Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5869

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
24-12-2020
Datum publicatie
07-12-2021
Zaaknummer
UTR 19/5369
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WIA-uitkering. Juistheid medische beoordeling. Eiseres moet de geduide functies kunnen verrichten. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 19/5369

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H. Giard),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. F.A.M. Delfgaauw).

Procesverloop

Met het besluit van 5 april 2019 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij vanaf

11 juli 2018 44,57% arbeidsongeschikt is. Op basis van dit verminderde arbeidsongeschiktheidspercentage is de uitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA-uitkering) vanaf 1 juli 2019 aangepast.

Met het besluit van 6 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2020. Eiseres was samen met haar gemachtigde op de zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres werkte als

bewegingstherapeut voor 32,15 uur per week. Op 15 oktober 2012 viel zij uit, wegens psychische klachten en chronische vermoeidheid. Op 20 juli 2014 heeft eiseres een WIA-uitkering aangevraagd. Bij het bestreden besluit van 4 mei 2015 heeft verweerder eiseres per 13 oktober 2014 40,59% arbeidsongeschikt verklaard. Vanaf die datum heeft zij daarom recht op een WIA-uitkering.

2. Op 19 september 2017 maakte eiseres melding van een verslechterde

gezondheidssituatie per 19 april 2017. Bij besluit van 12 februari 2018 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij vanaf 19 april 2017 50,62% arbeidsongeschikt is.

3. Op 29 oktober 2018 maakte eiseres wederom melding van een verslechterde

gezondheidssituatie per 11 juli 2018. Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’. Daarbij heeft verweerder zich gebaseerd op medische en arbeidskundige rapportages.

Nieuw stuk van eiseres

4. Op de zitting heeft eiseres kenbaar gemaakt het rapport van [kliniek] over de

functionele screening van oktober 2019 te willen overleggen. Zij heeft daarnaar in de aanvulling van haar beroepsgronden van 17 februari 2020 verwezen, maar dit niet eerder overgelegd. De rechtbank overweegt hierover dat partijen op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat zij niet adequaat op dit rapport in zou kunnen gaan, omdat zij niet in de gelegenheid is om een verzekeringsarts daarnaar te laten kijken en daarop een reactie te formuleren. Verweerder zou hierdoor in zijn procesvoering worden bemoeilijkt. De rechtbank heeft het overleggen van dit rapport ter zitting daarom niet toegelaten, omdat dat in strijd zou zijn met de goede procesorde.

Beoordelingskader

5. Bij haar beoordeling van deze zaak stelt de rechtbank voorop dat verweerder besluiten

over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, wanneer deze op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende begrijpelijk zijn. Het is aan eiseres om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapporten niet aan de genoemde eisen voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapport van een arts noodzakelijk. Dit brengt mee dat de manier waarop iemand zelf zijn gezondheidsklachten ervaart, geen toereikende grondslag vormt voor het aannemen van een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.

Is de medische beoordeling juist?

6. Eiseres voert aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep Van den Broeke-Spieker

ten onrechte stelt dat sprake is van lichte beperkingen. Daarmee heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen onjuist en onvolledig vastgesteld. Eiseres acht zich in algemene zin uitermate beperkt. Zij is namelijk chronisch vermoeid en de klachten verergeren zich. In dat verband verwijst eiseres in het beroepschrift naar de functionele screening in oktober 2019 bij [kliniek] . Daaruit blijkt volgens eiseres dat zij zeer laag op prestatievermogen scoort en dat haar belastbaarheid zowel mentaal als fysiek nihil is. Eiseres is overbelast en daarom heeft [kliniek] haar geadviseerd om stress te vermijden en niet over haar grenzen heen te gaan. Ook dient zij zuinig om te gaan met bewegen. Ter zitting heeft eiseres ter zitting de grond dat zij duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is ingetrokken.

7. De rechtbank stelt vast dat in het beroepschrift slechts wordt verwezen naar de

functionele screening in oktober 2019 bij [kliniek] , waarvan het rapport niet is bijgevoegd. De rechtbank concludeert dat in de gewijzigde functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 27 september 2019 al verschillende beperkingen zijn aangenomen die zien op de mentale belastbaarheid van eiseres, namelijk dat zij is aangewezen op een voorspelbare werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen en zonder veelvuldige deadlines of productiepieken. Ook kan zij niet flexibel inspelen op sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden en/of taakinhoud. Verder is eiseres aangewezen op werk waarin geen hoog handelingstempo is vereist. Daarnaast heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep Van den Broeke-Spieker aanvullende beperkingen vastgesteld op het gebied van aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Van den Broeke-Spieker ook rekening gehouden met de vastgestelde diagnose fibromyalgie en aanwijzingen voor poly-articulaire artrose, aan vooral de handen en in de nek met vergroeiingen aan handgewrichten en bewegingsbeperking. Van den Broeke-Spieker heeft namelijk in de gewijzigde FML een beperking vastgesteld ten aanzien van knijp- en grijpkracht, schroefbewegingen met hand en arm met kracht, duwen of trekken, frequent lichte voorwerpen hanteren tijdens het werk, klimmen op een ladder, zitten en staan tijdens het werk en geknield of gehurkt actief zijn.

8. De rechtbank oordeelt dat uit de gewijzigde FML kan worden geconcludeerd dat de

verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen van eiseres en de daaruit voortvloeiende functionele mogelijkheden. Dat eiseres het niet eens is met de vastgestelde beperkingen of deze beperkingen te licht vindt, kan op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat de medische beoordeling onjuist is. Het is juist de specifieke deskundigheid van de verzekeringsartsen om op basis van medisch objectiveerbare klachten beperkingen vast te stellen. Aan hoe eiseres zelf haar klachten en haar belastbaarheid ervaart, kan bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid geen doorslaggevende betekenis toekomen. De grond slaagt niet.

9. Daarnaast voert eiseres aan dat ten onrechte geen urenbeperking is vastgesteld, terwijl de

verzekeringsarts bezwaar en beroep aangaf wel een beperking op uren aan te nemen. Eiseres vindt het onduidelijk hoe deze werktijden zijn beoordeeld. Zij acht zich niet in staat om 8 uur per dag, 40 uur per week gangbare arbeid te verrichten.

10. De rechtbank stelt vast dat de primaire verzekeringsarts Van den Beukel in de FML heeft

opgenomen dat eiseres niet ’s avonds en ’s nachts kan werken en geen onregelmatige diensten kan draaien gelet op het belang van eiseres van een intact bioritme. De verzekeringsarts bezwaar en beroep Van den Broeke-Spieker heeft in de gewijzigde FML een urenbeperking toegevoegd, gelet op de chronische pijnklachten die eiseres ervaart. Deze beperking houdt in dat eiseres gemiddeld ongeveer 8 uur per dag werken en gemiddeld ongeveer 40 uur per week kan werken.

11. De rechtbank overweegt dat de kwalificatie enigszins beperkt leidt tot een kwalificatie

van ongeveer 8 uur per dag en 40 uur per week. Bij de kwalificatie normaal wordt de term tenminste 8 uur per dag en 40 uur per week gehanteerd. Hiermee is dus wel sprake van een urenbeperking, al ervaart eiseres dat kennelijk niet zo. Daarom heeft eiseres ten onrechte aangevoerd dat verweerder geen urenbeperking heeft vastgesteld. Eiseres heeft niet onderbouwd dat een verdergaande urenbeperking aangenomen moet worden. De grond slaagt niet.

Is de arbeidskundige beoordeling juist?

12. Tegen de arbeidskundige grondslag van het besluit heeft eiser geen beroepsgronden naar

voren gebracht, anders dan dat zij de functies om medische redenen niet kan verrichten.

13. De rechtbank oordeelt dat verweerder met de arbeidskundige rapportages voldoende

heeft gemotiveerd waarom de functies de belastbaarheid van eiseres niet overschrijden. Eiseres moet de geduide functies daarom kunnen verrichten.

Conclusie

14. De rechtbank oordeelt dat de medische beoordeling juist is vastgesteld. Eiseres heeft geen

nieuwe medische informatie aangedragen waarmee zij twijfel zaait over de juistheid van de rapporten van de verzekeringsartsen van verweerder. De arbeidskundige rapportages tonen voldoende gemotiveerd aan dat eiseres de geduide functies moet kunnen verrichten. Verweerder heeft daarom terecht bepaald dat eiseres vanaf 11 juli 2018 44,57% arbeidsongeschikt is en de WIA-uitkering vanaf 1 juli 2019 wordt aangepast.

15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.A. Koeman, griffier. De beslissing is uitgesproken op 24 december 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.