Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:807

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
31-03-2020
Zaaknummer
8102991 AC EXPL 19-3702
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging arbeidsovereenkomst in vaststellingsovereenkomst; uitleg van de bepaling die werknemer verplicht om tijdig zijn LinkedIn profiel aan te passen; boetes door werkgever ten onrechte in mindering gebracht op ontslagvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0376
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 8102991 AC EXPL 19-3702 aw/1370

Vonnis van 4 maart 2020

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen: [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. P.S. van Zandbergen,

tegen:

de besloten vennootschap

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen: [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. J.A.J. van Leusden-van de Ven.

1 De procedure

Hoe de procedure is verlopen, blijkt uit het volgende:

  • -

    de dagvaarding met 10 bijlagen is op 26 september 2019 bij [gedaagde] bezorgd,

  • -

    [gedaagde] heeft schriftelijk op de dagvaarding gereageerd en heeft bij haar reactie 4 bijlagen gevoegd,

  • -

    vervolgens heeft [eiser] schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een laatste schriftelijke reactie heeft gegeven onder toevoeging van 1 aanvullende bijlage,

  • -

    bij faxbericht van 22 januari 2020 heeft mr. P.S. van Zandbergen zich gemeld als opvolgend gemachtigde van [eiser] , in de plaats van mr. [C] , waarbij hij ook te kennen heeft gegeven af te zien van een schriftelijke reactie op de aanvullende bijlage van [gedaagde] ,

  • -

    tot slot heeft de kantonrechter aan partijen bericht dat op 4 maart 2020 vonnis zal worden gewezen.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is met ingang van 11 januari 2018 in dienst gekomen van [gedaagde] , in de functie van commercieel directeur.

2.2.

[gedaagde] heeft de kantonrechter in Assen op 28 augustus 2018 gevraagd de arbeidsovereenkomst met [eiser] te ontbinden. De kantonrechter heeft dat verzoek bij beschikking van 10 december 2018 afgewezen.

2.3.

Vervolgens hebben partijen op 11 januari 2019 een vaststellingsovereenkomst gesloten die, voor zover hier van belang, onder meer het volgende inhoudt:

“5. Werkgeefster en Werknemer zullen het dienstverband met wederzijds goedvinden en met inachtneming van de opzegtermijn beëindigen per 1 maart 2019, de laatste dag van de arbeidsovereenkomst is 28 februari 2019, verder te noemen ‘de Einddatum’;

6. De door Werknemer, ten laste van Werkgeefster, te ontvangen ontslagvergoeding bedraagt het netto equivalent van € 40.500,00 bruto, te voldoen binnen vier weken na de Einddatum, onder verstrekking van een bruto/netto specificatie;

11. Werknemer levert de eigendommen van Werkgeefster in op uiterlijk 27 februari 2019;

13. Werknemer draagt er zorg voor dat zijn profiel op LinkedIn en andere social media websites uiterlijk per Einddatum is aangepast waar het de vermelding van Werkgeefster als huidige Werkgeefster van Werknemer betreft, op straffe van een boete van € 5.000,00 per overtreding te vermeerderen met € 500,00 per dag dan wel gedeelte van een dag dat deze overtreding voortduurt;”

2.4.

Op 4 maart 2019 schrijft [eiser] aan [A] , algemeen directeur van [gedaagde] en hierna aangeduid als: [A] , het volgende:

“Onderwerp: Acties [eiser]

Goedemorgen [voornaam van A] ,

Hierbij een bericht om aan te geven dat ik conform afspraken de volgende zaken heb opgepakt:

Vorige week vrijdag 1 maart heb ik mijn LinkedIn aangepast dus dat is geregeld; [B] komt deze week bij mij de spullen ophalen zoals laptop, sleutels pand en sim kaart en brengt deze naar Amersfoort; In de bijlage een overzicht van declaraties nog te betalen door [gedaagde] . Wil je de originele nota’s dat [B] deze mee zal nemen naar Amersfoort of zal ik ze aanvullend inscannen en naar je mailen?

Hoor graag hoe je het wilt hebben met declaraties.

Met vriendelijke groet,

[eiser] ”

2.5.

In reactie op voornoemd e-mailbericht schrijft [A] op 13 maart 2019 aan [eiser] :

“Goedemorgen [voornaam van eiser] ,

Graag van de declaraties even de ingescande bonnen aan mij richten. Mbt overige zaken akkoord.

Met vriendelijke groet,

[A]

Algemeen Directeur”

2.6.

Bij brief van 21 maart 2019 schrijft [A] aan [eiser] , kort samengevat, dat hij heeft geconstateerd dat [eiser] zijn profiel op LinkedIn niet conform de vaststellingsovereenkomst heeft aangepast en dat hij zich nog steeds profileert als zijnde commercieel directeur bij [gedaagde] . [A] kondigt aan dat hij de op grond van de vaststellingsovereenkomst door [eiser] verbeurde boetes van in totaal € 15.000,00 zal verrekenen met de aan hem te betalen ontslagvergoeding.

2.7.

[gedaagde] heeft € 15.000,00 ingehouden op de overeengekomen bruto ontslag-vergoeding en het restantbedrag aan [A] uitbetaald.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eiser] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen om aan hem het restant van de ontslagvergoeding ter hoogte van € 15.000,00 bruto te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2019, de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vordering – samengevat - ten grondslag primair dat geen boetes zijn verbeurd omdat hij heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 13 van de vaststellingsovereenkomst. Subsidiair stelt hij dat het beroep van [gedaagde] op verrekening met de ontslagvergoeding niet slaagt omdat geen sprake is van een direct opeisbare boete en [gedaagde] hem niet in gebreke heeft gesteld. Bovendien is [A] in zijn reactie van 13 maart 2019 namens [gedaagde] akkoord gegaan met de wijze waarop [eiser] zijn LinkedIn profiel heeft gewijzigd. Verder meent hij dat de door [gedaagde] toegepaste verrekening met de ontslagvergoeding in strijd is met de eisen van goed werkgeverschap en de eisen van redelijkheid en billijkheid. Meer subsidiair, voor het geval dat de kantonrechter oordeelt dat boetes zijn verbeurd, verzoekt hij de kantonrechter de boetes te matigen tot nihil.

3.3.

[gedaagde] voert als verweer – samengevat – aan dat zij er rond 20 maart 2019 via derden achter kwam dat [eiser] zich op LinkedIn nog steeds profileerde als commercieel directeur van [gedaagde] . [A] heeft [eiser] bij brief van 21 maart 2019 daarop aangesproken, waarna hij zijn LinkedIn profiel direct nogmaals heeft gewijzigd. Op 26 maart 2019 heeft [eiser] zijn profiel op LinkedIn voor de derde keer gewijzigd. Pas op dat moment had hij volgens [gedaagde] voldaan aan artikel 13 van de vaststellingsovereenkomst. [eiser] heeft over de periode 1 t/m 26 maart 2019 dus boetes verbeurd. [gedaagde] heeft daarvan € 15.000,00 verrekend met de bruto ontslagvergoeding. [gedaagde] stelt dat het e-mailbericht van [A] aan [eiser] van 13 maart 2019, waarin deze schrijft “Mbt overige zaken akkoord”, geen betrekking had op de wijziging van het LinkedIn profiel en dat [eiser] dat ook niet anders heeft kunnen en mogen begrijpen. Het was de verantwoordelijkheid van [eiser] om ervoor te zorgen dat hij zijn LinkedIn profiel tijdig en correct zou wijzigen. Hij wist dat dit voor [gedaagde] van groot belang was. Voor matiging van de boetes bestaat in de gegeven omstandigheden geen grond. [gedaagde] concludeert dan ook tot afwijzing van de vordering.

4 De beoordeling

Wat is het geval?

4.1.

In artikel 13 van de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat [eiser] ervoor moet zorgen dat zijn profiel op LinkedIn uiterlijk per einddatum (dat is 1 maart 2019) is aangepast “waar het de vermelding van Werkgeefster als huidige Werkgeefster van Werknemer betreft”.

4.2.

[eiser] heeft zijn LinkedIn profiel op 1 maart 2019 gewijzigd. Hij heeft niet weersproken dat na die wijziging op LinkedIn vlak onder zijn naam, naast zijn foto nog was vermeld: “Commercieel directeur bij [gedaagde] ”. [eiser] heeft op 1 maart 2019 - naar hij zelf ook stelt - alleen de tekst op zijn LinkedIn profiel die is opgenomen onder het kopje “Ervaring” gewijzigd van “Commercieel Directeur, [gedaagde] , januari 2018 – heden” in “Commercieel Directeur, [gedaagde] , januari 2018 – maart 2019” (cursivering door kantonrechter), kennelijk met als gevolg dat de aanduiding “Commercieel directeur bij [gedaagde] ” na 1 maart 2019 onder zijn naam is blijven staan, weliswaar met direct daaronder, bij de opsomming van vorige werkgevers onder “Vorig”, ook [gedaagde] als voormalig werkgever. Bij de duur van het dienstverband met [gedaagde] is komen te staan “januari 2018 – maart 2019 *1 jaar 3 maanden”. Dat zou er op duiden dat het dienstverband volgens LinkedIn ook in maart 2019 zou hebben doorgelopen. De informatie omtrent de duur van zijn dienstverband bij [gedaagde] op zijn LinkedIn profiel is, na de wijziging op 1 maart 2019 dus verwarrend en tegenstrijdig.

4.3.

[eiser] heeft onbetwist gesteld dat de vermelding van alle overige voormalige dienstverbanden op zijn LinkedIn profiel ook onjuist bleek te zijn, in die zin dat de vermelde duur van het dienstverband steeds een maand te lang was. Dit is het gevolg van het feit dat LinkedIn de aanduiding (wat betreft het dienstverband bij [gedaagde] ) “-maart” kennelijk opvat als “tot en met maart” en dus niet als “tot maart”. De kantonrechter begrijpt dat [eiser] dus stelt niet opzettelijk gespeeld te hebben met de mogelijkheid dat derden zouden denken dat hij nog in dienst was van [gedaagde] , maar ervan uitging dat de wijziging op LinkedIn afdoende was en niet tot misverstanden zou kunnen leiden.

Heeft [eiser] tijdig zijn profiel op LinkedIn aangepast zoals [gedaagde] mocht verwachten? Ja

4.4.

De vraag die beantwoord moet worden is of [eiser] vanuit het hiervoor geschetste perspectief zijn profiel uiterlijk per 1 maart 2019 heeft aangepast “waar het de vermelding van Werkgeefster (lees: [gedaagde] ) als huidig Werkgeefster van Werknemer (lees: [eiser] ) betreft” zoals bedoeld en op genomen in artikel 13 van de vaststellingsovereenkomst. De kantonrechter vindt van wel om de volgende redenen.

4.4.1.

[gedaagde] stelt dat voor haar van groot belang was dat naar derden toe geen misverstand over de status van [eiser] binnen het bedrijf zou bestaan en dat daarom ook de aanpassingen op social media van belang waren. Dan had het ook op haar weg gelegen aandacht te besteden aan de wijze waarop [eiser] invulling zou geven aan artikel 13 van de vaststellingsovereenkomst. Dat [gedaagde] dat heeft gedaan blijkt nergens uit. Zij heeft niet omschreven hoe en op welke wijze [eiser] zijn profiel op social media moest aanpassen. Evenmin heeft zij kennelijk na 1 maart 2019 gecheckt hoe [eiser] zijn profiel had aangepast. Dat heeft ze niet uit eigen beweging gedaan, maar evenmin na de mededeling van [eiser] op 4 maart 2019 dat hij zijn profiel had aangepast. Wel heeft [gedaagde] op 13 maart 2019 aan [eiser] laten weten akkoord te zijn met de inhoud van zijn mail van 4 maart 2019. Daaruit heeft [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter op mogen maken dat hij het profiel op LinkedIn naar wens had aangepast en dat hij dus op correcte wijze invulling had gegeven aan artikel 13 van de vaststellingsovereenkomst.

4.4.2.

Het was voor [gedaagde] eenvoudig om die zozeer door haar gewenste wijziging van het LinkedIn profiel van [eiser] te controleren en [eiser] daarop aan te spreken. Partijen wisten namelijk dat [eiser] aanzienlijke boetes zou verbeuren als hij aan die verplichting uit de vaststellingsovereenkomst niet zou voldoen. [eiser] was ook ten volle bereid om zijn profiel aan te passen. [gedaagde] stelt namelijk dat [eiser] , nadat hij door [gedaagde] was aangesproken op de volgens haar onvolledige wijziging zijn LinkedIn profiel, zijn profiel diezelfde dag nog heeft gewijzigd, door onder zijn naam in plaats van de tekst “Commercieel directeur bij [gedaagde] ” te vermelden “Sabbatical” en daaronder, bij “Huidig” ook te vermelden “Sabbatical”. Dat de tekst onder “Ervaring” ten onrechte nog wel een (voormalig) dienstverband bij [gedaagde] vermeldde van 1 jaar en 3 maanden in plaats van 1 jaar en 2 maanden, heeft [eiser] kort daarna in een derde wijzigingspoging alsnog verholpen (productie 4 van [gedaagde] ).

4.4.3.

[gedaagde] heeft gesteld dat zij al direct na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst in januari 2019, zowel intern als extern, kenbaar heeft gemaakt dat [eiser] per 1 maart 2019 geen commercieel directeur meer is. Voor de vraag welke positie [eiser] per 1 maart 2019 had bij [gedaagde] waren derden dus niet afhankelijk van de informatie op het LinkedIn profiel van [eiser] . Dat plaatst de stelling dat [eiser] de belangen van [gedaagde] ernstig heeft geschaad door zich ook na 1 maart 2019 op LinkedIn te presenteren als commercieel directeur van [gedaagde] in een ander daglicht.

Overweging ten overvloede

4.5.

De kantonrechter is overigens van oordeel dat ook als [eiser] zijn wijzigingsverplichting niet heeft mogen opvatten zoals hij dat heeft gedaan, [gedaagde] geen recht van spreken heeft. [gedaagde] is namelijk bewust stil blijven zitten, terwijl - als zij zich als goed ex-werkgever had gedragen - deze hele procedure had kunnen worden voorkomen. [gedaagde] had namelijk eenvoudig tijdig kunnen checken of [eiser] aan zijn verplichtingen had voldaan en zo nee, hem daarop kunnen wijzen. Door dat niet te doen en met het e-mail bericht van 13 maart 2019 bij [eiser] het gerechtvaardigd vertrouwen te wekken dat [gedaagde] zijn LinkedInprofiel had bekeken, daarover geen op- of aanmerkingen had en dat hij dus geen risico liep betreffende het verbeuren van boetes, heeft [gedaagde] haar eventuele rechten verwerkt.

Conclusie

4.6.

[gedaagde] heeft de ontslagvergoeding ten onrechte niet volledig uitbetaald met een beroep op verrekening van door [eiser] verschuldigde boetes. De vordering van [eiser] tot betaling van de resterende ontslagvergoeding van € 15.000,00 bruto zal worden toegewezen, met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 28 maart 2019, dat is de dag van opeisbaarheid.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.7.

[eiser] stelt dat hij buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt ter hoogte van € 1.119,25 en hij vordert daarvan vergoeding door [gedaagde] . [gedaagde] betwist dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt en dat het gevorderde bedrag redelijk is.

De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende heeft onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. De kosten daarvan komen op grond van de wet voor vergoeding in aanmerking. Het gevorderde bedrag komt overeen met de tarieven volgens het Besluit vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, welke tarieven redelijk kunnen worden geacht. Dit deel van de vordering zal daarom worden toegewezen.

Proceskosten

4.8.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld. Zij wordt daarom veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot vandaag begroot op in totaal € 1.310,01, te weten:

  • -

    € 486,00 griffierecht;

  • -

    € 104,01 explootkosten inclusief informatiekosten;

  • -

    € 720,00 salaris gemachtigde (2 punten x het tarief van € 360,00).

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 15.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 28 maart 2019 tot de voldoening en € 1.119,25 aan buitengerechtelijke incassokosten;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.310,01;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2020.