Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:786

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
19.3287
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringszaak. Verzekeraar weigert schade-uitkering in verband met in brand gestoken chalet recreatiepark. Bij de aanvraag van de verzekering had de verzekerde verzwegen dat het chalet leeg stond en dat hij verdachte was in verband met overtreding van de Opiumwet (betrokkenheid bij een hennepkwekerij in een schuurtje van een ander chalet van hem op hetzelfde recreatiepark). Wat moet onder leegstand worden verstaan? Heeft hij de verdenking gebagatelliseerd en daarmee de verzekeraar op het verkeerde been gezet?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL19.3287

Vonnis in verzet van 5 maart 2020

in de zaak van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
verweerder in het verzet,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat E. Dedeić,

tegen

de naamloze vennootschap
ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd te Utrecht,
verweerster,
eiseres in het verzet,
hierna te noemen: ASR,
advocaat M.G. Kos te Zwolle.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het door deze rechtbank op 9 mei 2019 tussen [eiser] en ASR bij verstek gewezen vonnis met nummer NL19.3287.

1.2.

Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat ASR in zoverre in haar verzet kan worden ontvangen.

2 Het verloop van de procedure

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de procesinleiding van 13 februari 2019

  • -

    het verstekvonnis van 9 mei 2019

  • -

    het oproepingsbericht verzet zonder tegenvordering van 7 juni 2019 van ASR

  • -

    de mondelinge behandeling van 13 februari 2020

  • -

    de pleitnotities van mr. Dedeić

  • -

    de spreekaantekeningen van ASR.

2.2.

Op de mondelinge behandeling zijn verschenen:

  • -

    [eiser] en zijn advocaat

  • -

    mevrouw [A] , (voormalig) partner van [eiser]

  • -

    namens ASR: de heer [B] , fraudecoördinator en klachtbehandelaar, en de advocaat van ASR.

De advocaten van beide partijen hebben aan de hand van spreekaantekeningen de standpunten van hun cliënten toegelicht. Partijen hebben vragen van de rechter beantwoord en op elkaars stellingen kunnen reageren. De griffier heeft van wat er op de zitting is besproken aantekening gehouden.

2.3.

Hierna is uitspraak bepaald.

3 Waar gaat het in deze zaak om?

3.1.

[eiser] is eigenaar van 3 recreatiewoningen (chalets) op een recreatiepark in [vestigingsplaats] . Voor de recreatiewoning (hierna: het chalet) waar het in deze zaak om gaat had hij een particuliere verzekering afgesloten. Op verzoek van ASR heeft hij op 3 december 2016 een aanvraagformulier voor een Bedrijvenpakketverzekering ingevuld. In dat aanvraagformulier heeft hij diverse vragen schriftelijk beantwoord. ASR heeft deze aanvraag gehonoreerd, met als ingangsdatum 1 december 2016. Tussen 26 september 2017 en 29 september 2017 is brand uitgebroken in het chalet. Het chalet is geheel afgebrand. Hij heeft bij ASR een verzoek ingediend om de schade onder de verzekering te vergoeden. In opdracht van ASR heeft onderzoeksbureau I-TEK de brand onderzocht. I-TEK heeft vervolgens een rapport opgesteld, gedateerd 10 november 2017. In het kader van het onderzoek heeft I-TEK verklaringen opgenomen van [eiser] , mevrouw [A] en de parkbeheerder, de heer [C] . Volgens I-TEK was de brand aangestoken. Bij brief van 14 november 2017 heeft ASR [eiser] meegedeeld dat zij de schade niet vergoedt en de schadeverzekeringen met betrekking tot de 3 chalets beëindigt. Als reden gaf ASR in deze brief op dat [eiser] haar bij het aanvragen van de verzekeringen niet juist heeft geïnformeerd, dat hij niet voldaan heeft aan zijn mededelingsplicht en dat zij de verzekeringen niet zou hebben geaccepteerd als zij van die feiten op de hoogte was geweest.

In deze brief verwijst ASR naar het onderzoek van I-TEK, waaruit volgens haar blijkt dat:

  • -

    de chalets al sinds februari 2016 leeg stonden en niet meer verhuurd mochten worden;

  • -

    de chalets vanaf februari afgesloten waren van alle nutsvoorzieningen;

  • -

    [eiser] nimmer de bedoeling heeft gehad om de chalets te verhuren;

  • -

    aan hem sinds anderhalf jaar de toegang tot het park was ontzegd;

  • -

    dat dit laatste te maken had met de aanwezigheid van een hennepkwekerij in een van zijn andere chalets op het terrein.

3.2.

In deze procedure vordert [eiser] veroordeling van ASR om aan hem in verband met brandschade aan het chalet € 51.000 te betalen, met de wettelijke rente en met veroordeling van ASR in de proceskosten.

Ter onderbouwing van zijn vordering voert [eiser] het volgende aan:

  • -

    er was geen sprake van leegstand;

  • -

    ook bij leegstand was het chalet verzekerd voor brandschade;

  • -

    hij was niet verplicht om melding te maken van de afsluiting van nutsvoorzieningen;

  • -

    het was niet van belang of hij de bedoeling had om het chalet te verhuren;

  • -

    overigens was hij dit laatste wel degelijk van plan;

  • -

    dat hem de toegang tot het park was ontzegd is evenmin van belang;

  • -

    de aanwezigheid van een hennepkwekerij in een van zijn andere chalets is voor de beoordeling van de schade van dit chalet niet van belang;

  • -

    hij had ASR wel degelijk meegedeeld dat hij met betrekking tot de hennepkwekerij als verdachte was aangemerkt.

3.3.

ASR voert verweer, waarop hierna voor zover nodig voor de beslissing zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het verweer van ASR in deze procedure wijkt op enige (ondergeschikte) punten af van de afwijzingsgronden in de brief van 14 november 2017. Bij de beoordeling van de vordering van [eiser] zal de rechtbank uitgaan van het verweer zoals ASR dat in deze procedure voert. Zij mag de afwijzingsgronden in eerdergenoemde brief immers aanvullen/aanpassen.

4.2.

ASR voert tegen de vordering een primair, subsidiair en meer subsidiair verweer aan. De rechtbank zal alleen het primaire verweer behandelen, omdat dit verweer slaagt, zoals uit het navolgende blijkt.

4.3.

Het primaire verweer luidt als volgt: ASR heeft uitkering terecht geweigerd:

1) omdat [eiser] bij de aanvraag heeft verzwegen dat het chalet leegstond en

2) omdat hij bij de aanvraag niets over zijn strafrechtelijk verleden heeft gemeld. ASR stelt daarbij dat deze afwijzingsgronden ieder afzonderlijk de weigering om de schade te vergoeden rechtvaardigen, maar dat de combinatie van deze twee gronden haar overtuiging om het brandrisico niet te accepteren hebben versterkt.

1) Heeft [eiser] leegstand verzwegen? Ja

4.4.

[eiser] heeft het aanvraagformulier als volgt ingevuld:

"h staat het gebouw (gedeeltelijk) leeg ☒ nee ☐ ja

i is het geheel of (de kantonrechter leest: gedeeltelijk) leegstand? ☒ nee ☐ ja, en wel ______

j zijn er nog andere gebruikers van het gebouw? ☐ nee ☐ ja

  • -

    zo ja, wie en voor welke doeleinden? verhuur

  • -

    wordt de elektrische installatie periodiek

gecontroleerd op grond van een onderhoudscontract ☐ nee ☐ ja

k hoe wordt het gebouw verwarmd? ☒ C.V. ☐ anders, en wel __".

4.5.

In een door hem ondertekende schriftelijke verklaring heeft [eiser] op vragen van de onderzoeker van I-TEK onder meer verklaard:

"V: Waarvoor werd het chalet gebruikt ten tijde van de brand?

A: Ten tijde van de brand stond chalet leeg en het stond te koop. (…)

V: Welke goederen waren in het chalet aanwezig ten tijde van de brand?

A: Er stond nog een bed, een bankstel, de luxaflex hing er nog in en er stonden nog wat pannen en dergelijke. Er stonden ook nog wat kastjes en dergelijke in het chalet. Er was al veel uit het chalet gehaald. Ik denk dat er nog een halve inboedel binnen stond. Op het adres waar we nu wonen, hebben we ruimte verhuurd. Wij wonen daar zelf ook maar boven ons hebben we woonruimte verhuurd. Voor die verhuurde ruimte hadden we inboedel nodig en die hebben we uit het chalet gehaald.

(…)

V: Wanneer is het chalet voor het laatst verhuurd en aan wie was dat?

A: We hebben het nooit verhuurd. Het chalet is ook nooit bedoeld geweest om te worden verhuurd. Ik heb dat chalet toen gebouwd om later te gaan verkopen. Ik bouwde het chalet ongeveer 4 jaar geleden. Ik heb het nooit verhuurd. Mijn ouders hebben een tijdje in het chalet gezeten, tot ongeveer anderhalf jaar geleden. Toen zijn mijn ouders eruit gegaan. Dat was in de periode dat het conflict met de parkeigenaar is begonnen. Mijn ouders hebben vanaf het begin het chalet recreatief gebruikt. Ze hebben dus 2 tot 3 jaar het chalet recreatief gebruikt.

(…)

V: Was het chalet nog aangesloten op de nutsvoorzieningen?

A: Het chalet was al ongeveer anderhalf jaar geleden afgesloten van elektra en gas, nadat de problemen met de parkeigenaar begonnen, ten gevolge van de eerdergenoemde hennepkwekerij in mijn schuurtje".

4.6.

Voorts is van belang dat [eiser] ter zitting heeft verklaard dat zijn ouders sinds februari 2016 niet meer in het chalet hebben geslapen.

4.7.

Ter zitting heeft de advocaat van [eiser] nog aangevoerd dat het op grond van het bestemmingsplan verboden is om recreatiewoningen in deze gemeente permanent te bewonen. Inherent aan een recreatiewoning is nu juist dat die niet permanent mag worden bewoond en dat daarin geen hoofdverblijf wordt gehouden. Van leegstand is geen sprake, maar van permanente bewoning evenmin. Een redelijke uitleg van de polisvoorwaarden brengt mee dat van leegstand geen sprake kan zijn als geen sprake is van permanente bewoning. Volgens hem had ASR een definitie van leegstand in de polisvoorwaarden moeten opnemen. Verder wijst hij erop dat de ouders van [eiser] regelmatig van het chalet gebruik maakten, en dat slechts een aantal meubelstukken door hem waren meegenomen om elders te verblijven. Dat de nutsvoorzieningen tijdelijk waren afgesloten zegt nog niets over het gebruik daarvan.

4.8.

De rechtbank overweegt het volgende.

Zoals uit het voorgaande blijkt is op grond van de processtukken en wat op de zitting naar voren is gekomen voldoende aannemelijk geworden:

  1. dat er bij de aanvraag voor de verzekering van 1 december 2016 vanaf februari 2016, dus sinds 10 maanden, niemand meer in het chalet overnacht had en dat het chalet in deze periode ook niet verhuurd is geweest;

  2. dat het ook niet mogelijk zou zijn geweest het chalet als vakantiehuis te gebruiken omdat gas en elektra waren afgesloten, en verder omdat op zijn minst een voor zulk gebruik essentieel gedeelte van de inboedel ontbrak; dit laatste volgt uit de verklaring van [eiser] dat hij ongeveer de helft van de inboedel had meegenomen omdat deze voor de bewoning elders nodig was;

  3. dat er ook overigens geen plannen waren om het chalet te verhuren.

4.9.

Hieruit volgt dat ten tijde van de aanvraag sprake was van leegstand. Nu de polisvoorwaarden geen definitie van leegstand bevatten, ligt het voor de hand aansluiting te zoeken bij het normale spraakgebruik. De Grote Van Dale, 12e druk, omschrijft leegstand als "het leegstaan", en leegstaan als "(van verblijven, plaatsen, meubels) onbezet zijn: staan er nog stoelen leeg?; de zetel van de burgemeester stond leeg; dat huis staat leeg, is onbewoond, ongebruikt". Hieruit volgt dat onder leegstand niet alleen fysieke leegstand moet worden verstaan (de situatie dat er geen of weinig inboedel aanwezig is), maar ook het niet gebruikt worden. Zoals uit het voorgaande reeds is vastgesteld deden beide situaties zich bij het aanvragen van de verzekering voor.

4.10.

Dat de ouders van [eiser] mogelijk af en toe bij het chalet zijn langsgeweest kan aan het voorgaande niet afdoen. In de gegeven omstandigheden kan dat niet worden aangemerkt als een normaal gebruik van het chalet als recreatiewoning.

4.11.

Verder heeft ASR naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de verzekering niet zou hebben gesloten als zij van de werkelijke situatie op de hoogte zou zijn geweest. Dit volgt uit de door ASR overgelegde door haar gehanteerde acceptatierichtlijnen van 3 juli 2012: "Indien vooraf al bekend is dat het pand langer dan een jaar komt leeg te staan hebben wij geen acceptatiemogelijkheden". [eiser] wijst er terecht op dat het hierbij niet enkel om gaat wat de interne acceptatierichtlijnen voorschrijven, maar om wat een redelijk handelend verzekeraar onder de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan. In de gegeven omstandigheden is echter ook aan die laatste voorwaarde naar het oordeel van de rechtbank voldaan. ASR heeft voldoende onderbouwd gesteld dat leegstand een verhoging van het brandrisico vormt, en [eiser] heeft dat niet betwist.

[eiser] heeft ook nog aangevoerd dat eventuele leegstand niet van belang is, omdat artikel 6.3 van de polisvoorwaarden vermeldt: "Wat als het gebouw geheel of gedeeltelijk leeg staat, langer dan 2 maanden buiten gebruik is, of is gekraakt? - In deze situatie bent u alleen verzekerd voor schade door brand en storm".

Dit argument gaat niet op. ASR wijst er - door [eiser] onbestreden - op dat artikel 5.3 van de polisvoorwaarden bepaalt dat bij leegstand die ontstaat gedurende de verzekerde periode ASR opnieuw de afweging te maken of zij de verzekering wil voortzetten, en dat in de periode gelegen tussen de aanvang van de leegstand en het besluit van ASR daaromtrent een beperkte dekking wordt geboden voor brand en storm, maar dat deze beperkte dekking 30 dagen na de wijziging van het risico eindigt als mededeling van leegstand uitblijft. Deze situatie doet zich hier voor.

2) Heeft [eiser] zijn strafrechtelijke verdenking verzwegen? Ja

4.12.

[eiser] heeft het aanvraagformulier voor de verzekering als volgt ingevuld:

"Bent u, of een andere belanghebbende, de laatste 8 jaar verdacht (geweest) van of veroordeeld voor:

(…)

- Overtreding van de (…) Opiumwet (…) ☐ ja ☒ nee".

Volgens [eiser] had hij deze vraag aanvankelijk verkeerd begrepen (hij dacht dat het alleen om veroordelingen ging), maar nadat zijn assurantietussenpersoon hem in het kader van de aanvraag van een andere verzekering daarop had gewezen, heeft hij alsnog aan ASR meegedeeld dat hij als verdachte was aangemerkt, en wel bij e-mail van de assurantietussenpersoon van 7 februari 2017. Zij schrijft: "Verder kunnen wij u mededelen dat er geen vonnis is, deze zal naar alle verwachting ook niet komen. De heer [eiser] is destijds verdacht geweest, maar dit heeft verder tot op heden geen opvolging gehad". Op 28 maart 2017 bericht ASR bij e-mail aan de assurantietussenpersoon: "Voor nu geef ik aan acceptatie goedkeuring om met de aanvraag verder te gaan".

4.13.

Omdat ASR toen geen aanleiding heeft gezien om enige verzekering met hem op te zeggen, kan ASR zich volgens [eiser] op de aanvankelijke verzwijging nu niet beroepen. ASR brengt hiertegen in dat zij de verzekering voorlopig had geaccepteerd omdat zij door het e-mailbericht van 7 februari 2017 van de assurantietussenpersoon in de veronderstelling was gebracht dat de verdenking van de baan was. In de aanloop naar de verzetprocedure, op 23 mei 2019, heeft zij nadere informatie over deze verdenking bij de toenmalige advocaat van [eiser] ingewonnen. Die heeft toen meegedeeld dat de strafzaak tot op dat moment stil heeft gelegen. Verder stelt aan ASR in deze procedure dat zij ervan uitgaat dat [eiser] nog steeds verdachte is.

4.14.

Desgevraagd heeft [eiser] op de zitting het volgende meegedeeld:

  • -

    hij heeft de dag na de brand, dus op 30 september 2017, van het Openbaar Ministerie een bericht van vervolging ontvangen;

  • -

    zijn strafzaak is op 15 november 2017 door de meervoudige kamer behandeld;

  • -

    hij is veroordeeld tot betaling van een boete van € 5000;

  • -

    deze uitspraak is in juli/augustus 2019 in hoger beroep bevestigd;

  • -

    hij heeft inmiddels cassatie laten instellen.

4.15.

Gelet op deze omstandigheden had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [eiser] gelegen ASR uit eigen beweging ervan op de hoogte te brengen dat de verdenking, anders dan hij via zijn tussenpersoon had laten weten, helemaal niet van de baan was, maar dat hij wel degelijk werd vervolgd. Verder had het op zijn weg gelegen om ASR ook van de veroordelingen op de hoogte te brengen. ASR had immers laten weten dat zij voorlopig ("voor nu") de verzekering zou accepteren. Het had daarom op de weg van [eiser] gelegen uit eigen beweging nadere inlichtingen te verstrekken, in plaats van af te wachten of ASR hem (later) om nadere inlichtingen zou vragen. Bij dit laatste merkt de rechtbank op dat ASR dit op een gegeven moment ook heeft gedaan, maar kennelijk door de voormalige advocaat van [eiser] onjuist is geïnformeerd: hij was inmiddels immers door de rechtbank veroordeeld, terwijl die advocaat had aangegeven dat de zaak had stilgelegen.

4.16.

Voor zover [eiser] van mening is dat hij destijds te goeder trouw mocht (laten) mailen dat hij waarschijnlijk niet vervolgd zou worden, had het op zijn weg gelegen om dat standpunt in deze procedure nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door het overleggen van stukken van de strafzaak. Dit heeft hij echter niet gedaan.

4.17.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ASR zich terecht op het standpunt kan stellen dat [eiser] de (aard en ernst van de) verdenking heeft verzwegen. Gelet op de aard van de verdenking (betrokkenheid bij de exploitatie van een wietkwekerij) had ASR als redelijk handelend verzekeraar de aanvraag mogen weigeren indien zij naar waarheid door [eiser] zou zijn ingelicht.

Slotsom

4.18.

De slotsom is dat de vordering wordt afgewezen. [eiser] wordt in de proceskosten van ASR veroordeeld, welke worden begroot op

- griffierecht € 1.992

- salaris advocaat € 2.148 (2 punten × tarief IV € 1.074)

totaal € 4.140.

Deze proceskostenveroordeling wordt vermeerderd met rente en nakosten zoals hieronder aangegeven. De kosten van het uitbrengen van het oproepingsbericht voor de verzetprocedure blijven voor rekening van ASR.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van ASR tot op heden begroot op € 4.140, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [eiser] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door ASR volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157 aan salaris advocaat, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2020.