond van artikel 53 Faillissementswet verrekening in dit geval is toegestaan.

3.9.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank komt tot het oordeel dat [gedaagde] een bedrag van € 50.395,76 mag verrekenen met de terug te betalen borgsom van € 80.000,00. De rechtbank licht hierna toe hoe ze tot deze conclusie is gekomen. De rechtbank gaat daarbij eerst in op de vraag of [gedaagde] de borgsom moet terugbetalen. Daarna behandelt de rechtbank de vraag of [gedaagde] zich op verrekening mag beroepen en tot slot komt aan bod welke vorderingen [gedaagde] mag verrekenen.

Moet [gedaagde] de borgsom van € 80.000,00 terugbetalen?

4.2.

SHS heeft in totaal € 80.000,00 betaald als borgsom aan [gedaagde] . [gedaagde] betwist niet dat zij dit bedrag sinds 30 juni 2018 aan SHS verschuldigd is en zij moet dit dus ook terugbetalen, maar zij beroept zich op verrekening.

Mag [gedaagde] zich op verrekening beroepen?

4.3.

De rechtbank komt hierna tot het oordeel dat Nederlands recht van toepassing is op het verrekeningsverweer van [gedaagde] en dat [gedaagde] een aantal vorderingen mag verrekenen met de terug te betalen borgsom.

Nederlands recht is van toepassing op het verrekeningsverweer

4.4.

SHS en [gedaagde] verschillen van mening over de vraag naar welk recht beoordeeld moet worden of [gedaagde] zich op verrekening mag beroepen.

4.5.

SHS is van mening dat dit op grond van artikel 7 lid 1 en lid 2 aanhef en onder sub d van de Insolventieverordening (verordening (EU) 2015/848) beoordeeld moet worden naar Belgisch recht. Aangezien het verrekeningsverweer van [gedaagde] wordt beheerst door Belgisch recht en de rechtbank het verrekeningsverweer hierdoor niet op eenvoudige en snelle wijze zou kunnen vaststellen, dient het verrekeningsverweer van [gedaagde] te worden verworpen, aldus SHS.

4.6.

[gedaagde] betoogt dat op grond van artikel 9 lid 1 Insolventieverordening Nederlands recht van toepassing is en dat op grond van artikel 53 Faillissementswet [gedaagde] haar vorderingen mag verrekenen met de betaalde borgsom.

4.7.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Het gaat hier om een Belgische vennootschap die failliet is gegaan. Omdat er sprake is van een insolventie in een internationale context, is de Insolventieverordening van toepassing. De Insolventieverordening geeft bijzondere verwijzingsregels voor verrekening tijdens insolventieprocedures.

4.8.

Op grond van artikel 7 lid 1 Insolventieverordening worden de insolventieprocedure en de gevolgen daarvan beheerst door het recht van de lidstaat op het grondgebied waarvan de insolventieprocedure wordt geopend. In dit geval is dit Belgisch recht, omdat de insolventieprocedure is geopend in België. Artikel 7 lid 2 aanhef en onder sub d Insolventieverordening bepaalt dat het recht van de lidstaat waar de procedure wordt geopend (in dit geval dus Belgisch recht) bepaalt onder welke voorwaarden een verrekening kan worden tegengeworpen.

4.9.

Als verrekening niet is toegestaan onder Belgisch recht, komt artikel 9 Insolventieverordening in beeld. Op grond van die bepaling moet dan worden gekeken naar het recht dat van toepassing is op de vordering van de insolvente schuldenaar. Dat is Nederlands recht, want de overeenkomst tussen [gedaagde] en SHS bepaalt in artikel 14 dat Nederlands recht van toepassing is op de overeenkomst. Artikel 9 lid 1 Insolventieverordening bepaalt dat de opening van een insolventieprocedure het recht van een schuldeiser ( [gedaagde] ) op verrekening van zijn vordering met de vordering van een schuldenaar (SHS) onverlet laat, wanneer die verrekening is toegestaan bij het recht dat op de vordering van de insolvente schuldenaar van toepassing is. Deze uitzondering is beperkt tot de verrekening van vorderingen en schulden die vóór de opening van de insolventieprocedure zijn ontstaan. Dat betekent dat het in dit geval moet gaan om verrekening van vorderingen die zijn ontstaan vóór 31 augustus 2018 (de datum van vrijwillige vereffening). De vrijwillige vereffening is namelijk een insolventieprocedure (zie artikel 2 punt 4 en bijlage A Insolventieprocedure). In dit geval zijn de vorderingen van [gedaagde] alle ontstaan vóór 31 augustus 2018 (zie hierna 4.17 en verder).

4.10.

Aangenomen moet worden dat als het Belgische recht verrekening niet onmogelijk maakt, maar wel beperkt, ook beslissend is het recht dat van toepassing is op de vordering van de insolvente schuldenaar. Artikel 9 Insolventieverordening zegt namelijk dat het recht op verrekening ‘onverlet’ wordt gelaten, en een beperking van de verrekeningsbevoegdheid laat die bevoegdheid onverlet.

4.11.

SHS heeft de rechtbank niet voorgelicht over de vraag of op grond van Belgisch recht in dit geval verrekening is toegestaan of is beperkt. In het midden kan echter blijven of verrekening onder het Belgische recht is toegestaan of dat daar strengere voorwaarden aan zijn verbonden dan onder het Nederlandse recht. Verrekening is immers ofwel toegestaan op grond van Belgisch recht, ofwel het is naar Belgisch recht niet/beperkt toegestaan, maar dan mag [gedaagde] verrekenen als dat naar Nederlands recht mag. Dat laatste is het geval, zoals hieronder wordt toegelicht.

4.12.

Zoals hierboven al is vastgesteld, is op de overeenkomst tussen SHS en [gedaagde] Nederlands recht van toepassing. Vervolgens moet nog worden vastgesteld welk Nederlands recht van toepassing is: de Faillissementswet of het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank leidt uit het ontwerprapport Virgós/Schmit 1996 bij het Verdrag betreffende insolventieprocedures, paragraaf 109 en uit Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2015 nr. 705 af dat dit getoetst moet worden aan de insolventierechtelijke regels, in dit geval de Faillissementswet. Het rapport Virgós/Schmit vermeldt namelijk dat verrekening is toegestaan overeenkomstig de voorwaarden die volgens het recht dat van toepassing is op de vordering van de insolvente schuldenaar voor verrekening bij insolventie [cursivering toegevoegd, rechtbank] gelden.

[gedaagde] mag op grond van de Faillissementswet verrekenen

4.13.

SHS stelt dat [gedaagde] zich niet op verrekening mag beroepen omdat op grond van artikel 29 Faillissementswet de tegenvordering van [gedaagde] is geschorst. SHS stelt daarnaast dat als artikel 29 Faillissementswet niet van toepassing zou zijn, [gedaagde] zich alsnog niet op verrekening mag beroepen omdat zij niet aan de voorwaarden voor verrekening heeft voldaan.

4.14.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. [gedaagde] heeft zich zowel in haar verweerschrift/tevens voorwaardelijke tegenvordering als tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk op verrekening beroepen ten aanzien van de vordering van SHS. De rechtbank verwijst hiervoor naar randnummer 22 en verder van het verweerschrift/tevens voorwaardelijke tegenvordering van [gedaagde] en naar het proces-verbaal van de zitting van 24 september 2019 (onder punt 1 van de verklaring van [gedaagde] ). Dit betekent dat de stelling van SHS dat [gedaagde] geen beroep op verrekening heeft gedaan ten aanzien van de vordering van SHS, maar dat [gedaagde] alleen in haar eigen (voorwaardelijke) tegenvordering zich op verrekening heeft beroepen, niet op gaat.

4.15.

[gedaagde] heeft haar tegenvordering ‘voorwaardelijk’ ingesteld, voor het geval het verrekeningsverweer niet opgaat. Maar in dit geval gaat het verrekeningsverweer, zoals hiervoor is geoordeeld, wel op. Daarom hoeft de rechtbank de voorwaardelijke tegenvordering niet te behandelen. Dit betekent ook dat het beroep van SHS op artikel 29 Faillissementswet niet opgaat.

4.16.

De schuld van [gedaagde] aan SHS (de terugbetaling van de borgsom) en de vorderingen van [gedaagde] op SHS zijn ontstaan vóór de faillietverklaring van SHS en ook vóór de daaraan voorafgaande vrijwillige vereffening. Daarmee is voldaan aan de eisen die artikel 53 Faillissementswet aan verrekening stelt. Dit betekent dat [gedaagde] eventuele vorderingen op SHS mag verrekenen met haar schuld, die bestaat uit de terugbetalingsverplichting van de borgsom. Hierna zal worden beoordeeld welke vorderingen, en tot welk bedrag, [gedaagde] kan verrekenen.

Welke vorderingen kan [gedaagde] verrekenen?

4.17.

[gedaagde] voert aan dat zij vier vorderingen op SHS heeft, die zij wil verrekenen met de terug te betalen borgsom. Het betreft de recruitment fee, de management fee [H] , de openstaande factuur 16454, en de vergoeding voor app- en payslipservice. [gedaagde] betoogt dat over al deze vorderingen de contractuele rente van 8% verschuldigd is.

Te verrekenen recruitment fee: € 42.120,00

4.18.

[gedaagde] voert aan dat op grond van artikel 5.2 van Schedule 1 van de overeenkomst SHS een recruitment fee is verschuldigd van één maandsalaris, als zij een via [gedaagde] gedetacheerde medewerker binnen 12 maanden in dienst neemt. [gedaagde] heeft een overzicht overgelegd (productie 8) waarin is opgenomen welke medewerkers binnen 12 maanden zijn overgenomen door SHS. Uit dit overzicht volgt dat in tien gevallen er sprake was van een dienstverband bij [gedaagde] van minder dan 12 maanden. Voor deze tien medewerkers is het maandsalaris opgenomen in het overzicht. In totaal komt dat volgens [gedaagde] neer op een bedrag van € 42.120,00. [gedaagde] heeft - zo betoogt zij - al in een e-mail van 22 maart 2018 melding gemaakt van de vergoeding van de recruitment fee.

4.19.

SHS heeft zich erop beroepen dat artikel 5.2 buiten beschouwing moet blijven, omdat de piloten zijn overgenomen op uitdrukkelijk verzoek van [gedaagde] zelf. Artikel 5.2, zo betoogt SHS, ging over de situatie dat de luchtvaartmaatschappij gedetacheerde medewerkers in dienst wilde nemen, maar niet op de situatie dat [gedaagde] dit zelf wilde. Dit blijkt volgens SHS uit de aanhef van dit artikel, waar staat “If Airline wishes”. SHS heeft ter onderbouwing van haar standpunt zich op een e-mailwisseling van 20 april 2018 beroepen, maar zij heeft niet de volledige e-mailwisseling ingediend. [gedaagde] heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling als productie 13 wel de volledige e-mailwisseling overgelegd.

4.20.

Artikel 5 van Schedule 1 luidt, voor zover relevant, als volgt:

5. Dedication of Crew Members & Recruitment Fee

5.1

During any Crew Member’s Assignment Period of full time roster at Airline, such Crew Member shall be dedicated to Airline and cannot be used for any other customer of Agency.

5.2

If Airline wishes to employ or engage through any other means any Crew Member prior to 12 months as from the Commencement Date of that particular individual, Airline shall pay a recruitment fee to Agency equivalent to one (1) month’s Base Salary at the time of engagement by Airline for the relevant Crew Member together with all termination related costs (…).

4.21.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van artikel 5.2 van Schedule 1 SHS een recruitment fee was verschuldigd als een medewerker korter dan 12 maanden via [gedaagde] was gedetacheerd en de luchtvaartmaatschappij vervolgens deze medewerker rechtstreeks in dienst nam. Deze recruitment fee was door [gedaagde] ook (in ieder geval) al twee keer eerder gefactureerd aan SHS, voor de piloten [B] en [C] . Dit betwist SHS ook niet.

4.22.

Uit het door [gedaagde] verstrekte overzicht volgt dat 10 medewerkers, binnen 12 maanden na indiensttreding bij [gedaagde] , zijn overgestapt naar SHS. SHS heeft gezegd dat dit overzicht niet juist is, omdat daar niet uit volgt dat de desbetreffende gedetacheerde werknemers op de desbetreffende data in dienst zijn getreden bij [gedaagde] .

4.23.

Tijdens de mondelinge behandeling is door [gedaagde] toegelicht dat in dit overzicht bij iedere naam een “start date” en een “last date” is opgenomen. Dit zijn respectievelijk de datum dat de medewerker in dienst is getreden bij [gedaagde] en de datum dat de medewerker uit dienst is getreden van [gedaagde] , om vervolgens in dienst te treden van SHS. In de kolom ‘status’ staat dan vermeld “change to local”, dit betekent dat de desbetreffende medewerker is overgenomen door de luchtvaartmaatschappij. Dit heeft SHS niet weersproken. Op grond van dit overzicht is voor tien medewerkers een recruitment fee verschuldigd en dit komt in totaal neer op een bedrag van € 42.120,00.

4.24.

Uit de e-mailwisseling van 20 april 2018 volgt dat de discussie die tussen partijen speelde over de overname van bij SHS gedetacheerde medewerkers, over vier piloten ging, namelijk [D] , [E] , [F] en [G] . Met betrekking tot deze vier piloten heeft [gedaagde] geen recruitment fee gevorderd, omdat deze piloten op verzoek van [gedaagde] door SHS zijn overgenomen en bovendien waren deze piloten alle vier al een jaar in dienst geweest van [gedaagde] . Voor deze vier piloten werd dus niet voldaan aan de vereisten van artikel 5.2 van de overeenkomst.

4.25.

Voor de 10 medewerkers die zijn genoemd in het overzicht van [gedaagde] , heeft [gedaagde] voldoende onderbouwd dat is voldaan aan de vereisten van artikel 5.2 van de overeenkomst. Dit betekent dat [gedaagde] deze vordering, ter hoogte van € 42.120,00, mag verrekenen met de terug te betalen borgsom.

Te verrekenen management fee [H] : € 1.159,84

4.26.

[H] was een via [gedaagde] bij SHS gedetacheerde piloot. [gedaagde] voert aan dat zij een trainingsovereenkomst heeft gesloten met [H] en dat SHS vervolgens de detachering wilde beëindigen, nog voordat de trainingsovereenkomst met [H] was begonnen. [gedaagde] vordert vergoeding van de juridische advieskosten die zij heeft gemaakt om de trainingsovereenkomst te kunnen beëindigen, vermeerderd met een opslag van 7%, op grond van artikel 2.2.1 en artikel 3.1.5. van Schedule 7. In totaal vordert zij een bedrag van € 1.159,84. [gedaagde] heeft dit bedrag onderbouwd met twee facturen van haar advocaat. De facturen dateren van 8 juni en 3 augustus 2018.

4.27.

SHS betwist dat zij deze kosten moet betalen. Zij stelt dat [H] gedragsproblemen had en dat het in het licht van deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [gedaagde] de kosten van haar advocaat voor de beëindiging van de trainingsovereenkomst op SHS wil afwentelen. Daarnaast betoogt SHS dat artikel 3.1.5. van Schedule 7 geen grondslag biedt voor vergoeding van de advocaatkosten. Dit artikel heeft betrekking op kosten – kort gezegd – als gevolg van een onredelijk ontslag, waar in dit geval geen sprake van is. SHS betoogt dat op grond van artikel 2 van Schedule 7 er geen opslag van 7% verschuldigd is, want artikel 2 ziet op de “management fee”. SHS betoogt ook dat deze kosten vallen onder de “Charge Back Cost” zoals bedoeld in artikel 3.1.

4.28.

Artikel 2 van Schedule 7 luidt - voor zover relevant - als volgt:

2. Management Fee

2.1.

Multiplier means 7 %

2.2.

The Multiplier is applicable to:

2.2.1.

All termination related costs as set out in Section 3.1 (e) [bedoeld wordt artikel 3.1.5. van Schedule 7, Rechtbank] of this Schedule 7;(…)”

Artikel 3.1.5. van Schedule 7 luidt – voor zover relevant - als volgt:

3. Charge Back Cost
3.1. Charge Back Costs means all payments to or in respect of the employment the Crew Member related to Crew Member's assignment and work for Airline. The Charge Back Cost is the monthly service fee payable per Crew Member by Airline to Agency based on the number of Crew Member holding valid Supplement Agreements on the first day of the month which invoicing refers to. Charge Back Cost will be paid by Airline to Agency alter invoice in accordance with Schedule 1. Charge Back Costs includes, but is not limited to:
(…)

3.1.5.

All termination related costs payable to/for Crew Member, including but not limited to severance payments, payment in lieu of advance notice, damages and

cost or which are ruled by the competent court (or as a result of an out of court

settlement approved by Airline) as a result of unfair termination case, calculated

according to the laws of Base Country or any ether jurisdiction in which such

sums are imposed or become payable and any taxes payable in respect of such

sums.

4.29.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. [H] is na een intakegesprek en online test geschikt gevonden door SHS als piloot. SHS heeft (omdat zij van mening was dat [H] gedragsproblemen had), voordat de trainingsovereenkomst begon, besloten om de detachering van [H] te beëindigen. De kosten die [gedaagde] heeft gemaakt om de trainingsovereenkomst te beëindigen, komen op grond van artikel 3.1.5 voor rekening van SHS. Uit de bewoording van artikel 3.1.5 (“all termination related costs”) is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat deze kosten ruim moet worden opgevat. Het ziet op alle kosten die betaald moeten worden aan of voor een “Crew Member” en - zo begrijpt de rechtbank dit - het gaat daarbij om kosten die gemaakt zijn in het kader van de beëindiging (“termination”) van een detachering bij een luchtvaartmaatschappij.

4.30.

Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen besproken dat indien [gedaagde] na de trainingsovereenkomst een dienstverband met [H] was aangegaan en zij, in overleg met [H] , tot een beëindiging van zijn dienstverband was gekomen, het door [gedaagde] te betalen afkoopbedrag onder artikel 3.1.5 zou vallen. [gedaagde] zou dan op grond van dit artikel dit bedrag in rekening kunnen brengen bij SHS. Dit is door SHS niet betwist. Niet valt in te zien waarom dan de kosten die [gedaagde] maakt om een trainingsovereenkomst te beëindigen, dus voordat de daadwerkelijke detachering is aangevangen, niet voor vergoeding in aanmerking zouden komen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij daarmee feitelijk kosten bespaart, omdat het beëindigen van de trainingsovereenkomst goedkoper is dan het betalen van een eventuele afkoopsom. Dit heeft SHS niet weersproken.

4.31.

De kosten vallen onder de “Charge Back Cost” van artikel 3.1 van Schedule 7. [gedaagde] heeft gesteld, en SHS heeft dit niet betwist, dat deze kosten niet eerder in rekening zijn gebracht. De rechtbank komt op grond van het bovenstaande tot het oordeel dat SHS de factuur moet betalen. Uit artikel 2.1 in combinatie met artikel 2.2.1. van Schedule 7 volgt dat een “multiplier” van 7% van toepassing is op “all termination related costs as set out in Section 3.1 (e) of this Schedule 7 [bedoeld wordt artikel 3.1.5. van Schedule 7, Rechtbank]”. Dit betekent dat [gedaagde] een opslag van 7% verschuldigd is.

4.32.

De conclusie is dat [gedaagde] dit bedrag van € 1.159,84 kan verrekenen met de terug te betalen borgsom.

Te verrekenen openstaande factuur 16454: € 7.075,92

4.33.

[gedaagde] vordert € 14.151,84 ter zake van verzekeringskosten. Zij stelt dat op grond van artikel 8 van Schedule 1 SHS deze verzekeringskosten moet betalen. De factuur over 2018 is op 3 april 2018 door [gedaagde] aan SHS verstrekt en is nog niet betaald. De factuur ziet op verzekeringskosten met betrekking tot “Death and Permanent Total Disablement” en “Temporary Total Disablement” voor door [gedaagde] bij SHS gedetacheerde piloten.

4.34.

SHS betwist dat zij deze kosten verschuldigd is. Zij stelt dat deze kosten op grond van artikel 8 van Schedule 1 en Schedule 4b voor rekening van [gedaagde] komen, althans dat [gedaagde] deze kosten maandelijks in rekening had moeten brengen als “Charge Back Costs”. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. Als dit argument niet opgaat, dan betoogt SHS dat indien vast zou komen te staan dat zij deze verzekeringskosten verschuldigd is, zij maximaal de helft van dit bedrag verschuldigd is (te weten € 7.075,92) omdat de overeenkomst tussen [gedaagde] en SHS geëindigd is per 30 juni 2018. [gedaagde] heeft volgens SHS geen rekening gehouden met crediteringen van de verzekeraar of heeft geen stappen ondernomen om die crediteringen te bewerkstelligen.

4.35.

Artikel 8 van Schedule 1 luidt als volgt.

“8. Insurance

Airline shall maintain in force at its expense at all times while any Crew Member is provided to if by Agency and one (1) year thereafter, the insurance set out in Schedule 4A. Agency shall maintain in force at its expense at all times while any Crew Member is provided to Airline and one (1) year thereafter, the insurance set out in Schedule 4B.

Agency shall pay for and maintain personal accident and medical insurances for each Crew Member during the Assignment Period. This is a Charge Back costs under Schedule 7 of the main agreement.

Schedule 4A (“Insurance of Airline”) en 4B (“Insurance of Agency”) zijn niet ingevuld.

4.36.

De rechtbank is van oordeel dat SHS de helft van de verzekeringskosten, te weten € 7.075,92, aan [gedaagde] moet betalen. De rechtbank legt hierna uit waarom dit zo is.

4.37.

Artikel 8 van Schedule 1 bepaalt dat “personal accident and medical insurances” een “charge back cost” is. Het is op grond van de overeenkomst onduidelijk of de door [gedaagde] ingediende factuur, die ziet op “Death and Permanent Total Disablement” en “Temporary Total Disablement”, valt onder artikel 8 van Schedule 1. [gedaagde] heeft aangevoerd dat dit kosten zijn die voor rekening van SHS komen, omdat SHS ook voor het jaar 2017 dezelfde verzekeringskosten heeft betaald. SHS heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat zij de op 3 april 2018 door [gedaagde] gestuurde factuur voor het jaar 2017 heeft betaald.

4.38.

Uit het feit dat SHS dezelfde verzekeringskosten voor het jaar 2017 heeft betaald, komt de rechtbank tot de conclusie dat - alhoewel de overeenkomst op dit punt geen definitief uitsluitsel biedt - deze verzekeringskosten voor rekening van SHS komen. Dat [gedaagde] deze kosten niet maandelijks in rekening heeft gebracht, brengt niet mee dat zij deze kosten niet meer in rekening mag brengen.

4.39.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] echter maar de helft van deze factuur in rekening kan brengen bij SHS, omdat de overeenkomst halverwege het jaar is geëindigd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat zij deze verzekering per kalenderjaar inkoopt voor alle piloten die bij haar in dienst zijn. Het maakt volgens [gedaagde] voor de premie niet uit of gedurende het jaar het aantal piloten stijgt of daalt. De verzekeringsmaatschappij geeft namelijk geen restitutie als halverwege het jaar het aantal piloten daalt. Het had naar het oordeel van de rechtbank - gezien de eerdere stellingname van SHS op dit punt - op de weg van [gedaagde] gelegen om deze verklaring nader te onderbouwen. Zij had bijvoorbeeld een verklaring van de verzekeringsmaatschappij kunnen indienen die haar standpunt bevestigde. Nu zij dit niet heeft gedaan, heeft zij haar vordering op dit punt onvoldoende onderbouwd.

Te verrekenen kosten app en payslip: € 0

4.40.

[gedaagde] heeft een bedrag gevorderd van € 12.325,00 voor het door SHS gebruik maken van de GoToMyFlight app en het verstrekken van loonstrookjes (“payslips”). Zij stelt dat zij op grond van Schedule 7 hier aanspraak op kan maken.

4.41.

SHS betoogt dat deze kosten vallen onder de “Standard Service Fee” en dat [gedaagde] deze al in haar maandelijkse facturen in rekening heeft gebracht bij SHS. Als dit toch nog niet in rekening is gebracht, dan betoogt SHS dat [gedaagde] dit maandelijks had moeten factureren. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [gedaagde] zich nu op verrekening van deze kosten beroept. [gedaagde] heeft betwist dat deze kosten onder de “Standard Service Fee” vallen.

4.42.

Artikel 1 van Schedule 7 bepaalt:

1. Standard Service Fee:

1.1.

Crew members are charged per crew member based on the following table

Number of crews

Price per crew member in EUR per month plus VAT (if applicable)

0-15

EUR 300.00

16-30

EUR 275.00

(…)

(…)

(…)
1.3. Payslib; EUR 15.- per staff member per month

[gedaagde] will issue payslibs to all staff members in a standard format based on the input of BESOX.

1.4.

GotoMyFlight APP: EUR 10.- per staff member per month

1.5.

GotoMyFlight Configuration/API: EUR 5000, - one off payment

4.43.

De onder 1. genoemde “Standard Service Fee” is door [gedaagde] maandelijks gefactureerd. Dit volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de ingediende maandelijkse facturen waarin op iedere factuur een bedrag in rekening is gebracht per crew member. Dit bedrag stemde overeen met de bedragen zoals vermeld in de hierboven opgenomen tabel. De vraag is of in de “Standard Service Fee” de kosten voor het gebruik van de app en de loonstrookjes zijn opgenomen, zoals SHS betoogt.

4.44.

Uit het gegeven dat de kosten voor de loonstrookjes en het gebruik van de app (genoemd in artikel 1.3 en 1.4), onder het kopje “1. Standard Service Fee” van Schedule 7 vallen, leidt de rechtbank af dat bedoeld is dat de kosten van het gebruik van de app en de loonstrookjes onder de “Standard Service Fee” vallen. Dit wordt ondersteund door het feit dat [gedaagde] de kosten voor het gebruik van de app en de loonstrookjes nooit separaat in rekening heeft gebracht bij SHS, terwijl [gedaagde] wel maandelijks de “Standard Service Fee” in rekening heeft gebracht. Dit wordt tevens ondersteund door artikel 1.5 van Schedule 7 (voor wat betreft de kosten van de “GotoMyFlight Configuration/API”). Dit artikel vermeldt uitdrukkelijk dat het hier om een eenmalig bedrag (“one off payment”) gaat van € 5.000,00, dit in tegenstelling tot artikel 1.3 en 1.4 van de overeenkomst. Dit bedrag voor de “GotoMyFlight Configuration/API” is ook gefactureerd aan SHS. [gedaagde] heeft in het licht van deze feiten en omstandigheden, niet onderbouwd op grond waarvan de kosten voor het gebruik van de app en de kosten voor de loonstrookjes afzonderlijk gefactureerd mochten worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de kosten voor de loonstrookjes en het gebruik van de app inbegrepen zijn in de “Standard Service Fee”.

4.45.

De rechtbank overweegt nog (ten overvloede) dat zelfs als deze kosten niet onder de “Standard Service Fee” kosten zouden vallen, zij van oordeel is dat deze vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt. [gedaagde] heeft namelijk niet aangetoond dat er voor medewerkers die niet via haar bij SHS gedetacheerd werden een grondslag voor betaling van deze kosten bestond. Daarnaast heeft [gedaagde] - voor wat betreft de medewerkers die wél via haar gedetacheerd werden bij SHS - niet inzichtelijk gemaakt om hoeveel medewerkers dit iedere maand ging. Dit wordt hierna toegelicht.

4.46.

[gedaagde] heeft een overzicht ingediend (productie 11 [gedaagde] ) waarin zij heeft opgenomen voor hoeveel medewerkers zij kosten in rekening brengt voor het gebruik van de app en de loonstrookjes. Het aantal medewerkers genoemd in dit overzicht komt niet overeen met het aantal mensen dat via [gedaagde] gedetacheerd was bij SHS. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] dit verschil verklaard door te betogen dat de app niet alleen gebruikt werd voor door [gedaagde] gedetacheerde medewerkers, maar ook door eigen werknemers van SHS en dat SHS ook voor deze werknemers een bijdrage voor de app moet betalen.

4.47.

Voor zover [gedaagde] heeft betoogd dat SHS ook moet betalen voor het gebruik van de app voor eigen werknemers van SHS, overweegt de rechtbank dat de tekst van de overeenkomst geen grondslag biedt voor deze stelling. [gedaagde] heeft zich ook niet beroepen op een aanvullende overeenkomst waarin dit geregeld is. Bovendien valt, zonder onderbouwing van [gedaagde] , niet in te zien waarom SHS ook zou moeten betalen voor loonstrookjes van haar eigen werknemers, dus werknemers die niet via [gedaagde] gedetacheerd werden.

4.48.

Het door [gedaagde] ingediende overzicht biedt geen inzicht in het aantal medewerkers dat wél via [gedaagde] bij SHS gedetacheerd was. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om dit in deze procedure inzichtelijk te maken. Dit heeft [gedaagde] niet gedaan. Ook het als productie 17 door [gedaagde] overgelegde overzicht biedt geen duidelijkheid op dit punt. [gedaagde] heeft haar vordering daarom onvoldoende onderbouwd. De vordering wordt ook daarom afgewezen.

Mag [gedaagde] contractuele rente in rekening brengen?

4.49.

[gedaagde] betoogt dat SHS op grond van artikel 4.4 van Schedule 1 een contractuele rente van 8% verschuldigd is over de toe te wijzen vorderingen van [gedaagde] . Artikel 4 bepaalt - voor zover van belang - het volgende:

4 Payment

4.1.

Agency shall prepare monthly invoices and Airline shall provide Agency with the necessary information to prepare the invoice, including rostered days off and leave details. A time sheet signed by Airline shall be deemed conclusive evidence that Airline will pay the charges in accordance with Schedule 7 in full and without dispute or deduction with regard to work carried out.

4.2

Agency shall invoice Airline once a month in arrears showing a break-down of the Fees in sufficient detail for Airline to be able to verify the invoiced amount. (…)

4.3

In case of late payment, Agency and Airline is entitled to charge default interest of eight (8) per cent per annum from the due date up until the date of full payment without prejudice to Agency's and Airline's other rights and remedies hereunder or at law.

4.50.

Artikel 4 ziet op de te late betaling van maandelijkse facturen. Uit dit artikel kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders afgeleid worden dan dat dit betrekking heeft op de maandelijkse facturen die [gedaagde] aan SHS stuurde, waarin [gedaagde] onder meer de loonkosten van de gedetacheerde medewerkers doorberekende aan SHS. Artikel 4 biedt geen grondslag voor toepassing op de door [gedaagde] in het kader van de verrekening gevorderde kosten, nu dit geen maandelijkse facturen betreft. De vordering tot vergoeding van de contractuele rente wordt daarom afgewezen.

Buitengerechtelijke kosten

4.51.

[gedaagde] heeft vergoeding van de buitengerechtelijke kosten gevorderd. Nu niet gesteld is dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, is SHS in beginsel geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. In dit geval is echter sprake van een handelsovereenkomst die na 16 maart 2013 is gesloten, waarbij (voor wat betreft de factuur van de verzekeringskosten) de betalingstermijn is verstreken, zodat een bedrag van € 40,00 op grond van artikel 6:96 lid 4 BW toewijsbaar is, ook als geen incassowerkzaamheden zijn verricht.

Conclusie

4.52.

[gedaagde] kan in totaal een bedrag van € 50.395,76 (te weten: € 42.120,00 + € 7.075,92 + € 1.159,84 + € 40,00) verrekenen. De verrekening werkt op grond van artikel 6:129 BW terug tot het tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan.

4.53.

Op 1 juli 2018 was [gedaagde] bevoegd de betaling van factuur 16454 (€ 7.075,92) en de recruitment fee (€ 42.120,00) te verrekenen met de borgsom die op 30 juni 2018 terugbetaald moest worden (zie hierna 4.54). Voor wat betreft de recruitment fee sluit de rechtbank daarbij aan bij het tijdstip dat [gedaagde] zelf omwille van de overzichtelijkheid als opeisbaarheidsdatum heeft opgenomen (1 juli 2018). Om praktische redenen neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat ook de bevoegdheid tot verrekening van de managementvergoeding [H] (€ 1.159,84) en het bedrag van € 40,00 (zie 4.51) per 1 juli 2018 is ontstaan. Dit betekent dat na verrekening op 1 juli 2018, [gedaagde] nog een bedrag van € 29.604,24 aan SHS moet betalen.

Wettelijke handelsrente over terugbetaling borgsom

4.54.

SHS heeft gevorderd om het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW). De borgsom is betaald op grond van Schedule 8 van de overeenkomst en het later tussen partijen overeengekomen “Contract Amendment”. De tussen partijen gesloten overeenkomst is een handelsovereenkomst en de borgsom is te laat terugbetaald door [gedaagde] . Partijen hebben weliswaar geen specifieke afspraken gemaakt wanneer de borgsom terugbetaald moest worden door [gedaagde] , maar uit de e-mail van 17 mei 2018 van [A] volgt dat [gedaagde] het bedrag bij het einde van de overeenkomst tussen SHS en [gedaagde] zou terugbetalen. De overeenkomst is geëindigd op 30 juni 2018, zodat de borgsom op 30 juni 2018 terugbetaald had moeten worden. Over de terugbetaling van de borgsom is daarom de wettelijke handelsrente verschuldigd. Dit wordt toegewezen met ingang van de dag volgend op de dag die is overeengekomen als uiterste dag van betaling. Dit betekent dat de wettelijke handelsrente wordt toegewezen vanaf 1 juli 2018 over het bedrag van € 29.604,24.

Buitengerechtelijke kosten

4.55.

SHS maakt ook aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten (€ 1.575,00). De rechtbank stelt vast dat de eisende partij voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal worden toegewezen. SHS heeft over de buitengerechtelijke kosten de wettelijke rente gevorderd. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid hiervan niet betwist en dit wordt toegewezen.

Proceskosten

4.56.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Bij de bepaling van het tarief heeft de rechtbank rekening gehouden met het toegewezen bedrag. De proceskosten aan de zijde van SHS bedragen:

- griffierecht € 1.992,00

- salaris advocaat € 2.432,50 (3,5 punt × tarief € 695,00)

Totaal € 4.424,50

4.57.

Over de proceskosten en de nakosten is geen wettelijke handelsrente verschuldigd. De wettelijke rente is niet betwist en zal worden toegewezen.

Geen beoordeling van de tegenvordering

4.58.

De voorwaarde waaronder [gedaagde] de tegenvordering heeft ingesteld, namelijk dat [gedaagde] haar vorderingen niet mag verrekenen, is niet vervuld. De rechtbank komt daarom niet toe aan de beoordeling van deze tegenvordering.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan SHS te betalen een bedrag van € 29.604,24, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW over dit bedrag met ingang van 1 juli 2018 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 1.575,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van SHS tot op heden begroot op € 4.424,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1-5.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.A. de Vrey en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2020. Het is digitaal op het voorblad ondertekend.