Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5881

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
02-03-2021
Zaaknummer
C/16/505437 / FO RK 20-755
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Bijzondere curator niet-ontvankelijk verzoek beëindiging ouderlijk gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

Locatie Utrecht

Zaaknummer: C/16/505437 / FO RK 20-755

Beëindiging van het ouderlijk gezag

Beschikking van 24 november 2020

in de zaak van:

mr. H. Hooijer,

in de hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarige:

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: de bijzondere curator,

over

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [voornaam van minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[belanghebbende 1] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats] .

Samen Veilig Midden-Nederland,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

de heer en mevrouw [A (achternaam)] ,

hierna te noemen: de pleegouders,

wonende in [woonplaats] .

De Raad voor de Kinderbescherming Midden-Nederland, hierna te noemen: de Raad, is betrokken op grond van artikel 810 Rv.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

- het verzoekschrift met bijlagen van de bijzondere curator van 7 juli 2020, binnengekomen bij de rechtbank op 8 juli 2020, dat ziet op de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over [voornaam van minderjarige] .

1.2.

Het verzoek is door de meervoudige kamer (drie rechters) besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 27 oktober 2020. Hierbij waren aanwezig:

- de bijzondere curator;

- de pleegouders;

- de heer [B] namens de Raad;

- mevrouw [C] en de heer [D] namens de GI.

1.3.

De moeder heeft wel een uitnodiging van de rechtbank gekregen, maar is niet naar de zitting gekomen.

1.4.

De rechtbank heeft aan [voornaam van minderjarige] gevraagd wat hij van het verzoek vindt. [voornaam van minderjarige] heeft op 20 oktober 2020 met de voorzitter gesproken.

2 Waar gaat het over?

2.1.

De moeder heeft het ouderlijk gezag over [voornaam van minderjarige] . Dat betekent dat zij de belangrijke beslissingen over [voornaam van minderjarige] neemt. Zolang een kind minderjarig is, kan een kind dit soort beslissingen namelijk niet zelf nemen.

2.2.

[voornaam van minderjarige] staat sinds 21 november 2019 onder toezicht van de GI. Hierdoor heeft [voornaam van minderjarige] een jeugdbeschermer. Deze jeugdbeschermer kijkt mee met het gezin en houdt in de gaten of het goed gaat met [voornaam van minderjarige] . Als het nodig is, kan de jeugdbeschermer aanwijzingen geven. De moeder moet deze aanwijzingen dan opvolgen.

2.3.

Sinds 21 november 2019 is [voornaam van minderjarige] met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst tot 21 november 2020.

2.4.

[voornaam van minderjarige] verblijft sinds 21 november 2019 in het huidige pleeggezin. Dit pleeggezin is perspectief biedend. Dit betekent dat [voornaam van minderjarige] hier in principe kan blijven wonen totdat hij volwassen is.

2.5.

Bij beschikking van 18 november 2019 is de bijzondere curator benoemd tot 18 november 2020

2.6.

De bijzondere curator heeft namens [voornaam van minderjarige] aan de rechtbank gevraagd om het gezag van de moeder te beëindigen en de pleegouders, of anders de GI, met de voogdij te belasten. Dat betekent dat de pleegouders of de GI in plaats van de moeder voortaan de belangrijke beslissingen over [voornaam van minderjarige] mogen nemen.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank zal de bijzondere curator niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek om het gezag van de moeder over [voornaam van minderjarige] te beëindigen en de pleegouders of de GI met de voogdij te belasten. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van de bijzondere curator niet inhoudelijk zal beoordelen en de moeder het ouderlijk gezag over [voornaam van minderjarige] zal blijven uitoefenen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij zo beslist.

3.2.

De wet geeft de bijzondere curator die optreedt namens een minderjarige niet de mogelijkheid om een verzoek tot gezagsbeëindiging in te dienen. In de wet1 staat namelijk dat een verzoek tot het beëindigen van het gezag van een ouder kan worden ingediend door de Raad voor de Kinderbescherming, het Openbaar Ministerie en in sommige gevallen door de pleegouders of een gecertificeerde instelling. De bijzondere curator en het kind zelf staan niet in dit rijtje. De bijzondere curator heeft in haar verzoekschrift en tijdens de zitting geen bijzondere omstandigheden genoemd op grond waarvan zij toch de gelegenheid zou moeten krijgen om een verzoek tot gezagsbeëindiging in te dienen. De rechtbank concludeert daarom dat de bijzondere curator niet-ontvankelijk is in haar verzoek.

3.3.

De rechtbank merkt daarbij op dat de bijzondere curator wel de mogelijkheid heeft om namens [voornaam van minderjarige] de Raad te verzoeken om een onderzoek te starten naar het beëindigen van het gezag van de moeder. Deze optie is besproken tijdens de zitting en past ook in de taak die de kinderrechter in haar beschikking van 18 november 2019 aan de bijzonder curator heeft opgedragen.

3.4.

Hierna volgt de beslissing.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verklaart de bijzondere curator niet-ontvankelijk in haar verzoek.

Dit is de uitspraak (beschikking) van (kinder)rechters mr. I.L. Rijnbout, mr. G.L.M. Urbanus en mr. S.G.M. van Veen, tot stand gekomen in samenwerking met mr. L.A. Nettekoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2020.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

1 Artikel 1:267 van het Burgerlijk Wetboek