Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:795

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
16-03-2020
Zaaknummer
7429152 UC EXPL 18-14445 BEv/35170
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding koopovereenkomst camper na geslaagd beroep op non-conformiteit ex artikel 7:17 BW.

(ZIE OOK:ECLI:NL:RBMNE:2020:797)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 7429152 UC EXPL 18-14445 BEv/35170

Vonnis van 4 maart 2020

inzake

1 [eiser sub 1] ,

2. [eiseres sub 2],

wonend in [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser sub 1] ,

eisende partij,

gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand N.V.,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

handelend onder de naam [handelsnaam],

gevestigd in [vestigingsplaats 1] en kantoorhoudende in [vestigingsplaats 2] ,

verder ook te noemen [gedaagde] ,

gedaagde partij,

gemachtigde: voorheen [A] , werkzaam bij [.] in [vestigingsplaats 2] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 17 december 2019;

  • -

    de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring;

  • -

    het vonnis in het incident van 1 mei 2019, waarbij in de hoofdzaak het nemen van een conclusie van antwoord is gelast;

  • -

    de conclusie van antwoord van 26 juni 2019;

  • -

    de oproepingsbrief van 30 juli 2019, waarin een comparitie is bepaald;

  • -

    de door [eiser sub 1] op de comparitie overgelegde producties.

1.2.

De comparitie is gehouden op 9 december 2019. Op de zitting was [eiser sub 1] samen met de gemachtigde de heer R. van Liehout, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand, aanwezig. Namens [gedaagde] is niemand op de zitting verschenen. Door of namens [eiser sub 1] is antwoord gegeven op de vragen van de kantonrechter en is het standpunt nader toegelicht. Van deze zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

Daarna volgt dit vonnis.

2. Het geschil

Achtergrond

2.1.

Partijen hebben op 19 mei 2017 een koopovereenkomst gesloten waarbij [eiser sub 1] van [gedaagde] een camper heeft gekocht voor een bedrag van € 23.000,00 en met een kilometerstand van 112.940 km. De camper was kort voordien - op 18 mei 2017 - APK goedgekeurd door garage [B (achternaam)] te [vestigingsplaats 2] .

2.2.

Op 25 april 2018 heeft [eiser sub 1] de camper aangeboden voor een APK-keuring bij [bedrijfsnaam 1] B.V. De camper had toen een kilometerstand van 117.197 km. Bij deze keuring is aan het licht gekomen dat een onderdeel van de reminrichting niet juist was bevestigd, de bladveer rechtsachter op het ijzer komt en de hoofdbalk ver gevorderde roestschade vertoont. Mede om voormelde redenen is de camper afgekeurd.

2.3.

[eiser sub 1] heeft [bedrijfsnaam 2] (hierna: [bedrijfsnaam 2] ) vervolgens de opdracht gegeven om een expertiseonderzoek uit te voeren naar de omvang en het moment van het ontstaan van de schade. In een rapport van 30 mei 2018 constateert [bedrijfsnaam 2] dat de roestschade aan de camper van een dergelijke omvang is dat deze al voor een langere periode aanwezig moet zijn geweest en deze al bij de APK keuring van 18 mei 2017 bemerkt had moeten zijn met een notitie op het APK formulier van een reparatie, advies- of afkeurpunt met nadere uitleg. [bedrijfsnaam 2] vermeldt in het rapport dat al eens eerder is getracht de roestschade aan de hoofdbalk te herstellen op een onprofessioneel en onvakkundig te noemen wijze. Het metallisch contact van het veerblad wordt in het rapport verklaard door het gedurende vele duizenden kilometers slijten van de veerbladrubbers. Voor de storingen aan de verlichting en remsystemen heeft [bedrijfsnaam 2] geen moment van ontstaan kunnen vaststellen.

2.4.

[eiser sub 1] heeft de uitkomsten van het expertiseonderzoek aan [gedaagde] voorgelegd en [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om het voertuig te herstellen. Nu [gedaagde] dat niet heeft gedaan, heeft [eiser sub 1] de koopovereenkomst bij brief van 20 juli 2018 (productie 5 bij dagvaarding) buitengerechtelijk ontbonden.

De vordering

2.5.

Gezien het voorgaande is er volgens [eiser sub 1] sprake van een non-conforme camper, zoals bedoeld in artikel 7:17 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De camper voldoet immers niet aan wat [eiser sub 1] ervan mocht verwachten. [eiser sub 1] vordert daarom, samengevat:

Primair:

 [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 23.000,00 ter zake van de door [eiser sub 1] betaalde koopprijs;

Subsidiair:

 Een verklaring voor recht dat [gedaagde] gehouden is de kosten van herstel van de camper aan [eiser sub 1] te vergoeden;

Primair en subsidiair:

  • -

    [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 975,00 ter zake van kosten die [eiser sub 1] heeft moeten maken voor de uitgevoerde expertise, verzekering en schorsing van het kenteken;

  • -

    [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en de proces- en nakosten.

Het verweer

2.6.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zij een camper aan [eiser sub 1] heeft verkocht die voldeed aan de koopovereenkomst en die bovendien veilig en geschikt was voor normaal gebruik op de weg. [gedaagde] wijst in dat verband op het APK-keuringsrapport van 18 mei 2017, waaruit volgt dat de camper op het moment van verkoop APK goedgekeurd was. De slijtage die door gebruik aan de camper is ontstaan na 19 mei 2017 komt voor rekening van [eiser sub 1] , aldus [gedaagde] . [gedaagde] stelt daarnaast dat de garantie van zes maanden die zij bij de koop heeft verleend is verlopen op 17 november 2017. Gezien het voorgaande is [gedaagde] van mening dat zij de koopprijs van de camper terecht niet heeft terugbetaald en terecht niet tot herstel van de camper is overgegaan.

3 De beoordeling

Wat vindt de kantonrechter?

3.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de camper voldoet aan de verwachtingen die [eiser sub 1] als koper op grond van de overeenkomst daarvan mocht hebben.

3.2.

De kantonrechter moet de zaak beoordelen aan de hand van de regels die gelden voor een consumentenkoop, zoals bedoeld in artikel 7:5 BW. De koop van de auto is namelijk gesloten tussen [eiser sub 1] als particulier en [gedaagde] die daarbij handelde als een professioneel bedrijf.

3.3.

Volgens artikel 7:22 lid 1 BW kan de koopovereenkomst worden ontbonden, als de camper niet aan de overeenkomst beantwoordt. In artikel 7:17 lid 2 BW staat dat de camper niet aan de overeenkomst beantwoordt indien de camper, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die [gedaagde] over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die [eiser sub 1] op grond van de overeenkomst mocht verwachten.

3.4.

De kantonrechter stelt voorop dat de camper in ieder geval ten tijde van de aankoop diende te voldoen aan de minimaal daaraan te stellen veiligheidseisen voor deelname aan het verkeer. Blijkens het APK rapport van 18 mei 2017 was daarvan bij aankoop sprake, omdat de camper daags voor de aankoop was goedgekeurd. Het enkele feit dat de camper nog binnen een jaar nadien bij een volgende APK keuring werd afgekeurd, rechtvaardigt nog niet de conclusie dat de camper eerder, op 18 mei 2017, ten onrechte was goedgekeurd. Dit is ook niet te lezen in het rapport van [bedrijfsnaam 2] dat door [eiser sub 1] is overgelegd. [bedrijfsnaam 2] stelt in dat rapport immers slechts dat op het APK formulier een “reparatie, advies- of afkeurpunt met nadere uitleg” genoteerd had moeten worden. Die omschrijving laat de mogelijkheid open dat afkeuren van de camper nog niet aan de orde was. [eiser sub 1] heeft overigens ook niet (voldoende duidelijk) aangevoerd dat de camper bij aankoop niet voldeed aan de minimaal daaraan te stellen veiligheidseisen.

3.5.

[eiser sub 1] heeft gesteld dat hij bij een overeengekomen aankoopbedrag van € 23.000,- en een kilometerstand van 112.940 mocht verwachten dat de camper veilig en geschikt voor normaal gebruik zou zijn, zonder noodzaak van ingrijpende reparaties binnen één jaar en 4.000 afgelegde kilometers.

Het verweer van [gedaagde] komt er op neer dat de camper bij aankoop veilig en geschikt voor normaal gebruik was omdat de camper daags voor de verkoop aan [eiser sub 1] APK goedgekeurd was. Op beide stellingen valt het nodige af te dingen. Het is een feit van algemene bekendheid dat gebruikte auto’s (zeker als deze bij aankoop al 13 jaar oud zijn, zoals in het geval van deze camper) aanleiding kunnen geven tot plotselinge en onverwachte (grote) kosten. En een APK keuring zegt iets over de veiligheid en milieu belasting van de gebruikte auto, maar onvoldoende over de mate van storingsgevoeligheid daarvan. [eiser sub 1] werkt zijn standpunt echter verder uit door - met zijn verwijzing naar de APK keuring van 25 april 2018 en het [bedrijfsnaam 2] rapport - in feite aan te voeren dat hij niet hoefde te verwachten dat de camper al bij aankoop behept was met in aanleg zulke grote gebreken dat die al na korte gebruikstijd zouden leiden tot reparaties waarvan “de kosten niet te overzien zullen zijn”. Dit laatste is niet door [gedaagde] bestreden.

3.6.

Dus zijn de door de kantonrechter te beantwoorden vragen:

  1. Mocht [eiser sub 1] bij aankoop van de camper verwachten dat deze op dat moment vrij was van zulke in aanleg aanwezige gebreken dat die op de korte termijn van minder dan één jaar en met slechts 4.000 afgelegde kilometers tot zeer hoge reparatiekosten zouden leiden?

  2. Zo ja, was er sprake van dergelijke gebreken bij aankoop?

3.7.

[gedaagde] heeft niet ter discussie gesteld dat de aankoopprijs van € 23.000,- voor deze camper een indicatie vormt dat de camper bij aankoop in zo deugdelijke staat verkeert dat er geen reden is om aan te nemen dat op korte termijn grote en kostbare reparaties nodig zijn. Zij heeft evenmin bestreden dat het afleggen van 4.000 kilometer betrekkelijk weinig is. Ter zitting heeft [eiser sub 1] toegelicht dat [gedaagde] voor aflevering bij de camper een uitgebreide onderhoudsbeurt heeft laten uitvoeren, waarbij verschillende essentiële onderdelen zijn vervangen. [eiser sub 1] heeft in dat kader een factuur van 17 mei 2017 van Garage [C (achternaam)] overgelegd. Daaruit valt af te leiden dat met het oog op de aankoop onder andere de distributiesnaar en verschillende remleidingen zijn vernieuwd. Hieruit volgt, [gedaagde] is niet ter zitting verschenen om die conclusie te ontkrachten, naar het oordeel van de kantonrechter dat [gedaagde] de verwachting heeft willen wekken dat na de aankoop van de camper voorlopig geen grote uitgaven voor onderhoud te verwachten zijn. Bovendien is niet weersproken dat [gedaagde] bij verkoop van de camper een garantie van zes maanden heeft afgegeven. Daaruit mag worden afgeleid dat [gedaagde] voor een deugdelijke camper in staat hetgeen bijdraagt aan het beeld dat [eiser sub 1] mocht hebben van de camper dat deze bij aankoop niet behept is met in aanleg aanwezige zeer grote gebreken. De conclusie is dat [eiser sub 1] in ieder geval ervan uit mocht gaan dat de camper bij aankoop niet behept was met gebreken die binnen het jaar bij zeer gematigd gebruik van de camper aanleiding gaan geven tot zeer grote reparatiekosten.

3.8.

Uit onderzoek door [bedrijfsnaam 1] B.V. en [bedrijfsnaam 2] blijkt dat de camper vervolgens binnen een jaar na aankoop ingrijpende (veiligheids-)gebreken vertoont, bestaande uit ernstige roestschade aan de draagbalk en ernstige slijtage van de bladveerrubbers. Beide gebreken hebben geleid tot afkeuring van de camper bij de APK. Dat deze gebreken bij de camper zijn opgetreden is niet (voldoende concreet) door [gedaagde] bestreden. Zij bestrijdt de bevindingen van [bedrijfsnaam 1] in het geheel niet en evenmin dat de camper op 25 april 2018 voor de APK is afgekeurd onder meer vanwege de ernstige roestschade en de slijtage aan de bladveerrubbers. In feite stelt [gedaagde] niet meer dan dat partijen voor hun verwachtingen zijn afgegaan (en mochten afgaan) op het eerste APK rapport van 18 mei 2017 en dat het gebruik van de camper nadien “zeker zal hebben geleid tot slijtage doch daar staat gedaagde als verkoper in beginsel buiten”. Dit is onvoldoende concreet. Dat de op 25 april 2018 aanwezige roestschade door het gebruik van de camper sedert 18 mei 2017 kan zijn ontstaan, is zo onwaarschijnlijk dat het op de weg van [gedaagde] had gelegen dit concreet te onderbouwen. Dat heeft zij nagelaten. Hetzelfde geldt voor de bladveerrubbers. Het is erg onwaarschijnlijk dat deze gebreken in de korte periode dat de camper in het bezit was van [eiser sub 1] (minder dan een jaar) en het geringe aantal kilometers dat [eiser sub 1] met de camper heeft gereden (4.257 km) zijn ontstaan en [gedaagde] heeft hiertegenover onvoldoende gesteld. Bij deze stand van zaken, [gedaagde] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar verweer te concretiseren door niet ter zitting te verschijnen, blijft slechts de conclusie over dat de roestschade en de slijtage aan de bladveerrubbers ten tijde van de aankoop al zo ver gevorderd was dat die bij een eerstvolgende keuring tot afkeuring van de camper zouden leiden en vervolgens tot hoge herstelkosten.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de camper niet beantwoordt aan de overeenkomst, zodat [eiser sub 1] gerechtigd was de koopovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden.

3.10.

Door ontbinding van de koopovereenkomst ontstaat op grond van artikel 6:271 BW de verplichting voor partijen tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties. Dat betekent dat [gedaagde] de koopsom van € 23.000,- moet terugbetalen aan [eiser sub 1] en [eiser sub 1] de camper aan [gedaagde] moet teruggeven in de staat zoals die was ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst. De vordering wordt toegewezen als na te melden. Indien [eiser sub 1] de camper aan [gedaagde] aanbiedt maar [gedaagde] weigert de camper in ontvangst te nemen, zal zij het bedrag toch moeten betalen.

Schadevergoeding

3.11.

Nu sprake is van een afgeleverde zaak die niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten, heeft [eiser sub 1] op grond van artikel 7:24 BW recht op schadevergoeding als bedoeld in Boek 6 BW. In dat kader vordert [eiser sub 1] vergoeding van de kosten van € 695,00 voor het door [bedrijfsnaam 2] opgemaakte expertiserapport. [eiser sub 1] vordert eveneens betaling van de kosten van € 160,00 voor de verzekering van de camper voor de periode mei tot en met augustus 2018 en € 120,00 voor het schorsen van het kenteken bij de RDW. De hiervoor genoemde schadeposten staan in verband met het non-conform leveren van de camper door [gedaagde] , zoals vereist gesteld in artikel 6:98 BW. De kosten voor het expertiserapport zijn aan te merken als kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid en komen op grond van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking. De kosten die zijn gemaakt voor de verzekering en het schorsen van het kenteken zijn te kwalificeren als vermogensschade, zoals bedoeld in lid 1 van voornoemd artikel en zullen daarom ook worden toegewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente

3.12.

Naast de hoofdsom worden ook de gevorderde vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten (van € 1.227,85) en de wettelijke rente over de hoofdsom en de in de 3.8. genoemde schadeposten toegewezen omdat daar geen verweer tegen is gevoerd en een en ander voldoet aan de daarvoor geldende regels.

Proces- en nakosten

3.13.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser sub 1] worden begroot op:

- dagvaarding € 103,38

- griffierecht € 486,00

- salaris gemachtigde € 960,00 (2 punten x tarief € 480,00)

totaal € 1.549,38

De nakosten, waarvan [eiser sub 1] betaling vordert, zullen op de in de beslissing weergegeven wijze worden begroot. De rente over de proces- en nakosten zal als niet weersproken worden toegewezen.

4 De beslissing

De kantonrechter:

4.1.

veroordeelt [gedaagde] tegen (het aanbod tot) afgifte van de camper door [eiser sub 1] aan [gedaagde] aan [eiser sub 1] te betalen een bedrag van

€ 23.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 20 augustus 2018 tot de voldoening;

4.2.

veroordeelt [gedaagde] aan [eiser sub 1] te betalen een bedrag van € 975,00 aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 20 augustus 2018 tot de voldoening;

4.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser sub 1] te betalen een bedrag van

€ 1.227,85 aan buitengerechtelijke incassokosten;

4.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser sub 1] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.549,38, waarin begrepen € 960,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW indien betaling niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden;

4.5.

veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [eiser sub 1] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 120,00 aan salaris gemachtigde,

- te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, indien betaling niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden;

4.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2020.