Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5876

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-12-2020
Datum publicatie
20-09-2021
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4002
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking van subsidievaststelling mag. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/4002

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 december 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats], eiseres

en

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder

(gemachtigden: mr. M.B. Gschwind en C. de Kok).

Procesverloop

In het besluit van 8 februari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidievaststelling van 9 februari 2013 voor het project [project] ingetrokken, de subsidie voor het project vervolgens op nihil gesteld en van eiseres het verleende subsidiebedrag ter hoogte van €17.906,- teruggevorderd.

In het besluit van 27 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2020. De rechtbank heeft het beroep op de zitting gelijktijdig behandeld met de zaak van [B.V. 1], UTR 19/4001. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [directeur], directeur van [B.V. 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

  1. Eiseres heeft een eenmanszaak, [eenmanszaak]. Zij verkoopt onder andere milieuvriendelijke schoonmaakmiddelen onder het merk [merknaam]. Aan haar is bij besluit van 29 januari 2012 subsidie verleend uit het Europees Sociaal Fonds (ESF) ter hoogte van maximaal € 18.000,- voor het project [project]. Het doel van deze subsidie is de optimalisatie van de vastgelegde verkoopprocedures en communicatieprocessen binnen het bedrijf van eiseres. Het subsidieproject liep van 1 februari 2012 tot en met 31 oktober 2012. Eiseres heeft op 27 november 2012 een einddeclaratie ingediend en verweerder heeft de subsidie vervolgens in zijn besluit van 9 februari 2013 vastgesteld op € 17.906,- en dit bedrag aan eiseres overgemaakt.

  2. Verweerder heeft in het primaire besluit de subsidie ingetrokken en dat besluit in bezwaar gehandhaafd. De reden voor de intrekking van de subsidievaststelling is dat de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel in drie strafvonnissen van 11 december 2017 tot een veroordeling is gekomen van [A] ([A]), [B.V. 2] ([B.V. 2]) en [stichting] ([stichting]). [A] is bestuurder en enig aandeelhouder van [B.V. 2] en hij is bestuurder van [stichting] en dus verbonden aan deze rechtspersonen. [A] en de twee rechtspersonen zijn veroordeeld voor valsheid in geschrifte. In de vonnissen is bewezen verklaard dat onder andere de facturen die [stichting] in rekening heeft gebracht bij eiseres voor het project [project] en facturen van eiseres aan [A]/[stichting] vals zijn. De op deze facturen genoemde werkzaamheden zijn namelijk niet of slechts gedeeltelijk uitgevoerd. Omdat de facturen die eiseres heeft gevoegd bij haar einddeclaratie bewezen vals zijn, heeft verweerder de subsidievaststelling ingetrokken. De onderliggende administratie is namelijk onjuist gebleken.

  3. Kern van deze zaak is of verweerder van zijn bevoegdheid van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gebruik heeft mogen maken door achteraf de subsidievaststelling terug te draaien. Dit artikel bepaalt dat het bestuursorgaan de subsidievaststelling kan intrekken of ten nadele van de ontvanger kan wijzigen op grond van feiten of omstandigheden waarvan het bij de subsidievaststelling redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de subsidie lager dan overeenkomstig de subsidieverlening zou zijn vastgesteld.

  4. De rechtbank oordeelt dat verweerder in dit geval van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. In de vonnissen van de rechtbank Overijssel zijn de facturen van en aan eiseres specifiek genoemd en daarvan is komen vast te staan dat zij valselijk zijn opgemaakt. Dit maakt dat de einddeclaratie van het project [project] niet deugt en dat de subsidie ten onrechte is vastgesteld. Verweerder mag dit met toepassing van artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb terugdraaien en de subsidievaststelling intrekken.

  5. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat verweerder zelf nader onderzoek had moeten doen en zou moeten bewijzen dat de declaraties vals zijn. Uit de drie vonnissen blijkt duidelijk waar [A], [stichting] en [B.V. 2] van werden verdacht en er is een uitgebreide motivering opgenomen waarom de valsheid in geschrifte bewezen is geacht. De facturen die ten grondslag liggen aan de einddeclaratie van het project [project] zijn in de vonnissen expliciet genoemd als bewezen onderdelen van de fraude. Ook zijn er verklaringen van eiseres zelf en van een adviseur genoemd. Deze adviseur heeft verklaard dat zijn naam weliswaar voorkomt op de urenstaten van het project, maar dat hij de werkzaamheden die erop staan niet heeft verricht. Verweerder heeft naar deze vonnissen mogen verwijzen. Het is, anders dan eiseres betoogt, niet van belang dat deze vonnissen nog niet onherroepelijk zijn. Verweerder heeft terecht naar de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) verwezen, waaruit volgt dat het in het bestuursrecht niet nodig is dat een vonnis onherroepelijk is om toch aannemelijk te vinden dat de in een vonnis genoemde strafbare feiten zich hebben voorgedaan.1

6. Eiseres betoogt dat zij wel degelijk werkzaamheden heeft verricht voor [A] en dat er ook werkzaamheden door [A] en een adviseur zijn verricht voor het project [project]. Er is immers een subsidierapport opgesteld en er zijn workshops gegeven. Daarvan zijn bewijzen aangedragen die in orde zijn bevonden en die tot de subsidieverlening en de subsidievaststelling hebben geleid. Het is daarom onterecht dat verweerder de subsidie nu geheel intrekt.

7. De rechtbank geeft eiseres hierin geen gelijk. Het rapport waar eiseres op doelt is in het vonnis gebruikt als bewijsmiddel voor de bewezen valsheid in geschrifte. Tezamen met de verklaring van de adviseur en zonder nadere onderbouwing van eiseres, kan de waarheid er dan ook niet uit worden afgeleid. Eiseres gaat er verder aan voorbij dat de subsidieverlening en de subsidievaststelling plaatsvinden op basis van het vertrouwen dat de administratie van eiseres en haar einddeclaratie in orde zijn. Als er, zoals hier, achteraf onregelmatigheden worden vastgesteld, kan verweerder die subsidie terugdraaien. Die situatie heeft zich hier voorgedaan. De basis voor de intrekking is gelegen in de valse facturen van [A] dan wel [stichting] of [B.V. 2] aan eiseres voor werkzaamheden die niet of niet volledig zijn uitgevoerd. Dit wordt niet anders als eiseres zelf wel werkzaamheden zou hebben verricht die zij bij [A], [stichting] of [B.V. 2] in rekening heeft gebracht. De facturen van eiseres zijn ook vals bevonden door de rechtbank Overijssel. Dat hoeft niet te betekenen dat eiseres in het geheel geen werkzaamheden heeft verricht, maar het betekent wel dat de facturen niet betrouwbaar zijn, dat de einddeclaratie niet klopt en dat de administratie van eiseres onjuist is. Afgezien daarvan heeft eiseres overigens geen concrete informatie aangedragen waaruit blijkt dat de door haar gedeclareerde werkzaamheden wel zijn verricht.

8. Feit is dat de einddeclaratie van het project niet klopt en dat dit kan leiden tot intrekking van de subsidievaststelling. Eiseres heeft geen feiten of omstandigheden aangedragen die ertoe zouden moeten leiden dat verweerder geen gebruik zou mogen maken van zijn bevoegdheid. Dat eiseres niet op de hoogte zou zijn van de valsheid in geschrifte, is naar het oordeel van de rechtbank niet zo’n omstandigheid. Dit verandert namelijk niets aan de vaststelling dat de aan het subsidiebesluit onderliggende administratie inhoudelijk niet deugt en er dus geen recht bestaat op het subsidiebedrag. Het beroep is ongegrond.


Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, voorzitter, en mr. J.J. Catsburg en mr. K. de Meulder, leden, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De beslissing is uitgesproken op 24 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier voorzitter

De griffier is verhinderd de
uitpspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 9 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW5279, en 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2413.