Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:793

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
04-02-2020
Datum publicatie
16-03-2020
Zaaknummer
8133285
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

verzoek vernietiging ontslag op staande voet. Stemverheffing tegen leidinggevende door werknemer in aanwezigheid collega's en op gehoorsafstand patiënten. Dringende reden voor werkgever om arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0325
XpertHR.nl 2020-20004184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 8133285 UE VERZ 19-318 SV/40160

Beschikking van 4 februari 2020

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen: [verzoekster] ,

verzoekende partij,

verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek,

gemachtigde: mr. J.Th. Schravenmade-Baas,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verder ook te noemen: [verweerster] ,

verwerende partij,

verzoekster in het voorwaardelijk tegenverzoek,

gemachtigde: mr. J.P.C. Obbink.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 oktober 2019;

- het verweerschrift en voorwaardelijk tegenverzoek met bijlagen;

- de brief namens [verzoekster] van 9 januari 2020 met drie bijlagen.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 januari 2020. [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens [verweerster] is verschenen mevrouw [A] (praktijkmanager, hierna: [A] ), bijgestaan door haar gemachtigde. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken.

1.3.

Aan het einde van de zitting is bepaald dat de beschikking op 4 februari 2020 wordt gegeven.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1989, is vanaf 4 juni 2018 werkzaam voor [verweerster] als tandartsassistente. In de periode van 4 juni 2018 tot en met 3 juni 2019 werkte zij op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor 32 uur per week. Vanaf 4 juni 2019 werkt [verzoekster] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met 3 juni 2020 voor minimaal 16 uur en maximaal 40 uur per week tegen een salaris van € 2.115,93 bruto per maand.

2.2.

[verzoekster] is vóór 4 juni 2018 ook werkzaam geweest voor [verweerster] , in de periode van 1 augustus 2016 tot 31 juli 2017, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die na afloop niet is voortgezet.

2.3.

Bij [verweerster] , waar ongeveer 24 personeelsleden werken, is mevrouw [A] praktijkmanager en belast met de planning en het inroosteren van personeel. [verweerster] werkt met vroege en late diensten. Een ‘vroege’ dienst begint om 7.00 uur.

2.4.

[verzoekster] heeft [A] op 22 augustus 2019 via WhatsApp gevraagd of zij ook een vroege dienst mocht werken. Tijdens een gesprek op [verweerster] op 26 augustus 2019 heeft [A] aan [verzoekster] laten weten dat het rooster niet wordt veranderd. [verzoekster] heeft toen begrepen dat er een afspraak was met een andere assistente, [B] ( [B] ), om haar in te roosteren op vroege diensten.

2.5.

Op woensdag 28 augustus 2019 heeft [verzoekster] aan [A] gevraagd om uitleg over het inroosteren omdat er volgens [B] geen afspraak over het vroeg inroosteren zou zijn. Daarbij ontstond tussen [verzoekster] en [A] , toen zij in de lunchruimte van de praktijk waren, een woordenwisseling, waarbij sprake was van stemverheffing. [A] heeft [B] erbij gehaald. Omdat er iemand anders de lunchruimte binnenkwam, zijn [verzoekster] , [A] en [B] naar buiten gegaan, waar de woordenwisseling verder ging. [verzoekster] is daarna weer naar binnen gegaan, naar de kleedkamer van de praktijk. [A] is de kleedkamer ingegaan en heeft [verzoekster] gezegd dat het klaar is en dat ze kan gaan.

2.6.

Op donderdag 29 augustus 2019 heeft op verzoek van [verzoekster] op de praktijk een gesprek plaatsgevonden met de eigenaresse, [C] , tevens werkzaam als tandarts, in het bijzijn van [A] . Dezelfde dag heeft er (kort) een tweede gesprek plaatsgevonden tussen [verzoekster] en [C] , waarin [C] heeft verteld dat [verweerster] blijft bij het ontslag op staande voet en dat [A] het verder zou afhandelen. [verzoekster] heeft vervolgens een gesprek gehad met [A] . Daarbij heeft [verzoekster] excuses aangeboden. [A] heeft voorgesteld om nog een maandsalaris te betalen.

2.7.

Per brief van 30 augustus 2019 heeft [A] namens [verweerster] [verzoekster] het volgende meegedeeld:

“Beste [voornaam van verzoekster] ,

Hierbij bevestig ik onze bespreking van donderdag 29 augustus in aanwezigheid van [voornaam van C] en waarbij [voornaam van C] jouw functioneren heeft besproken en jouw kant van het verhaal heeft aangehoord, dat echter haar zienswijze niet heeft veranderd. Je bevestigde ons dat er sprake is van disfunctioneren en hebt mij jouw excuses voor je misdraging van woensdag 28 augustus aangeboden.

Wij hebben jou met onmiddellijke ingang op staande voet ontslag omdat je niet meer te handhaven bent in de praktijk en van ons niet meer in redelijkheid gevraagd kan worden om het dienstverband langer te laten bestaan. Je geeft structureel geen gevolg aan redelijke voorschriften (roosterindelingen) van je werkgever/leidinggevende. Je wilt niet meewerken aan een normale omgang met collega’s die van een werkneemster verwacht wordt zodat er sprake is van een duurzame verstoring van de arbeidsverhoudingen. Het schreeuwen in aanwezigheid van patiënten is ontoelaatbaar. Je bent op jouw ontoelaatbare gedrag al vele malen gewezen om tot verbetering te komen. Deze verbetering is helaas niet gelukt. Door jouw schuld moet er nu plotsklaps allerlei werkaanpassingen gedaan door collega’s waardoor je schade berokkent aan de praktijk.

Wij willen je echter een maandsalaris op basis van een werkweek van 32 uur alsmede een getuigschrift aanbieden dat geldig is tot 2 september 2019 om 15.00 uur. Indien je hierop ingaat zullen wij in een vaststellingsovereenkomst het een en ander opnemen. Laat je niets van je horen voor 2 september 15.00 uur of je stemt niet in, dan vervalt het aanbod.”

3 Het verzoek

in het incident:

3.1.

[verzoekster] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor de duur van het geding, [verweerster] te veroordelen tot betaling van het loon, te vermeerderen met alle emolumenten, tot de dag dat de dienstbetrekking geëindigd zal zijn, onder overlegging van een deugdelijke bruto/netto specificatie. [verzoekster] verzoekt [verweerster] ook te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging over het haar toekomende loon, de wettelijke rente en de kosten van het incident.

in de hoofdzaak:

primair:

3.2.

[verzoekster] heeft primair verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de opzegging van de arbeidsovereenkomst van 29 augustus 2019 te vernietigen, althans nietig te verklaren, en te verklaren voor recht dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door [verweerster] ten opzichte van [verzoekster] onrechtmatig was;

  2. [verweerster] te veroordelen [verzoekster] binnen 24 uur na betekening van de te wijzen beschikking in staat te stellen haar werkzaamheden op de normale, gebruikelijke, wijze, op de gebruikelijke werktijden, te hervatten, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat [verweerster] in gebreke blijft aan de beschikking te voldoen;

  3. [verweerster] te veroordelen tot betaling van het overeengekomen loon per maand, berekend over de gebruikelijke gewerkte werktijden per maand, vermeerderd met alle emolumenten, tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig geëindigd zal zijn, onder overlegging van een deugdelijke bruto/netto specificatie, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor elke dag, of gedeelte daarvan, dat [verweerster] in gebreke blijft deze specificatie te verstrekken uiterlijk 14 dagen na ommekomst van de maand waarop deze betrekking heeft;

  4. [verweerster] te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging over het aan [verzoekster] toekomende opeisbare loon conform artikel 7:625 BW, over het per maand verschuldigde loon sinds 29 augustus 2019;

  5. [verweerster] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het gevorderde loon en de gevorderde wettelijke verhoging vanaf het moment van opeisbaar worden van die bedragen tot de dag van algehele voldoening;

Subsidiair:

voor zover de kantonrechter de opzegging niet vernietigt dan wel bij intrekking van de primair verzochte vernietiging van het ontslag op staande voet, [verweerster] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding;

[verweerster] te veroordelen tot betaling van het netto equivalent van het opgebouwde vakantiegeld en de niet genoten vakantiedagen en over te gaan tot een reguliere eindafrekening;

Primair en subsidiair

te verklaren voor recht dat [verweerster] jegens [verzoekster] op onrechtmatige wijze heeft gehandeld, althans zonder deugdelijke grond ontslag op staande voet heeft gegeven;

[verweerster] te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

3.3.

Ter zitting heeft [verzoekster] toegelicht dat zij haar primaire verzoek tot vernietiging van het ontslag handhaaft.

3.4.

Aan haar verzoek legt [verzoekster] het volgende ten grondslag.

3.5.

Een geldige reden voor ontslag op staande voet ontbreekt. Een disfunctioneren en een arbeidsconflict, waarvan [verzoekster] betwist dat hiervan sprake is, kunnen geen dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. [verweerster] heeft deze redenen, die ook niet plotseling zijn ontstaan, niet onverwijld meegedeeld. Het voorstel van [verweerster] voor een minnelijke regeling met een opzegtermijn toont ook aan dat er geen dringende reden is. De confrontatie tussen [verzoekster] en [A] op 28 augustus 2019 kan geen grond voor ontslag op staande voet vormen omdat deze niet aan [verzoekster] valt te verwijten. Bovendien is ontslag op staande voet vanwege deze confrontatie een te zware sanctie voor [verzoekster] omdat zij niet eerder een negatieve beoordeling of waarschuwing heeft gekregen.

Voor zover wel sprake is van een dringende reden, is niet gebleken dat [verweerster]

de persoonlijke omstandigheden van [verzoekster] heeft meegewogen, onder meer dat zij steeds goed heeft gefunctioneerd.

4 Het verweer en het voorwaardelijk tegenverzoek van [verweerster]

4.1.

Het verweer van [verweerster] strekt tot afwijzing van het incidentele verzoek en het verzoek in de hoofdzaak.

4.2.

[verweerster] heeft onder meer betoogd, kort samengevat, dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. De gedragingen van [verzoekster] , de intimiderende houding en het op verheven toon spreken tegen de leidinggevende, in aanwezigheid van collega’s en binnen gehoorsafstand van patiënten, zijn niet acceptabel. Terugkeer naar de werkplek is daarom niet mogelijk.

4.3.

Voor het geval de kantonrechter van oordeel is dat het ontslag op staande voet niet in stand kan blijven, heeft [verweerster] verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] dan wel op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. [verweerster] verzoekt bij het bepalen van een einddatum geen rekening te houden met de opzegtermijn van [verzoekster] , de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden en te bepalen dat [verzoekster] geen recht heeft op enige vergoeding.

5 De beoordeling

het verzoek in de hoofdzaak

5.1.

Gelet op de in artikel 7:686a lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde vervaltermijn heeft [verzoekster] het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet tijdig ingediend.

5.2.

Kern van het geschil is de vraag of het aan [verzoekster] gegeven ontslag op staande voet vernietigd dient te worden.

5.3.

De werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij sprake is van een opzegging op grond van artikel 7:677 lid 1 BW. In dit artikel is bepaald dat ieder van de partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.

onverwijldheid

5.4.

[verzoekster] stelt zich op het standpunt dat de dringende reden voor het ontslag op staande voet niet onverwijld is meegedeeld. Dit wordt door [verweerster] betwist.

5.5.

Vaststaat dat [verzoekster] na de woordenwisseling met haar leidinggevende op 28 augustus 2019 is weggestuurd met de mededeling ‘het is klaar, je kunt gaan’. De eigenaresse van [verweerster] , [C] , die toen afwezig was, heeft [verzoekster] op haar verzoek de volgende dag, op 29 augustus 2019, de gelegenheid gegeven haar kant van het verhaal naar voren te brengen. Dezelfde dag heeft [C] [verzoekster] meegedeeld dat het ontslag op staande voet in stand blijft. [A] heeft [verzoekster] daarna voorgesteld om haar een maandsalaris en een getuigschrift mee te geven. [verweerster] heeft [verzoekster] in de brief van 30 augustus 2019 bevestigd wat op 29 augustus 2019 tussen [C] , [A] en [verzoekster] is besproken. In deze brief wordt onder meer als reden genoemd de misdraging door [verzoekster] op 28 augustus 2019, waarbij het schreeuwen in aanwezigheid van patiënten ontoelaatbaar wordt geacht, naast een aantal andere redenen waardoor sprake is van disfunctioneren en een verstoorde arbeidsverhouding.

5.6.

De kantonrechter leidt uit de hiervoor geschetste gebeurtenissen af dat op 28 augustus 2019 door [A] het ontslag op staande voet is gegeven, ook al is dit niet precies in die woorden uitgedrukt. Verder moest het voor [verzoekster] op dat moment al duidelijk zijn dat de woordenwisseling met stemverheffing de dringende reden voor het ontslag op staande voet was. Ook uit de gesprekken op 29 augustus 2019 met [C] en [A] blijkt dat - op 28 augustus 2019 - ontslag op staande voet is gegeven en dat de woordenwisseling hiervoor de dringende reden is geweest. Uit de brief van 30 augustus 2019, twee dagen later, was het in ieder geval duidelijk dat [verweerster] [verzoekster] ontslag op staande voet heeft gegeven en dat de misdraging door [verzoekster] op 28 augustus 2019 hiervoor de dringende reden was, naast een aantal andere redenen om het dienstverband niet meer voort te zetten. Gelet op het voorgaande is het ontslag op staande voet onverwijld gegeven.

dringende reden

5.7.

Op grond van artikel 7:678 eerste lid, BW worden als dringende redenen in de zin van het eerste lid van artikel 7:677 BW beschouwd, zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van een dringende reden die opzegging van de arbeidsovereenkomst op staande voet rechtvaardigt, dienen volgens vaste rechtspraak alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking te worden genomen, waaronder de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur ervan en de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld, alsook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die het ontslag op staande voet voor hem zouden hebben. Aan de orde is of hiervan sprake is in dit geval. De werkgever moet stellen en bewijzen dat een dringende reden bestaat.

5.8.

[verweerster] heeft in het verweerschrift gesteld dat er vóór het incident op 28 augustus 2019 al eerder misdragingen door [verzoekster] hadden plaatsgevonden en dat zij een waarschuwing had gekregen. De kantonrechter leidt uit de processtukken van [verweerster] hierover het volgende af.

In 2017 is er een incident geweest waarbij [verzoekster] een tandarts van [verweerster] heeft bedreigd. Dit was voor [verweerster] de reden om in 2017 de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet voort te zetten. Deze stelling wordt ondersteund door de e-mail van [verzoekster] aan [A] van 4 september 2017. [verzoekster] schrijft daarin dat zij dingen heeft gezegd die zij niet meende en dat zij bereid is excuses aan te bieden voor de aanvaring die zij heeft gehad. Omdat er vakinhoudelijk geen aanmerkingen op [verzoekster] waren en omdat sprake was van een personeelstekort, heeft [verweerster] besloten [verzoekster] een nieuwe kans te geven en haar per 4 juni 2018 een nieuwe arbeidsovereenkomst aangeboden. Op 5 december 2018 heeft [verweerster] [verzoekster] een officiële waarschuwing gegeven omdat zij zich op 4 december 2018 op een ongewenste manier heeft uitgelaten en gedragen tegenover haar leidinggevende, mevrouw [D] , hoofdassistente. Daarbij heeft [verweerster] vermeld dat als zij [verzoekster] hierop een volgende keer moet aanspreken, de samenwerking dan direct zal beëindigen. In een verslag in het kader van een functioneringsgesprek in mei 2019 met [C] van [verweerster] , dat ter kennisname is ondertekend door [verzoekster] , wordt vermeld: “dat er de afgelopen maanden wat dingen zijn gebeurd die echt niet door de beugel konden. Je weet wat ik bedoel, en daarvoor heb je een officiële waarschuwing gekregen. Het was kantje boord dat je verder werkzaam mocht zijn in de praktijk.” [verweerster] heeft daarbij gewezen op twee verklaringen van collega’s over incidenten met [verzoekster] op 13 februari 2019 en op 9 mei 2019, waarbij sprake is van uitschelden en/of een dreigende lichaamshouding door [verzoekster] .

5.9.

Over het incident op 28 augustus 2019 heeft [verzoekster] gesteld dat [A] haar stem meerdere malen tegen haar heeft verheven in het bijzijn van andere collega’s. [verweerster] heeft dit betwist en gesteld dat [verzoekster] in aanwezigheid van collega’s met stemverheffing heeft gesproken en onder andere heeft geroepen dat zij ‘als stront behandeld werd’ en dat de praktijkmanager een ‘leugenaar’ is. [verweerster] heeft daarbij verwezen naar schriftelijke verklaringen van [A] , [D] en [B] . [A] heeft hierover onder meer verklaard:

“.. [voornaam van verzoekster] [ [verzoekster] ] werd heel erg boos en kwam dicht bij mij staan en zei dat ik een vieze leugenaar ben en dat [voornaam van B] helemaal niet gezegd zou hebben dat zij graag 7.00 uur wil werken. ..

“Toen werd [voornaam van verzoekster] nog bozer en begon tegen mij te schreeuwen en te zeggen dat niemand naar haar luistert en dat zij behandeld wordt als stront. ..

“ [voornaam van verzoekster] deed de deur op en liep al pratend en schreeuwend naar de behandelkamer. ..

Zij stond zo dicht bij mij en ging zo tekeer dat ik op dat moment dacht dat zij mij zou gaan slaan. ..

Ik liep samen met [voornaam van B] ook de praktijk binnen en toen ik binnen kwam hoorde ik [voornaam van verzoekster] weer in de kleedkamer zeggen wie ik wel niet denk dat ik ben en dat er niemand zo tegen haar praat en dat ik nog niet weet wie zij is maar hier wel achter ga komen! ..”

[D] heeft onder meer het volgende verklaard:

“.. Ik zag toen ook hoe dreigend [voornaam van verzoekster] voor [voornaam van A] [ [A] ] stond en ik dacht echt dat zij haar zou gaan slaan. ..

[voornaam van verzoekster] liep terug naar voren om weer te assisteren terwijl ze bleef schreeuwen en de patiënten in de stoel dit mee kregen. Alle kamers, inclusief de patiënten, waren getuige van wat er zich afspeelde. ..”

[B] heeft onder meer verklaard:

“.. Vervolgens ging ik verder met mijn werkzaamheden en werd ik geroepen door [voornaam van A] . Hier werd mij de vraag gesteld: Heb jij gezegd dat het jou niet uitmaakt om te beginnen om 7:00? Hierop gaf ik aan dat ik graag de 7:00 uur zou willen werken gezien dit, zoals eerder aangegeven, beter uitkomt voor mij i.v.m. mijn gezin. ..

Uiteindelijk liepen de frustraties op waardoor [voornaam van verzoekster] haar stem begon te verheffen. Ook in de omkleedruimte zetten dit zich voort. ..”

Tijdens de zitting heeft [verzoekster] verteld dat van deze drie verklaringen alleen de verklaring van [B] over het incident op 28 augustus 2019 juist is. Uit de verklaring van [B] blijkt dat [verzoekster] is begonnen met haar stem te verheffen. Dat ondersteunt de verklaringen van [A] en [D] , dat [verzoekster] is begonnen met schreeuwen en dreigend voor [A] is gaan staan. De stelling van [verzoekster] dat [A] is begonnen met stemverheffen is niet waarschijnlijk, gelet op de andersluidende verklaringen van [A] , [D] en [B] die daar tegenover staan.

5.10.

De feiten zoals hiervoor beschreven, de stem verheffen en schreeuwen tegen de praktijkmanager, dreigend gaan staan voor de praktijkmanager, in aanwezigheid van collega’s en op gehoorsafstand van patiënten, leveren een dringende reden op voor het aan [verzoekster] gegeven ontslag op staande voet. [verzoekster] heeft zich daarmee ernstig misdragen tegenover [verweerster] . Daarbij komt dat [verzoekster] eerder is gewaarschuwd vanwege incidenten met collega’s en leidinggevenden en dat het al ‘kantje boord’ was. De omstandigheid dat [verweerster] op 29 augustus 2019 heeft aangeboden een maandsalaris en een getuigschrift mee te geven, doet aan de dringendheid van de reden voor het ontslag op staande voet niet af. Anders dan in de zaak waarop de uitspraak van 30 april 2014 van deze rechtbank zag, waar [verzoekster] naar heeft verwezen (ECLI:NL:RBMNE:2014:1751), heeft [verweerster] het aanbod tot het meegeven van een maandsalaris pas gedaan ná het ontslag op staande voet. [verweerster] heeft [verzoekster] geen keuze voorgesteld tussen het beëindigen met inachtneming van een opzegtermijn en een nog te geven ontslag op staande voet. De persoonlijke omstandigheden van [verzoekster] , staan aan een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet niet in de weg. Tijdens de zitting is gebleken dat [verzoekster] vanaf eind oktober 2020 ander werk heeft gevonden als tandartsassistente. Hieruit blijkt niet dat [verzoekster] persoonlijke omstandigheden heeft waardoor zij belemmerd wordt om op korte termijn ander werk te vinden. De wijze waarop [verzoekster] heeft gehandeld wordt aangemerkt als een zodanig ernstige schending van de op haar rustende verplichting zich jegens [verweerster] als goed werknemer, mede op basis van het Gedragsprotocol van [verweerster] , te gedragen, dat van haar redelijkerwijs niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

primaire verzoek

5.11.

[verweerster] heeft de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op 28 augustus 2019 dan ook om een dringende reden onverwijld mogen opzeggen, zodat het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet zal worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de door [verzoekster] verzochte wedertewerkstelling, loonvordering en de daaraan gekoppelde nevenvorderingen.

subsidiaire verzoek

5.12.

Voor toewijzing van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 BW bestaat, gezien wat hiervoor is overwogen, geen ruimte. Tijdens de zitting is gebleken dat [verweerster] de eindafrekening heeft betaald. De subsidiaire verzoeken, tot toekenning van een billijke vergoeding en tot uitbetaling van het vakantiegeld en de niet-genoten vakantiedagen, zullen daarom ook worden afgewezen.

het voorwaardelijke tegenverzoek van [verweerster] :

5.13.

[verweerster] verzoekt, wanneer het ontslag op staande voet geen stand kan houden, de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van de artikelen 7:669 lid 3 sub e of g BW.

5.14.

De kantonrechter stelt vast dat deze voorwaarde niet is vervuld: het ontslag op staande voet is niet vernietigd. Het voorwaardelijke verzoek van [verweerster] is daarom niet aan de orde en behoeft verder geen bespreking.

het verzoek in het incident

5.15.

Nu in deze beschikking al een beslissing wordt gegeven op het verzoek van [verzoekster] , is er geen reden meer om met toepassing van artikel 223 Rv een voorlopige voorziening te treffen. Een voorlopige voorziening op grond van dat artikel kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding. [verzoekster] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

proceskosten in het incident

5.16.

[verzoekster] zal, nu zij in het incident in het ongelijk is gesteld, worden veroordeeld tot betaling van de kosten van het incident, aan de zijde van [verweerster] tot op heden begroot op nihil. De kantonrechter overweegt hiertoe dat zowel in de door [verweerster] ingediende processtukken als tijdens de behandeling ter zitting geen (afzonderlijk) verweer tegen de verzochte voorziening is gevoerd.

proceskosten in de hoofdzaak
5.17. [verzoekster] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden aan de zijde van [verweerster] tot op heden begroot op

€ 480,00.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in het incident

6.1.

verklaart [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar verzoek;

6.2.

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil;

in de (neven)verzoeken van [verzoekster] in de hoofdzaak

6.3.

wijst het primaire en subsidiaire verzoek af;

6.4.

veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, aan de zijde van [verweerster] tot op heden begroot op € 480,00;

6.5.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.6.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. de Stigter en in het openbaar uitgesproken op

4 februari 2020.