Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:74

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-01-2020
Datum publicatie
29-01-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 607
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek handhaving AVG afgewezen

AVG, verwerking van bijzondere persoonsgegevens, landelijk schakelpunt

Eiseres heeft verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen apothekers vanwege onterechte aanmelding van patiënten in het landelijk schakelpunt (lsp). In een andere procedure (UTR 19/608) richt zij zich tot VZVZ als beheerder van het lsp. In het lsp worden persoonsgegevens (namelijk het bsn van een persoon) verwerkt. Dit kan alleen als daarvoor uitdrukkelijk toestemming door die persoon is gegeven op basis van juiste informatie. Eiseres heeft een aantal folders en toestemmingsformulieren overgelegd waaruit volgens haar blijkt dat apothekers patiënten niet goed voorlichten, waarmee hun toestemming niet rechtsgeldig zou zijn. Verweerder heeft vastgesteld dat in één geval inderdaad sprake is van een overtreding. Een apotheker meldde patiënten bij het lsp aan zonder de vereiste toestemming. Daarom heeft verweerder een last opgelegd. In de andere gevallen is echter geen overtreding geconstateerd. De rechtbank volgt verweerder hierin. De folders die deze apothekers gebruiken zijn, anders dan eiseres betoogt, in orde. De apothekers mogen ook de oudere folders van VZVZ -die taalkundig iets anders zijn opgesteld -gebruiken, omdat ook die folders deugen. Uit de folders blijkt duidelijk dat de apothekers alleen gebruik mogen maken van de medische gegevens als de patiënt daarvoor toestemming heeft gegeven en dan ook nog alleen in een behandelsituatie. Het lsp is naar het oordeel van de rechtbank een aanvaardbaar systeem en VZVZ voert voldoende controle uit op dat systeem. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/607

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 januari 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats 1] , eiseres

(gemachtigde: J.M.T. Wijnberg),

en

Autoriteit Persoonsgegevens, verweerder

(gemachtigden: mr. E.S. van der Deijl en mr. O. S. Nijveld).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

1. [derde-partij 1] , te [vestigingsplaats 2] ,

2. [derde-partij 2] , te [vestigingsplaats 3] , gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]

3. de Vereniging Zorgaanbieders voor Zorgcommunicatie (VZVZ), te Den Haag, gemachtigden: [gemachtigde 3] en [gemachtigde 4] .

Procesverloop

In het besluit van 15 mei 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om handhavend op te treden tegen apothekers, dan wel tegen VZVZ, omdat zij mensen zonder de vereiste toestemming aanmelden bij het Landelijk Schakelpunt (LSP), afgewezen.


In het besluit van 24 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit gedeeltelijk herroepen en bij besluit van 7 februari 2019 [derde-partij 1] gelast om de verwerking van persoonsgegevens van patiënten, die in de periode februari tot en met september 2017 zijn aangemeld bij het LSP, in overeenstemming te brengen met artikel 9, tweede lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en mr. [A] Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partijen [derde-partij 2] en VZVZ hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Inleiding

  1. De artikelen waarnaar de rechtbank in deze uitspraak verwijst zijn opgenomen in een bijlage die bij deze uitspraak hoort.

  2. Dit handhavingsverzoek is een vervolg op een eerder handhavingsverzoek dat eiseres heeft gericht tegen VZVZ als beheerder van het LSP. Het LSP is een netwerk waar bepaalde categorieën zorgaanbieders zich op kunnen aansluiten. In het LSP wordt het Burgerservicenummer (BSN) van een patiënt aangemeld. Via dit netwerk kunnen zorgaanbieders medische gegevens over hun patiënten raadplegen in elkaars systemen. Het LSP is geen database: er worden geen medische gegevens in opgeslagen. Die gegevens blijven gewoon staan in de dossiers bij bijvoorbeeld de (eigen) huisarts en apotheek. Dit raadplegen van medische gegevens in het dossier van een andere zorgaanbieder mag alleen als de patiënt hiervoor uitdrukkelijk toestemming heeft verleend.
    Het verzoek om handhaving van eiseres

  3. Eiseres heeft verweerder verzocht om op te treden tegen:
    - het structureel onjuist aanmelden van personen zonder dat deze personen daarvoor de vereiste geldige toestemming hebben verleend;
    - het ontbreken van uniforme procedures voor het verkrijgen, valideren, registreren en doorgeven (voor vermelding in verwijsindex) van geldige toestemming voor het opvragen van medische gegevens in het LSP;
    - het structureel ontbreken van procedures voor het opvragen van informatie over verleende toestemmingen.

  4. Verweerder heeft de handhavingsverzoeken van eiseres zó opgevat dat het eerste verzoek is gericht tegen VZVZ en gaat over de wijze waarop het LSP is ingericht1. De procedure die nu voorligt gaat dus alleen over de vermeende overtredingen begaan door de apothekers, die patiënten zonder geldige toestemming hebben aangemeld en nog steeds zonder geldige toestemming aanmelden in het LSP. Bij haar verzoek heeft eiseres acht brieven / toestemmingsformulieren gevoegd afkomstig van apothekers, waarin zij hun patiënten inlichten over het bestaan van het LSP en patiënten erop attenderen hoe zij toestemming kunnen verlenen om in het LSP te worden opgenomen. Volgens eiseres blijkt hieruit dat de apothekers de AVG hebben overtreden.

Bespreking van het beroep van eiseres

5. Bij de bespreking van het beroep gaat de rechtbank uit van dezelfde indeling als die verweerder aanhoudt. In deze beroepsprocedure zal het dus alleen gaan over de vraag of de apothekers inderdaad zonder de uitdrukkelijke toestemming van patiënten deze patiënten (hun BSN) hebben aangemeld bij het LSP en daarmee artikel 9, tweede lid, aanhef en onder a, van de AVG en artikel 22, tweede lid aanhef en onder a, van de Uitvoeringswet AVG hebben overtreden. Als dat het geval is, is verweerder op grond van artikel 58, tweede lid, onder d, van de AVG bevoegd om handhavend op te treden. Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal verweerder in zo’n geval in de regel ook van zijn handhavende bevoegdheid gebruik moeten maken (de beginselplicht tot handhaving).

6. De eerste vraag is dus of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld, dat behalve [derde-partij 1] , geen van de apothekers een overtreding heeft begaan, waarmee er dus ook geen bevoegdheid tot handhaving voor verweerder bestaat. Verweerder heeft toegelicht dat hij bureauonderzoek heeft gedaan naar de genoemde acht apothekers en dat ten aanzien van zes van de overgelegde formulieren geen overtreding is geconstateerd. Deze apothekers hebben hun patiënten voldoende voorgelicht en niet is gebleken dat zij patiënten zonder toestemming hebben aangemeld bij het LSP. Ten aanzien van die zes gevallen is dus niet tot handhaving over gegaan.
Over de [derde-partij 2] en de [derde-partij 1] heeft verweerder toegelicht dat hij VZVZ om een reactie heeft gevraagd. VZVZ heeft uiteengezet dat het aan de zorgverleners, in dit geval de apothekers, zelf is om te zorgen dat patiënten alleen worden aangemeld als zij daarvoor uitdrukkelijk toestemming hebben verleend. VZVZ heeft contractueel laten vastleggen dat apothekers de patiënt, voorafgaand aan het vragen toestemming, zullen informeren over onder meer de reikwijdte van de toestemming. Daarbij moeten de apothekers ter voorlichting van de patiënt gebruik maken van informatiemateriaal van VZVZ of informatie van gelijke inhoud. VZVZ heeft als voorbeeld informatiemateriaal bijgevoegd.
Verweerder heeft naar aanleiding van het bureauonderzoek vastgesteld dat [derde-partij 1] in de periode van februari tot en met september 2017 een ‘opt-out’-regeling hanteerde in plaats van een ‘opt-in’- regeling zoals voorgeschreven. Patiënten zijn als gevolg daarvan aangemeld bij het LSP zonder dat zij daarvoor expliciet hun toestemming hebben gegeven. Dit is in strijd met artikel 9, tweede lid, van de AVG. Daarom is aan deze apotheek een last opgelegd. Over de [derde-partij 2] heeft verweerder toegelicht dat op basis van alle informatie is vastgesteld dat het bij het handhavingsverzoek meegestuurde toestemmingsformulier inderdaad onvoldoende specifiek is om als voldoende informatie te kunnen worden gezien. Uit de reactie van de [derde-partij 2] blijkt echter dat er geen patiënten zijn aangemeld op basis van alleen dit formulier. Daarbij gebruikt de [derde-partij 2] inmiddels ook een ander formulier. Niet gebleken is dat de werkwijze van deze apotheek in strijd is (geweest) met de AVG, op grond waarvan handhavend moet worden opgetreden.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de werkwijze van VZVZ en de acht genoemde apothekers. Tijdens de zitting heeft VZVZ verduidelijkt dat zij toezicht houdt op de werkwijze van de apothekers door regelmatig steekproeven te doen en daarbij navraag te doen naar de door de apothekers gevolgde procedures van aanmelding. In het systeem van de zorgverlener moet worden vermeld hoe de toestemming tot stand is gekomen en welke folder de patiënt heeft meegekregen. De steekproeven vinden zo’n vier keer per jaar plaats en treft dan 20 zorgverleners. Bij een toename van incidenten, bijvoorbeeld door een overname of een migratie van een computersysteem, wordt het toezicht geïntensiveerd. VZVZ benadrukt dat zij niet op microniveau alles kan controleren, maar dat zij de zorgverleners trainingen aanbiedt en hamert op het belang van de geïnformeerde toestemming van patiënten. VZVZ kan niet voorkomen dat er af en toe onjuiste aanmeldingen plaatsvinden, want het blijft mensenwerk, maar zij doet er alles aan om de apothekers ervan te doordringen dat aanmelding alleen kan nadat uitdrukkelijke toestemming is verleend door de patiënt. Er zijn geen signalen dat de apothekers, die door eiseres zijn genoemd, zich niet zouden houden aan hun verplichting om patiënten afdoende voor te lichten en dat zij zonder uitdrukkelijke toestemming patiënten zouden aanmelden bij het LSP. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich dus terecht op het standpunt heeft gesteld dat in de door eiseres aangedragen gevallen, behalve in het geval van [derde-partij 1] , de AVG niet is overtreden.
Het betoog slaagt niet.

8. Verweerder heeft ook niet meer en verdergaand onderzoek hoeven doen, zoals eiseres betoogt. Eiseres zou een algemeen onderzoek willen naar de werkwijze van alle apothekers. Eiseres heeft echter geen (begin van) bewijs aangedragen dat de apothekers zich niet zouden houden aan de AVG en dat zij op grote schaal patiënten zonder toestemming zouden aanmelden bij het LSP. Verweerder heeft zijn onderzoek mogen beperken tot de door eiseres aangedragen voorbeelden. Het betoog slaagt niet.

9. Eiseres betoogt verder dat verweerder ten onrechte vindt dat het informatiemateriaal van VZVZ, waarvan de apothekers gebruik maken, deugdelijk is. Volgens eiseres voldeed dit materiaal ten minste tot aan november 2018 niet aan de wettelijke vereisten en zijn toestemmingen die op basis daarvan zijn verleend dus niet op juiste wijze tot stand gekomen, waarmee de AVG alsnog is overtreden. In de folder “Jouw medische gegevens beschikbaar van het Landelijk Schakelpunt”, die VZVZ bij haar brief van 13 december 2017 heeft gevoegd, is volgens eiseres namelijk onjuiste informatie opgenomen. In de folder staat de zin: “Zorgverleners kunnen via het Landelijk Schakelpunt alleen jouw belangrijkste medische gegevens bekijken.” Het woord kunnen is in dit verband misleidend; het moet mogen zijn. Dit staat volgens eiseres ook onjuist vermeld op pagina 3 onder het kopje “Hoe kunnen zorgverleners jouw medische gegevens bekijken?”. VZVZ heeft de folder later zelf ook aangepast en heeft volgens eiseres daarmee erkend dat de folder onjuist is en dus vergezeld moet gaan met een mondelinge toelichting waaruit blijkt dat de zorgverleners de informatie wel zouden kunnen inzien, maar dat zonder toestemming dus niet mogen. VZVZ heeft nagelaten te controleren of die mondelinge toelichting in alle gevallen is gegeven. Ook vindt eiseres dat via de folders van VZVZ ontoelaatbare druk op patiënten wordt uitgeoefend. De daarin opgenomen voorbeelden lijken de indruk te wekken dat iemand die niet staat aangemeld in het LSP in een noodsituatie niet de benodigde medische zorg kan krijgen.

10. VZVZ betoogt dat zij niet heeft erkend dat de folders een onjuist beeld geven. De wijziging van de tekst van de nieuwe folder is volgens haar het gevolg van tekstuele aanpassingen om te zorgen dat iedereen de inhoud van de folder goed kan begrijpen. Verder heeft zij in de folder uitsluitend toegelicht waarom het LSP nodig is en heeft zij daarbij de voordelen genoemd van het LSP. Verweerder heeft geen aanleiding gezien voor de conclusie dat de folders onjuist zouden zijn of dat daarmee ontoelaatbare druk wordt uitgeoefend op patiënten.

11. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt. Uit de folder die bij de gedingstukken is opgenomen, blijkt overduidelijk dat de patiënt toestemming moet verlenen voor het gebruik van gegevens. De titel van de folder “Jouw medische gegevens beschikbaar via het Landelijk Schakelpunt (LSP)” wordt immers direct gevolgd door de zin: “Alleen als jij dat goed vindt.” Op de derde pagina staat: “Een andere arts of apotheek kan die medische gegevens via het Landelijk Schakelpunt bekijken met een beveiligde pas en een wachtwoord. Maar alleen als jij dat goed vindt. En als het nodig is voor jouw behandeling.”
Het door eiseres genoemde verschil in het werkwoord “mogen” en “kunnen” is in dit geval niet relevant. Het gaat erom dat in normaal spraakgebruik staat vermeld dat er toestemming moet worden gegeven voor het gebruik van de medische gegevens via het LSP. Bovendien wordt welke gegevens de zorgverlener wel en niet mag delen ook beheerst door artikel 457 van Boek 7 van het Burgerlijk wetboek (de wet op de geneeskundige behandelovereenkomst). Zoals VZVZ terecht ter zitting heeft opgemerkt hoeft de folder die juridische informatie niet te bevatten. Uit de folder moet voldoende duidelijk blijken dat het gaat om de uitwisseling van gegevens in een behandelrelatie en dat daarvoor uitdrukkelijke toestemming nodig is. Dat is het geval. De twee in de folder beschreven voorbeelden waarin een uitwisseling van medische gegevens in de behandelrelatie nuttig, wellicht levensreddend, zijn geweest, zijn slechts een illustratie waar het LSP voor is bedoeld. De rechtbank ziet hierin, anders dan eiseres, geen ongeoorloofde druk om toestemming van patiënten te verkrijgen.
Dat apothekers in 2018 oudere folders hebben gebruikt, vindt de rechtbank geen probleem, omdat – zoals gezegd – deze folders geen onjuiste, onduidelijke of ongeoorloofde informatie bevatten. De apothekers mochten de oudere folders dus ook opmaken.
Dit betoog slaag niet.

12. Verweerder weigert volgens eiseres verder ten onrechte om op te treden tegen de wijze waarop het LSP is ingericht. Het systeem is zo dat apothekers patiënten, zonder dat zij daar rechtsgeldige toestemming voor hebben gegeven kúnnen aanmelden. Het systeem is dus niet waterdicht. Zo staat in het systeem van de apothekers zelf wel vermeld dat iemand een folder heeft meegekregen, maar het is maar de vraag of dat feitelijk ook is gebeurd en of de patiënt wel weet waar hij of zij toestemming voor heeft gegeven. Volgens eiseres zouden uniforme procedures handig zijn, maar als VZVZ die niet wil opstellen, moet zij op z’n minst scherpe(re) controles uitvoeren of de toestemming die patiënten hebben verleend wel op basis van de juiste informatie tot stand is gekomen. Daaraan schort het volgens eiseres.
Aanvankelijk heeft eiseres ook betoogd dat het LSP niet voorziet in een goed systeem van logging, zodat controle op de aanmeldingen niet kan, maar dit punt heeft zij naar aanleiding van mededelingen van VZVZ in de andere handhavingszaak, waarvan het beroep op dezelfde datum door deze rechtbank op een zitting is behandeld, laten vallen.

13. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat VZVZ onvoldoende toezicht zou houden op de feitelijke gang van zaken rond de aanmelding. In het systeem van de apothekers staat vermeld op welke wijze toestemming is verkregen en of een folder is meegegeven en zo ja, welke folder. VZVZ heeft de werkwijze van controle door middel van bijvoorbeeld steekproeven voldoende toegelicht. Dat apothekers structureel patiënten zouden opnemen in het LSP zonder informatiemateriaal mee te geven, is niet gebleken en eiseres heeft dit ook niet onderbouwd. VZVZ heeft erkend dat het systeem, waarbij een mondelinge toestemming ook mag, niet waterdicht is en er fouten gemaakt kunnen worden. Het kan immers voorkomen dat iemand aan de balie bij een apotheek de reikwijdte van de toestemming niet overziet of dat een medewerker ten onrechte uitgaat van toestemming, terwijl die niet is gegeven, of dat voor een ieder duidelijk is dat er geen toestemming is gegeven maar dit verkeerd wordt vermeld in het systeem van de apotheek en het BSN dan toch wordt aangemeld. Dit is inherent aan een systeem waarin toestemming ook mondeling mag worden verleend en aanmelding mensenwerk is.
Anders dan eiseres betoogt, is het feit dat er ook fouten gemaakt kunnen worden, echter niet voldoende om nadere maatregelen dus noodzakelijk te vinden. De AVG vereist dat ook niet. In de overwegingen van de AVG staat onder 32 het volgende vermeld:
“Toestemming dient te worden gegeven door middel van een duidelijke actieve handeling, bijvoorbeeld een schriftelijke verklaring, ook met elektronische middelen, of een mondelinge verklaring, waaruit blijkt dat de betrokkene vrijelijk, specifiek, geïnformeerd en ondubbelzinnig met de verwerking van zijn persoonsgegevens instemt. […]”
De toestemming mag dus ook mondeling worden gegeven en uit de aard van die toestemming volgt dat dit achteraf minder goed te controleren valt. Met de beschreven werkwijze van steekproefsgewijze controle en voorlichting aan apothekers heeft VZVZ voorzien in een afdoende procedure van controle en er zijn geen aanwijzingen dat VZVZ hierop niet voldoende acteert. De rechtbank ziet in wat eiseres naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor de conclusie dat de werkwijze van VZVZ niet adequaat is en verweerder had moeten optreden tegen de apothekers. Van een overtreding van de AVG is, behalve bij [derde-partij 1] , niet gebleken en een bevoegdheid tot handhaving ontbreekt dan ook. Het betoog slaagt niet.

14. Eiseres betoogt tot slot dat patiënten bij onjuiste aanmelding een notificatie zouden moeten ontvangen en dat zij beter zicht zouden moeten kunnen houden op hun eigen aanmelding, zonder dat zij gebruik hoeven maken van www.volgjezorg.nl. Tijdens de zitting is al besproken dat deze onderdelen van het beroep meer thuishoren bij de bespreking van het eerste handhavingsverzoek. De rechtbank zal deze gronden dan ook niet in deze uitspraak maar in de uitspraak in de zaak UTR 19//608 die op gelijke datum zal worden uitgesproken als deze uitspraak bespreken.
Conclusie

15. Samenvattend oordeelt de rechtbank dat verweerder de handhaving heeft mogen beperken tot [derde-partij 1] , omdat deze derde-partij de AVG heeft overtreden. Voor handhaving in de richting van de andere apothekers bestaat geen bevoegdheid. Er is –anders dan eiseres betoogt – niet op grote schaal sprake van onjuiste, niet verifieerbare en niet verantwoorde registratieprocedures met betrekking tot toestemmingsverlening voor openstelling van uitwisseling van medische persoonsgegevens via het LSP.
Het beroep van eiseres slaagt niet.

16. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, voorzitter, en mr. P.J.M. Mol en
mr. M.E.J. Sprakel, leden, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Algemene verordening gegevensbescherming
Artikel 9
Verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens
1.Verwerking van persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of het lidmaatschap van een vakbond blijken, en verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een persoon, of gegevens over gezondheid, of gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag of seksuele gerichtheid zijn verboden.
2.Lid 1 is niet van toepassing wanneer aan een van de onderstaande voorwaarden is voldaan: a) de betrokkene heeft uitdrukkelijke toestemming gegeven voor de verwerking van die persoonsgegevens voor een of meer welbepaalde doeleinden, behalve indien in Unierecht of lidstatelijk recht is bepaald dat het in lid 1 genoemde verbod niet door de betrokkene kan worden opgeheven;
[…].

Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming

Artikel 22. Verwerkingsverbod bijzondere categorieën persoonsgegevens en algemene uitzonderingen uit verordening

2 Overeenkomstig artikel 9, tweede lid, onderdelen a, c, d, e en f, van de verordening is het verbod om bijzondere categorieën van persoonsgegevens te verwerken niet van toepassing, indien:

a. de betrokkene uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven voor de verwerking van die persoonsgegevens voor een of meer welbepaalde doeleinden;

[…]

Artikel 58 Bevoegdheden
[…]
2.Elk toezichthoudende autoriteit heeft alle volgende bevoegdheden tot het nemen van corrigerende maatregelen:
[…]
d) de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker gelasten, waar passend, op een nader bepaalde manier en binnen een nader bepaalde termijn, verwerkingen in overeenstemming te brengen met de bepalingen van deze verordening;
[…]

Wet aanvullende bepalingen verwerking persoonsgegevens in de zorg

Artikel 15a

1. De zorgaanbieder stelt gegevens van de cliënt slechts beschikbaar via een elektronisch uitwisselingssysteem, voor zover de zorgaanbieder heeft vastgesteld dat de cliënt daartoe uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven.

[…]

3 De zorgaanbieder stelt gegevens van de cliënt slechts beschikbaar via een elektronisch uitwisselingssysteem, voor zover bij het raadplegen van die gegevens door een andere zorgaanbieder, de persoonlijke levenssfeer van een ander dan de cliënt niet wordt geschaad.

Artikel 15c

1. De zorgaanbieder geeft de cliënt informatie over zijn rechten bij elektronische gegevensuitwisseling, de wijze waarop hij zijn rechten kan uitoefenen en over de werking van het elektronisch uitwisselingssysteem dat voor de gegevensuitwisseling wordt gebruikt. Indien nieuwe categorieën van zorgaanbieders aansluiten bij het elektronisch uitwisselingssysteem, of de werking van het elektronisch uitwisselingssysteem anderszins substantieel wordt gewijzigd, informeert de zorgaanbieder de cliënt over deze wijziging alsmede over de mogelijkheid om de gegeven toestemming, bedoeld in artikel 15a, aan te passen of in te trekken.
[…]

Burgerlijk Wetboek Boek 7 (geneeskundige behandelovereenkomst)

1. Onverminderd het in artikel 448 lid 3, tweede volzin, bepaalde draagt de hulpverlener zorg, dat aan anderen dan de patiënt geen inlichtingen over de patiënt dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden, bedoeld in artikel 454, worden verstrekt dan met toestemming van de patiënt. Indien verstrekking plaatsvindt, geschiedt deze slechts voor zover daardoor de persoonlijke levenssfeer van een ander niet wordt geschaad. De verstrekking kan geschieden zonder inachtneming van de beperkingen, bedoeld in de voorgaande volzinnen, indien het bij of krachtens de wet bepaalde daartoe verplicht.

2 Onder anderen dan de patiënt zijn niet begrepen degenen die rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van de behandelingsovereenkomst en degene die optreedt als vervanger van de hulpverlener, voor zover de verstrekking noodzakelijk is voor de door hen in dat kader te verrichten werkzaamheden.

3 Daaronder zijn evenmin begrepen degenen wier toestemming ter zake van de uitvoering van de behandelingsovereenkomst op grond van de artikelen 450 en 465 is vereist. Indien de hulpverlener door inlichtingen over de patiënt dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden te verstrekken niet geacht kan worden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen, laat hij zulks achterwege.

1 Het beroep in die zaak is geregistreerd onder nummer UTR 19/608 en is ook op 15 oktober 2019 op een zitting van deze rechtbank behandeld.