Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:6018

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
18-12-2020
Datum publicatie
27-10-2021
Zaaknummer
UTR 20/2386
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tegelijkertijd zorgverlener en bewindvoerder/mentor zijn mag. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2021/145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 20/2386

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te Woerden, eiseres, als wettelijk vertegenwoordiger voor haar zoon,

[zoon] ,

(gemachtigde: mr. G.J.W. Pulles),

en

Zilveren Kruis Zorgkantoor, verweerder

(gemachtigde: S. Gezer).

Procesverloop

In het besluit van 5 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist dat het met ingang van 8 juni 2021 niet langer is toegestaan dat eiseres zowel zorgverlener als wettelijk vertegenwoordiger van haar zoon de heer [zoon] ( [zoon] ) is. Verweerder keurt de combinatie van wettelijk vertegenwoordiger en zorgverlener af om de scheiding van de taken te beschermen Verweerder heeft aan eiseres een overgangstermijn verleend om een andere zorgverlener voor [zoon] te vinden, dan wel om iemand anders aan te stellen als wettelijk vertegenwoordiger en aan te blijven als zorgverlener voor [zoon] .

In het besluit van 8 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van volgende feiten en omstandigheden. [zoon] lijdt aan verstandelijke en lichamelijke beperkingen als gevolg van onder andere het syndroom van Down en ernstige diabetes. Bij besluit van 1 december 2015 van het CIZ is [zoon] met ingang van 1 januari 2017 voor onbepaalde tijd geïndiceerd voor zorgzwaartepakket VG05. Verweerder verleent [zoon] op grond van het indicatiebesluit een persoonsgebonden budget (pgb).

Eiseres verleent aan [zoon] zorg op grond van een zorgovereenkomst ten laste van het pgb. De laatste zorgovereenkomst dateert van 17 april 2018.

2. Bij beschikking van deze rechtbank van 20 mei 2020, zijn eiseres en mevrouw [oma] (de oma van [zoon] ) benoemd tot bewindvoerders en mentoren van [zoon] met ingang van de dag van zijn meerderjarigheid. [zoon] is op 8 juni 2020 meerderjarig geworden. De bewindvoerders en mentoren zijn gehouden om rekening en verantwoording af te leggen aan de kantonrechter. Eiseres verleent al jaren lang 24 uur per dag zorg aan [zoon] .

Eiseres heeft, in ieder geval vanaf 1 september 2018, voorzien in toereikende zorg van goede kwaliteit voor [zoon] en zij heeft de taken en verplichtingen van het persoonsgebonden budget (pgb) op verantwoorde wijze uitgevoerd.

3. Verweerder heeft er geen bezwaar tegen dat eiseres zorg verleent aan [zoon] .

Het standpunt van verweerder

4. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 1:435, lid 6, 1:383, lid 5 en artikel 1:452, lid 6, van het Burgerlijk Wetboek (BW) en acht zich niet gebonden aan de Aanbeveling meerderjarigenbewind en de Aanbeveling mentorschap van het LOVCK&T. Voorts is het bestreden besluit gebaseerd op een werkwijze inhoudende dat niet wordt aanvaard dat iemand zowel zorgverlener als wettelijk vertegenwoordiger is, omdat er dan geen scheiding van die taken is en het gevaar van belangenverstrengeling aanwezig is omdat het beheer van het pgb en de te verlenen zorg bij dezelfde persoon komen te liggen.

In het verweerschrift stelt verweerder dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.3.3, lid 4, van de Wet langdurige zorg (Wlz). Ter zitting heeft verweerder desgevraagd medegedeeld dat hij het risico op belangenverstrengeling heeft geschaard onder artikel 3.3.3, vierde lid, onder a, van de Wlz, ook al staat het daar niet letterlijk in genoemd.

In het verweerschrift stelt verweerder voorts dat thans een nieuwe werkwijze wordt gehanteerd welke is gepubliceerd op de website van verweerder. Deze werkwijze houdt in dat verweerder onder voorwaarden een combinatie van wettelijke vertegenwoordiging en zorgverlening kan goedkeuren. Indien eiseres per 8 juni 2021 aan deze voorwaarden wenst te voldoen, is verweerder bereid de combinatie van zorgverlener en wettelijk vertegenwoordiger te accepteren. Verweerder heeft ter zitting medegedeeld dat dit beleid niet aan het bestreden besluit ten grondslag ligt.

Het standpunt van eiseres

5. Eiseres wijst in het beroepschrift naar de gronden van bezwaar en voert primair aan dat het bestreden besluit een juridische grondslag mist. De Wlz bevat immers een limitatief aantal weigeringsgronden voor een pgb en/of zorgverlener en verweerder heeft slechts bepalingen uit het BW aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Het normadressaat van deze bepalingen is echter de civiele rechter en deze bepalingen zijn niet als weigeringsgronden in de Wlz opgenomen. Het lijkt zo te zijn dat verweerder een vrees voor belangenverstrengeling en twijfels aan de kwaliteit van zorg, aan het besluit ten grondslag legt. Dit is echter niet een in de toepasselijke regelgeving opgenomen weigeringsgrond. Artikel 3.3.3., lid 4, van de Wlz bevat volgens eiseres weliswaar een weigeringsgrond maar dan is het aan verweerder om te motiveren dat in het onderhavige geval sprake is van een tekortschietende kwaliteit van zorg of onjuiste besteding van het pgb. Verweerder heeft dat nagelaten. Eiseres heeft voorts verwezen naar een brief van 29 november 2019 van de Coördinerend kantonrechter van de rechtbank Rotterdam aan verweerder waaruit onder meer onder verwijzing naar B7 van de Aanbevelingen voor Meerderjarigenbewind volgt dat het verbod om als bewindvoerder tevens behandelend hulpverlener te zijn, in beginsel alleen geldt voor professionele zorgverleners en niet geldt in de situatie waarin een familiebewindvoerder ook zorg verleent in het kader van het pgb. Eiseres concludeert dat de besluitvorming van verweerder is aan te merken als misbruik van bevoegdheid.

Juridisch grondslag bestreden besluit

Artikel 3.3.3., lid 4, Wlz

6. De rechtbank overweegt het volgende. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat artikel 3.3.3., vierde lid, onder a tot en met c niet een (algemene) grondslag biedt om in de situatie waarin een ouder zowel zorgverlener als bewindvoerder en mentor is, op voorhand een pgb te weigeren vanwege vrees voor belangenverstrengeling in de toekomst. Evenmin volgt uit de parlementaire geschiedenis van de Wlz dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om (het gevaar van) belangenverstrengeling in de hier genoemde situatie te scharen onder voornoemde bepaling.1 In dit verband wijst de rechtbank ook op artikel 4:35, lid 1, van de Awb dat ‘preventieve’ weigeringsgronden bevat om subsidie te weigeren. Uit de parlementaire geschiedenis van deze bepaling volgt ook dat het bestuursorgaan moet beschikken over concrete, op de subsidieontvanger betrekking hebbende aanwijzingen die het oordeel kunnen dragen dat zich waarschijnlijk een intrekkingsgrond zal voordoen. Het enkel bestaan van een zeker risico dat zich een van de situaties van artikel 4:35, lid 1, van de Awb zal voordoen, is onvoldoende voor een weigering.

De rechtbank stelt vast dat verweerder niet heeft gemotiveerd op grond van welke feiten en omstandigheden het pgb in de toekomst niet op een doelmatige wijze wordt benut, de kwaliteit van de verleende zorg niet goed is en het risico op belangenverstrengeling bestaat indien eiseres zowel zorgverlener als bewindvoerder/mentor is van [zoon] .

Dat er mogelijk, zoals verweerder heeft gesteld, in de toekomst sprake kan zijn van belangenverstrengeling waarbij onvoldoende kwaliteit van zorg wordt verleend en/of het pgb niet correct wordt besteed c.q. verantwoord, acht de rechtbank dan ook onvoldoende concreet om reeds nu te beslissen dat [zoon] in de toekomst geen pgb zal worden verstrekt indien eiseres zowel zorgverlener als bewindvoerder/mentor is van [zoon] . Anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld is de rechtbank van oordeel dat hiervoor - gezien de inhoud van het dossier en de behandeling ter zitting - geen enkele concrete aanwijzing bestaat.

Bepalingen in Boek 1 BW

7. Voorts overweegt de rechtbank dat de door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde bepalingen van Boek I BW betreffende mentorschap, bewind en curatele niet aan verweerder de bevoegdheid verlenen om een pgb te weigeren. Deze bepalingen zijn gericht tot de kantonrechter en geven het wettelijk kader weer voor de benoeming van en de rechten en verplichtingen van de bewindvoerder, curator en mentor.

Jurisprudentie

8. De verwijzing naar de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag2 waar verweerder ter onderbouwing van zijn standpunt naar verwijst, volgt de rechtbank niet. Nog daargelaten dat dit een civielrechtelijke zaak betreft die ziet op een verzoek tot aanstelling van een andere dan de door de rechtbank aangewezen bewindvoerder, stelt de rechtbank vast dat de feiten in die zaak anders lagen dan in het onderhavige geschil. Immers, ging het in die zaak om twee dochters, met tegenstrijdige belangen, die beiden wensten te worden benoemd tot bewindvoerder van hun moeder. Ook de vergelijking met de uitspraak van de voorzieningenrechtbank van de rechtbank Rotterdam3 gaat niet op. Immers, ook in die uitspraak is sprake van een ander feitencomplex en was sprake van één bewindvoerder. De rechtbank benadrukt dat ten behoeve van [zoon] twee bewindvoerders en mentoren zijn benoemd. Beiden zijn gehouden om aan de kantonrechter jaarlijks rekening en verantwoording af te leggen. Ter zitting is ook duidelijk geworden dat zij zich van deze taak bewust zijn en elkaar ook zullen controleren. De rechtbank stelt voorts vast dat uit de overgelegde stukken van het LOVCK&T en de hiervoor genoemde brief van de coördinerend kantonrechter volgt dat het verbod om als bewindvoerder tevens direct hulpverlener te zijn, in beginsel alleen geldt voor professionele zorgverleners en niet voor de situatie waarin een familiebewindvoerder ook zorg verleent in het kader van het pgb. Onder omstandigheden kan deze combinatie wel onwenselijk zijn. Echter, tussen partijen is niet in geschil dat eiseres momenteel kwalitatief goede zorg verleent en dat het pgb op juiste wijze wordt besteed.

Interne werkwijze en beleid

9. Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat de afwijzing in het bestreden besluit kon worden gebaseerd op de interne werkwijze, een gedragslijn die op het moment van de besluitvorming gold, stelt de rechtbank vast dat verweerder geen inzage heeft gegeven in de inhoud van deze werkwijze en dat deze werkwijze niet openbaar is gemaakt. Dit betekent dat deze werkwijze niet in de beoordeling van de rechtbank kan worden betrokken. De door verweerder eerst bij het verweerschrift overgelegde (ongedateerde) beleidsregels dateren volgens verweerder van eind augustus 2020, en zijn kort daarna in werking getreden. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit niet is gebaseerd op voornoemde beleidsregels en eiseres hier niet eerder kennis van heeft kunnen nemen zodat de rechtbank deze beleidsregels niet in de beoordeling betrekt.

10. Het is aan verweerder om het bestreden besluit te motiveren en inzichtelijk te maken op welke (wettelijke) grondslag zijn bevoegdheid is gebaseerd alsmede op grond van welke feiten en omstandigheden verweerder het met ingang van 8 juni 2021 niet langer toestaat dat eiseres zowel zorgverlener als bewindvoerder en mentor is. Verweerder heeft dit nagelaten. Met de enkele stelling dat verweerder vreest voor mogelijke belangenverstrengeling in de toekomst, heeft verweerder dit niet gemotiveerd. Gelet hierop is het standpunt van verweerder onvoldoende onderbouwd en is dus sprake van een motiveringsgebrek. De beroepsgrond van eiseres slaagt.

Belangenafweging

11. Eiseres voert voorts aan dat de door verweerder gemaakt belangenafweging niet voldoet aan de vereisten van artikel 3:4 van de Awb. Zij heeft gewezen op de onbetwiste grote rol die zij heeft in de zorgverlening aan [zoon] en de ernstige gevolgen die het wegvallen daarvan voor hem hebben. Hiermee wordt [zoon] een groot en onevenredig nadeel toegebracht, zonder dat daar een daadwerkelijk belang van verweerder tegenover staat, aldus eiseres.

12. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit geen blijk heeft gegeven van een concrete en individuele belangenafweging. De door eiseres in bezwaar aangevoerde bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld dat [zoon] een verstandelijke beperking en ernstige diabetes heeft, waardoor de zorg zeer intensief en onvoorspelbaar is alsmede dat eiseres altijd en als enige voor hem zorgt, zijn door verweerder niet betrokken in de belangenafweging. Met de enkele stelling dat aan eiseres een overgangstermijn is geboden, waardoor de belangen die eiseres aanvoert thans niet in het geding zijn en te wijzen op de belangen van verweerder, heeft verweerder geen concrete op de situatie van [zoon] toegespitste belangenafweging gemaakt. Ook de toelichting van verweerder ter zitting dat eiseres niet in haar belangen is geschaad omdat [zoon] op enig moment begeleid zal gaan wonen met als gevolg dat hij niet langer de zorg van eiseres zal krijgen, volgt de rechtbank niet. Immers, eiseres heeft ter zitting medegedeeld dat [zoon] nog op de wachtlijst staat, dat niet duidelijk is wanneer hij in aanmerking komt voor begeleid wonen en dat het ook nog onduidelijk is wanneer [zoon] er aan toe zal zijn om zelfstandig te gaan wonen. De beroepsgrond slaagt.

Gelijkheidsbeginsel

13. De rechtbank stelt voorts het volgende vast. Eiseres heeft in bezwaar een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan en een aantal (stukken uit) e-mails overgelegd. Verweerder heeft deze bezwaargrond noch in het bestreden besluit, noch in het verweerschrift beoordeeld, zodat het besluit ook op dat punt een motiveringsgebrek bevat.

Conclusie

14. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet tegelijkertijd zorgverlener en bewindvoerder/mentor van [zoon] mag zijn. Het bestreden besluit is ontoereikend gemotiveerd. Dit is in strijd met artikel 3:4 en 7:12 van de Awb.

15. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Gelet op het voorgaande zoals vermeld onder 6. tot en met 10. dat er geen wettelijke grondslag is om op voorhand vanwege vrees voor belangenverstrengeling in de toekomst de combinatie van zorgverlener en bewindvoerder/mentor niet toe te staan ,ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit. Dit betekent dat verweerder de verstrekking van het pgb niet mag weigeren op grond van de enkele omstandigheid dat eiseres zowel zorgverlener als bewindvoerder/mentor van [zoon] is.

16. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

17. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op € 1.050,- (een punt voor het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt onder verwijzing naar r.o 15. dat het eiseres wordt toegestaan om in hoedanigheid van bewindvoerder/mentor zorg te verlenen aan [zoon] ;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 48,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Beijl, griffier. De beslissing is uitgesproken op 18 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

de rechter is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Het persoonsgebonden budget wordt alleen verleend indien daarmee zal worden voorzien in toereikende zorg van goede kwaliteit (onderdeel a). Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen op grond artikel 3.3.2, derde lid, hierover regels worden gesteld. Indien deze regels worden gesteld zijn zij derhalve van toepassing op zowel het vpt als het pgb.

Uit een aantal uitspraken van rechtbanken en de Centrale raad van Beroep (hierna: CRvB) is gebleken dat aan het zorgkantoor op grond van artikel 4:35, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Awb, niet de bevoegdheid toekwam om, ter voorkoming van oneigenlijk gebruik en fraude, een persoonsgebonden budget op voorhand te weigeren in de situatie dat de verzekerde niet in staat werd geacht om voldoende regie over de zorg en het budget te kunnen voeren (zie onder andere Rechtbank Rotterdam van 26 april 2012, LJN: BW4961). De Regeling subsidies AWBZ kende deze weigeringsgrond niet. Uit de toelichting bij artikel 4:35 van de Awb blijkt dat de aan een subsidie verbonden verplichtingen zekere capaciteiten en bekwaamheden bij de subsidieontvanger veronderstellen. In bepaalde gevallen kan het bovendien zo kan zijn dat aangenomen mag worden dat een verzekerde deze capaciteiten mist. Dit mag echter volgens de rechtspraak niet betekenen dat op voorhand wordt aangenomen dat de verzekerde het gebrek aan regie niet zou kunnen compenseren door middel van hulp van derden. De CRvB heeft in hoger beroep in die zaak bovendien aangegeven dat de kring van derden die hulp kan verlenen niet beperkt mag worden tot wettelijk vertegenwoordigers, partners of inwonende kinderen. Van belang is of de betrokken derde de capaciteiten heeft om de hulp te bieden. (CRvB 10 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:784). Het tweede lid, onder b, bepaalt dat de Wlz-uitvoerder het persoonsgebonden budget alleen verleent indien de verzekerde naar het oordeel van de Wlz-uitvoerder in staat is op eigen kracht, of met behulp van een vertegenwoordiger (een wettelijke vertegenwoordiger, zoals ouders, een curator, een bewindsvoerder of een mentor, of een schriftelijk gemachtigde), de aan het budget verbonden taken en verplichtingen op verantwoorde wijze uit te voeren. Hiermee is voor de Wlz-uitvoerder duidelijker dat het oordeel met betrekking tot de eigen regie niet alleen gebaseerd kan zijn op de capaciteiten van de verzekerde zelf, indien deze over een vertegenwoordiger beschikt.

Voorts is in het tweede lid (onderdeel c) bepaald dat de verzekerde in staat dient te zijn de functie te vervullen van «spin in het web» rond de zorg die aan hem verleend wordt. Bij zorg in natura rust de verantwoordelijkheid voor een goede coördinatie in sterkere mate op de Wlz-uitvoerder en de zorgverleners, bij het persoonsgebonden budget is dit aan de verzekerde zelf, al dan niet met hulp van de vertegenwoordiger. Ten slotte wordt het persoonsgebonden budget slechts verleend indien de verzekerde kan motiveren dat hij de zorg niet in natura geleverd wenst te krijgen (tweede lid, onderdeel d). Hierdoor heeft het zorgkantoor de mogelijkheid om geen pgb te verlenen als de verzekerde onvoldoende blijk heeft kunnen geven van zijn voorkeur voor een pgb boven de gecontracteerde zorg in natura, al dan niet via een vpt. Het gaat er om dat de verzekerde een goed geïnformeerd een beslissing kan nemen, zich heeft georiënteerd op de beschikbare zorg in natura, en daarna een weloverwogen beslissing neemt. Het zorgkantoor kan constateren dat er geen sprake is van een motivering. Het is echter niet zo dat de Wlz-uitvoerder zich een oordeel zal vormen over de voorkeur voor een pgb, de wens van de verzekerde staat voorop. De Wlz-uitvoerder moet er enkel op toezien dat de verzekerde een bewuste keuze maakt voor een pgb (bijvoorbeeld door een bewuste keuze gesprek) en de verzekerde niet afziet van zorg in natura zonder de consequenties te onderkennen of onvoldoende geïnformeerd te zijn. In het te overleggen budgetplan zal de verzekerde aangeven hoe hij van plan is om zijn zijn budget te besteden. Daarbij kan ook worden aangegeven hoe hij zal voldoen aan de overige aan hem gestelde eisen voor een goede pgb-besteding.

Derde lid

Artikel 3.3.3, derde lid, geeft aan de Wlz-uitvoerder de bevoegdheid om een persoonsgebonden budget te weigeren. De onder a genoemde grond is van toepassing indien de verzekerde zich bij de eerdere verstrekking van een persoonsgebonden budget niet heeft gehouden aan de opgelegde taken verplichtingen én de Wlz-uitvoerder van oordeel is dat de verzekerde op eigen kracht of met hulp van een vertegenwoordiger ook niet in staat zal zijn om te voldoen aan de aan het budget verbonden verplichtingen. Indien de verzekerde blijkens de basisregistratie personen niet beschikt over een woonadres of hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen, wordt hem eveneens een persoonsgebonden budget geweigerd (onderdelen b en c).

Het gaat bij deze gronden niet om een discretionaire bevoegdheid zoals bij de weigeringsgronden van artikel 4:35 van de Awb. In enkele uitspraken van rechtbanken met betrekking tot het persoonsgebonden budget is geoordeeld dat het inperken van de discretionaire bevoegdheid die de Awb aan het subsidieverlenende bestuursorgaan biedt, zoals de bevoegdheid om het persoonsgebonden budget in bepaalde gevallen te weigeren, lager vast te stellen of terug te vorderen (de artikelen 4:35, 4:46 en 4:57 Awb), niet in lagere regelgeving tot gebonden bevoegdheden gemaakt mogen worden. De bepalingen in de Regeling subsidies AWBZ die doelbewust een dergelijke inperking van de bevoegdheden beoogden, zijn in die uitspraken niet verbindend verklaard. Ook de Centrale Raad van Beroep heeft in uitspraken van 30 januari 2008 (LJN: BC4321), 14 februari 2008 (zaaknummer 06–2863 AWBZ) en 22 september 2012 (LJN: BK5767) geoordeeld dat de in de Awb geregelde discretionaire bevoegdheid om een subsidie lager vast te stellen en terug te vorderen, niet bij ministeriële regeling tot een verplichting gemaakt mogen worden. De bepalingen in de Regeling subsidies AWBZ die de verplichtingen voorschreven waren daarom niet verbindend volgens de CRvB.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: ABRvS) heeft in vergelijkbare subsidiezaken daarentegen geoordeeld dat een door de Awb geboden discretionaire bevoegdheid weliswaar inhoudt dat daar een belangenafweging aan ten grondslag dient te liggen, maar dat die belangenafweging kan worden begrensd door de desbetreffende bijzondere subsidieregeling. In een dergelijke regeling kan immers zijn bepaald dat het bestuursorgaan in bepaalde gevallen een gebonden bevoegdheid heeft. In die gevallen is voor een (aanvullende) belangenafweging geen plaats meer.

De regering stelt vast dat de met de regeling subsidies AWBZ beoogde invoering van een gebonden bevoegdheid van de uitvoerder niet het beoogde effect heeft gehad. Om die reden wordt er thans voor gekozen om de belangenafweging op het niveau van de wet zelve te beperken zodat er gebonden bevoegdheden ontstaan bij de toepassing van artikel 3.3.3, derde lid.

De in het derde lid voorgestelde specifieke regeling komt echter niet in de plaats van de regeling in artikel 4:35 van de Awb. Weliswaar wordt met de voorgestelde regeling beoogd af te wijken van het regime van de Awb op het punt van de discretionariteit, maar de voorgestelde regeling beoogt overigens slechts aan te vullen op de weigeringsgronden van de Awb. Het gaat in artikel 3.3.3, tweede lid, dus niet om een limitatieve opsomming van situaties waarin de subsidie geweigerd mag worden. Indien een weigering van een persoonsgebonden budget niet gebaseerd kan worden op artikel 3.3.3, tweede lid, maar wel een van de weigeringsgronden van artikel 4:35 van de Awb van toepassing is, kan de Wlz-uitvoerder in voorkomend geval een persoonsgebonden budget weigeren met toepassing van dat artikel.

Vierde lid

18. Het beroep is gegrond. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiseres met ingang van 8 juni 2021 niet zowel zorgverlener en bewindvoerder/mentor mag zijn van haar zoon [zoon] . Het bestreden besluit is daarom in strijd met artikel 3:4 en 7:12 van de Awb. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding verweerder in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen zoals hiervoor omschreven in rechtsoverwegingen 5, 6, 7, 9, 11 en 12. Dat herstellen is mogelijk door middel van een aanvullende motivering, of zo nodig met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Hierbij is de keuze aan verweerder om te bepalen op welke wijze herstel plaatsvindt.

19. De rechtbank zal de termijn waarbinnen verweerder de gebreken kan herstellen bepalen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.

20. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder.

1 TK 2013-2014, 33891, nr. 3.

2 Uitspraak van 19 september 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2621 te vinden op www.rechtspraak.nl.

3 Uitspraak van 28 juni 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:5114, te raadplegen op www.rechtspraak.nl.