Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2020:581

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-02-2020
Datum publicatie
03-03-2020
Zaaknummer
489906 / HA ZA 19-107
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proces-verbaal
Inhoudsindicatie

mondeling vonnis, koopovk winkel, pandrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

handelskamer

locatie Utrecht

zaaknummer / rolnummer: 489906 / HA ZA 19-107

Proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 6 februari 2020

in de zaak van

de stichting

STICHTING ZEKERHEDENAGENT COLLIN CROWDFUND,

gevestigd te Udenhout,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

hierna: Zekerhedenagent,

advocaat mr. A.A. Zeilstra te Arnhem,

procesadvocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde sub 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

hierna samen: [gedaagde sub 1] ,

advocaat mr. V.O. Agterberg te Utrecht.

De zitting wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank.

Tegenwoordig zijn mr. A.A.T. van Rens, rechter, en mr. I.WM. Dirksen, griffier.

Na uitroeping van de zaak verschijnen

  • -

    [A] , [functie van A] bij Zekerhedenagent,

  • -

    [B] ,

  • -

    [C] ,

  • -

    mr. Zeilstra voornoemd,

  • -

    L. [gedaagde sub 3] ,

  • -

    mr. Agterberg voornoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Het procesdossier bevat:

  • -

    de dagvaardingen van 17 oktober 2019 met producties 1 tot en met 25,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 21,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie met productie 26,

  • -

    de producties 22A, 22B en 23 van [gedaagde sub 1] ,

  • -

    de akte wijziging van eis van [gedaagde sub 1] ,

  • -

    de akte na wijzing van eis van Zekerhedenagent.

1.2. Op de zitting van 6 februari 2020 hebben partijen hun standpunten verder toegelicht. Na een schorsing van de zitting heeft de rechter mondeling uitspraak gedaan. In dit proces-verbaal is die uitspraak vastgelegd.

2 Waar gaat het over?

2.1.

[achternaam van B en C] heeft aan [gedaagde sub 1] zijn souvenirwinkel in [vestigingsplaats] verkocht. De koopprijs is nog niet betaald. Zekerhedenagent heeft een vermeend pandrecht op de vordering van [achternaam van B en C] op [gedaagde sub 1] en spreekt [gedaagde sub 1] aan tot betaling. [gedaagde sub 1] weigert vooralsnog iets te betalen.

2.2.

Zekerhedenagent vraagt in deze procedure om hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] tot betaling aan Zekerhedenagent van ruim € 100.000,00, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

2.3.

[gedaagde sub 1] vraagt in reconventie om een verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen [achternaam van B en C] en [gedaagde sub 1] kan worden vernietigd als het gaat om de koopsom wegens bedrog of dwaling en dat bij instandhouding van de koopovereenkomst [gedaagde sub 1] nadeel lijdt ter hoogte van circa € 104.000,00. Verder vraagt [gedaagde sub 1] Zekerhedenagent te veroordelen aan [gedaagde sub 1] circa € 104.000,00 te betalen en de proceskosten.

3 De mondelinge uitspraak

Ontvankelijkheid Zekerhedenagent

3.1.

[gedaagde sub 1] vindt dat Zekerhedenagent niet ontvankelijk moet worden verklaard. De daarvoor aangevoerde argumenten slagen niet.

3.2.

Uit de leenovereenkomst tussen [achternaam van B en C] en Colin Crowdfund N.V. blijkt dat Zekerhedenagent een zelfstandige (parallelle) vordering op [achternaam van B en C] heeft ter hoogte van de openstaande lening. Zekerhedenagent kan dus ook optreden als de partij die de door [achternaam van B en C] verstrekte zekerheden op naam kreeg. Colin Crowdfund N.V. hoefde daarvoor niet mee te tekenen.

3.3.

Wat de hoogte van de vordering van Zekerhedenagent op [achternaam van B en C] is, is voor de ontvankelijkheid van Zekerhedenagent niet van belang. Als [gedaagde sub 1] meer betaalt aan Zekerhedenagent dan het bedrag van de vordering van Zekerhedenagent op [achternaam van B en C] , dan moet Zekerhedenagent het overschot afdragen aan [achternaam van B en C] of ter beschikking te stellen voor eventuele beslagleggers.

3.4.

Op 26 januari 2019 heeft [achternaam van B en C] zijn vorderingen inclusief vorderingen voortvloeiend uit overeenkomsten van dat moment verpand aan Zekerhedenagent. Op 26 januari 2019 was de koopovereenkomst tussen [achternaam van B en C] en [gedaagde sub 1] al gesloten. De verplichting van [gedaagde sub 1] om de koopprijs te betalen vloeit voort uit die overeenkomst. Die vordering is dus rechtsgeldig verpand. Zekerhedenagent heeft ook mededeling gedaan van die verpanding aan [gedaagde sub 1] , waarmee [gedaagde sub 1] alleen nog rechtsgeldig kan betalen aan Zekerhedenagent.

Andere verweren

3.5.

[gedaagde sub 1] heeft in deze procedure het recht om alle verweren te voeren die hij ook zou kunnen voeren tegen [achternaam van B en C] op voorwaarde dat het verweer grondslag vindt in de koopovereenkomst.

Hoogte koopsom

3.6.

[gedaagde sub 1] voert aan dat de koopsom volgens de koopovereenkomst € 80.000,00 is. [gedaagde sub 1] betwist dat is afgesproken dat er daarnaast nog € 25.000,00 contant zou worden betaald. De vermeende contante betaling is niet in de koopovereenkomst opgenomen. Zekerhedenagent heeft [gedaagde sub 1] in eerste instantie ook aangesproken tot betaling van

€ 80.000,00. Zekerhedenagent heeft alleen een verklaring overgelegd van de vader van [achternaam van B en C] , waaruit blijkt dat hij over betaling van € 25.000,00 extra zou hebben gehoord van [gedaagde sub 3] Dat is onvoldoende om Zekerhedenagent toe te laten tot bewijslevering op dit punt.

Bedrog of dwaling

3.7.

[gedaagde sub 1] stelt zich op het standpunt dat de koopovereenkomst kan worden vernietigd op grond van bedrog of dwaling. Voor beide beroepen geldt dat het moet gaan om zaken die bij het tekenen van de overeenkomst al speelden en dus niet om gedragingen van [achternaam van B en C] van na het sluiten van de overeenkomst (zoals het gestelde niet achterlaten van voorraad en inventaris).

3.8.

Als het gaat om de waarde van de inventaris, de voorraad en de goodwill is onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat [achternaam van B en C] in dat verband bedrog heeft gepleegd of dat daarover is gedwaald door [gedaagde sub 1] . De goodwill is voor een souvenirwinkel als deze met name gekoppeld aan de plek en de omzet die daar kan worden gerealiseerd. [achternaam van B en C] heeft meegewerkt aan overname van de huurovereenkomst door [gedaagde sub 1] . Daarmee heeft [achternaam van B en C] in beginsel de goodwill overgedragen. Wat betreft de schulden aan leveranciers is onvoldoende gebleken dat [gedaagde sub 1] bij die wetenschap een zodanig belang had dat [achternaam van B en C] dat had moeten zeggen. [gedaagde sub 1] kan zich ten opzichte van leveranciers op het standpunt stellen dat zij bij [achternaam van B en C] moeten zijn, zoals [gedaagde sub 1] ook doet. De goodwill is bij een winkel als deze ook niet afhankelijk van de leveranciers, maar van de plek en de ‘loop’ naar de winkel.

3.9.

Daarbij is niet gebleken dat de waarde van de inventaris en voorraad niet juist zou zijn. [achternaam van B en C] had de verplichting om te leveren zonder dat er een pandrecht op rustte. Aan die verplichting heeft [achternaam van B en C] voldaan. Zekerhedenagent heeft zich niet beroepen op een pandrecht op voorraad en inventaris. Zekerhedenagent heeft (feitelijk) ingestemd met verkoop door de koopsom te incasseren op basis van haar pandrecht op die vordering.

3.10.

Het beroep van [gedaagde sub 1] op bedrog of dwaling zal daarom worden verworpen.

Geleverde zaken

3.11.

[gedaagde sub 1] voert verder aan dat [achternaam van B en C] geen of te weinig voorraad heeft geleverd. In de koopovereenkomst staat dat [achternaam van B en C] de courante voorraad zou leveren. Op 5 januari 2019 schatte [achternaam van B en C] die voorraad op € 5.000,00. [gedaagde sub 1] heeft facturen overgelegd van de voorraden die hij na de overname van de winkel heeft gekocht en een verklaring van een makelaar, waarin staat dat er bij de oplevering wat betreft voorraad wat losse items aanwezig waren.

3.12.

Allereerst geldt dat het niet ongebruikelijk is dat na overname van een winkel nieuwe voorraad wordt ingekocht. Daarbij was er kennelijk wel wat voorraad aanwezig. In de koopovereenkomst is de voorraad niet gespecificeerd, terwijl de koopovereenkomst is opgemaakt door [gedaagde sub 1] . De vraag is of die voorraad voldoende was om te voldoen aan het criterium ‘courante voorraad’. Omdat [gedaagde sub 1] pas in een later stadium met deze klacht is gekomen en verder niet heeft gespecificeerd en bijvoorbeeld met foto’s onderbouwd wat er wel aan voorraad aanwezig was, is nu niet meer na te gaan of de overeengekomen voorraad aanwezig was. Mede gelet op het bepaalde in artikel 6:89 BW slaagt dit verweer daarom niet.

3.13.

Ook voor wat betreft de inventaris heeft [gedaagde sub 1] pas na geruime tijd geklaagd. Volgens de makelaar van [gedaagde sub 1] waren er stellingen aanwezig. [gedaagde sub 1] zelf stelt zich op het standpunt dat er alleen twee kasten met ieder twee molens waren. Het is onvoldoende aannemelijk geworden dat er geen inventaris was. [gedaagde sub 1] heeft bijvoorbeeld geen stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat hij direct nieuwe stellingen of displays heeft moeten kopen. [gedaagde sub 1] geeft aan dat hij daar nog geen factuur van heeft, omdat een vriend die timmerman is dat heeft gebouwd. De rechter vindt het onaannemelijk dat [gedaagde sub 1] talloze voorraaditems heeft gekocht terwijl er kennelijk nauwelijks een mogelijkheid was om die ook in de winkel te verkopen. Dat een van de kasten die bij de inventaris zouden behoren in bruikleen zou zijn, is onvoldoende om te oordelen dat [achternaam van B en C] niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan. De rechter vindt het aannemelijk dat een leverancier van items een display zoals een molen in bruikleen geeft als er van hem ook goederen worden afgenomen. Dat de airconditioning installatie niet zou zijn betaald, is ook onvoldoende om te oordelen dat [achternaam van B en C] niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan. [gedaagde sub 1] heeft niet gesteld dat de leverancier van de airconditioning nog eigenaar is van de installatie. Hij heeft de airconditioning dus geleverd gekregen. [gedaagde sub 1] heeft verder aangevoerd dat er geen kassasysteem en geen pinapparaat aanwezig was en dat hij dat heeft moeten aanschaffen. Ook daarbij speelt een belangrijke rol dat hierover pas in een heel laat stadium is geklaagd, terwijl [gedaagde sub 1] bij de overdracht beschikte over een advocaat. Het was aan [gedaagde sub 1] geweest om als hij niet geleverd kreeg wat hij moest hebben, dat vast te leggen. Dat heeft [gedaagde sub 1] niet gedaan.

Verdere verweren

3.14.

[gedaagde sub 1] doet ook een beroep op verrekening van allerlei posten. Dit beroep is terecht voor wat betreft de door [achternaam van B en C] op grond van het vonnis in kort geding van 13 maart 2019 aan hem verschuldigde proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente en nakosten.

3.15.

[gedaagde sub 1] heeft verder aangevoerd dat hij € 4.600,00 heeft moeten betalen aan de verhuurder in verband met een huurachterstand. Op de factuur staat ‘Vergoeding zoals besproken met V. Agterberg’. Zekerhedenagent heeft aannemelijk gemaakt dat de verhuurder de bestaande huurachterstand van [achternaam van B en C] heeft verrekend met de borgsom van [achternaam van B en C] en het restant van de borgsom heeft terugbetaald aan [achternaam van B en C] . Gelet daarop is onvoldoende gebleken dat [achternaam van B en C] een huurachterstand had. Dat betekent dat [gedaagde sub 1] deze € 4.600,00 niet mag verrekenen met haar verplichting tot betaling van de koopsom.

3.16.

Dat goodwill niet zou kunnen worden verpand, zoals [gedaagde sub 1] heeft aangevoerd, is niet relevant. Zekerhedenagent spreekt [gedaagde sub 1] namelijk niet aan als pandhouder van goodwill, maar als pandhouder van de vordering van [achternaam van B en C] uit de koopovereenkomst.

3.17.

Wat hiervoor is overwogen betekent ook dat [gedaagde sub 1] geen aanspraak kan maken op de gestelde door [achternaam van B en C] verschuldigde boetes uit hoofde van de koopovereenkomst.

3.18.

[gedaagde sub 1] maakt verder aanspraak op een door [achternaam van B en C] verschuldigde boete in verband met de te late nakoming door [achternaam van B en C] van het kort geding vonnis. Uit dit vonnis en de betekening ervan volgt dat [achternaam van B en C] zijn medewerking moest verlenen aan overdracht van de huurovereenkomst op uiterlijk 16 maart 2019. [achternaam van B en C] heeft op die dag getekend, waarna de verhuurder heeft beslist dat hij het daarna zou afwikkelen met [gedaagde sub 1] (zie e-mail verhuurder van 15 maart 2019). [achternaam van B en C] heeft dus aan zijn verplichting voldaan.

3.19.

De stelling van [gedaagde sub 1] dat er sprake zou zijn van ongerechtvaardigde verrijking is niet juist. Gezien de koopovereenkomst is er namelijk een titel voor de gevorderde betaling.

3.20.

Het beroep van [gedaagde sub 1] op een onrechtmatige daad van [achternaam van B en C] gaat evenmin op. [gedaagde sub 1] heeft niet aangegeven welk handelen van [achternaam van B en C] onrechtmatig zou zijn ten opzichte van [gedaagde sub 1] als de koopovereenkomst wordt weggedacht. Daarnaast kan [gedaagde sub 1] zijn schuld aan Zekerhedenagent op grond van openbare verpanding van de vordering uit de koopovereenkomst met [achternaam van B en C] niet verrekenen met schade uit hoofde van onrechtmatige daad van [achternaam van B en C] na de mededeling door Zekerhedenagent van de verpanding.

De vorderingen

3.21.

Gelet op het voorgaande zal [gedaagde sub 1] in conventie hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan Zekerhedenagent van een bedrag van € 76.496,14 (€ 80.000,00 aan koopsom - € 3.503,86 aan proceskosten kort geding met wettelijke rente en nakosten), te vermeerderen met wettelijke handelsrente daarover vanaf 26 maart 2019.

3.22.

Zekerhedenagent maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Zij heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag is echter hoger dan het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal worden toegewezen tot het wettelijke tarief van € 1.539,96. [gedaagde sub 1] zal hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling daarvan.

3.23.

De gevorderde wettelijke rente over de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.

3.24.

[gedaagde sub 1] zal als de in conventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Zekerhedenagent worden begroot op:

- dagvaarding € 198,02

- griffierecht 4.030,00

- salaris advocaat 3.414,00 (2,0 punten × tarief € 1.707,00)

Totaal € 7.642,02

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen.

3.25.

In reconventie zullen de vorderingen van [gedaagde sub 1] worden afgewezen.

3.26.

[gedaagde sub 1] zal als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Zekerhedenagent worden begroot op € 853,50 aan salaris advocaat (1,0 punt × factor 0,5 × tarief € 1.707,00).

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen.

3.27.

De nakosten, waarvan Zekerhedenagent zowel in conventie als in reconventie betaling vordert, zullen worden begroot zoals in 4.9. is vermeld. De gevorderde wettelijke rente over de nakosten zal worden toegewezen.

4 De beslissing

De rechtbank

in conventie

4.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan Zekerhedenagent te betalen een bedrag van € 76.496,14 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW daarover met ingang van 26 maart 2019 tot de dag van volledige betaling,

4.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan Zekerhedenagent te betalen een bedrag van € 1.539,96 aan buitengerechtelijke incassokosten, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

4.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van Zekerhedenagent tot op vandaag begroot op € 7.642,02, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

4.4.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

4.6.

wijst de vorderingen af,

4.7.

veroordeelt [gedaagde sub 1] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Zekerhedenagent tot op vandaag begroot op € 853,50, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

4.8.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in conventie en reconventie

4.9.

veroordeelt [gedaagde sub 1] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Zekerhedenagent volledig aan dit vonnis voldoet, hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 205,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,
- te vermeerderen, indienbetekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening.

Waarvan proces-verbaal,