Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5929

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
21-02-2020
Datum publicatie
21-10-2021
Zaaknummer
16/079980-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

120 dagen gev straf voor o.a. bedreiging. Verweer dat geuite bedreigingen geen bedreigingen zijn in de zin van art 285 sr en ontbreken redelijke vrees, (deels) verworpen. Rechtbank ziet (op dit moment) onvoldoende redenen voor TBS met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/079980-19 en 16/022559-20 (ter terechtzitting gevoegd) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 21 februari 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte]
geboren op [1988] te [geboorteplaats]
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
( [postcode] ) [woonplaats] , [adres]
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Flevoland, Huis van Bewaring Lelystad

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 7 februari 2020

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. J. Beumer-Gonggrijp en van hetgeen verdachte en mr. Z. Boufadiss, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

parketnummer 16/079980-19

feit 1 op 4 april 2019 in Utrecht [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3] heeft bedreigd;


feit 2 op 4 april 2019 als bestuurder een plaats van een ongeval heeft verlaten terwijl hij

wist of kon vermoeden dat hij schade bij een ander had veroorzaakt;

feit 3 op 4 april 2019 verbalisant [verbalisant 4] heeft beledigd;

feit 4 op 4 april 2019 in Utrecht bij zijn aanhouding zich met geweld heeft verzet tegen de

verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] ;

feit 5 op 4 april 2019 in Utrecht geen medewerking heeft verleend aan een ademonderzoek, terwijl hij verdacht werd van het rijden onder invloed;

parketnummer 16/022559-20

op 30 juli 2019 in Utrecht [slachtoffer] per sms heeft bedreigd.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder feit 1, 2, 3, 4 en 5 van parketnummer 16/079880-19 en het onder parketnummer 16/022559-20 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1, 2 en 3 van parketnummer 16/079880-19 en het onder parketnummer 16/022559-20 ten laste gelegde.

De raadsvrouw heeft daartoe het volgende aangevoerd:

feit 1 parketnummer 16/079880-19

Verdachte heeft de bewoordingen “Jullie weten niet wie ik ben.” en ”Politieagenten hebben ook kinderen, jullie komen er wel achter.” niet bedreigend bedoeld.

Onduidelijk is of verdachte woorden als: “Ik snijd jullie kop er af” en “Ik zoek je op net als bij die collega vorige keer” heeft geroepen. Alleen verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] verklaren hierover, terwijl verbalisant [verbalisant 1] , die ook dichtbij stond, deze woorden niet heeft gehoord. Verdachte ontkent deze woorden geroepen te hebben.

Voorts zijn de woorden: “Jullie weten niet wie ik ben.”, ”Politieagenten hebben ook kinderen, jullie komen er wel achter.” en “Ik zoek je op net als bij die collega vorige keer” geen bedreigingen met een misdrijf zijn, als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Subsidiair is, nu verbalisanten niet hun eigen ervaringen met verdachte specificeren, het enkele feit dat verdachte een omvangrijke documentatie heeft onvoldoende voor het aannemen van een redelijke vrees.

Uit jurisprudentie van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden blijkt dat bewoordingen die kunnen worden opgevat als een emotionele ontlading c.q. frustratie gezien de context niet leiden tot de redelijke vrees (ECLI:NL:GHARL:2018:4038). In de onderhavige zaak hebben verbalisanten, gelet op de gewelddadige en voor verdachte pijnlijke aanhouding, niet de redelijke vrees kunnen bekomen dat zij het leven zouden laten, dan wel het slachtoffer zouden worden van zware mishandeling. Verdachte uitte enkel zijn frustratie.

feit 2 parketnummer 16/079880-19

Verdachte heeft de plaats van het ongeval nooit verlaten en is ter plaatse aangehouden. Het opzet van verdachte om te vluchten kwam voort uit zijn angst voor de politie.

feit 3 parketnummer 16/079880-19

Uit het dossier blijkt onvoldoende dat de woorden “je kankermoeder, kankerlijer en/of kankerjoden” echt tegen verbalisant [verbalisant 4] gericht waren. Hij is de enige die dat verklaart. De andere verbalisanten hebben de woorden ook gehoord, maar geen van hen stelt dat de woorden echt op verbalisant [verbalisant 4] gericht waren en niet op, bijvoorbeeld, de andere aanwezige verbalisanten.

parketnummer 16/022559-20

Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte het sms-bericht heeft verzonden en dat verdachte ten tijde van het sms-bericht het betreffende telefoonnummer in zijn bezit had.

Subsidiair is er, gelet op de inhoud van het sms-bericht, geen sprake van een bedreiging met een misdrijf zoals bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Meer subsidiair ontbreekt de redelijke vrees nu verdachte en aangever elkaar niet kennen en elkaar nooit gesproken hebben. Voorts heeft aangever niets gedaan op het moment dat hij het bericht ontving en is maanden later pas naar de politie gegaan. Aangever was zelfs nog bij een zitting van het Gerechtshof aanwezig bij de behandeling van een zaak tegen verdachte.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de onder 4 en 5 van parketnummer 16/079880-19 ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

vrijspraak parketnummer 16/079980-19 feit 2

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan het onder 2 van parketnummer 16/079880-19 tenlastegelegde heeft schuldig gemaakt.

Uit de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat het opzet van verdachte, gelet op hetgeen zich voorafgaand aan de aanrijding heeft afgespeeld, er op gericht was zich te onttrekken aan zijn aanhouding. Voorts is verdachte vrijwel direct nadat hij probeerde zich aan zijn aanhouding te onttrekken aangehouden.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 2 van parketnummer 16/079880-19 tenlastegelegde.

4.3.2

Bewijsmiddelen

parketnummer 16/079980-19 1

feit 1

Verbalisant [verbalisant 1] zag op 4 april 2019 in Utrecht dat zijn collega’s [verbalisant 2] en [verbalisant 3] verdachte [verdachte] hadden aangehouden. Hij zag dat [verdachte] zich verzette en had geholpen [verdachte] onder controle te houden.2Hij hoorde verdachte onder andere roepen: "Ook jullie hebben kinderen dus jullie komen er wel achter."3

Verbalisant [verbalisant 3] hoorde verdachte [verdachte] op 4 april 2019 tijdens zijn verzet tegen zijn aanhouding onder andere schreeuwen: “Ik snijd je kop er af” en “Politiemensen hebben ook kinderen”.4

Verbalisant [verbalisant 2] hoorde verdachte [verdachte] op 4 april 2019 tijdens zijn verzet tegen zijn aanhouding onder andere schreeuwen: “Ik snijd jullie kop er af” en “Politieagenten hebben ook kinderen”.5

Bewijsoverweging

Verdachte heeft zich tijdens zijn aanhouding hevig verzet, zowel verbaal als fysiek. Voorts staat verdachte bij verbalisanten onder andere bekend als vuurwapen-/ en vlucht gevaarlijk.

De woorden van verdachte “Politiemensen hebben ook kinderen” impliceert dat verdachte kwade bedoelingen heeft en dreigt de kinderen van de verbalisanten iets aan te doen. Dat verdachte niet zegt wat hij hen aan wil doen, doet niet af aan de dreiging die van deze woorden uit gaat en maakt, naar het oordeel van de rechtbank, niet dat er geen sprake is van een bedreiging met enig misdrijf als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank acht voornoemde feiten en omstandigheden zodanig bedreigend dat bij de verbalisanten terecht de redelijke vrees is ontstaan dat verdachte in staat moest worden geacht de door hem gedane bedreigingen op enig moment ook daadwerkelijk uit te voeren.

Het feit dat de aanhouding van verdachte met geweld gepaard is gegaan en hij daarbij pijn heeft ondervonden heeft verdachte geheel aan zichzelf te wijten. Uit zijn handelen volgt dat verdachte zich wilde onttrekken aan zijn aanhouding. Verdachte deinst er daarbij niet voor terug om de betreffende verbalisanten te bedreigen.

De rechtbank acht het daarom niet aannemelijk dat verdachte de bedreigingen enkel en alleen vanuit zijn frustraties heeft geuit.

Partiële vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat de woorden “jullie weten niet wie ik ben” en “ik zoek je op net als bij die collega vorige keer” geen bedreiging met enig misdrijf zijn zoals bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht. Uit het dossier volgt niet of verdachte inderdaad eerder een politieagent heeft opgezocht en wat er eventueel gebeurd zou zijn.

De rechtbank zal verdachte vrij spreken van dit deel van de tenlastelegging.

feit 3

Verbalisant [verbalisant 4] kwam op 4 april 2019 ter plaatse op de Amsterdamsestraatweg in Utrecht en zag dat zijn collega’s in gevecht waren met een man, naar later bleek verdachte [verdachte] . Hij wilde met zijn collega’s [verbalisant 3] en [verbalisant 2] de verdachte in een politievoertuig plaatsen. Hij zei tegen de verdachte dat hij zich rustig moest houden. Hij hoorde de verdachte zeggen: “Je kankermoeder” en “Mensen blijf filmen, zo kunnen jullie zien hoe deze kankerjoden politiegeweld gebruiken.”.6

Verbalisant [verbalisant 2] hoorde op 4 april 2019 de verdachte, naar later bleek [verdachte] , schreeuwen: “Kankerjoden, kankerlijers.7

Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens zijn aanhouding op 4 april 2019 een en ander tegen de verbalisanten geroepen had dat beledigend was.8

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft gesteld dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat de tenlastegelegde woorden tegen verbalisant [verbalisant 4] gericht waren.

De rechtbank overweegt dat uit voornoemde bewijsmiddelen volgt dat verdachte de beledigende woorden tegen de verbalisanten heeft gericht die betrokken waren bij zijn aanhouding, waaronder verbalisant [verbalisant 4] . Dat de andere verbalisanten daar geen aangifte van hebben gedaan, maakt dit niet anders.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte verbalisant [verbalisant 4] heeft beledigd.

feit 4 en feit 5

Verdachte heeft de onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten bekend. De verdediging heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen en volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 februari 2020;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van [A] , pagina 27.

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 7 februari 2020;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] , pagina 16 en 17;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] , pagina 23 en 24;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] , pagina 21;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 4] , pagina 25.

parketnummer 16/022559-20 9

[slachtoffer] , werkzaam als reclasseringswerker bij de [instelling] te Utrecht ontving op 30 juli 2019 op zijn werktelefoon een anoniem sms-bericht met de inhoud: ik hoop dat de boodschap duidelijk is, en dat je genoeg waarde hecht [naam] je vrouw en kinderen, zodat he voorkomt dat ik ze zometeen kom thuisbrengen, of op school met een bezoekje kom vereren”.

Op 12 november 2019 kreeg hij van de officier van justitie J. Beumer het verzoek om contact op te nemen met cliënt [verdachte] , geboren op [1988] , op telefoonnummer [telefoonnummer] . Op het moment dat hij dit nummer invoerde in zijn telefoon zag hij dat dit het nummer was van degene die hem op 10 juli 2019 bedreigd had.
Omdat [verdachte] bij de reclassering bekend staat als een zeer agressief en bedreigend persoon die ook vuurwapen gevaarlijk kan zijn, en hyper autoritair gevoelig is, nam hij deze bedreiging serieus en omdat hij [verdachte] in staat achtte deze bedreiging uit te voeren, besloot hijaangifte te doen van de bedreiging.10

Verbalisant [verbalisant 5] heeft een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt naar aanleiding van een mail van de officier van justitie J. Beumer-Gongrijp. In deze mail omschrijft de officier van justitie dat verdachte [verdachte] door omstandigheden haar mobiele werknummer in bezit had gekregen en dat zij door hem benaderd was via SMS en voicemail op een zeer dreigende en vervelende manier. Verdachte [verdachte] zou daarbij gebruik hebben gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] .11

Bewijsoverwegingen

Telefoonnummer

De rechtbank is, gelet op voornoemde bewijsmiddelen, van oordeel dat het telefoonnummer [telefoonnummer] 30 juli 2019 in gebruik was bij verdachte. Er zijn geen feiten of omstandigheden bekend die er op duiden dat dit anders was. Voorts heeft verdachte zich in deze zaak bij de politie en ter terechtzitting beroepen op zijn zwijgrecht.

Bedreiging

De inhoud van het sms-bericht impliceert dat verdachte kwade bedoelingen heeft en dreigt de vrouw en kinderen van [slachtoffer] iets aan te doen. Dat in het bericht niet concreet staat omschreven wat verdachte hen aan wil doen, doet niet af aan de dreiging die van het bericht uit gaat en maakt, naar het oordeel van de rechtbank, niet dat er geen sprake is van een bedreiging met enig misdrijf als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Redelijke vrees

De inhoud van het sms-bericht en hetgeen bij [slachtoffer] bekend was over verdachte, is voldoende om bij [slachtoffer] , zoals deze ook zelf heeft verklaard, de redelijke vrees te doen ontstaan dat verdachte in staat moest worden geacht de door hem gedane bedreiging daadwerkelijk uit te voeren.

Dat deze vrees pas op 12 november 2019 bij [slachtoffer] is ontstaan, toen hij verdachte zelf belde en dus de beschikking had over het telefoonnummer en de daaraan gekoppelde naam van verdachte, maakt dit niet anders. Immers toen kon hij de tekst van het SMS bericht koppelen aan hetgeen bij de reclassering bekend was over de persoon van verdachte.

Partiële vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat de woorden “ik ben 100% 1%, de regels van jullie vervelende kankerkenniseconomie zijn voor mij niet van trespassing” geen bedreiging met een misdrijf zijn zoals bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht

De rechtbank zal verdachte vrij spreken van dit deel van de tenlastelegging.

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Parketnummer 16/079980-19

feit 1
op 4 april 2019 te Utrecht [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door die [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3] dreigend de woorden toe te voegen “ik snijd jullie kop eraf” en “politieagenten hebben ook kinderen, jullie komen er wel achter”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

feit 3
op 4 april 2019 te Utrecht opzettelijk een ambtenaar te weten [verbalisant 4] , hoofdagent van de politie Eenheid Midden-Nederland, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: “je kanker moeder” en “kankerlijer” en “kankerjoden”;


feit 4
op 4 april 2019 te Utrecht, zich met geweld en bedreiging met geweld, heeft verzet tegen ambtenaren, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3] en [verbalisant 4] van de politie Eenheid Midden-Nederland), werkzaam in de rechtmatige oefening van hun bediening, te weten de aanhouding van verdachte door opzettelijk gewelddadig trekkende bewegingen te maken met zijn, verdachtes, arm en door zijn, verdachtes, arm onder zijn lichaam te houden en zich los te trekken van de opsporingsambtenaren voornoemd en door zich met zijn, verdachtes, lichaam te rukken in een richting tegengesteld aan die waarin voornoemde opsporingsambtenaren verdachte trachtten te geleiden;

feit 5
op 4 april 2019 te Utrecht, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een voertuig te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

Parketnummer 16/022559-20
op 30 juli 2019 te Utrecht [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend, per sms, de woorden toe te voegen "ik hoop dat de boodschap duidelijk is, en dat je genoeg waarde hecht [naam] je vrouw en kinderen, zodat he voorkomt dat ik ze zometeen kom thuisbrengen, of op school met een bezoekje kom vereren".

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1, 3, 4 en 5 van parketnummer 16/079880-19 en het onder parketnummer 16/022559-20 meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

parketnummer 16/079880-19 feit 1 en parketnummer 16/022559-20

telkens:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

en

bedreiging met zware mishandeling;

feit 3 eenvoudige belediging, terwijl die belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

feit 4 wederspannigheid;

feit 5 overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 115 dagen, met aftrek van het voorarrest, in ieder geval een gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die verdachte tot het moment van de uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;

De officier van justitie heeft voorts gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte ter beschikking te stellen en van overheidswege te verplegen (hierna: de TBS-maatregel). De TBS-maatregel dient gelet op de aard van het tenlastegelegde gemaximeerd te zijn tot 4 jaar.

De officier heeft daartoe aangevoerd dat wordt voldaan aan alle vereisten voor het opleggen van een TBS-maatregel. De officier van justitie acht het risico dat verdachte zich in de toekomst schuldig zal maken aan ernstig agressieve delicten hoog, gelet op de combinatie van de bij verdachte aanwezige stoornissen en het middelengebruik en de toename van gedragsproblemen bij verdachte. Eerdere langere en korte – al dan niet voorwaardelijke – gevangenisstraffen, een ISD-maatregel, reclasseringstoezichten en behandeling van verdachte hebben niet tot enig positief resultaat geleid.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij de bepaling van de strafmaat rekening te houden met de voor verdachte pijnlijke en stressvolle omstandigheden ten tijde van de feiten, de LOVS oriëntatiepunten voor dergelijke feiten en de relatief geringe ernst van de feiten. De raadsvrouw heeft verzocht om verdachte een gevangenisstraf van, maximaal, 56 dagen op te leggen.

De raadsvrouw heeft gesteld dat er geen aanknopingspunten zijn voor het opleggen van een TBS-maatregel. Het betreft hier feiten van geringe ernst en het door de officie van justitie genoemde hoge risico op ernstig agressief gedrag, wordt niet onderschreven door de deskundigen van het NIFP. Voorts meldt de psycholoog Sterk dat verdachte vooruit is gegaan vanaf 2009.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de hiervoor bewezenverklaarde strafbare feiten.

Bedreigingen zorgen voor gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers. Het op deze manier beledigen van een politieambtenaar is kwetsend en denigrerend. Verdachte heeft getoond geen enkel respect te hebben voor personen met een publieke taak, te weten politieagenten en een reclasseringswerker. De verdachte heeft hiermee het respect en het gezag ten aanzien van deze personen ondermijnd.

Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij eerder, ook recent, is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder soortgelijke feiten als hiervoor bewezenverklaard.

Deze eerdere veroordelingen, waaronder ook kort-/ en langdurende (voorwaardelijke) gevangenisstraffen hebben verdachte er niet van weer houden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank rekent het verdachte, in strafverzwarende zin, aan dat hij deze feiten heeft gepleegd tegen personen met een publieke taak en dit in het verleden ook meerdere keren heeft gedaan.

De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf er rekening mee dat verdachte na het plegen van het onder parketnummer 16/079880-19 bewezenverklaarde meerdere keren is veroordeeld. De rechtbank heeft de voorschriften toegepast die gelden voor de situatie waarin verdachte een straf zou zijn opgelegd voor alle feiten tegelijk.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:

- een psychiatrisch rapport van 27 december 2019, uitgebracht door E.A.M. Schouten;

- een psychologisch rapport van 21 januari 2020, uitgebracht door R.A. Sterk.

Uit het rapport van E.A.M. Schouten volgt dat verdachte sinds zijn vroege jeugd al ernstige

gedragsproblemen heeft getoond en dat er bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, ADHD, een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol en een stimulantium gerelateerde stoornis. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en van invloed op de gedragingen en keuzes van verdachte. Het advies is om verdachte de ten laste gelegde feiten - indien bewezen - in een verminderde mate toe te rekenen. Het verwachte risico op recidive is zeer hoog.

Vanaf zijn vroege jeugd is geprobeerd om het gedrag van verdachte te beïnvloeden. Momenteel is verdachte nauwelijks gemotiveerd voor behandeling of begeleiding. Hij zal zich blijven verzetten tegen iedere vorm waarbij hij het gevoel krijgt dat hij dingen ‘moet’. Hij lijkt vooral met rust gelaten te willen worden en zijn eigen keuzes te willen maken, ongeacht regels of wetgeving. Het gedrag van verdachte blijkt al vele jaren moeilijk veranderbaar

Vanwege zijn afkeer van verplichtingen zal hij zeer waarschijnlijk niet meewerken bij een oplegging van een toezicht in het kader van een bijzondere voorwaarde. Behandeling in een voorwaardelijk kader zal onvermijdelijk tot problemen leiden die een daadwerkelijke behandeling in de weg zullen staan. Een opgelegd kader zal zijn verongelijktheid en zijn verontwaardiging voeden, met verzet, het overtreden van voorwaarden, impasses en stagnatie als gevolg. Een voorwaardelijk kader is daarom niet haalbaar. Verdachte zegt wel open te staan voor een begeleiding bij zijn ADHD door de POH-GGZ (praktijkondersteuner GGZ) van de huisarts, in een vrijwillig kader. Een ISD-traject is eerder mislukt en niet voor herhaling vatbaar.

De enige andere optie die over blijft om te komen tot een mogelijke verandering in zijn gedrag is middels tbs met dwangverpleging. Een dergelijk traject zal echter gepaard gaan met veel strijd, verzet en stagnatie. Evenals in 2016 betreffen het nu echter ook weer geringe tenlasteleggingen. Gezien bovengenoemde bezwaren tegen een gedwongen kader komt rapporteur, op gedragskundige gronden ook niet tot het advies de maatregel TBS met dwangverpleging op te leggen.

Verdachte lijkt zelf enig nut en noodzaak van een behandeling in te zien. Behandeling bij de POH-GGZ, met voortzetting van de huidige medicatie via de huisarts lijkt het hoogst haalbare qua behandeling.

Uit het rapport van R.A. Sterk volgt dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van ADHD en dat er tevens sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken. Er is sprake van middelengebruik. Deze psychische problematiek was aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en van invloed op de gedragingen en keuzes van verdachte. Het advies is om verdachte de ten laste gelegde feiten - indien bewezen - in een verminderde mate toe te rekenen.

De kans op herhaling van met name beperkt agressief gedrag wordt matig tot hoog ingeschat, maar de kans op ernstig agressief gedrag wordt laag ingeschat.

De geconstateerde psychische problematiek is reeds lang aanwezig en moeilijk behandelbaar. Behandeling is tot op heden onvoldoende vruchtbaar gebleken. Verdachte is immers niet goed in staat om de patiëntrol te accepteren en om zijn eigen aandeel in zijn problemen te zien met als gevolg dat hij zich niet openstelt voor een behandeling. Behandeling als bijzondere voorwaarde is weinig zinvol, omdat de kans op het mislukken van de behandeling als hoog wordt ingeschat. Verdachte is immers niet intrinsiek gemotiveerd voor behandeling en hij verzet zich juist tegen behandeling. Een verdergaand kader zoals een TBS-maatregel wordt gezien de relatief geringe ernst van de tenlastegelegde feiten niet aangewezen geacht. Mede gezien het ontbreken van evident escalatiegevaar. Geadviseerd wordt om verdachte een straf conform de ernst van de tenlastegelegde feiten op te leggen.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot de hare. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het hiervoor bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het door de deskundige Sterk ingeschatte lage risico op ernstig agressief gedrag, de relatief geringe ernst van de feiten en de overige conclusies en adviezen van de deskundigen, er - op dit moment - onvoldoende aanknopingspunten zijn om verdachte een (gemaximeerde) TBS-maatregel op te leggen.

De rechtbank merkt daarbij op dat dit oordeel in de toekomst wellicht anders kan uitvallen als verdachte zich schuldig blijft maken aan geweldsdelicten.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden wijkt de rechtbank bij de straftoemeting af van de eis van de officier van justitie. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden is.

Uit het dossier volgt dat begeleiding en behandeling van verdachte wenselijk is; echter gelet op de inhoud van de adviezen van de NIFP deskundigen en de reclassering en gelet op de persoon van verdachte is begeleiding en behandeling binnen een justitieel kader niet haalbaar en zinvol. Verder is er, gelet op de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, geen ruimte voor een – al dan niet fors - voorwaardelijk strafdeel met daarbij bijzondere voorwaarden voor begeleiding en behandeling.

9 BENADEELDE PARTIJ

[verbalisant 4] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van

€ 75,00. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 3 van parketnummer 16/079880-19 ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen, met daarbij de gevorderde wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging betwist de vordering van de benadeelde partij nu deze niet onderbouwd is. De benadeelde partij dient niet ontvankelijk in de vordering te worden verklaard.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de vordering, gelet op de aard, ernst en omstandigheden van het feit en de in de vordering gegeven toelichting, voldoende onderbouwd.

Vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 3 van parketnummer 16/079880-19 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze schade op € 75,00 en zal de vordering geheel toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 4 april 2019

Verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

De rechtbank zal in het belang van voornoemde benadeelde partij als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opleggen, omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die het bewezen geachte feit heeft toegebracht.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

  • -

    36f, 57, 63, 180, 266, 267 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en

  • -

    163 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994;

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het onder 2 van parketnummer 16/079980-19 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 3, 4 en 5 van parketnummer 16/079980-19 en het onder parketnummer 16/022559-20 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1, 3, 4 en 5 van parketnummer 16/079980-19 en het onder parketnummer 16/022559-20 meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1, 3, 4 en 5 van parketnummer 16/079980-19 en het onder parketnummer 16/022559-20 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 120 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis;

Benadeelde partij

- wijst de vordering van [verbalisant 4] toe tot een bedrag van € 75,00, bestaande uit immateriële schade;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan [verbalisant 4] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 april 2019 tot de dag van volledige betaling;

- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [verbalisant 4] aan de Staat € 75,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 april 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling en verhaal te vervangen door 1 dag gijzeling, met dien verstande dat dat toepassing van de vervangende gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Akkermans, voorzitter, mrs. Y.M. Vanwersch en

I.J.B. Corbeij, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 februari 2020.

Mr. E. Akkermans is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

parketnummer 16/079980-19

1
hij op of omstreeks 4 april 2019 te Utrecht [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling door die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] dreigend de woorden toe te voegen “jullie weten niet wie ik ben” en/of “ik snijd jullie kop eraf” en/of “politieagenten hebben ook kinderen, jullie komen er wel achter” en/of “ik zoek je op net als bij die collega vorige keer”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
(Artikel art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

2
hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Utrecht in de [adres] , op of omstreeks 4 april 2019 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander, te weten de politie Eenheid Midden-Nederland schade was toegebracht;
(Artikel art 7 lid 1 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994)

3
hij op of omstreeks 4 april 2019 te Utrecht opzettelijk een ambtenaar te weten [verbalisant 4] (hoofdagent van de politie Eenheid Midden-Nederland), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/haar de woorden toe te voegen: “je kanker moeder” en/of “kankerlijer” en/of “kankerjoden”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
(Artikel art 266 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 267 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)

4
hij op of omstreeks 4 april 2019 te Utrecht, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen (een) ambtena(a)r(en), [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4] (hoofdagent(en) van de politie Eenheid Midden-Nederland), werkzaam in de rechtmatige oefening van hun/zijn bediening, te weten de aanhouding van verdachte door opzettelijk gewelddadig rukkende en/of trekkende bewegingen te maken met zijn, verdachtes, arm(en) en/of door zijn, verdachtes, arm onder zijn lichaam te houden en/of zich los te trekken van de opsporingsambtena(a)r(en) voornoemd en/of door zich met zijn, verdachtes, lichaam te rukken en/of te trekken in een richting tegengesteld aan
die waarin voornoemde opsporingsambtena(a)r(en) verdachte trachtte(n) te geleiden;
(Artikel art 180 Wetboek van Strafrecht)

5
hij op of omstreeks 4 april 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een voertuig te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaaten/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;
(Artikel art 163 lid 2 Wegenverkeerswet 1994, art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994)

parketnummer 16/022559-20

hij op of omstreeks 30 juli 2019 te Utrecht, althans in Nederland, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend, per sms, de woorden toe te voegen "ik hoop dat de boodschap duidelijk is, en dat je genoeg waarde hecht [naam] je vrouw en kinderen, zodat he voorkomt dat ik ze zometeen kom thuisbrengen, of op school met een bezoekje kom vereren, ik ben 100% 1%, de regels van jullie vervelende kankerkenniseconomie zijn voor mij niet van trespassing", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal genummerd PL0900-2019098023, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 56. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 1] , pagina 16.

3 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 1] , pagina 17.

4 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 3] , pagina 21

5 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 2] , pagina 24

6 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 4] , pagina 25

7 Proces-verbaal van bevindingen, [verbalisant 2] , pagina 24.

8 Verklaring verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 7 februari 2020.

9 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal genummerd PL0900-2029365221, opgemaakt door politie Eenheid Midden-Nederland, doorgenummerd pagina 1 tot en met 15. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

10 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina 3.

11 Proces-verbaal van bevindingen [verbalisant 5] , pagina 5.