Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:6049

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
26-08-2020
Datum publicatie
23-03-2022
Zaaknummer
8221903 AC EXPL 19-4487 JK/1218
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenleaseovereenkomst. Tussenpersoon

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 8221903 AC EXPL 19-4487 JK/1218

Vonnis van 26 augustus 2020

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

verder ook te noemen [eiser] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),

tegen:

de besloten vennootschap

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verder ook te noemen Dexia,

gedaagde partij,

gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties

- de conclusie van antwoord, met producties

- de conclusie van repliek, met producties

- de conclusie van dupliek, met producties

- de akte uitlaten producties.

1.2.

Daarna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen (de rechtsvoorganger van) Dexia en [eiser] is in mei 2001 een effectenleaseovereenkomst met de naam “Overwaarde Effect” gesloten onder contractnummer [contractnummer] (hierna: de overeenkomst). De overeenkomst is in 2005 met een negatief resultaat geëindigd.

2.2.

[eiser] heeft bij de totstandkoming van de overeenkomst contact gehad met
[A] , werkzaam bij Spaar Select, die als tussenpersoon optrad.

2.3.

In de periode vanaf medio 2002 zijn de effectenleaseproducten van Dexia onderwerp geweest van meerdere juridische procedures. Onder meer door het aanbieden van het zogenaamde “Dexia Aanbod” en door de zogenaamde “Duisenberg-regeling” heeft Dexia geprobeerd de geschillen met haar afnemers minnelijk te regelen. Bij beschikking van
25 januari 2007 heeft het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) de Duisenberg-regeling verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM). [eiser] heeft door middel van een “opt-out-verklaring” in de zin van artikel 7:908 lid 2 BW aangegeven niet aan de Duisenberg-regeling gebonden te willen zijn.

2.4.

De gemachtigde van [eiser] , Leaseproces, heeft bij brief van 1 februari 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens is het recht voorbehouden om daartoe ook nog andere gronden aan te voeren. Ten slotte wordt Dexia in de brief gesommeerd om binnen twee weken de door [eiser] betaalde bedragen terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

2.5.

Bij brief van 19 november 2019 heeft Leaseproces Dexia opnieuw gesommeerd om binnen twee weken de door [eiser] betaalde bedragen terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. een verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en/of toerekenbaar jegens [eiser] tekort is geschoten op de in de dagvaarding genoemde gronden;

II. veroordeling van Dexia tot betaling van al hetgeen [eiser] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente,

III. een verklaring voor recht dat Dexia aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden hypotheekschade, bestaande uit de afsluitkosten, de notariskosten, de taxatiekosten en de betaalde hypotheekrente voor het gedeelte van de hypotheek dat gebruikt is om de inleg in de overeenkomst te betalen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en te vermeerderen met de wettelijke rente,

IV. veroordeling van Dexia tot betaling van de buitengerechtelijke kosten conform rapport voorwerk II;

V. veroordeling van Dexia in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

Dexia voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 á 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eiser] .

4.2.

De veelheid van procedures heeft geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014, (ECLI:NL:GHAMS:2014:1136). Deze jurisprudentie wordt als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.

4.3.

Toepassing van deze maatstaven en beoordelingskaders leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:

  1. er is sprake van huurkoop;

  2. er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;

  3. Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;

  4. [eiser] heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld;

  5. er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.

Volmacht

4.4.

Dexia betwist allereerst – bij gebreke van een recente volmacht – dat Leaseproces nog steeds gevolmachtigd is om namens [eiser] deze procedure op te starten. Zij verzoekt de kantonrechter daarom om Leaseproces te gelasten een recente volmacht te overleggen waaruit de wil blijkt van [eiser] om Dexia nog immer in rechte te betrekken.

4.5.

In het verleden hebben de kantonrechters van deze rechtbank naar aanleiding van een dergelijk verweer van Dexia in een aantal zaken Leaseproces in de gelegenheid gesteld om een recente volmacht te overleggen. Leaseproces heeft telkens van die gelegenheid gebruik gemaakt. Er is nimmer van enige onregelmatigheid gebleken. In dat licht ziet de kantonrechter thans geen aanleiding om dezelfde werkwijze te volgen. De twijfels van Dexia zijn blijkens haar stellingen niet gebaseerd op concrete aanwijzingen dat [eiser] Leaseproces niet langer zou hebben gevolmachtigd namens hem op te treden, maar op ervaringen in een enkele andere zaak. Dat laatste is thans onvoldoende om Leaseproces een recente volmacht te laten overleggen.

Tussenpersoon

4.6.

In de arresten van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012 en 2016:2015), die zijn bevestigd in het arrest van 12 oktober 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1935), heeft de Hoge Raad kort gezegd geoordeeld dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van potentiële cliënten bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. Als de cliëntenremisier die vergunning niet had en zich niet alleen heeft beperkt tot het aanbrengen van de cliënt maar ook jegens de afnemer als financieel adviseur is opgetreden en Dexia daarvan op de hoogte was of behoorde te zijn, dan heeft Dexia in strijd met artikel 41 NR 1999 gehandeld. Dit levert, naast de schending door Dexia van de op haar rustende bijzondere zorgplicht, een (extra) onrechtmatigheidsgrond jegens de afnemer van het effectenproduct op. Gelet op de uiteenlopende ernst van de wederzijds gemaakte fouten, eist de billijkheid in dat geval in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat de door de particuliere belegger reeds betaalde rente, aflossing en kosten aangaat. Dat geldt ook als de mogelijke financiële gevolgen van de leaseovereenkomst geen onaanvaardbaar zware financiële last voor de afnemer vormden.

4.7.

[eiser] heeft de overeenkomst met Dexia gesloten via tussenpersoon Spaar Select. Tussen partijen is niet in geschil dat Spaar Select niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. Beoordeeld moet daarom worden of Spaar Select beleggingsadvieswerkzaamheden verrichtte en of Dexia daarvan op de hoogte was of behoorde te zijn.

Advies

4.8.

Van advisering is sprake als een aanprijzing wordt toegesneden op de persoonlijke financiële situatie en/of als een product (in dit geval een effectenleaseovereenkomst) als vanwege diens financiële situatie geschikt voor de betrokken persoon wordt aanbevolen. De stelplicht en bewijslast dat Spaar Select [eiser] in voormelde zin heeft geadviseerd en dat Dexia daarvan wetenschap had, rusten op [eiser] .

4.9.

[eiser] stelt dat hij ongevraagd telefonisch is benaderd door een medewerker van Spaar Select, die voorstelde de financiële situatie van [eiser] met hem door te nemen. Vervolgens is een adviseur van Spaar Select bij [eiser] thuis geweest. [eiser] heeft de wens geuit om vermogen op te bouwen voor de toekomst, om eerder te kunnen stoppen met werken en een camper aan te kunnen schaffen. De adviseur heeft hem daarop verteld dat dit mogelijk was. Zij adviseerde hem de overwaarde van zijn woning op te nemen via een (tweede) hypothecaire lening en het daarmee verkregen bedrag te investeren in een overeenkomst van het product Overwaarde Effect. De adviseur heeft daarbij niet gewaarschuwd voor de specifieke risico’s van dit product. [eiser] had geen beleggingservaring of kennis van complexe financiële producten en heeft het advies van de adviseur opgevolgd.

4.10.

[eiser] heeft zijn stellingen onderbouwd met de volgende stukken:

- een afspraakbevestiging van Spaar Select voor een huisbezoek op 1 maart 2001 (productie B bij dagvaarding)

- een persoonlijk financieel plan van 10 april 2001 (productie C bij dagvaarding). In dat plan staat, voor zover hier van belang:

Wens

Meneer [eiser] wil graag hogere rendementen maken op zijn vermogen. Op 60 jarige leeftijd wilt u graag de mogelijkheid hebben om te stoppen met werken en samen met uw vriendin te genieten van o.a. meer vrije tijd en met de camper rondreizen.

Spaar Select Advies

In uw woning zit een groot deel van uw vermogen.

Helaas is dit vermogen passief, dat wil zeggen u ontvangt hierover geen rendement. Door tijdelijk een deel van uw overwaarde actief te maken is er meer voordeel uit uw vermogen te halen.

(…)

U sluit een extra aflossingsvrije hypotheek af van in totaal fl. 94.000 bij de Postbank. (…)

Dit geld wordt als volgt onderverdeeld:

* Hypotheekkosten fl. 4.500

* Buffer hypotheekrente fl. 13.100

* Vooruitbetaling Overwaarde Effect fl. 76.800 +

Totaal benodigde hypotheek fl. 94.400

(…)

OPBRENGST NA 5 JAAR

Uitbetaling Overwaarde Effect* : fl. 133.000

Aflossing hypotheek : fl. 94.400 -/-

Opbrengst : fl. 38.600

Conclusie

Door de overwaarde tijdelijk voor u te laten werken, bouwt u in 5 jaar tijd fl. 38.600 op zonder dat het u ook maar iets kost.”

- een nota van afrekening van een notaris waarop te lezen is dat [eiser] op 30 mei 2001 een hypothecaire lening heeft afgesloten van fl. 94.400,- (productie D bij dagvaarding).

4.11.

Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit deze stukken dat sprake is geweest van een specifiek op de persoon van [eiser] gericht financieel advies van Spaar Select om een specifiek effectenleaseproduct met Dexia overeen te komen. Aan de hand van een inventarisatie van de persoonlijke situatie en wensen van [eiser] heeft Spaar Select geadviseerd het product Overwaarde Effect aan te schaffen. Spaar Select heeft zich niet beperkt tot het geven van algemene informatie over de verschillende beleggingen of over effectenleaseproducten.

4.12.

Of dit een geschikt product voor [eiser] was en of Spaar Select [eiser] heeft geïnformeerd over de risico’s die aan dit product waren verbonden, kan in het midden blijven. Het gaat er namelijk om dat Dexia heeft gecontracteerd in weerwil van een wettelijk verbod dat juist ertoe strekt om de afnemer te beschermen tegen het aangaan van een beleggingsovereenkomst na advies door een adviseur zonder de benodigde vergunning. De inhoud van het advies is dan niet meer van belang, evenals een eventueel inzicht van de afnemer in het aan te schaffen product. Dexia had de afnemer immers hoe dan ook moeten weigeren (zie Hoge Raad 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, overweging 3.6.4).

Wetenschap

4.13.

[eiser] stelt dat Dexia wist, althans behoorde te weten dat Spaar Select een op zijn persoon toegesneden beleggingsadvies heeft gegeven. Dexia betwist dit.

4.14.

In diverse uitspraken van verschillende rechtbanken is overwogen en beslist dat in zijn algemeenheid uit de door Leaseproces in vele procedures (waaronder deze) overgelegde stukken het beeld naar voren komt, dat Dexia ermee bekend moet zijn geweest dat Spaar Select op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaf. De rechtbank betrekt hierbij ook het arrest van 12 september 2017 van het Gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2017:2530). Daarin is geoordeeld over de wetenschap van Dexia, haar gerichtheid op het op grote schaal door tussenpersonen adviseren over effectenleaseproducten, ook door cliëntenremisiers, de wetenschap van Dexia van de op stelselmatig adviseren gerichte werkwijze van Spaar Select en het belang van Spaar Select als tussenpersoon. Er bestaat geen aanleiding om in deze procedure een ander oordeel over deze stukken te geven.

4.15.

Hoewel het voorgaande betrekking heeft op de algemene gang van zaken bij de verkoop en bemiddeling van beleggingsproducten via en door tussenpersonen en daaruit niet blijkt dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van Spaar Select aan [eiser] , komt uit deze stukken wel naar voren dat Dexia ermee bekend moet zijn geweest dat Spaar Select op grote schaal individueel persoonlijk financieel advies gaf. Het had daarom op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van de overeenkomst met [eiser] navraag te doen bij Spaar Select of [eiser] de overeenkomst is aangegaan op advies van Spaar Select, om te kunnen beoordelen of zij de overeenkomst met [eiser] kon en mocht aangaan. Dat Dexia in deze zaak enig concreet onderzoek heeft verricht, is niet gesteld of gebleken. Zij had daarom behoren te weten dat [eiser] door Spaar Select is geadviseerd.

Aansprakelijkheid

4.16.

Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eiser] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij in strijd gehandeld met artikel 41 NR 1999. Zoals in 4.6 is overwogen, levert dit een (extra) onrechtmatigheidsgrond tegenover [eiser] op. De in 3.1 onder I gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Vergoedingsplicht

4.17.

Uit rechtsoverweging 4.6 volgt verder dat de vergoedingsplicht van Dexia in beginsel geheel in stand blijft. Er zijn geen feiten of omstandigheden aanwezig die maken dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. De schade van [eiser] komt dus geheel voor rekening van Dexia. Die schade bestaat uit de door [eiser] betaalde inleg en de betaalde restschuld. [eiser] heeft niet concreet gesteld hoeveel deze schade bedraagt. Dit moet echter inmiddels door partijen te begroten zijn.

4.18.

Op bovengenoemde schade moet het door [eiser] genoten voordeel in mindering worden gebracht. Partijen zijn het erover eens dat dit voordeel bestaat uit
€ 1.399,62 aan fiscaal voordeel. Daarnaast moet ook het in 2012 door Dexia aan [eiser] uitgekeerde bedrag van € 12.041,58 aan schadevergoeding worden afgetrokken.

4.19.

De gevorderde wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag (zie Hoge Raad 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:164), telkens vanaf de dag van de door [eiser] gedane betalingen tot aan de dag van volledige betaling (zie Hoge Raad 1 mei 2015, (ECLI:NL:HR:2015:1198).

4.20.

Een en ander brengt mee dat de vordering genoemd in 3.1 onder II zal worden toegewezen zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Hypotheekschade

4.21.

De rente en kosten die verband houden met de verhoging van de hypothecaire geldlening komen niet voor vergoeding in aanmerking. Deze schade staat namelijk niet in zodanig verband met de schending door Dexia van artikel 41 NR 1999, dat zij als gevolg daarvan aan Dexia kan worden toegerekend. Daarvoor is redengevend dat Dexia en haar rechtsvoorgangster niet zelf betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de hypothecaire geldlening en het ook voor [eiser] duidelijk moet zijn geweest dat het om een lening ging en dus geld kostte. De vordering genoemd in 3.1 onder III zal dus worden afgewezen.

Doorgeven order

4.22.

[eiser] heeft gesteld dat Dexia ook onrechtmatig heeft gehandeld door de order van Spaar Select te accepteren terwijl Spaar Select niet over de benodigde vergunning beschikte om als orderremisier op te treden. Als deze grondslag slaagt, leidt dat niet tot een andere uitkomst van de zaak. De kantonrechter gaat hier daarom verder niet op in.

Buitengerechtelijke kosten

4.23.

[eiser] meent aanspraak te kunnen maken op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De Hoge Raad heeft zich hierover in het arrest van
12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) uitgesproken. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de buitengerechtelijke werkzaamheden die in die procedure door Leaseproces waren gesteld op grond van artikel 6:96 lid 3 BW in verbinding met artikel 241 Rv niet voor vergoeding in aanmerking komen. In onderhavige procedure zijn dezelfde buitengerechtelijke werkzaamheden gesteld als die in genoemd arrest aan de orde waren, namelijk het opstellen en versturen van enkele gestandaardiseerde stukken (zoals een klachtbrief, een opt-out verklaring en stuitingsbrieven), het voeren van een intakegesprek, het beoordelen van de haalbaarheid van de aanspraken van [eiser] en het adviseren daaromtrent en het verzamelen van gegevens om de omvang van de aanspraken van [eiser] te kunnen bepalen. Ook in het geval van [eiser] bestaat dus geen aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. De vordering genoemd in 3.1 onder IV zal dus worden afgewezen.

Proceskosten

4.24.

Dexia zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden aan de zijde van [eiser] begroot op € 99,01 aan explootkosten, € 81,- aan griffierecht en € 550,- aan salaris gemachtigde (2,5 punt x tarief
€ 220,-), dus € 730,01 in totaal.

4.25.

De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals hierna in het dictum is vermeld.

Uitvoerbaar bij voorraad verklaring

4.26.

[eiser] vordert het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dexia voert hiertegen verweer. Zij wijst erop dat deze vordering onderdeel is van een groot aantal procedures. De financieel nadelige gevolgen voor Dexia bij een (massale) uitvoerbaarverklaring bij voorraad van betalingsveroordelingen in vergelijke zaken staan niet in verhouding tot het relatieve ongemak van [eiser] om wat langer te moeten wachten op betaling, te meer omdat [eiser] zelf al vele jaren gewacht heeft om te procederen. Ook is er een restitutierisico, aldus Dexia.

4.27.

Volgens vaste jurisprudentie kan aangenomen worden dat degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom vordert, het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft, terwijl een daartegenover gesteld restitutierisico geconcretiseerd moet worden. Dat de executie mogelijk tot ingrijpende gevolgen leidt, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, staat op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar is slechts een omstandigheid die meegewogen moet worden. Dexia heeft niet onderbouwd dat en waarom uitvoerbaarverklaring bij voorraad voor haar zal leiden tot financieel nadelige gevolgen. Het gestelde restitutierisico is niet geconcretiseerd voor wat betreft de situatie van [eiser] . De enkele omstandigheid dat het gaat om een groot bedrag, is niet voldoende. De kantonrechter komt dan ook tot de conclusie dat het belang van Dexia niet zwaarder weegt dan het belang van [eiser] , zodat de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal worden toegewezen.

4.28.

Dexia heeft, voor zover het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, verzocht om daaraan de voorwaarde te verbinden dat [eiser] zekerheid zal stellen voor het door Dexia aan [eiser] te betalen bedrag. Ook dit verzoek van Dexia wordt afgewezen. Restitutierisico (in abstracto) is op zichzelf onvoldoende aanleiding om zekerheid op te leggen. Pas wanneer (in concreto) vast staat dat de executant niet in staat zal zijn om zo nodig te restitueren, kan een belangenafweging ertoe leiden dat de voorwaarde van zekerheidstelling wordt opgelegd. Dexia heeft niet onderbouwd dat [eiser] niet in staat zal zijn om zo nodig te restitueren.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld doordat Dexia niet heeft geweigerd de overeenkomst met [eiser] aan te gaan, terwijl [eiser] als potentiële cliënt bij Dexia was aangebracht door een cliëntenremisier die, in strijd met de Wte 1995, tevens beleggingsadvieswerkzaamheden heeft verricht zonder over de daarvoor noodzakelijke vergunning te beschikken, en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn;

5.2.

veroordeelt Dexia tot betaling van de door [eiser] geleden schade, bestaande uit de door [eiser] uit hoofde van de overeenkomst betaalde inleg en restschuld, verminderd met het door [eiser] genoten fiscaal voordeel van € 1.399,62 en het door Dexia reeds aan [eiser] uitgekeerde bedrag aan schadevergoeding van € 12.041,58, te vermeerderen met de wettelijke rente, telkens vanaf de dag van de door [eiser] gedane betalingen tot de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt Dexia in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 730,01;

5.4.

veroordeelt Dexia in de kosten die na dit vonnis zijn ontstaan, begroot op € 110,- aan salaris gemachtigde, als niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan;

5.5.

verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2020.