Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:5847

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
29-12-2020
Datum publicatie
28-01-2021
Zaaknummer
16/167069-20; 16/199931-18; 16/077889-20; 16/123765-20 en
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich in een periode van ongeveer twee jaar schuldig gemaakt aan zeven verschillende strafbare feiten. Deze feiten houden (vrijwel) alle verband met haar wens om (opnieuw) het gezag te verkrijgen over haar zoon, die nu bij haar ex-man/partner woont. Veroordeling voor opzettelijk handelen in strijd met gedragsaanwijzing, mishandeling, smadelijke berichten, lokaalvredebreuk en belaging. De rechtbank veroordeelt de vrouw tot een gevangenisstraf van 200 dagen, waarvan 96 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast leg de rechtbank een contact- en gebiedsverbod op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummers: 16/167069-20; 16/199931-18; 16/077889-20; 16/123765-20 en

16/186652-20 (gev. ttz) (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 29 december 2020

in de strafzaak tegen

[verdachte] .

geboren op [1973] te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , te [woonplaats] .

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 29 juli 2020, 6 oktober 2020 en 15 december 2020.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. drs. T. van Haaren-Paulus en van hetgeen verdachte en haar raadsman mr. W.M. Ramnun, advocaat te Breda, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, in het kort, op neer dat verdachte:

16/167069-20

(hierna: feit 1)

op 26 juni 2020 te [woonplaats] opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering;

16/199931-18

(hierna: feit 2)

op 5 juni 2018 te [woonplaats] , een ambtenaar, [slachtoffer 1] , gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld;

16/077889-20

(hierna: feit 3)

zich in de periode van 18 december 2019 tot en met 6 januari 2020 te [woonplaats] schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift jegens [slachtoffer 1] ;

16/123765-20

feit 1 (hierna: feit 4)

zich op 7 juni 2019 te [woonplaats] schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift jegens [slachtoffer 2] en/of [aangever 1] en/of (medewerkers van) [naam] ;

feit 2 (hierna: feit 5)

op 4 december 2019 te [woonplaats] in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten sporthal [sporthal] ( [adres] ), wederrechtelijk aldaar vertoevende

zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar, aanstonds heeft verwijderd;

feit 3 (hierna: feit 6)

in de periode van 18 november 2019 tot en met 4 december 2019 te [woonplaats] [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft belaagd;

feit 4 (hierna: feit 7)

in de periode van 19 februari 2020 tot en met 27 februari 2020 te [woonplaats] meermalen opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering;

16/186652-20

(hierna: feit 8)

primair

zich in de periode van 6 maart 2020 tot en met 24 mei 2020 te [woonplaats] schuldig heeft gemaakt aan laster jegens [slachtoffer 5] ;

subsidiair

in de periode van 6 maart 2020 tot en met 24 mei 2020 te [woonplaats] , schuldig heeft gemaakt aan smaadschrift jegens [slachtoffer 5] .

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 8 primair tenlastegelegde. Zij acht het onder 1 tot en met 5, 6 (met uitzondering van het zesde gedachtestreepje, omdat dit niet in de ten laste gelegde periode valt), 7 en 8 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 2, 4, 6, 7 en het onder 8 primair en subsidiair tenlastegelegde. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft bewezenverklaring van het onder 1, 3 en 5 tenlastegelegde.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 7

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder 7 tenlastegelegde. Hoewel uit het procesdossier blijkt dat de kaarten afkomstig zijn van verdachte, kan niet worden vastgesteld dat verdachte ook degene is geweest die de kaarten door de brievenbus van de woning van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] heeft gedaan.

Vrijspraak feit 8 primair

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder 8 primair ten laste gelegde laster. Voor bewezenverklaring van laster is noodzakelijk dat degene die het misdrijf van smaad(schrift) pleegt weet dat het bepaalde feit waarvan hij de beledigde beschuldigt in strijd met de waarheid is. Op basis van het procesdossier kan de rechtbank niet vaststellen dat verdachte wist dat de feiten waarvan zij het slachtoffer, [slachtoffer 5] , beschuldigde in strijd met de waarheid waren.

Bewijsmiddelen feit 1 1

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het onder 1 ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 december 2020;

  • -

    een proces-verbaal van bevindingen;2

- een proces-verbaal van gerechtelijk schrijven en (tweede verlenging d.d. 20 mei 2019 van de) gedragsaanwijzing d.d. 5 december 2019.3

Bewijsmiddelen feit 2 4

[slachtoffer 1] heeft aangifte gedaan. Zij heeft het volgende verklaard, voor zover relevant voor het bewijs:

Ik ben werkzaam als [naam] zorgcoördinator vangnet en advies in de regio [regio] . Ik begeleid het proces van een cliënt, [verdachte] . [verdachte] heeft haar dossier opgevraagd bij de [naam] . Dit leidde bij [verdachte] tot veel onrust met als gevolg dat ze continu contact zocht via telefoon en mail. Ik heb besloten om bij [verdachte] langs te gaan om haar uitleg te geven. Op 5 juni 2018 bezocht ik [verdachte] thuis te [woonplaats] .5 [verdachte] werd erg boos. Ze ging volledig door het lint. Ik hoorde dat ze op een krijsende manier tekeer ging. Ik merkte dat [verdachte] achter mij aankwam, ik voelde mij angstig. Ik deed de voordeur open en ik liep naar buiten. Ik hoorde [verdachte] nog steeds krijsend achter mij aan. Ik voelde plotseling een harde klap op mijn rechterschouder. Ik voelde pijn op de plek waar [verdachte] mij had geslagen.6

[getuige 1] is als getuige gehoord. Zij heeft het volgende verklaard, voor zover relevant voor het bewijs:

O: U bent op 5 juni 2018 mogelijk getuige geweest van een mishandeling.

V: Kunt u mijn vertellen wat u gezien heeft?

A: Ik hoorde de buurvrouw erg hard tekeer gaan.7 Ik liep richting de woning van de buurvrouw en zag een voor mij onbekende vrouw (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]) tegenover de buurvrouw staan. Ik zag dat mijn buurvrouw, [verdachte] , de vrouw een harde zet tegen de schouder gaf.

V: Waar werd mevrouw geraakt?

A: Op haar schouder. Erg hard ook.

V: Hoe zag u dat, dat de duw hard was?

A: De buurvrouw en de vrouw stonden tegen over elkaar op ongeveer een meter afstand. Ik zag dat [verdachte] haar armen en bovenlichaam snel naar voren bewoog in de richting van de vrouw en ik zag dat [verdachte] de vrouw op de schouder raakte. Ik zag dat de vrouw door de duw/klap haar evenwicht verloor en naar achteren deinsde. [verdachte] ogen vielen mij op. Een hele felle blik en hele kleine pupillen, alsof ze van de wereld af was.8

Bewijsoverweging feit 2

Op basis van voornoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 5 juni 2018 in [woonplaats] aangeefster [slachtoffer 1] heeft geslagen/geduwd tegen haar schouder. Door en namens verdachte is aangevoerd dat zij aangeefster alleen een schouderklopje heeft gegeven en geen opzet heeft gehad op mishandeling. Dat verweer wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. Zowel aangeefster als getuige [getuige 1] hebben verklaard dat verdachte met kracht tegen de schouder van aangeefster heeft geslagen/geduwd. Daarnaast hebben zij beiden verklaard over de emotionele toestand van verdachte op dat moment: zij was boos, schreeuwde en keek fel uit haar ogen. De rechtbank weegt dat mee in haar overtuiging dat verdachte aangeefster heeft geslagen/geduwd. Door op die manier te handelen heeft verdachte het (voorwaardelijk) opzet gehad op de mishandeling van aangeefster. Daar doet de door de verdediging genoemde omstandigheid dat aangeefster en verdachte elkaar vervolgens de hand schudden niet aan af. De rechtbank zal feit 2 bewezen verklaren (zoals hieronder onder rubriek 5 is weergegeven).

Bewijsmiddelen feit 3 9

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het onder 3 ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 december 2020;

  • -

    een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] ;10

- een proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie.11

Bewijsmiddelen feit 4 12

[aangever 2] heeft namens [slachtoffer 2] aangifte gedaan. Hij heeft het volgende verklaard, voor zover relevant voor het bewijs:

Hierbij doe ik aangifte namens [naam] Midden Nederland en een bestuurder van [naam] : [slachtoffer 2] . Ik ben regiomanager van [naam] Midden Nederland, door mijn functie ben ik gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik overhandig u de aangifte die is opgesteld door meneer [slachtoffer 2] deze kunt u gebruiken als de aangifte, bij deze aangifte zit ook een bijlage van het genoemde pamflet van mevrouw [verdachte] .13

In de bijlage bij deze aangifte zit een brief van [slachtoffer 2] , bestuurder van [naam] Midden-Nederland, inhoudende, voor zover relevant voor het bewijs:

Mevrouw [verdachte] heeft het hierbij gevoegde pamflet, zijnde een smaadschrift, gemaakt en op 7 juni 2019, verspreid in [woonplaats] met als doel de aanranding van de eer en goede naam van genoemde personen. Uit een buurtonderzoek uitgevoerd door de wijkagent, is gebleken dat zij kopieën van dit smaadschrift heeft uitgedeeld aan passanten op de openbare weg in [woonplaats] . Ik doe aangifte, omdat de betreffende medewerkers zich in hun goede naam en eer aangetast voelen door middel van het publiek maken van deze feiten.14

Het pamflet bevat onder andere de tekst, voor zover relevant voor het bewijs:

“ [naam] , een kinderhandel organisatie betaald door het volk (…)

In Midden Nederland is er een maffia organisatie actief, die heet [naam] midden Nederland.

(…)

[slachtoffer 2]

(…)

[aangever 1] 15

(…)

georganiseerde kinderhandel (…)deze kille handelaren (…) Ze hebben verstand van het handelen in kinderen.”16

Aangever heeft uitdrukkelijk verzocht om tot vervolging van de mogelijke dader(s) over te gaan.17

Verbalisant [verbalisant 1] heeft in een proces-verbaal van bevindingen onder meer het volgende gerelateerd, voor zover relevant voor het bewijs:

Op 7 juni 2019 te [woonplaats] zag ik een vrouw lopen op het [straat] . Ik herkende deze vrouw ambtshalve als: [verdachte] . Ik hoorde dat [verdachte] zei dat zij flyers aan het verspreiden was over ‘ [naam] ’. Ik vroeg aan haar of ik ook een flyer mocht hebben. Hierop kreeg ik een flyer van [verdachte] overhandigd. Ik zag dat bovenaan deze flyer stond: " [naam] , een kinderhandel organisatie betaald door het volk". Verder zag ik, verbalisant [verbalisant 1] , dat er op deze flyer twee bestuurders van ' [naam] ' vermeld stonden. De betreffende flyer wordt als bijlage 2 bij dit proces-verbaal van bevindingen gevoegd.18

Verbalisant [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben in een proces-verbaal van buurtonderzoek onder meer het volgende gerelateerd, voor zover relevant voor het bewijs:

Op 8 juni 2019 hebben wij een buurtonderzoek ingesteld op het [straat] te [woonplaats] . Dit onderzoek hebben wij ingesteld naar aanleiding van flyers die mogelijk op 7 juni 2019 verspreid zijn.

- [adres] : bewoonster [getuige 2] gaf aan dat zij gisterenavond een flyer met twee foto’s erop van een vrouw voor haar woning heeft ontvangen. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , kreeg van [getuige 2] de betreffende flyer overhandigd.19

Bewijsoverweging feit 4

Door en namens verdachte is aangevoerd dat geen sprake was van smaadschrift, omdat verdachte te goeder trouw heeft gehandeld, zodat sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Dat artikel luidt: “Noch smaad, noch smaadschrift bestaat voor zover de dader heeft gehandeld tot noodzakelijke verdediging, of te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het te last gelegde waar was en dat het algemeen belang de telastlegging eiste.” Ter onderbouwing van die stelling heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet de enige is die negatieve ervaringen heeft met [naam] , dat daar zelfs schriftelijk vragen over zijn gesteld in de gemeente en er verschillende artikelen in de media zijn verschenen over de onjuiste werkwijze van [naam] . Volgens de verdediging heeft verdachte haar flyer/pamflet gebaseerd op die artikelen. De rechtbank verwerpt dat verweer. De teksten op de flyer/het pamflet van verdachte zijn geenszins een (juiste) weergave van wat in bovengenoemde artikelen is geschreven. De teksten op de flyer/het pamflet zijn onmiskenbaar onwaar en door verspreiding daarvan tasten zij de eer en goede naam van de medewerkers van [naam] aan. De rechtbank zal feit 4 bewezen verklaren (zoals hieronder onder rubriek 5 is weergegeven).

Bewijsmiddelen feit 5

Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het onder 5 ten laste gelegde feit bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor dit feit bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 december 2020;

  • -

    een proces-verbaal van bevindingen.20

Bewijsmiddelen feit 6

[slachtoffer 3] heeft aangifte gedaan. Hij heeft het volgende verklaard, voor zover relevant voor het bewijs:

Op 18 november 2019 is door twee medewerkers van politie aan [verdachte] , bij haar

woning, een stopbrief uit naam van mij overhandigd. [verdachte] heeft na het uitreiken van de stopbrief op 18 november 2019, op 20 november 2019 een bezoek gebracht aan de volleybaltraining van [slachtoffer 4] . Ik heb direct de politie gebeld. [verdachte] is op enig moment van de tribune naar de kantine gegaan. Daar is [verdachte] helemaal los gegaan tegen de beheerder van de kantine, waar ik filmopnamen van gemaakt heb.21 [verdachte] heeft in haar monoloog tegen de uitbater vele lasterlijke uitspraken over mij gedaan. Altijd haalt [verdachte] aan dat ik pedofiel ben en op jonge meisjes val. Ook een week later, op 27 november 2019 is [verdachte] verschenen in de sporthal. [slachtoffer 4] is huilend van de training naar de kantine gelopen. [verdachte] doet vaak lasterlijke uitspraken. Op internet, in Twitterberichten, op YouTube, maar ook in de straat waar ik woon, in de muziekschool, bij mijn directe buurvrouw, bij de ouders van [A] in de woning, heeft [verdachte] uitspraken gedaan over pedofilie en mijn voorkeur voor jonge meisjes. Op 27 november 2019 is [verdachte] ook nog bij mijn woning verschenen. Bij de voordeur was ze weer bezig eten uit te laden. Het bakje eten dat [verdachte] bij mij op 27 november 2019 neerzette heb ik met een boog op straat gegooid in de hoop dat bij [verdachte] het kwartje valt.22

Als bijlage bij de aangifte zit een geschrift waarin aangever de incidenten met verdachte heeft bijgehouden, daarin staat, voor zover relevant voor het bewijs:

2019

Maandag 18-11

https://twitter.com/ [bericht]

“mn ex die zeer veel pedofiele kenmerken heeft. Mijn ex, die alles doet om een intelligente gehechte moeder uit de buurt van onze door hem verwaarloosde moeder weg te houden, opdat hij ONGESTOORD in de wereld van de kleine meisjes is.”23

Zaterdag 23-11

[verdachte] stuurt de eigenaresse van de logopediepraktijk in de nacht een 9 minuten durend audiobericht.24 Bestand staat in map bijlagen_aangifte/whatsapp/ [bericht]

Vanaf [2:04] gaat het weer meer over mij.

Vanaf [3:20] ben ik weer een pedofiel.25

Woensdag 20-11 (sporthal kantine)

bijlagen_aangifte/in-levende-lijve/20191120_172530.mp4

“U bent de beheerder? Zijn vader heeft in een jongentjesinternaat gezeten en is daar

opgeleid tot pedofiel. Maar ik zou hem wel in de gaten houden want hij geilt op kleine meisjes. [slachtoffer 3] geilt op kleine meisjes. Zo tussen de 10 en 15 vind ie het leukst.”26

Verbalisant [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben in een proces-verbaal van bevindingen onder meer het volgende gerelateerd, voor zover relevant voor het bewijs:

Op 18 november 2019 bevonden wij ons, in politie uniform gekleed en met de wijkdienst belast, nabij de woning [adres] te [woonplaats] . Wij bevonden ons daar om een stopbrief uit te reiken aan [verdachte] , woonachtig op voornoemd adres. Deze stopbrief was afkomstig en hoofdzakelijk opgesteld door haar ex partner [slachtoffer 3] .27 Ik, verbalisant [verbalisant 3] , gaf [verdachte] een envelop met daarin de voornoemde stopbrief. Deze stopbrief is als bijlage bij dit proces-verbaal gevoegd.28 Ik, verbalisant [verbalisant 3] , zei tegen [verdachte] dat dit een stopbrief was afkomstig van haar ex vriend [slachtoffer 3] en dat het ging over de stalking, smaad en laster die ze deed in [woonplaats] rondom [slachtoffer 3] en haar zoon [slachtoffer 4] , en dat dit moest stoppen.29

Verbalisant [verbalisant 5] heeft in een proces-verbaal van bevindingen onder meer het volgende gerelateerd, voor zover relevant voor het bewijs:

Relaas m.b.t. BVH registraties [verdachte] :30

2019

Registratie: 2019345580 Titel: Stopbrief uitgereikt

[verdachte] heeft, ondanks dat zij vanuit de stopbrief weet dat zij daar niet gewenst is,

een bezoek gebracht aan de sporthal, terwijl haar zoon [slachtoffer 4] er volleybal training had.

Om te voorkomen dat e.e.a. zou escaleren heeft de vader van [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] , de

politie gebeld, maar vond de meldkamer het niet nodig een auto te sturen, er was

onvoldoende grond voor. Terwijl [slachtoffer 3] nog met de meldkamer aan de lijn hing, escaleerde de zaak al. [slachtoffer 4] raakte overstuur, kroop bij [slachtoffer 3] op schoot, die de meldkamer probeerde te overtuigen van de urgentie van de zaak. [verdachte] drong zich ondertussen op aan [slachtoffer 4] . [slachtoffer 4] wilde niet meer blijven. [verdachte] is overigens later ook nog aan de deur geweest, waarbij zij een bakje eten aanbood toen [slachtoffer 3] de deur opende. [slachtoffer 3] heeft het bakje eten van zich afgeworpen in de hoop dat het kwartje bij [verdachte] valt. Ook van de komst aan de deur zijn er opnamen. [slachtoffer 4] heeft veel gehuild die woensdagmiddag. Daarnaast is [slachtoffer 4] zo bang geworden, dat [slachtoffer 3] hem niet meer alleen kan laten.31

Verbalisant [verbalisant 6] en [verbalisant 7] hebben in een proces-verbaal van bevindingen onder meer het volgende gerelateerd, voor zover relevant voor het bewijs:

Op 4 december 2019 opdracht te gaan naar de sporthal [sporthal] gevestigd aan de [adres] (de rechtbank begrijpt: te [woonplaats]). Ter plaatse zagen wij op de trap die naar de tribunes leidt mevrouw [verdachte] staan. Ik verbalisant [verbalisant 6] sprak mevrouw [verdachte] aan en deelde haar mede dat zij beter de sporthal diende te verlaten omdat zij daar niet gewenst was.32

Verdachte heeft ter terechtzitting van 15 december 2020 onder andere het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:

U, voorzitter, houdt de aangifte van [slachtoffer 3] voor. Het klopt dat ik naar de volleybaltraining van mijn zoon ben geweest. Dat doe ik al maanden. Het kan ook kloppen dat ik dat in november en december 2019, na het uitreiken van de stropbrief, nog heb gedaan. Het klopt dat ik eten voor de woning van mijn zoon heb gezet. Mijn ex-man heeft het eten terug op straat gegooid. U, voorzitter, vraagt mij waarom ik heb aangegeven dat [slachtoffer 3] pedofiel is. Hij heeft afwijkende seksuele voorkeuren. Hij is altijd op plekken met kleine kinderen.

Bewijsoverweging feit 6

Op grond van de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte [slachtoffer 4] , haar zoon, op meerdere tijdstippen in de tenlastegelegde periode heeft opgezocht in de sporthal waar hij volleybaltraining had. Ook heeft zij voor de woning van haar zoon en ex-man – [slachtoffer 3] – voedsel neergezet, een bericht over [slachtoffer 3] op Twitter geplaatst (waarin zij aangeeft dat hij pedofiel is) en (mondeling/via audiobericht) aan verschillende mensen aangegeven dat [slachtoffer 3] pedofiel is. Op 23 april 2018 is bij rechterlijke uitspraak het ouderlijk gezag van verdachte over haar zoon beëindigd. In de periode voorafgaand aan, tijdens en na die rechterlijke uitspraak heeft verdachte [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] op verschillende manieren benaderd. Op 18 november 2019 heeft de politie daarom namens hen een stopbrief aan verdachte uitgereikt. Bovengenoemde handelingen heeft verdachte gepleegd nadat zij deze stopbrief had ontvangen. Zij wist dan ook dat haar pogingen om in contact te komen met haar zoon niet op prijs werden gesteld. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .

Door en namens verdachte is aangevoerd dat er geen sprake is van belaging, omdat zij niet het oogmerk heeft gehad om [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] te dwingen iets te doen, iets niet te doen, iets te dulden en/of vrees aan te jagen. Verdachte heeft verklaard dat zij alleen haar zoon wilde zien. Dat betekent dat zij het oogmerk had [slachtoffer 4] te dwingen contact met haar te hebben dan wel dat contact te dulden en [slachtoffer 3] (als ouder met gezag) dit contact toe te staan/te dulden. De rechtbank zal feit 6 bewezen verklaren (zoals hieronder onder rubriek 5 is weergegeven).

Partiële vrijspraak feit 6

De rechtbank spreekt verdachte vrij van de volgende gedachtestreepjes, onder feit 6 ten laste gelegd:

- foto’s van [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] op Facebook te plaatsen;

- op YouTube filmpjes te plaatsen, waarin verdachte zich negatief uitlaat over [slachtoffer 3] en/of meerdere betrokkenen rondom [slachtoffer 4] ;

- WhatsApp berichten te sturen aan [B] (vriendin van [slachtoffer 3] ).

Uit het procesdossier komt het beeld naar voren dat verdachte gedurende een langere tijd (dan ten laste is gelegd) op verschillende manieren (onder andere door bovengenoemde handelingen) inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . Op basis van het procesdossier kan echter niet worden vastgesteld dat verdachte bovengenoemde handelingen in de ten laste gelegde periode (dus na het uitreiken van de stopbrief op 18 november 2019, tot en met 4 december 2019) heeft gepleegd.

Bewijsmiddelen feit 8 33

[slachtoffer 5] heeft op datum aangifte gedaan. Hij heeft het volgende verklaard, voor zover relevant voor het bewijs:

Hierbij doe ik vanuit mijn functie als politiemedewerker aangifte van smaad/laster

tegen [verdachte] . Ik ben waarnemend wijkagent in de wijk waarin mevrouw [verdachte] woont.34 Op 6 maart 2020 had [verdachte] mij getagd had op social media, op Twitter, in een tweet. Ik zag in deze tweet een foto van billen met op de linker bil een blauwe

plek. Bij de foto stond de tekst:

"Mijn bil bevat n paar blauwe plekken, meneer de wijkagent verloor zijn zelfbeheersing. Kijk mijn bil:"

Door deze tweets ben ik als wijkagent van de [wijk] te [woonplaats] in mijn goede naam en eer aangetast. Tevens doordat dit online staat en het daardoor een groter bereik heeft gekregen.35

[slachtoffer 5] is als aangever gehoord. Hij heeft het volgende verklaard, voor zover relevant voor het bewijs:

Hierbij doe ik vanuit mijn functie als politiemedewerker aanvullende aangifte van smaad/laster tegen [verdachte] . Op 29 maart 2020 heeft [verdachte] wederom een bericht op Twitter gezet waarin zij mijn naam noemt en mij tagt. Het betreft de berichten:

"Jarig. 4e verjaardag zonder mijn zoon. Uit mijn leven weggepest door groepspesterijen. Veelal dikke vrouwen die onder hun laag vet zelf de nodige problemen verbergen en zich met behulp van jaloezie en pesterijen staande proberen te houden; Almeerse zorgmijders. @ [naam] "

en

" [slachtoffer 5] weet goed wat ik er mee bedoel. Voor de ogen van een obese zorgmijder

mishandelde hij me. Had er blauwe plekken van!"

Beide printscreens van de Tweets zijn als bijlage bij deze verklaring gevoegd. Ook door deze Tweets ben ik als wijkagent van de [wijk] te [woonplaats] in mijn

goede naam en eer aangetast.36

Verbalisant [verbalisant 8] heeft in een proces-verbaal van bevindingen onder meer het volgende gerelateerd, voor zover relevant voor het bewijs:

Ik ontving van de aangever [slachtoffer 5] twee screenshotberichten van Twitter.

Het eerste Twitterbericht (17 mei ‘20) betreft een screenshot van een

antwoord van [verdachte] . In dit bericht stond:

"Mede daardoor mijn zoon verloren heb en in een inrichting zat met dikke psychiaters "omdat ik te sterk vermagerd was". Gelooft ut? Ik heb de bewijzen ... alles kan in [woonplaats] !! De stad met de vrijheid tot groepspesten gesteund door @ [naam] en andere weinig snuggeren.>

Het tweede twitterbericht (24 mei ’20) betreft een screenshot van ME-zelf in [woonplaats] als antwoord @ [naam] .

Ik herinner me nog 2 blauwe plekken door jou bij de Cartoon omdat je een gesprek

weigerde over je eigen bijdrage aan groepspeterijen. Ik ben onschuldig! #medischemissers #valsemedlingen.

De twee screenshots van deze Twitterberichten worden als bijlage bij dit

proces-verbaal gevoegd.37

Verdachte heeft ter terechtzitting van 15 december 2020 onder andere het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:

U, voorzitter, houdt de ten laste gelegde Tweets voor en vraagt mij of ik die op Twitter heb geplaatst. Dat klopt.

Bewijsoverweging feit 8 subsidiair

Door en namens verdachte is aangevoerd dat geen sprake was van smaadschrift, omdat verdachte te goeder trouw heeft gehandeld, zodat sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Ter onderbouwing van die stelling heeft de raadsman ten eerste aangevoerd dat de uitlatingen van verdachte op Twitter op waarheid berustten. De rechtbank overweegt dat dit deel van het verweer wordt weerlegd door de bewijsmiddelen.

Ten tweede heeft de raadsman aangevoerd dat de noodzakelijke verdediging en het algemeen belang de tenlastelegging eiste. De rechtbank overweegt dat de door verdachte op Twitter geplaatste berichten naar aard en inhoud niet kunnen worden beschouwd als het algemeen belang dienend. De berichten lijken betrekking te hebben op de onvrede die verdachte heeft over haar ontzetting uit de ouderlijke macht. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden op welke manier de inhoud van die berichten zou moeten bijdragen aan een publiek debat.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

feit 1

op 26 juni 2020 te [woonplaats] , opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de (tweede verlenging d.d. 20 mei 2019 van de) gedragsaanwijzing d.d. 5 december 2019 gegeven door de officier van justitie te Midden-Nederland – kort weergegeven – (onder andere) inhoudende dat zij, verdachte, niet binnen een straal van 200 meter van basisschool [basisschool] te [woonplaats] zich mag ophouden/bevinden, door zich binnen een straal van 200 meter van basisschool [basisschool] te [woonplaats] op te houden/bevinden;

feit 2

op 5 juni 2018 te [woonplaats] , een ambtenaar, [slachtoffer 1] ( [naam] zorgcoördinator vangnet en advies [regio] ), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] te slaan/duwen tegen de schouder;

feit 3

in de periode van 18 december 2019 tot en met 6 januari 2020 te [woonplaats] opzettelijk, de eer en de goede naam van [slachtoffer 1] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en afbeeldingen verspreid en openlijk tentoongesteld, door op Twitter meerdere berichten te plaatsen – zakelijk weergeven –, te weten op:

- 18 december 2019 "koniging der pestkoppen" en

- 19 december 2019 "gevaarlijke [C] " en "beulen als [C] "

- 25 december 2019 "In [woonplaats] is er een speciaal pest en haat team, aan de top staat [C] ", met bijgevoegd foto van die [slachtoffer 1] en "En ook mensen oplichten kan ze goed. Hier liegt ze (...)" en "Ikzelf zie toch echt dat [C] allemaal mensen verward maakt! Ze faciliteert intolerant gedrag, zet mensen tegen elkaar op, troggelt handtekeningen los met leugens";

feit 4

op 7 juni 2019 te [woonplaats] opzettelijk, de eer en de goede naam van [slachtoffer 2] en [aangever 1] en medewerkers van [naam] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld, door een flyer/pamflet

- uit te delen aan passanten

terwijl deze flyer/dit pamflet onder andere de volgende teksten bevatte,

- ‘ [naam] , een kinderhandel organisatie betaald door het volk’,

- ‘ In Midden Nederland is er een maffia organisatie actief, die heet [naam] midden Nederland’ en

waarbij die [slachtoffer 2] en die [aangever 1] bij naam worden genoemd en worden omschreven als ‘kille handelaren’ en als werkzaam in de georganiseerde kinderhandel;

feit 5

op 4 december 2019 te [woonplaats] in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten sporthal [sporthal] ( [adres] ), wederrechtelijk aldaar vertoevende

zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar, aanstonds heeft verwijderd;

feit 6

in de periode van 18 november 2019 tot en met 4 december 2019 te [woonplaats] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , door meermalen

- aanwezig te zijn bij de volleybaltraining van [slachtoffer 4] ,

- voedsel bij de woning van die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] te brengen/zetten/leggen,

- een bericht over [slachtoffer 3] op Twitter te plaatsen,

- aan verschillende mensen aan te geven dat [slachtoffer 3] pedofiel is,

met het oogmerk die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , te dwingen iets te doen en te dulden;

feit 8 subsidiair

in de periode van 6 maart 2020 tot en met 24 mei 2020, althans in Nederland, telkens opzettelijk, de eer en de goede naam van [slachtoffer 5] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en afbeeldingen verspreid en openlijk tentoongesteld door die [slachtoffer 5] te taggen in meerdere berichten en reacties op Twitter en die berichten en reacties op Twitter te plaatsen en in die berichten de volgende teksten en foto op te nemen:

(6 maart 2020)

-“Mijn bil bevat n paar blauwe plekken, meneer de wijkagent verloor zijn

zelfbeheersing. Kijk mijn bil" en daarbij een foto met daarop een bil met een blauwe plek

en

(29 maart 2020)

-“Jarig. 4e verjaardag zonder mijn zoon. Uit mijn leven weggepest door groepspesterijen. Veelal dikke vrouwen die onder hun laag vet zelf de nodige problemen verbergen en zich met behulp van jaloezie en pesterijen staande proberen te houden; Almeerse zorgmijders. @ [naam] ”

en

-“ [slachtoffer 5] weet goed wat ik er mee bedoel. Voor de ogen van een obese zorgmijder

mishandelde hij me. Had er blauwe plekken van!”

en

(17 mei 2020)

-“Mede daardoor mijn zoon verloren heb en in een inrichting zat met dikke

psychiaters "omdat ik te sterk vermagerd was". Gelooft ut?

Ik heb de bewijzen ... alles kan in [woonplaats] !! De stad met de vrijheid tot

groepspesten gesteund door @ [naam] en andere weinig snuggeren.>”

en

(24 mei 2020)

-“Ik herinner me nog 2 blauwe plekken door jou bij de Cartoon omdat je een

gesprek weigerde over je eigen bijdrage aan groepspeterijen. Ik ben onschuldig!

#medischemissers

#valsemedlingen”;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen onder 1 tot en met 6 en 8 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

feit 1

opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering;

feit 2

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

feit 3, feit 4 en feit 8 subsidiair

telkens: smaadschrift;

feit 5

wederrechtelijk in een voor de openbare dienst bestemd lokaal vertoevende, zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar aanstonds verwijderen;

feit 6

belaging.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Uit de Pro Justitia-rapportage van drs. A. Witvliet, gezondheidszorgpsycholoog, volgt niet dat de bewezen verklaarde feiten aan verdachte in het geheel niet kunnen worden toegerekend. Er is ook overigens niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 200 dagen, met aftrek van het voorarrest, een gedeelte van 97 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 (drie) jaren.

Daarnaast heeft zij gevorderd dat de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van 1 jaar zal opleggen, inhoudend dat verdachte op geen enkele wijze contact zal zoeken en/of hebben met [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] en zich niet zal ophouden in de gemeente [woonplaats] . Voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, moet aan verdachte per overtreding twee weken hechtenis worden opgelegd, met een maximum van zes maanden.

De officier van justitie heeft ten slotte gevorderd de op te leggen vrijheidsbeperkende maatregel en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht een staf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Hij heeft verzocht geen vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte op te leggen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. Meer in het bijzonder geldt het volgende.

De aard en ernst van het feit
Verdachte heeft zich in een periode van ongeveer twee jaar schuldig gemaakt aan zeven verschillende strafbare feiten. Deze feiten houden (vrijwel) alle verband met haar wens om (opnieuw) het gezag te verkrijgen over haar zoon [slachtoffer 4] , die nu bij zijn vader [slachtoffer 3] – de ex-man/partner van verdachte – woont. In het kader van de zorgen over de psychische gesteldheid van verdachte en – in het verlengde daarvan – de beëindiging van het gezag over [slachtoffer 4] is er contact met verschillende instanties, waaronder de [naam] , en is de politie veelvuldig betrokken bij verdachte.

In 2018 heeft verdachte een medewerker van de [naam] mishandeld door haar hard te slaan/te duwen tegen haar schouder. Daarmee heeft verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ernstig aangetast. De rechtbank acht dit een ernstig feit. Als strafverzwarende omstandigheid geldt dat het slachtoffer, [slachtoffer 1] , in haar hoedanigheid als [naam] zorgcoördinator bij verdachte thuis kwam om haar zorg te bieden en te begeleiden. Toen verdachte iets las over haar gedwongen opname in 2016 is zij door het lint gegaan en heeft [slachtoffer 1] uit het niets mishandeld. Jegens datzelfde slachtoffer heeft verdachte in de periode van 18 december 2019 tot en met 6 januari 2020 verschillende smadelijke berichten op Twitter geplaatst. Ditzelfde heeft verdachte gedaan jegens [slachtoffer 2] en [aangever 1] , medewerkers van [naam] en [slachtoffer 5] , wijkagent. Door op die manier te handelen heeft zij de slachtoffers in hun goede naam en eer aangetast. Dit neem de rechtbank verdachte zeer kwalijk. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het belagen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , onder andere door hen thuis op te zoeken, daar eten achter te laten en naar de volleybaltraining van [slachtoffer 4] te gaan. Door dit laatste te doen heeft zij zich ook schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk. Ten slotte heeft zij zich binnen een straal van 200 meter van de basisschool van [slachtoffer 4] begeven, terwijl een gedragsaanwijzing gold waarin stond dat dit verboden was. Door het plegen van deze feiten jegens [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] heeft verdachte inbreuk gemaakt op hun persoonlijke levenssfeer. Uit de verschillende verklaringen van [slachtoffer 3] blijkt dat dit gedrag als zeer hinderlijk wordt ervaren. Door hem is meerdere keren gevraagd daarmee te stoppen, omdat het de ontwikkeling van hun zoon [slachtoffer 4] belemmert. Ook heeft hij in zijn schriftelijke slachtofferverklaring aangegeven dat hij hoopt dat verdachte professionele hulp zal krijgen bij haar problemen.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van verdachte kennisgenomen van de justitiële documentatie van 8 oktober 2020. Daaruit blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op een Pro Justitia rapport van 29 augustus 2020, opgemaakt door drs. A. Witvliet, gezondheidszorgpsycholoog. Daaruit blijkt dat verdachte niet heeft willen meewerken aan psychologisch onderzoek, omdat ze geen vertrouwen heeft in het onderzoek. Zij noemt “het uitgangsmateriaal niet objectief, omdat het te veel aannames bevat”. Uit de beschikbare bronnen en het korte contactmoment kan opgemaakt worden dat het (maatschappelijk) functioneren van verdachte de laatste jaren verslechtert en dat de kans reëel is dat dit (gedeeltelijk) voortkomt uit psychopathologische factoren. Echter, of er ten tijde van de ten laste gelegde feiten, indien bewezen, sprake is geweest van een psychopathologische stoornis is niet vast te stellen. De psycholoog kan hierdoor niet adviseren over de toerekenbaarheid van verdachte, het risico op recidive

en een advies voor behandeling.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsadvies van 30 november 2020, opgemaakt door R. van Duijn. Hij schrijft dat psychische problematiek de belangrijkste criminogene factor lijkt te zijn, maar dat dit niet kan worden onderbouwd, omdat verdachte onvoldoende heeft meegewerkt aan het Pro Justitia onderzoek. Verdachte heeft zelf geen hulpvraag en kan worden geclassificeerd als een zorgmijder. Het enige wat zij wil is de voogdij over haar zoon terug. Het huidige schorsingstoezicht is onlangs opgepakt door een toezichthouder. De verwachting is niet dat er in dit kader aan risicobeheersing gewerkt kan worden. Er is verder geen zicht op beschermende factoren. Het risico op recidive kan niet worden ingeschat. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. Indien de rechtbank besluit een contactverbod (met [slachtoffer 3] / [slachtoffer 4] ) als vrijheidsbeperkende

maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, is de reclassering van mening dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar moet worden verklaard.

De straf

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de aard en ernst van de feiten en in het licht van de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, acht de rechtbank het opleggen van een gevangenisstraf passend en geboden. Met de hierna te noemen straf beoogt de rechtbank leedtoevoeging als strafrechtelijke reactie op de door de verdachte gepleegde feiten. Een deel van de gevangenisstraf zal de rechtbank in voorwaardelijke zin aan verdachte opleggen, met als doel verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Gelet op de inhoud van hierboven genoemde rapporten van de psycholoog en de reclassering zal de rechtbank aan verdachte daarbij geen bijzondere voorwaarden opleggen, omdat de kans groot wordt geacht dat hulpverlening niet zal slagen. De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden en zal deze aan verdachte opleggen, zoals hierna in rubriek 10 is weergegeven.

De maatregel

De rechtbank zal ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten bevelen dat verdachte:

* zich niet ophoudt in de bebouwde kom van [woonplaats] ;

* op geen enkele wijze, direct noch indirect, contact zal zoeken en/of hebben met [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] .

De rechtbank legt deze vrijheidsbeperkende maatregel op voor de duur van 1 jaar. Voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan, zal per geval vervangende hechtenis voor twee weken worden opgelegd, met een maximum van zes maanden.

Gelet op de aard van en de veelvoud aan gepleegde strafbare feiten jegens [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en de inhoud van de in dit vonnis besproken rapporten van de hierboven genoemde psycholoog en de reclassering, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich (opnieuw) belastend zal gedragen jegens [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . Daarom zal zij bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 38v, 38w, 57, 139, 184a, 261, 285b, 300, 304, van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak feit 7 en feit 8 primair

- verklaart het onder 7 en 8 primair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring feit 1 tot en met 6 en 8 subsidiair

- verklaart het onder 1 tot en met 6 en 8 subsidiair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het onder 1 tot en met 6 en 8 subsidiair meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1 tot en met 6 en 8 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf en maatregel

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 200 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 96 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast;

- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 1 jaar;

  • -

    beveelt dat verdachte:

  • -

    op geen enkele wijze, direct noch indirect, contact zal zoeken en/of hebben met [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] tenzij met toestemming en op initiatief van [slachtoffer 3] ;

  • -

    zich niet zal bevinden/ophouden binnen de bebouwde kom van [woonplaats] ;

- beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel wordt vervangen door 2 weken hechtenis, tot een maximum van 6 maanden;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Eigeman, voorzitter, mrs. M.J.A.L. Beljaars en S.J.A. Rosendahl, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Fortuin, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 december 2020.

Mrs. Beljaars, Rosendahl en Fortuin zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

16/167069-20

zij op of omstreeks 26 juni 2020 te [woonplaats] , althans in het arrondissement Miden-nederland, opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de (tweede verlenging d.d. 20 mei 2019 van de) gedragsaanwijzing d.d. 5 december 2019 gegeven door de officier van justitie te Midden-Nederland kort weergegeven inhoudende dat zij, verdachte, niet (onder andere) binnen een straal van 200 meter van basisschool [basisschool] te [woonplaats] zich mag ophouden/bevinden door zich binnen een straal van 200 meter van basisschool [basisschool] te [woonplaats] op te houden/bevinden;

16/199931-18

zij, op of omstreeks 5 juni 2018 te [woonplaats] , een ambtenaar, [slachtoffer 1] ( [naam] zorgcoordinator vangnet en advies [regio] ), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] te slaan/duwen tegen de schouder, althans tegen het lichaam;

16/077889-20

zij, in of omstreeks de periode van 18 december 2019 tot en met 6 januari 2020 te [woonplaats] , althans in Nederland, opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [slachtoffer 1] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid en/of openlijk tentoongesteld, door op Twitter meerdere berichten te plaatsen -zakelijk weergeven-, te weten op:

- 18 december 2019 "koniging der pestkoppen" en/of

- 19 december 2019 "gevaarlijke [C] " en/of "beulen als [C] "

- 25 december 2019 "In [woonplaats] is er een speciaal pest en haat team, aan de top staat [C] ", met bijgevoegd foto van die [slachtoffer 1] en/of "En ook mensen oplichten kan ze goed. Hier liegt ze (...)" en/of "Ikzelf zie toch echt dat [C] allemaal mensen verward maakt! Ze faciliteert intolerant gedrag, zet mensen tegen elkaar op, troggelt

handtekeningen los met leugens";

16/123765-20

1

zij op of omstreeks 7 juni 2019 te [woonplaats] opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [slachtoffer 2] en/of [aangever 1] en/of (medewerkers van) [naam] heeft aangerand,

door tenlastelegging van een bepaald(e) feit(en), met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk

tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door een flyer/pamflet

- uit te delen aan passanten en/of

- bij meerdere bewoners in de brievenbus te stoppen, terwijl deze flyer/dit pamflet onder andere de volgende teksten bevatte,

- ‘ [naam] , een kinderhandel organisatie betaald door het volk’,

- ‘ In Midden Nederland is een maffia organisatie actief, die heet [naam] midden Nederland’

en/of

waarbij die [slachtoffer 2] en die [aangever 1] bij naam worden genoemd en worden omschreven als ‘kille handelaren’ en/of als werkzaam in de georganiseerde kinderhandel;

2

zij op of omstreeks 4 december 2019 te [woonplaats] in een voor de openbare dienst bestemd lokaal, te weten sporthal [sporthal] ( [adres] ), wederrechtelijk aldaar vertoevende

zich niet op de vordering van de bevoegde ambtenaar, aanstonds heeft verwijderd;

3

zij in of omstreeks de periode van 18 november 2019 tot en met 4 december 2019 te [woonplaats] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , door meermalen

- aanwezig te zijn bij de volleybaltraining van [slachtoffer 4] ,

- voedsel bij de woning van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] te brengen/zetten/leggen,

- foto’s van [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] op Facebook te plaatsen,

- berichten over [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] op Twitter te plaatsen,

- op You Tube filmpjes te plaatsen, waarin verdachte zich negatief uitlaat over [slachtoffer 3] en/of meerdere betrokkenen rondom [slachtoffer 4] ,

- WhatsApp berichten te sturen aan [B] (vriendin van [slachtoffer 3] ),

- aan verschillende mensen aan te geven dat [slachtoffer 3] pedofiel is, met het oogmerk die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

4

zij in of omstreeks de periode van 19 februari 2020 tot en met 27 februari 2020 te [woonplaats]

meermalen opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de

gedragsaanwijzing d.d. 5 december 2019 gegeven door de officier van justitie te

Utrecht, arrondissement Midden-Nederland, kort weergegeven (onder andere) inhoudende dat zij , verdachte, niet in contact mag treden met [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 3] en/of zich niet mag ophouden binnen een straal van 200 meter van (onder andere) de woning van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] (te weten aan de [adres] ), meermalen door een kaart (gericht aan [slachtoffer 4] ) door de brievenbus te doen van de woning van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] ;

16/186652-20

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 maart 2020 tot en met 24 mei 2020 te [woonplaats] , althans in Nederland, (telkens) opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [slachtoffer 5] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften of afbeeldingen, verspreid, openlijk, tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door die [slachtoffer 5] te taggen in één of meerdere berichten en/of reacties op Twitter en/ die berichten en/of reacties op Twitter te plaatsen en/of in die berichten de volgende teksten en/of foto op te nemen:

(6 maart 2020)

-“Mijn bil bevat n paar blauwe plekken, meneer de wijkagent verloor zijn zelfbeheersing. Kijk mijn bil" en/of daarbij een foto met daarop een bil met een blauwe plek

en/of

(29 maart 2020)

-“Jarig. 4e verjaardag zonder mijn zoon. Uit mijn leven weggepest door groepspesterijen. Veelal dikke vrouwen die onder hun laag vet zelf de nodige problemen verbergen en zich met behulp van jaloezie en pesterijen staande proberen te houden; Almeerse zorgmijders. @ [naam] ”

en/of

-“ [slachtoffer 5] weet goed wat ik er mee bedoel. Voor de ogen van een obese zorgmijder

mishandelde hij me. Had er blauwe plekken van!”

en/of

(17 mei 2020)

-“Mede daardoor mijn zoon verloren heb en in een inrichting zat met dikke psychiaters "omdat ik te sterk vermagerd was". Gelooft ut? Ik heb de bewijzen ... alles kan in [woonplaats] !! De stad met de vrijheid tot groepspesten gesteund door @ [naam] en andere weinig snuggeren.>”

en/of

(24 mei 2020)

-“Ik herinner me nog 2 blauwe plekken door jou bij de Cartoon omdat je een gesprek weigerde over je eigen bijdrage aan groepspeterijen. Ik ben onschuldig! #medischemissers

#valsemedlingen”, terwijl verdachte wist dat dit ten laste gelegde feit in strijd met de waarheid was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 maart 2020 tot en met 24 mei 2020 te [woonplaats] , althans in Nederland, (telkens) opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [slachtoffer 5] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door die [slachtoffer 5] te taggen in één of meerdere berichten en/of reacties op Twitter en/ die berichten en/of reacties op Twitter te plaatsen en/of in die berichten de volgende teksten en/of foto op te nemen:

(6 maart 2020)

-“Mijn bil bevat n paar blauwe plekken, meneer de wijkagent verloor zijn

zelfbeheersing. Kijk mijn bil" en/of daarbij een foto met daarop een bil met een

blauwe plek

en/of

(29 maart 2020)

-“Jarig. 4e verjaardag zonder mijn zoon. Uit mijn leven weggepest door

groepspesterijen. Veelal dikke vrouwen die onder hun laag vet zelf de nodige

problemen verbergen en zich met behulp van jaloezie en pesterijen staande

proberen te houden; Almeerse zorgmijders. @ [naam] ”

en/of

-“ [slachtoffer 5] weet goed wat ik er mee bedoel. Voor de ogen van een obese zorgmijder

mishandelde hij me. Had er blauwe plekken van!”

en/of

(17 mei 2020)

-“Mede daardoor mijn zoon verloren heb en in een inrichting zat met dikke

psychiaters "omdat ik te sterk vermagerd was". Gelooft ut?

Ik heb de bewijzen ... alles kan in [woonplaats] !! De stad met de vrijheid tot

groepspesten gesteund door @ [naam] en andere weinig snuggeren.>”

en/of

(24 mei 2020)

-“Ik herinner me nog 2 blauwe plekken door jou bij de Cartoon omdat je een

gesprek weigerde over je eigen bijdrage aan groepspeterijen. Ik ben onschuldig!

#medischemissers

#valsemedlingen”;

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 27 juni 2020, genummerd PL0900-2020202617, opgemaakt door politie Midden-Nederland, districtsrecherche Flevoland, doorgenummerd pagina 1 tot en met pagina 18. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Pagina 12.

3 Pagina 13, 15 en 16.

4 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 11 oktober 2018, genummerd PL0900-2018162864 opgemaakt door politie Midden-Nederland, district Flevoland, basisteam Almere Buiten Hout, doorgenummerd pagina 1 tot en met pagina 24. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

5 Pagina 3.

6 Pagina 4.

7 Pagina 6.

8 Pagina 7.

9 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 24 maart 2020, genummerd PL0900-2020018354 opgemaakt door politie Midden-Nederland, district Flevoland, basisteam Almere Buiten Hout, doorgenummerd pagina 1 tot en met pagina 127. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

10 Pagina 1 en 2 en de bijlagen op pagina 8, 14, 16, 17, 19 en 21.

11 Pagina 23.

12 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 19 mei 2020, genummerd PL0900-2020065791 (dit hoofdnummer bevat vier zaaksdossiers: zaak 1: 2019345580, zaak 2: 2019187913, zaak 3: 2019363494, zaak 4: 20200655791) opgemaakt door politie Midden-Nederland, district Flevoland, doorgenummerd pagina 1 tot en met pagina 151. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

13 Pagina 79.

14 Pagina 81.

15 Pagina 82.

16 Pagina 83.

17 Pagina 86.

18 Pagina 89 en de flyer in de bijlage op pagina 91 en 92.

19 Pagina 93.

20 Pagina 100.

21 Pagina 2.

22 Pagina 3.

23 Pagina 52.

24 Pagina 47.

25 Pagina 61.

26 Pagina 63.

27 Pagina 18.

28 Bijlage op pagina 21 tot en met 24.

29 Pagina 19.

30 Pagina 13.

31 Pagina 16.

32 Pagina 100.

33 Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, ongedateerd, genummerd PL0900-2020086326 opgemaakt door politie Midden-Nederland, district Flevoland, basisteam Almere Buiten Hout, ongenummerd, in PDF pagina 1 tot en met pagina 21. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

34 Pagina 1 in PDF.

35 Pagina 2 in PDF en de Tweet in de bijlage op pagina 9 in PDF.

36 Pagina 10 in PDF en de Tweets in de bijlagen op pagina 12 en 13 in PDF.

37 Pagina 14 in PDF en de Tweets in de bijlagen op pagina 16 en 17 in PDF.