Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:768

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
16/224835-19 (P)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2020:6924, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte op 26 januari 2019 in Baarn en/of Ulft zich schuldig heeft gemaakt aan het onttrekken van zijn minderjarige dochter aan het gezag van de moeder. Van de door de vader gestelde toestemming van moeder om de dochter mee te laten gaan naar Turkije is geenszins gebleken.

De rechtbank houdt er bij het opleggen van de straf rekening mee dat verdachte, eenmaal in Turkije, er alles aan heeft gedaan om te frustreren dat zijn dochter terug naar haar moeder in Nederland zou gaan. Zo is hij procedures in Turkije gestart omtrent het gezag en de erkenning van zijn dochter. Verdachte stelt dat zijn dochter - hangende de procedures in Turkije - Turkije niet mag verlaten. De onjuistheid van die stelling blijkt reeds uit de uitspraak van het Turkse hof van 8 november 2019 in de onttrekkingszaak, waarin expliciet is bepaald dat “het feit dat gedaagde een gezagsprocedure is begonnen in Turkije geen grond [is] om de terugzending [van de minderjarige] te weigeren”. Verdachte lijkt zich niet neer te kunnen leggen bij de beslissing dat zijn dochter zo snel mogelijk terug moet naar aangeefster in Nederland. In de uitspraak van het Turkse Hof staat dat duidelijk is geworden dat wat betreft de gezondheid – in geestelijke en psychische zin – het uitermate in het belang van het kind zal zijn om haar leven voort te zetten in Nederland. Verdachte gaat geheel aan het gezondheidsaspect van zijn dochter voorbij en stelt op dit punt slechts ‘dat er goed voor haar wordt gezorgd in Turkije’. Gelet op de aard en de ernst van het feit, de doelbewuste, actieve houding van verdachte om het terughalen van de minderjarige naar Nederland te frustreren, dat nog steeds geen duidelijkheid is wanneer de minderjarige weer met haar moeder in Nederland herenigd kan worden, en het gegeven dat verdachte zich niet lijkt te bekommeren om de lichamelijke en psychische gevolgen voor de minderjarige en haar moeder, acht de rechtbank geen termen aanwezig voor een straf gelijk aan het voorarrest dan wel een deels voorwaardelijke straf. De rechtbank vindt een langdurige gevangenisstraf passend en geboden. Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte, conform de eis van de officier van justitie, een gevangenisstraf opleggen van 24 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/224835-19 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 3 maart 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1975] te [geboorteplaats] ,

gedetineerd te Lelystad.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 23 december 2019 en 18 februari 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen en standpunten van de officier van justitie mr. A. Drogt en van hetgeen verdachte en mr. M.A. Prins, advocaat te

’s-Hertogenbosch, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

zich in de periode van 26 januari 2019 tot en met 8 augustus 2019 in Baarn en/of Ulft (of elders in Nederland), heeft schuldig gemaakt aan het onttrekken van een minderjarige ( [minderjarige] ) aan het gezag van de moeder.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit. Hij stelt dat verdachte aanvankelijk toestemming had van de moeder van [minderjarige] om met zijn dochter naar Turkije te gaan, en dat [minderjarige] - toen zij in Turkije was - vervolgens van de Turkse autoriteiten niet meer terug mocht naar Nederland. Volgens de verdediging kan het opzettelijk onttrekken van [minderjarige] aan het gezag van moeder dan ook niet worden bewezen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat - naar aanleiding van de aangifte van moeder op 25 januari 2019 in Turkije een procedure aangaande de onttrekking/ontvoering tegen verdachte is gestart. De politie heeft verdachte verteld dat [minderjarige] gedurende die procedure in Turkije moet verblijven en de Turkse rechter heeft dit ook neergelegd in het tussenvonnis van 29 april 2019. Indien verdachte schuldig wordt bevonden aan onttrekking/ontvoering, zal ook een strafzaak tegen hem in Turkije volgen en riskeert hij een lange gevangenisstraf. Verdachte heeft daarom een groot belang dit aan te vechten. Om een kans te maken in deze strafzaak, moest verdachte in Turkije een echtscheidingsprocedure (de in Nederland uitgesproken scheiding was niet geldig in Turkije), een erkenningsprocedure en een gezagsprocedure (welke in Turkije direct aanvangt nadat een scheiding is aangevraagd) aanhangig maken.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is van overmacht in de zin van een noodtoestand ex artikel 40 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Hij verzoekt om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, in ieder geval voor de tenlastegelegde periode vanaf 11 juli 2019, zijnde de datum van het vonnis in eerste aanleg in de onttrekkingszaak in Turkije, waarbij is bepaald dat [minderjarige] terug moet naar haar moeder. Enerzijds bestaat - gelet op de onderhavige (Nederlandse) strafzaak - het belang voor verdachte om [minderjarige] zo snel mogelijk terug naar Nederlandse bodem te laten komen. Anderzijds heeft verdachte er groot belang bij om zich te verzetten tegen de uitspraak van de Turkse rechtbank (en de uitspraak van het Turkse Hof) in de onttrekkingszaak, gelet op hetgeen hier boven is overwogen. In die belangenafweging heeft verdachte het zwaarstwegende belang laten prevaleren, waardoor zijn gedrag gerechtvaardigd was.

Meer subsidiair stelt de verdediging dat sprake is van afwezigheid van alle schuld in de zin van verontschuldigbare onmacht, nu buiten de schuld van verdachte om is bepaald dat zijn dochter in Turkije dient te verblijven zolang de procedures aanhangig zijn.

Uiterst subsidiair heeft de raadsman - met een beroep op rechtsdwaling - aangevoerd dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Verdachte mocht uitgaan van de mededelingen van de Turkse politie, het advies van zijn Turkse advocaat en de overwegingen van de Turkse rechtbank dat zijn dochter Turkije niet mocht verlaten.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen 1

Uit de beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland van 11 maart 2015 blijkt dat aan de moeder en de vader gezamenlijk het ouderlijk gezag toekomt over [minderjarige] , geboren op [2007] te [geboorteplaats]2.

Aangeefster [moeder] heeft – zakelijk weergegeven -verklaard:

Ik ben de moeder van [minderjarige] , geboren op [2007] . Haar vader is

[verdachte] .3 Op 25 januari 2019 is [minderjarige] met [verdachte] meegegaan. Ik heb geen formulier ondertekend dat zij mee mocht naar het buitenland. Daar was ook geen sprake van omdat hij het alleen had over winkelen in Duitsland. Als ik had geweten dat hij met haar naar Turkije zou gaan, dan had ik dat geweigerd en had ik ook geen identiteitsbewijs meegegeven.

Ik ben het er totaal niet mee eens dat zij momenteel met haar vader in Turkije zit. Normaal was zij op 27 januari 2019 weer bij mij thuis gekomen.4

Tijdens de zitting van 18 februari 2020 heeft verdachte verklaard:

Ik ben op 26 januari 2019 met [minderjarige] naar Turkije gevlogen.5

Bewijsmotivering

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, als degene die mede het gezag over [minderjarige] uitoefent, zich op 26 januari 2019 schuldig heeft gemaakt aan het onttrekken van zijn minderjarige dochter aan het wettig gezag van haar moeder, en overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank stelt vast dat op het moment dat [minderjarige] met verdachte is meegegaan naar Turkije, de moeder - aangeefster - daarmee niet had ingestemd. De afspraak was dat [minderjarige] met verdachte in Duitsland mocht winkelen en dat [minderjarige] op 27 januari 2019 weer bij moeder zou terugkeren. Dit blijkt uit de verklaring van de moeder. Van door de verdediging gestelde toestemming van aangeefster om op 26 januari 2019 met [minderjarige] naar Turkije te gaan is geenszins gebleken.

Partiële vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat uitsluitend bewezen kan worden dat verdachte in Baarn en/of Ulft op 26 januari 2019 [minderjarige] aan het gezag van de moeder heeft onttrokken. Verdachte is op deze datum zonder toestemming van de moeder vanuit Nederland met zijn dochter naar Duitsland vertrokken en is dezelfde dag, vanuit Duitsland, naar Turkije gevlogen. Nu in de tenlastelegging Turkije niet als pleegplaats is opgenomen en de pleegplaats voor het onttrokken houden de plaats is waar verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten verblijf heeft en van waaruit verdachte het kind onttrokken houdt aan het gezag (zie ECLI:NL:PHR:2019:215 en ECLI:NL:HR:2019:678), spreekt de rechtbank verdachte voor het resterende deel van de tenlastegelegde periode vrij. De tenlastelegging loopt immers tot 8 augustus 2019 en tot die periode verbleef verdachte niet in Nederland en hield hij het kind niet onttrokken vanuit Nederland.

Met deze partiële vrijspraak komt de rechtbank bij de bewezenverklaring niet toe aan de verdere verweren van de verdediging, welke zien op de periode na 26 januari 2019. Voor zover relevant komen die verweren bij de strafmaat aan de orde.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 26 januari 2019 te Baarn en/of Ulft opzettelijk een minderjarige, [minderjarige]

(geboren op [2007] te [geboorteplaats] ), heeft onttrokken aan de moeder van

[minderjarige] , te weten: [moeder] , die het wettig over die minderjarige gestelde gezag uitoefende, immers heeft verdachte zonder toestemming van de moeder ( [moeder] ) die

[minderjarige] overgebracht naar een plaats in Turkije die zodanig feitelijk buiten de invloedssfeer van die [moeder] lag, dat de uitoefening van dat gezag door die

[moeder] onmogelijk was geworden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Ter terechtzitting heeft de raadsman subsidiair een beroep gedaan op overmacht, (noodtoestand), op grond waarvan de verdachte zou moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging indien de rechtbank het ten laste gelegde feit bewezen acht.

Meer subsidiair stelt de verdediging dat sprake is van afwezigheid van alle schuld in de zin van verontschuldigbare onmacht, nu buiten de schuld van verdachte om is bepaald dat zijn dochter in Turkije dient te verblijven zolang de procedures aanhangig zijn.

Uiterst subsidiair heeft de raadsman - met een beroep op rechtsdwaling - aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslaan van alle rechtsvervolging.

Al deze verweren zien erop dat het verdachte niet valt te verwijten dat [minderjarige] niet terug kon keren naar Nederland, nadat zij in Turkije was aangekomen. De verweren zien dus op de periode na 26 januari 2019.

Gelet op de vrijspraak van het deel van de tenlastegelegde van de periode na 26 januari 2019, behoeven deze verweren geen bespreking. Wel zal de rechtbank op de verweren ingaan bij het bespreken van de op te leggen straf.

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte op 26 januari 2019 uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij eventuele strafoplegging er rekening mee te houden dat de duur en het voortduren van het verblijf van [minderjarige] in Turkije voor een belangrijk deel gelegen is in aspecten buiten de wil van verdachte.

Voorts heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met het nagenoeg blanco strafblad van verdachte, en het feit dat verdachte bereid was naar Nederland te komen om een en ander omtrent de situatie van [minderjarige] te beslechten. Ook heeft de raadsman verzocht bij de strafoplegging mee te nemen dat verdachte sinds augustus 2019 in voorlopige hechtenis verblijft en dat hij epilepsie heeft. De raadsman verzoekt de rechtbank om verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest en deze straf eventueel te combineren met een voorwaardelijk deel. De raadsman geeft ten slotte aan dat het opleggen van een taakstraf tot de mogelijkheden behoort.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het onttrekken van zijn minderjarige dochter [minderjarige] aan het toezicht van haar moeder. [minderjarige] is lijdende aan het Fragile X-syndroom en heeft een verstandelijke beperking. Zij verblijft door toedoen van verdachte tot op de dag van vandaag in Turkije en heeft slechts telefonisch of via FaceTime contact met haar moeder. Kortom, als gevolg van het handelen van verdachte wordt de moeder van [minderjarige] nu al een meer dan een jaar haar kind onthouden en het is nog niet duidelijk wanneer [minderjarige] terug zal keren naar Nederland. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf geen rekening met het betoog van de verdediging dat het voortduren van het verblijf van [minderjarige] in Turkije verdachte niet valt aan te rekenen. In de eerste plaats had verdachte nooit naar Turkije mogen vertrekken met zijn dochter. Daarnaast heeft verdachte, eenmaal in Turkije, er alles aan gedaan om te frustreren dat zijn dochter terug naar haar moeder in Nederland zou gaan. Zo is hij procedures in Turkije gestart omtrent het gezag en de erkenning van zijn dochter. Verdachte stelt dat zijn dochter - hangende de procedures in Turkije - Turkije niet mag verlaten. De onjuistheid van die stelling blijkt reeds uit de uitspraak van het Turkse hof van 8 november 2019 in de onttrekkings/ontvoeringszaak, waarin expliciet is bepaald dat “het feit dat gedaagde een gezagsprocedure is begonnen in Turkije geen grond [is] om de terugzending [van [minderjarige] ] te weigeren”.

Naast de door hem gestarte procedures over het gezag en de erkenning houdt verdachte ook de procedure omtrent de onttrekking in Turkije gaande. Zo is verdachte tegen het vonnis van de Turkse rechtbank van 11 juli 2019, waarin werd bepaald dat zijn dochter terug moest naar haar moeder, in beroep gegaan en heeft hij daarna tegen de uitspraak van het Turkse Hof van 8 november 2019 (waarin het vonnis werd bekrachtigd) cassatie ingesteld.

Dat verdachte wel in hoger beroep en cassatie móest gaan in de onttrekkings/uitvoeringszaak om zo in Turkije een langdurige gevangenisstraf te ontlopen is geenszins gebleken.

Los daarvan, stond dit niet aan terugkeer van [minderjarige] in de weg. Het valt verdachte dus wel degelijk te verwijten dat [minderjarige] nog steeds niet terug is in Nederland. Dit is uitsluitend toe te rekenen aan verdachte en gelet op de expliciete overweging van het Hof dat [minderjarige] terug kan naar Nederland, geen gevolg van het feit dat er een gezags- en erkenningsprocedure loopt in Turkije.

Verdachte lijkt zich niet neer te kunnen leggen bij de beslissing dat zijn dochter zo snel mogelijk terug moet naar haar moeder in Nederland. In de uitspraak van het Turkse Hof staat dat duidelijk is geworden dat wat betreft de gezondheid – in geestelijke en psychische zin – het uitermate in het belang van het kind zal zijn om haar leven voort te zetten in Nederland. Verdachte gaat geheel aan het gezondheidsaspect van zijn dochter voorbij en stelt op dit punt slechts ‘dat er goed voor haar wordt gezorgd in Turkije’.

Tegen verdachte stond een Europees aanhoudingsverzoek uit waardoor hij op 8 augustus 2019 in Duitsland is aangehouden en enkele dagen later aan Nederland is uitgeleverd. Dat verdachte ‘bereid was naar Nederland te komen om een en ander omtrent de situatie van [minderjarige] te beslechten’ zoals door de verdediging is gesteld is dan ook niet gebleken.

De strekking van artikel 279 Sr is om degene die wettig gezag uitoefent over een minderjarige, in staat te stellen zijn of haar taak te vervullen. In de onderhavige zaak kan de moeder haar ouderlijke taak ten opzichte van [minderjarige] niet meer vervullen, omdat verdachte [minderjarige] zonder toestemming en zonder medeweten van de moeder naar Turkije heeft gebracht. Daarmee heeft verdachte [minderjarige] buiten de invloedssfeer van de moeder gebracht. Het is daarmee onmogelijk voor de moeder geworden om voor haar dochtertje te zorgen of ten aanzien van haar beslissingen te nemen op diverse levensgebieden, zoals verblijfplaats, school en toekomst. Iets wat zeker gelet op de persoon van [minderjarige] van groot belang is.

Verdachte heeft dan ook door zijn handelwijze het recht op familieleven van [minderjarige] met haar moeder op grove wijze geschonden. Dat de abrupte scheiding en het laten voortduren daarvan een enorme impact heeft op haar moeder en vermoedelijk ook op [minderjarige] lijkt hem niet te deren. Door verdachte is geen enkele emotie noch berouw getoond. Eerder volhardt hij in zijn persoonlijke inzichten en lijkt hij zich niets aan te trekken van de Nederlandse en internationale (familierechtelijke) rechtsorde.

Persoonlijke omstandigheden

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 18 november 2019, waaruit blijkt dat verdachte recentelijk niet is veroordeeld voor een strafbaar feit. Dit neemt de rechtbank in het nadeel noch in het voordeel van verdachte mee bij de bepaling van de op te leggen straf.

Straf

Gelet op de aard en de ernst van het feit, de doelbewuste, actieve houding van verdachte om het terughalen van [minderjarige] naar Nederland te frustreren, het feit dat nog steeds niet duidelijk is wanneer [minderjarige] weer met haar moeder in Nederland herenigd kan worden, en het gegeven dat verdachte zich niet lijkt te bekommeren om de lichamelijke en psychische gevolgen voor [minderjarige] en haar moeder, acht de rechtbank geen termen aanwezig voor een straf gelijk aan het voorarrest dan wel een deels voorwaardelijke straf. De rechtbank vindt een langdurige gevangenisstraf passend en geboden. Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte, conform de eis van de officier van justitie, een gevangenisstraf opleggen van 24 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

9 VOORWAARDELIJK VERZOEK

De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht en is van oordeel dat het alsnog horen van een deskundige over het Turkse familie- en strafrecht niet noodzakelijk is. Zij wijst de voorwaardelijke onderzoekswens van de verdediging, over de status en verplichtingen die voortvloeien uit de procedures in Turkije, dan ook af.

10 VORDERING BENADEELDE PARTIJ

[benadeelde] (in de tenlastelegging aangeduid als [moeder] ), de moeder van [minderjarige] , heeft als benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding ingediend voor een totaalbedrag van € 12.352,65 bestaande uit een vergoeding van materiële en immateriële schade. Zij vordert ook de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het totaalbedrag aan materiële schade (€ 4.852,65) is als volgt opgebouwd:

  • -

    reiskosten € 773,36

  • -

    vliegtickets Turkije € 554,47

  • -

    geannuleerde vakantie € 1.349,82 (vakantie New York, gepland vertrek op 9/3/2019)

  • -

    juridisch advies € 2.125,00 (€ 625,00 eigen bijdrage en € 1.500,- advocaatkosten Turkije)

  • -

    telefoonkosten € 50,00

€ 4.852,65

Als immateriële schade heeft de benadeelde partij een bedrag van € 7.500,- gevorderd.

10.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen, met oplegging van de wettelijke rente. Voorts acht zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij, gelet op de bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. Subsidiair heeft de raadsman het navolgende aangevoerd.

Materiële schade

Reiskosten

De verdediging stelt dat voor meerdere opgenomen reisbewegingen in de vordering niet duidelijk is waarom deze zijn gemaakt en verzoekt deze reiskosten daarom te matigen tot een bedrag van € 200,-.

Kosten geannuleerde vakantie

De verdediging verzoekt de benadeelde partij in deze kosten niet-ontvankelijk te verklaren vanwege het ontbreken van causaal verband tussen het annuleren van de vakantie die gepland stond op 9 maart 2019 en het strafbare feit. Het annuleren van de vakantie betreft een eigen initiatief van de benadeelde partij terwijl dit niet noodzakelijk was.

Juridische kosten

De verdediging verzoekt primair om deze kosten af te wijzen, omdat dit kosten zijn die gemaakt zijn in de civielrechtelijke procedure omtrent [minderjarige] en deze kosten dan ook binnen het civielrechtelijk bestel gevorderd moeten worden. Subsidiair verzoekt de verdediging om de benadeelde partij in de kosten van de Turkse advocaat (€ 1.500,-) niet-ontvankelijk te verklaren. Deze kosten zijn onvoldoende onderbouwd omdat er geen urenspecificatie bij de vordering is gevoegd. Hierdoor is het niet mogelijk de validiteit van deze kosten te toetsen.

Immateriële schade

De verdediging wijst erop dat de benadeelde partij ter onderbouwing van haar vordering tot vergoeding van immateriële schade verwijst naar een niet vergelijkbare zaak, aangezien daar sprake was van de strafverzwarende omstandigheid dat de minderjarige jonger was dan 12 jaar. De verdediging verzoekt de immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 2.000,-.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank overweegt allereerst dat vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde feit rechtstreeks materiële schade heeft geleden.

Reiskosten

Anders dan door de verdediging is gesteld, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde reiskosten voldoende onderbouwd zijn met het bij de vordering gevoegde overzicht van gereden kilometers. De rechtbank zal deze kosten dan ook toewijzen.

Vliegtickets Turkije

De gevorderde kosten voor de (retour)vlucht naar Turkije zijn niet betwist door de verdediging en komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De rechtbank zal deze kosten dan ook toewijzen.

Kosten geannuleerde vakantie

De rechtbank is van oordeel dat het vereiste causaal verband tussen de gestelde kosten van de vakantie naar New York en het strafbare feit onvoldoende aannemelijk is. De rechtbank zal de benadeelde partij in dit deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaren. De vakantie stond vijf weken na het onttrekken van [minderjarige] gepland. De rechtbank kan zich voorstellen dat de benadeelde partij op dat moment niet van een geplande vakantie kon genieten op de manier die zij had gehoopt, maar acht het een eigen keuze van de moeder om de vakantie te annuleren zodat deze kosten niet als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit kunnen worden aangemerkt.

Juridisch advies

De rechtbank is van oordeel dat zowel de gevorderde advocaatkosten in Turkije als de kosten van eigen bijdrage kunnen worden toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten voldoende onderbouwd zijn en deze kosten een rechtstreeks gevolg zijn van het door verdachte gepleegde strafbare feit.

Telefoonkosten

De gevorderde telefoonkosten zijn niet betwist door de verdediging en komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De rechtbank zal deze kosten dan ook toewijzen.

Immateriële schade

Ingevolge artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bestaat recht op vergoeding van immateriële schade indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In onderhavig geval gaat het om laatstgenoemde categorie. De aard en de ernst van de normschending alsmede de gevolgen daarvan voor de benadeelde kunnen meebrengen dat van bedoelde “aantasting in zijn persoon op andere wijze” sprake is

(zie ECLI:NL:HR:2019:376). Nu in deze zaak sprake is van een grove inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de moeder en de nadelige gevolgen voor haar zo voor de hand liggen, concludeert de rechtbank dat de moeder op andere wijze in de persoon is aangetast (r.o. 4.2.1 van Hoge Raad 15 maart 2019, ECLI:NL2019:376).

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit acht de rechtbank toekenning van een bedrag van € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding billijk. Het immateriële deel van de vordering zal tot dit bedrag worden toegewezen. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van haar immateriële vordering niet ontvankelijk verklaren.

Wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel

Tevens zal de door de benadeelde partij gevorderde wettelijke rente worden toegewezen. Nu de ingangsdata van de vorderingen verschilt, zal de rechtbank als ingangsdatum hanteren de datum waarop de moeder de vordering heeft ingediend, te weten 4 februari 2020.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Proceskosten

De rechtbank zal verdachte voorts veroordelen in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partijen begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

11 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 36f en 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12 BESLISSING

De rechtbank:

Voorwaardelijke verzoek

- wijst af het verzoek tot het horen van een deskundige op het terrein van het Turkse familie- en strafrecht;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf en maatregel

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partij

  • -

    wijst de vordering van [benadeelde] toe tot een bedrag van € 8.502,83 (zegge achtduizendvijfhonderdtwee euro en drieëntachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 februari 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde] voornoemd;

  • -

    veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij voor het overig deel van de vordering niet-ontvankelijk is;

  • -

    legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] € 8.502,83 (zegge: achtduizendvijfhonderdtwee euro en drieëntachtig eurocent) aan de Staat te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling van 77 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op;

  • -

    bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.L.M. van Opstal, voorzitter, mrs. H.F. Koenis en J.W.B. Snijders Blok, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Harskamp-Snoeren, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 maart 2020.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 26 januari 2019 tot en met 8 augustus 2019 te Baarn en/of Ulft en/of (elders) in Nederland,
opzettelijk een minderjarige, [minderjarige] (geboren op [2007] te [geboorteplaats] ),
heeft onttrokken aan de moeder van [minderjarige] , te weten: [moeder] ,
die het wettig over die minderjarige gestelde gezag uitoefende en/of die het opzicht over die minderjarige desbevoegd uitoefende,
immers heef verdachte zonder toestemming van de moeder ( [moeder] ) die [minderjarige] overgebracht naar en/of achter gelaten op een plaats in Turkije die zodanig feitelijk buiten de invloedssfeer van die [moeder] lag, dat de uitoefening van dat gezag door die [moeder] onmogelijk was geworden;


( art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 19 september 2019, genummerd PL0900-2019027748, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 103. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland van 11 maart 2015, zoals overgelegd ter terechtzitting van 23 december 2019.

3 Een proces-verbaal van aangifte, pagina 8.

4 Een proces-verbaal van aangifte, pagina 9.

5 Een proces-verbaal van terechtzitting van 18 februari 2020.