Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5996

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
30-07-2021
Zaaknummer
UTR 19/2004 Rectificatie
Formele relaties
Oorspronkelijke uitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2020:3875
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser was tot 1 juni 2017 hoogleraar aan de TU Eindhoven. Bij zijn aanstelling bracht hij een Vici-subsidie in van de NWO. In mei 2018 heeft hij twee verzoeken ingediend voor de aanschaf van computerapparatuur ten laste van de Vici-subsidie dan wel ten laste van het eigen budget van de TU Eindhoven. De TU Eindhoven heeft deze aanvragen afgewezen. Omdat de computerapparatuur inmiddels is aangeschaft, is hierin geen actueel en reëel belang gelegen bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Eiser stelt reputatieschade te hebben geleden als gevolg van het bestreden besluit. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van het bestreden besluit in zijn eer en goede naam is aangetast. Eiser heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat als gevolg van het besluit minder onderzoekers, die hij begeleidt, zullen promoveren en evenmin dat hij in een slecht daglicht is komen te staan, omdat er Vici-budget over leek te blijven of (mogelijk) is gebleven. Verder heeft verweerder gemotiveerd bestreden dat eiser reputatieschade heeft geleden, omdat een andere professor uit haar budget een server heeft aangeschaft. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze lezing van verweerder te twijfelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/2004 RECTIFICATIE PAG. 1


uitspraak van de meervoudige kamer van 10 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P. Le Heux),

en

het College van Bestuur van de Technische Universiteit Eindhoven (TU/e), verweerder

(gemachtigden: mr. J.W. de Bruin, mr. W.L.A. Royaards).

Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2018, aangevuld bij besluit van 21 september 2018 (beiden: het primaire besluit) heeft verweerder twee aanvragen voor de aanschaf van computerapparatuur afgewezen.

Bij besluit van 5 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Tevens was aanwezig [A].

Overwegingen

Inleiding

  1. Eiser was van 1 juni 2012 tot en met 31 mei 2017 aangesteld bij de TU/e als persoonlijk hoogleraar aan de faculteit [faculteit] . Bij zijn aanstelling bracht eiser een Vici-subsidie van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) in. Met ingang van 1 september 2015 is [B] in dienst getreden bij de TU/e voor het verrichten van promotieonderzoek onder begeleiding van eiser.

  2. Op 30 mei 2018 heeft eiser bij verweerder een verzoek ingediend om computerapparatuur aan te schaffen ten laste van de Vici-subsidie (verzoek I).

  3. Op 31 mei 2018 heeft eiser bij verweerder een verzoek ingediend om daarnaast nog (andere) computerapparatuur aan te schaffen ten laste van eigen middelen van de TU/e op grond van zijn aanstelling aan de TU/e (verzoek II).

  4. Bij besluit van 12 september 2018, aangevuld met het besluit van 21 september 2018 heeft verweerder beide verzoeken afgewezen. Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt. Dit bezwaar is door verweerder in navolging van het advies van de bezwaaradviescommissie ongegrond verklaard.

  5. Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld.
    Heeft eiser voldoende procesbelang bij een uitspraak van de rechtbank?

  6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang meer heeft bij een uitspraak van de rechtbank, omdat inmiddels alle door eiser gevraagde apparatuur is aangeschaft.

  7. Eiser bestrijdt dit. Hij voert aan dat nog niet alles is aangeschaft of besteld.

  8. Ter zitting heeft verweerder de intentie uitgesproken om de door eiser gevraagde apparatuur aan te schaffen van verzoek I indien noodzakelijk, ongeacht de grondslag. Veel apparatuur is inmiddels ook aangeschaft en geleverd of besteld. Verweerder heeft dit met stukken onderbouwd. Eiser heeft ter zitting ook erkend dat verweerder druk bezig is met het bestellen van de gevraagde apparatuur en dat het erop lijkt dat alles is of wordt aangeschaft. Op dit moment is het echter lastig te controleren of alles geleverd is, omdat de universiteit in verband met de coronapandemie gesloten is.

  9. De rechtbank concludeert dat er geen verschil van mening meer bestaat tussen partijen over de aanschaf van de computerapparatuur zoals door eiser gevraagd in het verzoek onder I. Verder heeft eiser geen belang gesteld ten aanzien van verzoek II voor wat betreft de aanschaf van computerapparatuur anders dan het hierna geschetste belang ten aanzien van schadevergoeding. Dit betekent dat eiser met zijn beroep voor wat betreft de aanschaf van de computerapparatuur niet méér kan bereiken dan wat hij met zijn beroep beoogde te bereiken. Hierin is dus geen actueel en reëel belang gelegen bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

  10. Belang bij een uitspraak bestaat nog wel als eiser stelt schade te hebben geleden en hij tot op zekere hoogte aannemelijk maakt dat hij dergelijke schade daadwerkelijk en als gevolg van het bestreden besluit heeft geleden. Eiser heeft aangevoerd dat hij door het besluit reputatieschade heeft geleden. Hij stelt dat het er slecht uitziet als hij minder promovendi aflevert en als er budget overblijft. Ook is het slecht voor zijn reputatie dat een andere professor uit haar budget een server heeft aangeschaft, die hij als gevolg van het besluit niet heeft kunnen aanschaffen. Verweerder bestrijdt dat eiser reputatieschade heeft opgelopen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het niet juist is dat een andere professor geld ter beschikking heeft gesteld voor de aanschaf van een server, omdat het om universiteitsgelden gaat en het ook heel gebruikelijk is dat binnen de vakgroep en faculteit wordt gekeken naar mogelijkheden voor financiering als er andere middelen nodig zijn. En als er budget overblijft dan wordt dat bovendien niet publiekelijk gecommuniceerd.

  11. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van het bestreden besluit in zijn eer en goede naam is aangetast. Eiser heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat als gevolg van het besluit minder onderzoekers, die hij begeleidt, zullen promoveren en evenmin dat hij in een slecht daglicht is komen te staan, omdat er Vici-budget over leek te blijven of (mogelijk) is gebleven. Verder heeft verweerder gemotiveerd bestreden dat eiser reputatieschade heeft geleden, omdat een andere professor uit haar budget een server heeft aangeschaft. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze lezing van verweerder te twijfelen.

  12. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat ook in de gestelde reputatieschade geen procesbelang is gelegen. Het beroep is dus niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, voorzitter, en mr. L.M. Reijnierse en mr. M.L. van Emmerik, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 september 2020.

griffier

voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.