Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5873

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
30-12-2020
Datum publicatie
05-02-2021
Zaaknummer
NL 19.3764
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling gemeenschappelijk goed; algemeen belang; marktwaarde archeologisch topstuk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

_________________________________________________________________ _

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

zaaknummer: NL 19.3764

Vonnis van 30 december 2020

in de zaak van

[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser, hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.J.J.M.D. Maas,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE WOERDEN,
zetelend te Woerden,
verweerster, hierna te noemen: de Gemeente,
advocaat: mr. H.J. Doelman.

1 De procedure

1.1.

[eiser] heeft een procesinleiding met bijlagen ingediend en daarmee een vordering ingesteld tegen de Gemeente. De Gemeente heeft met een verweerschrift (met bijlagen) verweer gevoerd. De zaak is mondelinge behandeld op de zitting van 12 november 2019. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

1.2.

Daarna hebben partijen ieder een taxatierapport van een eigen partij-deskundige in het geding gebracht. Partijen hebben op 20 mei 2020 op elkaar gereageerd. [eiser] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt om zijn eis te wijzigen. De gemeente heeft op 7 juli 2020 bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis en voorwaardelijk inhoudelijk verweer gevoerd. Daarna is een datum voor vonnis bepaald. Die datum is om organisatorische redenen uitgesteld tot heden.

2 De feiten waarvan de rechtbank uitgaat

2.1.

In juni 2000 heeft een kraanmachinist een Romeinse helm (hierna: de helm) gevonden bij het uitbaggeren van de Singel in Woerden. Hij heeft de helm bij het begin van de bouwvak mee naar huis genomen en vervolgens verkocht aan [eiser] voor een bedrag van hfl. 7.000.

2.2.

Partijen hebben geprocedeerd over de eigendom van de helm. Het Gerechtshof te [vestigingsplaats] heeft op 3 maart 2005 een vonnis van deze rechtbank van 5 februari 2003 bevestigd. Daardoor is tussen partijen vast komen te staan dat de helm een bodemschat is waarvan zij samen eigenaar zijn, ieder voor de helft.

2.3.

In 2004 heeft [eiser] aan dr. [A] van Gorny & Mosch, Giessener Münzhandlung GmbH, te München opdracht gegeven de helm te taxeren. Deze deskundige heeft op 12 april 2004 zijn rapport uitgebracht. Hij heeft de helm gedetailleerd beschreven, getypeerd en gedateerd. Hij heeft de restauratiekosten begroot op maximaal € 5.000. De waarde die op een veiling behaald kon worden, heeft hij in gerestaureerde toestand geschat op circa € 50.000. Hij heeft daarbij een vergelijking gemaakt met Romeinse helmen die eerder door Christie’s waren geveild.

2.4.

Partijen hebben daarna onderhandeld over een bedrag waarvoor [eiser] door de Gemeente uitgekocht zou kunnen worden.

2.5.

Tijdens een gesprek van 5 september 2013 hebben partijen afspraken gemaakt. Die afspraken zijn vastgelegd in een door beide partijen ondertekende brief van 30 oktober 2013. In die brief staat onder meer het volgende:

  • -

    Alvorens te taxeren wordt de helm gerestaureerd;

  • -

    (…)

  • -

    Na restauratie vindt een minnelijke taxatie plaats;

  • -

    Taxatie vindt plaats door twee bureaus. De kosten van de taxatie worden in twee gelijke delen verdeeld tussen u en de gemeente;

  • -

    Wij streven er naar om een expositie te organiseren in (…) het Stadsmuseum (…)

  • -

    De gemeente gaat op zoek naar fondsen voor de expositie en voor eventuele koop van de Romeinse helm;

  • -

    Samen willen wij de eigendomspositie oplossen;

  • -

    We handelen op basis van respect voor elkaar en gelijkwaardigheid.

2.6.

Daarna is de helm gerestaureerd en in bruikleen gegeven aan het Stadsmuseum in Woerden. Daar is de helm sinds 2014 als archeologisch topstuk te bezichtigen voor het publiek.

2.7.

Ook hebben partijen ter uitvoering van de gemaakte afspraken gezamenlijk opdracht tot taxatie gegeven, als eerste aan veilinghuis Christie’s. Een deskundige van dat veilinghuis heeft in een rapport van 22 juni 2015 geschat dat de helm op een veiling verkocht zou kunnen worden voor een waarde van GBP 70.000 - 100.000.

2.8.

Daarna hebben partijen opdracht gegeven aan veilinghuis Bonham’s. Een deskundige van dat veilinghuis heeft in een rapport van 27 juni 2016 geschat dat de helm op een veiling verkocht zou kunnen worden voor een waarde van GBP 250.000. Voor die schatting is een vergelijking gemaakt met Romeinse helmen die in 2010, 2013 en 2014 door Christie’s zijn geveild.

2.9.

Op 2 augustus 2016 heeft het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) een schriftelijk bod gedaan van € 50.000 voor het 50%-deel van [eiser] . Het RMO was bereid om samen met de Gemeente eigenaar te worden van de helm. Als motivatie is verwoord dat het om een stuk van nationaal belang gaat dat het verdient om in zijn geheel aan het openbaar kunst- en erfgoedbezit toegevoegd te worden. Het bod was niet onderhandelbaar. Het RMO heeft het bedrag gebaseerd op prijsvergelijkingen, de uitgevoerde restauratie en het gedeelde eigenaarschap. Het RMO heeft geschreven dat het in geen geval in prijsopdrijvende situaties terecht wilde komen. [eiser] heeft het bod van het RMO niet aanvaard.

2.10.

Op 6 oktober 2018 heeft [eiser] schriftelijk aan de Gemeente laten weten dat zijn helft van de helm uiterlijk op 1 november 2018 kon worden overgenomen voor een bedrag van € 120.000 te betalen voor 16 november 2018. Dat bod heeft de gemeente niet aanvaard.

2.11.

Partijen hebben ondanks de taxaties waartoe zij gezamenlijk opdracht hadden gegeven geen overeenstemming kunnen bereiken over een bedrag waarmee [eiser] uitgekocht zou kunnen worden.

2.12.

Tijdens de mondelinge behandeling is afgesproken dat beide partijen ieder afzonderlijk opdracht tot een taxatie van de waarde per 1 januari 2020 zouden geven aan een deskundige. De Gemeente heeft [B] , archeoloog en kunsthandelaar te [vestigingsplaats] , opdracht gegeven. Zij heeft de waarde per 1 januari 2020 getaxeerd op

€ 55.000. Volgens [B] is het voor de museale wereld nuttig als de helm op de lijst van Nederlands cultureel erfgoed wordt geplaatst. [eiser] heeft opdracht gegeven aan de kunsthandelaar en archeoloog [C] uit [vestigingsplaats] . Hij heeft de helm tijdens zijn aanwezigheid op de Tefaf in maart 2020 getaxeerd. [C] heeft de waarde van de helm bij veiling en gunning aan een Nederlandse koper getaxeerd op € 150.000 tot € 200.000 netto. Als de helm naar het buitenland kan worden verkocht is volgens [C] een opbrengst van

€ 200.000 tot € 280.000 netto te realiseren.

2.13.

Stichting Stadsmuseum heeft de helm in 2014 verzekerd voor een waarde van € 50.000. Na aandringen van [eiser] is de verzekerde waarde per 17 december 2018 verhoogd naar € 250.000.

3 De samenvatting van het geschil

3.1.

Met de procesinleiding heeft [eiser] verdeling van de helm gevorderd door toedeling aan De Gemeente onder de verplichting om aan hem de helft van de door de rechtbank te bepalen waarde te betalen. Subsidiair heeft [eiser] gevorderd om te bepalen dat de helm zal worden verkocht en dat de netto-opbrengst daarvan tussen partijen bij helfte wordt verdeeld.

3.2.

De gemeente heeft bij antwoord ingestemd met de toedeling van de helm aan haar. Zij heeft aangevoerd dat het geschil alleen gaat over de waarde van de helm.

3.3.

Nadat de mondelinge behandeling had plaatsgevonden en de partijtaxatie-rapporten in het geding waren gebracht, heeft [eiser] zijn eis gewijzigd. De gewijzigde eis luidt, samengevat, als volgt:

  • -

    primair: de verdeling van de helm vast te stellen door toedeling aan hem onder de verplichting om aan de gemeente de helft van € 55.000 te betalen;

  • -

    subsidiair: de verdeling van de helm vast te stellen door toedeling aan hem onder de verplichting om aan de gemeente de helft van de waarde te betalen;

  • -

    meer subsidiair: de verdeling van de helm vast te stellen door toedeling aan de gemeente, onder de veroordeling van de gemeente om aan hem de helft van de waarde te betalen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van het vonnis waarin de verdeling is uitgesproken tot de voldoening;

  • -

    uiterst subsidiair: te bepalen dat de helm op een door de rechtbank te bepalen wijze zal worden verkocht en dat de netto-opbrengst daarvan tussen partijen bij helfte zal worden verdeeld;

  • -

    de gemeente te veroordelen in de kosten van het geding met rente;

  • -

    de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.4.

De gemeente heeft zich op een formele grond verzet tegen wijziging van de eis. Zij heeft ook inhoudelijk verweer gevoerd en aangevoerd dat de helm aan haar toegedeeld moet worden onder de verplichting om op basis van de marktwaarde een bedrag aan overbedeling te betalen. De gemeente heeft zich verzet tegen uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis.

4 De beoordeling

Het verzet tegen de wijziging van eis

4.1.

De Gemeente heeft aangevoerd dat de wijziging van eis zo laat is gedaan dat sprake is van strijd met de goede procesorde. Dat argument gaat niet op. De Gemeente heeft op de gewijzigde eis kunnen reageren. De Gemeente is door het tijdstip waarop de wijziging van eis heeft plaatsgevonden dus niet in de verdediging benadeeld. De rechtbank zal daarom recht doen op de eis zoals deze na de wijziging is komen te luiden.

Het vaststellen van de verdeling

4.2.

Beide partijen hebben toegelicht waarom zij de volle eigendom van de helm willen krijgen. De gemeente wil de helm als archeologisch topstuk met museale waarde behouden voor het nageslacht als tastbare aanwijzing van de vroegere Romeinse legerplaats in Woerden. Zij wil de helm zodanig laten exposeren dat iedereen de helm kan bewonderen. [eiser] is amateur-archeoloog. Hij heeft al twintig jaar in de onverdeeldheid gezeten en heeft jarenlang kosteloos meegewerkt aan de tentoonstelling van de helm in een museum van de Gemeente. [eiser] is deze procedure begonnen om nu eindelijk eens zijn aandeel in de eigendom van de helm vergoed te krijgen tegen marktwaarde. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij aan de ene kant graag wil dat de helm in het stadsmuseum van Woerden tentoongesteld blijft, maar dat hij aan de andere kant de helm ook in zijn eigen collectie zou willen hebben. De wijziging van eis is volgens [eiser] ingegeven door de opstelling van de Gemeente tijdens deze procedure. Hij stelt dat de Gemeente voor een appel en een ei volledig eigenaar wil worden van de helm.

4.3.

Ingevolge het bepaalde in artikel 3:185 BW mag de rechtbank bij het vaststellen van de verdeling behalve met de partijbelangen ook rekening houden met het algemene belang. Dat algemene belang is in dit geval overduidelijk het meest gediend met toedeling aan de Gemeente. Het partijbelang van [eiser] weegt daar niet tegenop. [eiser] wil door toedeling van de helm aan hem voorkomen dat de Gemeente voor een onbeduidend bedrag volledig eigenaar wordt van een kostbaar Romeins erfstuk. Maar voor de veiligstelling van dat belang is toedeling aan [eiser] niet nodig. De rechtbank zal de waarde van de helm bij toedeling aan de Gemeente namelijk vaststellen op de marktwaarde. De Gemeente is ook bereid om de marktwaarde wegens overbedeling aan [eiser] te betalen. Het geschil tussen partijen gaat eigenlijk al twintig jaar in de kern om de vaststelling van die waarde.

4.4.

De rechtbank oordeelt het dus billijk dat de helm aan de Gemeente wordt toegescheiden en zal de verdeling aldus vaststellen. Daarbij zal de Gemeente worden veroordeeld om aan [eiser] de overwaarde te vergoeden. Die overwaarde zal worden begroot aan de hand van de marktwaarde. Deze wijze van verdeling is ook wat partijen in 2013 hebben afgesproken en waarvan zij tot aan de eiswijziging steeds zijn uitgegaan.

Peildatum voor de marktwaarde

4.5.

Uitgangspunt is dat de peildatum voor de waardering van de tot een gemeenschap behorend goed de datum van de verdeling is. Dit is slechts anders als partijen een andere datum zijn overeengekomen, of als op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard. Dat is hier niet aan de orde.

Wat is de relevante markt voor de bepaling van de waarde?

4.6.

Partijen hebben een geschil over de markt die bepalend is voor de waarde van de helm. Volgens de Gemeente moet de helm in Nederland blijven, volgens [eiser] moet daar niet van worden uitgegaan. [eiser] heeft een formeel bezwaar aangevoerd tegen het standpunt van de Gemeente. Hij heeft gesteld dat de Gemeente deze stelling pas voor het eerst tijdens de mondelinge behandeling heeft geponeerd. Volgens [eiser] is dat in strijd met de goede procesorde. De rechtbank volgt hem daarin niet. [eiser] heeft op de stelling van de Gemeente kunnen reageren, niet alleen mondeling, maar ook schriftelijk. [eiser] heeft van die gelegenheid ook gebruik gemaakt. Hij is dus niet onredelijk in de procesvoering benadeeld.

4.7.

De rechtbank geeft de Gemeente inhoudelijk gelijk. De Gemeente heeft voldoende toegelicht dat de helm kwalificeert als cultureel erfgoed in de zin van de Erfgoedwet en dat de helm daarom waarschijnlijk niet in buitenlandse handen mag komen. De Gemeente heeft daarvoor behalve naar de Erfgoedwet ook verwezen naar de rapporten van de partijdeskundigen. [B] heeft geschreven dat het voor de museale wereld nuttig is dat de helm op de lijst van Nederlands cultureel erfgoed wordt geplaatst. En ook [C] heeft geschreven dat de helm voor de Romeinse geschiedenis op het huidige grondgebied van Nederland van groot belang is en dat het te verwelkomen is dat de helm in een veel bezocht museum wordt tentoongesteld. Hij heeft bovendien geschreven dat de helm ‘ohne Zweifel der Kategorie von bedeutendem nationalem Kulturgut entspricht’ en dat het ‘wohl kaum eine Exportbewilligung von den Niederlanden erhalten würde.’ [eiser] heeft hier geen inhoudelijke argumenten tegenover gezet. De rechtbank oordeelt daarom dat de relevante markt om de waarde van de helm te bepalen de Nederlandse markt is.

Marktwaarde wordt bepaald door de vraag

4.8.

De helm is voor Nederland uniek. Er worden geen zelfde Romeinse helmen aangeboden op de Nederlandse markt. Daarom kan de waarde van de helm niet bepaald worden door een vergelijking met ander aanbod. De waarde moet daarom worden bepaald aan de hand van de vraag naar de helm. Die vraag heeft in de afgelopen twintig jaar geleid tot niet meer dan één concrete bieding. Dat is de bieding van het RMO. Partijen hebben niet gesteld dat een andere rechtspersoon of particulier zich heeft gemeld en een bod heeft gedaan. Het RMO is een deskundig en gezaghebbend instituut. Het was, en is mogelijk nog steeds, bereid om samen met de Gemeente eigenaar te worden van de helm. Uit de brief van 22 augustus 2016 blijkt dat het RMO de helm als een archeologisch topstuk van nationaal belang beschouwt dat het waard is om volledig openbaar kunstbezit te worden. Ook blijkt uit de brief dat het bod van het RMO zorgvuldig tot stand is gekomen. Zowel de restaurator als de conservator van het RMO hebben de helm zelf in ogenschouw genomen alvorens een bod te doen. De rechtbank zal voor de bepaling van de marktwaarde van de helm aanknopen bij dit bod. Dat betekent dat de marktwaarde van de helft van de helm in 2016 op een bedrag van € 50.000 kan worden bepaald.

Aanleiding voor bijstelling?

4.9.

De rechtbank heeft geen concrete gegevens om te oordelen dat de waarde van de helft van de helm op een ander, hoger of lager, bedrag moet worden bepaald. Het bod van het RMO is veel hoger dan de taxatie van de waarde van [B] (€ 27.500 voor de helft) en veel lager dan de taxatie van [C] (€ 75.000 tot € 100.000 voor de helft). Maar de taxaties van [B] en [C] lopen dan ook zeer sterk uiteen. De rechtbank kan niet oordelen dat één van deze taxaties beter is dan de andere. Beide taxaties zijn uitgebracht door deskundige archeologen die al jarenlang in kunst handelen. De taxatie van [B] wordt ondersteund door de taxatie van Gorny & Mosch uit 2004 en ligt ook niet heel ver af van de taxatie door Christie’s in 2015, zeker niet als in aanmerking wordt genomen dat Christie’s geen rekening heeft gehouden met de beperking tot de Nederlandse markt. De taxatie van [C] is meer in lijn met de taxatie van Bonham’s. De rechtbank oordeelt het niet zinvol om nog andere deskundigen te vragen om de helm te taxeren. Ook uit de eerdere taxaties van Christie’s en Bonham’s blijkt immers dat de waarderingen van de helm sterk uiteen kunnen lopen, ook als op zichzelf deskundige en gelijkwaardige partijen de taxaties doen. Met de benoeming van weer andere deskundigen wordt het probleem van de vaststelling van de marktwaarde van een uniek stuk dus niet opgelost. De rechtbank kiest er daarom in dit geval voor de waarde te bepalen aan de hand van het bod van het RMO. Dat bod is gedaan in 2016.

4.10.

[eiser] heeft onder punt 13 van zijn processtuk van 21 april 2020 geschreven dat een vergoeding op basis van het bod van het RMO voor hem volstrekt onbespreekbaar is omdat hij dit bod veel te laag vindt. De rechtbank heeft zich dat gerealiseerd. Het moet voor [eiser] een tegenvaller zijn dat de helm Nederland naar alle waarschijnlijk niet zal mogen verlaten en dat de waarde van de helm daardoor niet bepaald kan worden op een gespecialiseerde veiling in Londen of New York. Maar het algemene belang van behoud van bijzonder Nederlands cultuurhistorisch erfgoed dient in dit geval te prevaleren boven het individuele financiële belang van de (rechtsopvolger van) de vinder van een bodemschat.

Inflatie en corona-crisis

4.11.

Om de waarde aan de hand van het bod van het RMO van 2016 te vertalen naar een waarde per de datum van dit vonnis, zal de rechtbank uitgaan van enige prijsinflatie in de afgelopen vier jaren, ook voor unieke stukken. Die prijsinflatie wordt voor deze helm geschat op in totaal 5%. Daarom zal de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid bepalen dat de Gemeente voor een bedrag van € 52.500 wordt overbedeeld en zal de Gemeente worden veroordeeld om dit bedrag aan [eiser] te betalen. De rechtbank houdt geen rekening met de corona-crisis. Partijdeskundige [C] heeft gerapporteerd dat die crisis niet van invloed is op de waarde van de helm. Partijen hebben niet gesteld dat dit wel zo is.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

4.12.

De Gemeente heeft zich verzet tegen de uitvoerbaarheid bij voorraad van dit vonnis voor het geval de waarde van de gehele helm door de rechtbank op een hoger bedrag wordt bepaald dan op het bedrag van de taxatie van [B] . Dat is het geval. De rechtbank waardeert de helft van de helm op een bedrag dat bijna gelijk is aan de taxatie van [B] voor het geheel. De Gemeente heeft voor dat geval aangevoerd dat zij in hoger beroep misschien alsnog gelijk zal krijgen en geen incassorisico wil lopen met collectieve middelen. Daarover overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat de Gemeente niet heeft onderbouwd dat sprake is van een reëel incassorisico. Maar belangrijker is dat een incassorisico op zichzelf ook geen reden is om een vonnis in eerste aanleg niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daar komt dan nog bij dat [eiser] lang genoeg in de onverdeeldheid heeft gezeten. Zelfs in het geval de belangen van beide partijen bij uitvoerbaarheid bij voorraad zouden moeten worden afgewogen, heeft te gelden dat het belang van [eiser] de doorslag moet krijgen. Het vonnis zal dus uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Betaling in termijnen

4.13.

De Gemeente heeft betaling in termijnen genoemd maar niet concreet gevraagd. De rechtbank ziet geen aanleiding om ambtshalve betaling in termijnen toe te staan. De rechtbank zal de Gemeente wel één maand de tijd geven om aan het vonnis te voldoen. Pas daarna zal wettelijke rente over het bedrag van de overbedeling verschuldigd worden.

Proceskosten

4.14.

Vanwege de aard van dit geschil, verdeling van een gemeenschap, dient iedere partij de eigen kosten te dragen.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

stelt de verdeling van de helm vast zoals hiervoor onder 4.4. is overwogen;

5.2.

veroordeelt de Gemeente om aan [eiser] wegens overbedeling te betalen een bedrag van € 52.500 vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf één maand na heden tot aan de voldoening;

5.3.

verklaart voormelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2020.